"Ups" en "downs" in het Indische leven

Part 18

Chapter 184,083 wordsPublic domain

Met de vingers voor de ooren, lachend bij haarzelve, maar toch boos ook, schommelde Roos de marmeren treden der galerij af. Wat kon dat mensch toch vreeselijk te keer gaan, tegenwoordig! ’t Was meer dan erg! Als ze aan iemand ’n hekel had, dan ontzag zij zich niet alles van hem of haar te zeggen. Zij, Roos, was immers overtuigd, dat zij goed en verstandig had gedaan!

Wat wist haar moeder van zaken!

En schoon zij zich dit alles opdrong, was het toch ’t ware niet meer; de vreugde van dien ochtend over haar geldbelegging had verloren aan kracht, was eigenlijk geen vreugde meer, en het wantrouwen, hoe klein ook, stak nu eenmaal in haar gemoed; ’t was den heelen dag, telkens als zij er weêr aan dacht, of ze die kiem voelde zitten. Ze moest weêr eens bij Twissels wezen, een der volgende dagen, en, schoon nog altijd bij haarzelve strijdend met verontwaardiging tegen den indruk der „malle praatjes” harer moeder, ging ze toch met ’n eenigszins bezwaard gemoed.

Ze vertelde hem hoe zij en haar moeder Piet zouden helpen.

„Je moet het zelf weten,” zei hij droogjes, „’t is je eigen broer, maar je hebt kinderen.”

Verbaasd keek zij hem aan.

„Wat bedoelt u?”

„Och niets, dat je dat geld kwijt bent en mama het hare ook.”

„Maar...... hoe heb ik het nu? Daar is nu toch geen reden voor.... Het is om te lachen.... u doet me wezenlijk denken aan mama.”

„Hoezoo?” vroeg Twissels snel en verbleekend.

„Wel, zij spreekt even afkeurend over het plaatsen van mijn geld hier, als u over die hypotheek op ’t land van Piet.”

„Ja,” zei hij nijdig piepend, „ja, je moeder is een eigenaardig mensch, heel eigenaardig! Dankbaar is ze niet, waarlijk niet! Toen ik met haar afrekende, heeft ze meer ontvangen dan haar toekwam, dat kan ik zwart op wit bewijzen. Sedert heeft ze voortdurend op me gescholden, alsof ik haar te kort had gedaan.”

„Mama is in de laatste jaren erg veranderd. De dood van pa en die familiequaesties...”

Twissels stak zijn lange magere handen op, ze afwerend heen en weêr bewegend.

„Ik weet het wel.... Maar ’t blijft heel onplezierig. Intusschen.... mij deert het niet. Wat ik onaangenaam vind is, dat ze om Piet te.... „helpen” kan men het eigenlijk niet noemen, want „geholpen” is hij er niet mee,—maar dan om hem van dienst te zijn, jou zooveel uit den zak klopt.”

„Wat-blieft? Uit den zak....?”

„Wis en drie! Van Piet komt niets terecht. Wat jullie daarin stopt, gaat in een grondeloozen put.”

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN SOLLICITANT-ECHTGENOOT.

Mismoedig ging Roos naar huis. Wat vormden toch die oneenigheden tusschen de menschen een ramp! Wie en wat moest zij gelooven?

Het was voor haar niet uit te maken. Zooveel was zeker: zij hadden het land aan elkaar en spraken kwaad van elkaar. Soms als zij aan de mogelijkheid dacht, dat niettemin beiden gelijk konden hebben, brak haar het angstzweet uit. En in die stemming, uit haar gewonen gemoedelijken doen, eenigszins opgewonden en zenuwachtig, kwam zij thuis.

’t Was dus al geen aangename verrassing, dat er bezoek bleek te zijn, toen ze haar erf opreed, maar het zien van Freddy Markens bracht haar geheel uit haar humeur. Over haar dik en glad Boeddha-gezicht kwam een uitdrukking van toorn, niet in enkele trekken zich markeerend, maar als ’n heel stuk donker; ’n zwartig waas.

Volkomen op zijn gemak, met zeker vertoon van haast en drukte, kwam Freddy uit de voorgalerij naar buiten om haar uit den wagen te helpen. Hij zag er keurig netjes uit, als weggeloopen van een modeplaatje.

„Hoe vaart u, mevrouw; hoe vaart u?” vroeg hij levendig en vriendelijk, de hand uitstekend.

Zij wierp hem een onaangenamen blik toe, onderuit, kort als een bliksempje.

„Dank je, heel goed.”

