"Ups" en "downs" in het Indische leven

Part 27

Chapter 274,087 wordsPublic domain

Sedert zij waren, wat vooral door hen, die ervan gebruik maakten, „woekeraars” werd genoemd, hadden zij ervaringen opgedaan. Zij leenden geld onder borgstelling en tegen onderpand; kleine bedragen meest, ten minste altijd beneden de duizend gulden; als het heel solied was, rekenden zij één percent rente in de maand, dan waren er twee goede borgen of een op driemaal ’t bedrag te schatten onderpand. En nog liepen zij er dan in, vooral toen ze pas begonnen en ze de menschen, die geld te leen vroegen, nog niet goed kenden; de borgen evenmin; dan bleek het dat na twee, drie maanden de schuldenaar niet langer rente en aflossing betaalde en hadden ook de borgen zich door allerlei kunstgrepen als het ware in een fictieven staat van kennelijk onvermogen weten te brengen, waardoor zij onaantastbaar werden voor den schuldeischer.

Dàt was het groote verdriet van Freddy en Roos; dáár hadden zij wat over getobd! Zij hadden gedacht dat het zoo gemakkelijk was geld te leenen tegen hooge rente. En het was ook gemakkelijk. Iets anders was: het op tijd terug te krijgen. Die moeielijkheid hadden zij te gering geschat; te veel de terugbetaling als een sous-entendu beschouwd, en nu veroorzaakte dit wat zij hun „bankroetjes” noemden.

Na het eerste jaar hadden die „bankroetjes” hun winst nagenoeg geheel verslonden en toen ze samen de rekening hadden afgesloten op Oudejaarsavond, keken ze erg sip en treurig; en of ze al zaten te rekenen en in hun boeken de achterstallige crediteuren aankalkten voor de rente niet alleen, maar ook voor de rente van de rente,—het resultaat was de moeite niet waard. Roos had in den loop van het jaar één factuurtje juweelen voor een Arabier van de hand gezet, heel geheimzinnig, aan chineesche njonjas en vrouwen van inlandsche hoofden, dááraan had ze meer verdiend, dan met de heele geldschieterij.

En daar heette men waarachtig nog „woekeraar” voor op den koop toe!

Zij waren nu slimmer geworden, vooral Roos; slechts één zwak had zij: zij liet zich gemakkelijk tot geld leenen overhalen door zwangere vrouwen; als ze bemerkte, dat er zóó een in aantocht was, zond ze Freddy naar het kantoortje, wetend dat diens hardvochtigheid tegen de proëminentse zwangerschap bestand was, en hij zich niet zou laten vermurwen, al werd er voor zijn voeten bevallen.

Maar Freddy had ook zijn zwakke zijde; hij kon geen knielende mannen zien zonder innig medelijden te krijgen. Dáár hadden ze al wat koopjes door gesnapt! En nu dat bekend werd onder die rakkers van arme sinjoos, lag er om ’n haverklap een voor Freddy op de knieën. Als Roos zulk een volkje in het oog kreeg, ging zij hen in ’t kantoor ontvangen; zij kon best tegen zoo’n knielpartijtje; dat liet haar koud! En in plaats zich door het aanbieden der hoogste rente te laten verleiden of door de smeekbeden van den geknielde, schold zij hem de huid vol om zijn ondeugden, die hem altijd weer in moeilijkheden brachten.

Soms, als er een fatsoenlijk man kwam, buiten schuld in nood geraakt, maar hard werkend, zuinig en oppassend, leenden zij geld zonder borgstelling of onderpand, maar natuurlijk om zich te dekken, voor hun risico, tegen vijf percent ’s maands. Die menschen betaalden nog het best! En Roos trok er de conclusie uit, dat wie toch maar goed doet, goed ontmoet. Daar bluften ze op als er in gezelschap van zoo’n arme familie werd gesproken en haar fatsoenlijkheid werd geprezen. „Ja,” kon Roos dan zeggen met haar dik donker gezicht, nog altijd even vol en zonder rimpel of plooi, de groote oogen zedig neergeslagen, den mond tot een toetertje: „Ja, het zijn zulke lieve menschen. Wij hebben ze nog eens kunnen helpen. Dat heeft me heel veel plezier gedaan.”

Maar de man, die nu zoo onbeschoft was op Zondagmorgen te komen, behoorde niet tot die lieve menschen. Hij was integendeel een zeer „insolied merk”, het minste dat van hem werd gezegd, was, dat hij opium schoof.

„Ik zal maar even gaan,” zei Roos, ongerust.

„Waarom? Laat mij het maar afhandelen.”

„Geen gekheid dan, Fred!”

Hij haalde minachtend de schouders op, zijn zwak wel kennend, maar niet erkennend.

„Mijnheer,” zei de man; toen Freddy met vertoon van kantoordeftigheid achter zijn lessenaar was gaan zitten, „ik ben zoo vrij u nog eens lastig te komen vallen. Och, mijnheer, help mij toch aan honderd gulden, asjeblieft. Heb kasian, mijnheer, ik zit zoo in den nood.”

„Je weet, Plents.... met solide borgen....”

Maar het was, zooals Roos zei: die had zoo’n akelige kerel nooit. Plents echter, liet zich niet afschrikken; hij bad en smeekte, hij redeneerde niet, sprak niet van zijn eerlijkheid, hij drong maar jammerend aan; en toen Freddy altijd door van neen schudde, ging Plents met ’n schuiver ineens op zijn knieën, de handen gevouwen, de oogen smeekend omhoog.

„Ik bid u als God, mijnheer! Ik val aan uw voet!”

Eenigszins verschrikt was Freddy snel opgestaan; dat vond hij toch zoo’n beroerd gezicht!

„Ja,” zei hij boos, maar niet goed wetend hoe eruit te komen, „het is alles heel mooi; sta nu op, asjeblieft. Ik houd daar volstrekt niet van.”

Maar Plents was zoo verschoven niet of hij zag ’t voordeel, en terwijl zich het kantoortje langzamerhand vulde met de vieze zoet rookerige opiumlucht, die hij uitademde en die uit zijn haren en zijn kleeren werd opgenomen in de atmosfeer, klonk klagend en smeekend zijn doffe stem, met akelige gemaakte woorden, die hij zeker wel eens had gelezen in ouderwetsche boeken of als klerk in officieele stukken enz.

„Edele heer, heb toch kasian! Ik smeek u met verschuldigden eerbied. Ik lig als een slaaf aan uw voeten. Help mij, edele heer! Ik heb de eer u erom te bidden. Ach, de wereld heeft mij verstooten! Wees gij mijn redder in den nood. ’t Welk doende, edele heer, ’t welk doende!”

„Gévédé!” riep Freddy, „kerel schei toch uit!”—Hij had er geen woord van verstaan; hij was enkel beroerd geworden van het zien van dien man daar op de mat op z’n knieën, die naar hem opkeek met z’n groote zwarte oogen met den roodachtigen achtergrond van schuivers en drinkers; en dat gepaard aan het huilerig smeeken werkte altijd op zijn zenuwen; ook nu weer zoo, dat de tranen hem in de oogen stonden.

„Ik leen je geen honderd gulden,” hield hij nochtans vol.

Freddy ging achteruit ’n paar schreden, maar Plents kroop hem na op de knieën, hard er mee ponkend op den vloer, alsof hij er het eelt aan had van tien monniken. En hij begon weer:

„Als het dan geen honderd gulden kunnen zijn, och, edele heer, dan smeek ik met referte aan mijn verzoek, diep in het stof....”

Weêr vloekte Freddy: „Gévédé, als je nu niet uitscheidt....”

De handen gingen opnieuw smeekend omhoog.

„Edele heer!” riep Plents, „ik heb een koe op mijn erf.”

Daar waggelde Roos met haastige waggelstappen naar binnen; de zorg in de plooi tusschen haar wenkbrauwen, boosheid in de trekken om den mond.

„Wat doe je toch!” riep ze ontsteld, Freddy ziende met de hand aan het geldtrommeltje, dat hij uit de brandkast gehaald en op zijn lessenaar gezet had.

„Hij heeft een koe.”

„Zoo,” zei Roos ineens van toon veranderd, belangstellend maar wantrouwend. „En wat is het er voor een?”

„’n Bengaalsche,” zei Plents, die opgestaan was, en, voorover gebogen, met z’n zakdoek het mattenstof van z’n broeksknieën sloeg.

„Zeker ’n droge, hè?”

Maar Plents schudde het hoofd met ernst en vastheid.

„Pas drie maanden gekalfd, mevrouw; zes flesschen daags.”

„Nou ja,” zei ze met een zucht. „Dáár weten we alles van!” Maar ze dacht er toch aan met welbehagen. Wat zou het heerlijk zijn, als ze nog ’n flinke melkkoe hadden! Als ze dien vent nu wat geld leenden met de koe tot onderpand en voor ’n paar maanden, dan was er vooreerst het voordeel, dat men met de melk.... Voorts betaalde Plents zeker niet, want dat deed hij nooit, en dan was na dien tijd, juist tegen haar bevalling, de bengaalsche koe, die zes flesschen melk daags gaf, voor ’n bagatel hun eigendom.

„Hoeveel vraagt hij?” fluisterde zij tegen haar man.

„Vijftig pop.”

„Zeg eens Plents, waar is die koe?” Hij wees met z’n duim over z’n schouder.

„Op mijn erf, mevrouw.”

„Kunnen we hem eens zien?” ’t Was ’n vaste gewoonte van Roos een rund, een hond en een vogel „hem” te noemen, zonder aanzien des geslachts.

„Wel zeker; als u maar dadelijk meêgaat.”

Schoon het Zondagochtend was, deed zij het, en onder een groote en-tout-cas van roomkleurige katoenen kant, rood doorschijnend van de voering en met zwalpend afhangend punt-ornament van dezelfde stof, waggelde zij, rechtuit kijkend, den weg af, met deftige langzaamheid, een dikke, breede bobbel, onder de door ’t spannen in plooien stijf-glad trekkende helderwitte kabaja; de broodmagere Plents naast haar, als een uit den grond opgeschoten asperge, druk pratend en gesticuleerend met z’n vel-over-been-handen, tegen de naar hem heen gebogen, telkens zijn hoedrand rakende pajong.

Roos bevoelde de bengaalsche koe, die rustig at van den geringen grasvoorraad op een klein, slecht onderhouden erfje met niet onderhouden vervallen pagger; het houten huisje vies en onooglijk, met een armoedig donkeren inkijk. De koe was mooi en proper, haar zacht wit vel, met intens zwarte vlekken, glimmend als satin de laine, voelde lekker aan, gevuld op de ribben, vettig warm van goed gevoed vleesch; en haar uiers flink en ruim ontwikkeld, stevig en veerkrachtig, met rose en lichtgrijze tinten en vaste, gezonde tepels,—wel, het was, vond Roos, een schilderij om te zien; de weelde en de rijkdom der natuur bij de armoede der menschen.

Ze zei niets, knikte en ging weer heen, zachtjes wegschommelend op haar slofjes, bij ’t hek nog eens omkijkend naar het mooie beest; de heele voordeelige berekening opnieuw doormakend, met een gevoel van innig pleizier over het buitenkansje.

Thuis beduidde zij Freddy, die in de achtergalerij zat te tawarren op ’n dozijn kippen, met een neêrslaande beweging harer oogleden, dat het in orde was, en hij ging dadelijk naar zijn kantoor om het papiertje op te maken. Vijftig gulden over twee maanden terug en drie percent per maand over de twee maanden te betalen. Plents maakte geen aanmerking; hij was dankbaar; hij teekende voor vijftig gulden en ontving er zeven en veertig.

„Ik zal de koe maar dadelijk laten halen,” zei Roos.

„Goed,” zei Plents, en zij gaf den tuinjongen er last toe, terwijl de man het geld stil opstreek en met diepe buigingen, nogmaals dankend, heenging.

Maar de tuinjongen kwam onverrichterzake terug; er was geen koe. Een doodelijke schrik en ongerustheid sloeg hen om ’t hart. Roos beefde van zenuwachtigheid; Freddy zag bleek, en beiden liepen, zonder een woord te spreken, naar buiten; zij haar best doende om tegen hem op te werken, in haar haast al wat uitstak aan haar een eigen beweging gevend, wat ’n paar aankomende meisjes, die hen op den weg tegenkwamen, de hand voor den mond deed houden van het lachen.

Op het erfje stond werkelijk de koe niet meer, en in het vuile krot was niemand. Toen Roos op den houten vloer stapte, ging zij met een verschrikt: „O, Jezus!” weer gauw achteruit, zoo kraakten de planken onder haar zwaarte; maar Freddy, licht als ’n veer, wipte er snel overheen naar achter, waar een bejaarde inlandsche vrouw zat, in een door ouderdom en smerigheid zwart schijnend lang blauw baadje, en uit wier tandeloozen, ingevallen mond op elke vraag haast onverstaanbaar het antwoord kwam: tida taoe.

Besluiteloos keken zij op het voorerfje weder rond; er was verder niets te zien; een eindje den weg op stond een oudachtig man voor zijn van kippen en duiven wemelend voorerf ’n pijp te rooken, met, schoon hij in nachtbroek en kabaai was, het uiterlijk van een oud-militair.

Roos kuierde langzaam naar hem toe; in „zaken” deed zij meestal het woord; Freddy half onwillig met haar meê.

„Mijnheer,” zei ze met ’n erg lieve, beleefde stem, „is u misschien ook bekend met den bewoner van dat huisje ginds aan de overzij?”

„Dien Plents bedoelt u? Jawel mevrouw.”

„Weet u misschien waar hij is?”

„Waar hij is? Neen mevrouw, dat zou ik u niet kunnen zeggen.”

De man lachte erbij, als stak er meer achter, wat hij niet wilde zeggen.

„Ziet u, wij hebben daareven van Plents een bengaalsche koe gekocht.”

Weêr begon de man te lachen, zijn grijze snorren opstrijkend langs zijn frisch gezicht van kloeken man op leeftijd.

„Neem me niet kwalijk, mevrouw, maar ik moet erom lachen. Het is zoo’n gek idee, dat die Plents een bengaalsche koe zou bezitten om te verkoopen.”

„Hij had er toch een,” verzekerde Freddy.

„Wilt u even meê achter komen?”

Zij volgden den man naar zijn achtererf, waar verscheidene koeien en mooie fokstieren stonden in stallen en gedogans hoog uit den grond.

„Is het dit beestje ook, mevrouw?”

„Ja mijnheer,” zei Roos met tranen in haar stem en begrijpend reeds wat nu ook Freddy snapte.

„Dan heeft de gauwdief u opgelicht, want dat is een koe van mij, hier in mijn eigen stal geboren, mevrouw. Maar het gras is duur in de droogte nu, en ik stuur de beesten dan wel eens kirikanan om te weiden op de erven van menschen in de buurt, die toch niks uitvoeren met het gras. Zóó heeft deze vanochtend op het erfje van Plents gestaan. Och kom! heeft hij u het dier verkocht? En ’t geld?”

Roos knikte. Het was ’n pracht van ’n beest. Zij was er verliefd op; zij kon geen woord zeggen, ’t huilen haar nader staande dan het lachen; zij keek maar naar de mooie koe, over wier bezit en melkgevend karakter zij zich zooveel illusies had gemaakt; en Freddy bleeker nog van innige woede, krabde het dier tusschen de hoorns, den oplichter diens portie toedenkend als hij hem in handen zou krijgen.

Teleurgesteld en beschaamd, door den eigenaar der koe achter de hand uitgelachen, gingen zij heen, nog eens weer naar het huisje van Plents, waarin Roos zich waagde, nu met doodsverachting.

Maar er was niets, wat de moeite van het meenemen waard was; voor geen tien gulden was er aan goed; alles was oud, gebarsten of gebroken, vuil en verminkt, zóó dat het de moeite van het oprapen niet waard was geweest, had men het gevonden langs den weg.

„Zoo’n smeerlap!” viel Roos nu uit, overstelpt door de volheid van haar gemoed, en al wat zij aan invectieven kon bijeenbrengen, om het te luchten tegen Plents, volgde; zwijgend hoorde Freddy haar aan, tot zij, opgewonden, hem de schuld gaf. Nu kwam hij op zijn beurt los tegen haar, en in het smerige hok, in overeenstemming met het vuil der omgeving, scholden ze elkaar grimmig uit voor veel wat leelijk was, tot hun gemoed bedaarde en ze vreedzaam, in duo, weer uitvoeren tegen dien Plents, die heel onverwacht nu voor hen stond, met ’n vroolijk, opgewekt gezicht en frissche, schitterende oogen,—’n heel andere kerel dan de man op de knieën ’n uur te voren; hij had geschoven.

Voor Roos en Freddy was het als een verschijning van den duivel; hij werd erg bleek, met belemmering van zijn anders zoo rap spraakvermogen; maar zoo hij geen woord kon spreken,—Roos ging het des te gemakkelijker af. Terwijl zij Plents uitschold, naderde haar dikke gestalte zijn magerheid, en hij ging achteruit, zonder een woord te spreken, al lachend met een tergend gezicht, vol pleizier. Freddy zag het aankomen: Roos was zóó opgewonden, dat zij den kerel een klap zou geven, en hij wist, dat het dezen juist daarom te doen was. Maar dan zou hij toch ondervinden, dat het met de indische „jongens Markens” slecht kersen eten was op die manier. En kwaadaardig hield hij Plents in het oog, die onder den stortvloed maleische scheldnamen, hem door Roos naar het hoofd gegooid, maar aldoor lachte en bij haar dreigend dichterbij komen in dezelfde mate achteruitging.

Zij stonden nu buiten op het erfje, ten naastenbij waar de mooie koe had gestaan. Op den weg keken over den pagger ’n stuk of drie inlanders en een paar jonge indo-europeanen, vrienden van Plents, die het een fameuse aardigheid vonden, en die ook meelachten; en aan den overkant stond de oud-gediende met het ernstig gezicht, stijf en stil als een man op post.

Plents, eenmaal zoover buiten, in het gezicht der „getuigen”, ging nog wel voort met lachen, maar hij ging niet meer achteruit. En de klap viel, midden in z’n gezicht, met meer kracht dan hij scheen verwacht te hebben, zoo’n leelijk gezicht trok hij.

„Daar zal ik je voor aanklagen bij den officier....”

„Van Justitie,” wou hij eraan toevoegen, maar hij had den tijd niet, want Freddy Markens pakte hem bij de keel en wierp hem met een harden smak op den grond, precies waar de koe had gestaan. „Toelong!” riep Plents met een angstige stem, en zijn twee kameraads schoten dadelijk toe op het hekje. Maar de oud-soldaat was er met een springpasje, zoo vlug als men ’t bij zijn grijze haren niet zou verwacht hebben, bij in een wip. Zij hadden het hekje al open en één was er reeds door; hij werd in den nek gepakt en op ’n manier teruggetrokken, die geen twijfel of tegenspraak toeliet.

„Jullie blijft eraf, hoor!”

„Maar hij zal hem doodslaan.”

„Kan niet schelen! ’t Is man tegen man. Maar jullie blijft er af, hè.”

„Dat zullen we zien!”

Zij maakten een beweging om op te dringen; ze bewogen zenuwachtig hun stokken, maar ze kwamen niet verder, en de andere keek hen maar aan, met ’n bar gezicht vol opzettende kwaadheid, die bedaarde toen er ’n paar jonge kerels van zijn erf aan den overkant op hun bloote voeten en in nachtbroek en kabaja hard kwamen aanzetten.

Ineens sloeg toen den vrienden van Plents een overweldigende schrik om het hart, en ze vlogen den anderen kant uit, als vervolgde hazen. De oude wenkte zijn zoons, die meenend, dat hun vader iets was gebeurd, de twee vluchtenden achterna wilden.

„Haal jullie de twee van elkaar,” zei hij.

Het was onjuist gezegd. Slechts Freddy moest van Plents worden afgehaald; hij had hem onder de knie en bewerkte als in razernij met beide vuisten zijn gezicht.

Roos zat huilende op de trede van ’t voorgalerijtje, nu en dan roepend: „Sla hem toch niet dood, Fred; je bent zoo sterk!” In haar ziel had ze wel gewild dat hij hem doodsloeg.

De tusschenkomst was hoog noodig, Plents bewoog zich niet en lag bewusteloos in het gras.

„Nu kan hij mij aanklagen,” zei Freddy met bevende handen de aarde van zijn kleeren slaande. „Nu kan hij mij voor mijn part aanklagen.”

„Ik zou maar heengaan, met mevrouw,” raadde de oud-militair aan. „Jongens, de deugniet heeft een zware verzoling genoten,” vervolgde hij in eigenaardig kazerne-idioom. „Hij zal nou voortaan wel wachten met koeien verkoopen tot hij ze bezit.”

Zij volgden den raad, terwijl de anderen Plents in zijn huisje brachten, waar de oude inlandsche vrouw hem ’t schrikkelijk gezwollen gezicht afwaschte, onder zacht gejammer; zij had van de heele vechtpartij niets bemerkt; eerst toen men hem achter had gebracht, snapte zij wat er gebeurd was, en toen kwam er weêr leven en besef in haar; hij was slecht, maar toch haar kind!

Roos en Freddy waren wel weêr bestolen, maar zij hadden een groote satisfactie over het pak slaag; zij lachten er ten slotte om en waren er trotsch op; zij gingen alles nog eens na; die oorveeg van haar was ook raak geweest. De gedachte eraan verteederde Freddy en met welbehagen kneep hij in de vleeschmassa harer dijen, lachend en plagend over haar strijdlustigheid; en zij had na-rillinkjes vol pleizierige aandoening, als ze bedacht, hoe bang ze was geweest, dat Freddy den schurk dood zou slaan. Ze vonden de kans op een aanklacht tegen hen gering; de vent mocht blij zijn, dat hij er nog met ’n pak slaag afkwam; dáárvoor zouden zij het toch oninbare geld wel als verloren afschrijven.

Maar toen den volgenden dag de schout in hun voorgalerij stond en vroeg om mijnheer en mevrouw te spreken, was het Roos of haar dikke beenen in looden veranderden; ze drukte haar hand tegen haar hart met ’n idee alsof dat wou ophouden te kloppen.

Freddy ging rustig naar voren. Wat kon hem ’n schout schelen! Zijn vader was ’n zoo hooggeplaatst man geweest; men had thuis de politie wel altijd naar de hand weten te zetten.

„Ik kwam u spreken namens den assistent-resident. Is u ook bekend met zekeren Plents?”

„Bekend.... ja.... hij heeft me bestolen.... in zoover ben ik met hem bekend.”

„Hebt u daarover gisteravond ongenoegen met hem gehad?”

„Hij beleedigde mijn vrouw.”

„En u bent handgemeen met hem geweest?”

„Natuurlijk. Ik zeg immers, dat hij na ons bestolen en opgelicht te hebben, mijn vrouw beleedigde.”

„Zoo.... Nu, dat kan dan een leelijke zaak voor u worden, mijnheer Markens.”

Maar Freddy Markens, schoon inwendig ongerust, hield zich voor het uiterlijk goed; hij lachte overmoedig:

„Het zou wat!”

„Nou,” zei de politie-ambtenaar, „ik zou niet graag in uw schoenen staan. Plents is van z’n huis naar het hospitaal gebracht.”

„Men zal,” zei Markens, kwaad nu en brutaal, „toch niet willen beweren, dat die gemeene vent in het hospitaal is opgenomen moeten worden om de paar klappen, die ik hem heb gegeven!”

De schout glimlachte, met een hoofdbeweging, die zooveel zeggen wilde als: hoort hem eens? Niettemin bleef hij heel ernstig.

„Het schijnt toch, dat die wat te hard waren; de dokter heeft dat ten minste geconstateerd.”

„Nu ja, die dokters praten ook maar wat. Alles om drukte en soesah te maken over kleine nonsense dingen, terwijl ze de groote vergiftiging-zaken stilletjes aan den spijker hangen.”

„Daar heb ik nu zoo geen verstand van, meneer Markens, maar.....”

„Och wat!” viel Freddy nog altijd op brutalen kwajongenstoon hem in de rede. „Ik heb dien smerigen oplichter misschien ’n blauw oog geslagen, maar meer ook niet, en binnen een paar dagen is dat over.”

„Dan moesten er bijzondere dingen gebeuren, want Plents is dood.”

„Wat?” riep Freddy verschrikt.

„Zooals ik u zeg, meneer Markens. En de geneesheeren hebben geconstateerd, dat de dood het gevolg is van mishandeling.”

„Maar dat liegen ze!”

„Ik mag er niet over oordeelen, ik zeg het u slechts.”

„Men zal toch niet beweren, dat ik hem heb doodgeslagen.”

„Wat er gezegd wordt in het hospitaal, dat weet u, en verder zult u er wel van hooren.”

„Is er....?”

De schout knikte toestemmend.

„Ja, er is een aanklacht tegen u ingediend.”

„Door wien?”

„Dat weet ik niet. Er heeft al een onderzoek plaats gehad.... Ik kom het u enkel maar vertellen.... Het doet mij leed om wijlen uw papa....”

Blijkbaar wist de schout niet goed, wat hij verder eraan zou toevoegen, hij draaide zijn pet met zilveren band ’n beetje verlegen in de hand rond, terwijl hij nu en dan naar buiten keek. Freddy lette niet op hem. Hoe langer hoe zwaarder begon het te drukken op z’n gemoed. En ineens weer kwam het lang vergeten tooneel uit zijn jongenstijd hem voor den geest.

Hij zag weer het relletje in het kamp, toen zij de warong rampasten van een Chinees; hij hoorde den baba schreeuwen, schelden en jammeren; hij voelde het gewoel en het gedrang van den vechtenden troep Chineezen en van de europeesche jongens; het was hem net of hij het stuk ijzer, dat hij in een hoek naast ’n tokokast zag liggen, weer opnam en er den Chinees mee doodsloeg.... dat was dan de tweede moord in zijn leven!

Hij schrikte op uit den korten onaangenamen droom. Een dos-à-dos reed het kleine voorerf op. Er ging hem een rilling langs den rug, en hij keek vragend naar den schout.

„Het is de substituut-officier, mijnheer Markens. Er is bevel tot gevangenneming tegen u uitgevaardigd.”

Zonder een woord te spreken, hoorde hij den ambtenaar der justitie aan, die de kennisgeving op de officieele manier deed herhalen. „Ik ben tot uw dienst,” zei hij, zich met geweld bedwingend. „Ik ga even mijn vrouw groeten.” Nu was hij zichzelf weêr grootendeels meester en met vasten tred ging hij naar achter, waar Roos wanhopig schreiende neêrzat. Het deed hem aan en zijn gemoed schoot vol.

„Toe Roos,” zei hij opbeurend. „Wees bedaard. Het is een ongeluk, maar wij kunnen er niets tegen doen.”

„Hoe is het dan nu, Freddy?”

„Die Plents is dood en ze stoppen mij in de doos. Maar ik kom natuurlijk vrij; dat kan niet anders.”

„Ik ben er wel bang voor geweest,” jammerde zij. „Toen ik die kerels daar voor zag staan, heb ik het aan mijn hart gevoeld.”