En zonder iets verder te vragen, met een hooghartige houding, wiegde zij haar dikke figuur de treden der voorgalerij op. Hij zag hoe weinig welkom hij was, maar trok zich dat niet aan, al pratend achter haar komend, heel beleefd, den hoed in de hand. ’t Was niet mogelijk hem zoo maar weg te zenden!

„Ga zitten,” zei mevrouw Geber, zelf aan een groote marmeren tafel plaats nemend.

„Ik kom eigenlijk bij u met een vreemd verzoek.”

„Zoo!”

„Ja. O, het is niet om geld.... Integendeel, ik heb meer dan ik noodig heb!”

„Och kom!”

„Inderdaad. Ik heb met papa gesproken, en we zijn het eens geworden.”

„Het doet me veel genoegen.”

Freddy boog zeer ongedwongen, zoo gemoedelijk beleefd als dankte hij voor een compliment.

„Eddy en ik moesten iets doen. Dat staat in principe vast.”

„Mij dunkt ’t werd tijd.”

„Nu, ambtenaar worden, dat gaat niet. Wij zouden als klerken moeten beginnen. Op onzen leeftijd en in verband met de positie, die papa heeft bekleed.... kortom dat kan niet.”

„’t Is mogelijk.”

„In het particuliere dient men getoond te hebben, dat men iets doen kan; in een of ander opzicht werken wil....”

’t Begon Roos te intrigeeren, waarop dat alles zou neêrdraaien. Het beweeglijke heertje met zijn korte zenuwachtige gestes, ook bij onbeduidende woorden; zijn aanhoudend wenkbrauwfronsen, als had hij moeite zichzelf bij te houden in de heel gewone dingen, die hij te zeggen had, moest een baantje hebben! Zij zag het nu vroolijker in, en vroeg lachend:

„Je hebt toch niet gemeend, dat ik een secretaris noodig had of ’n administrateur.”

„Dat niet precies. Maar ik zou wellicht kunnen optreden als gouverneur van uw kinderen.”

„Maar Freddy!”

„Neen, ’t is niet om het geld! Volstrekt zonder honorarium. Alleen voor de eer. En ik zal mijn uiterste best doen, dat beloof ik u.”

De weduwe Geber keek den jongen Markens aan, alsof zij meende, dat hij gek was.

„Hoe kom je erbij?” vroeg ze.

„Wel.... ’t is heel eenvoudig. Pa en ik hebben er lang over gepraat. In het ambtelijke is niets te doen. Als pa nog in functie was.... ja, dan! Maar hij is gepensionneerd. Nu, dat is iets! ’n Commies in dienst heeft meer te zeggen dan ’n gepensionneerd Raadslid.”

Zij zag hem maar aan met vragende oogen; zij begreep er absoluut niets van. Welk verband bestond er nu weêr tusschen dat gekke idee van daareven....

Toen Freddy geen antwoord kreeg, ging hij voort.

„Pa is altijd zeer bevriend geweest met uw familie; het idee is van hem; het was maar om een begin te maken....”

„Zoo,” zei Roos. „Wel, ik wil er dan eens goed over denken. Als het een idee is van je pa, met een beroep op onze vriendschap.... Maar ik zie de mogelijkheid nog niet in.”

„Juist,” viel Freddy half en half in de rede, niet geluisterd hebbend naar het laatste gedeelte, geheel hangend aan wat voorafging. „Juist.... ’n idee van papa en ’n beroep op de vriendschap. Ik zal u niet langer ophouden. Denk er nog eens over. U zoudt er ons mee verplichten.”

Hij was opgestaan en reikte haar zijn blank, fijn heerenhandje, waarin zij slapjes de hare lei, donker, dik en klein, met putjes en vleeschkussentjes, die tegen de diamanten ringen aan de vingers op stonden; hij drukte haar hand, zacht, lang en innig, met buiginkjes, en glimlachjes in zijn scherpe vermoeide gelaatstrekken; met dankbetuigingen en groeten.

Een en al verwondering stond Roos erbij, geheel passief, enkel de zachte drukjes voelend in haar vingers, en het vriendelijk gekwaak hoorend van den jeugdigen boemelaar, van wien ze weinig meer wist, dan dat hij en zijn broer beesten van jongens waren geweest, dat zij door hun ouders totaal bedorven waren, en wat men alzoo weet van zulke jongelui.

„Tobat!” zei ze zachtjes bij haarzelve, toen hij het voorerf afging, dandineerend als flaneerde hij op een boulevard, in zijn mooi nauwsluitend jasje. „De vent is dol!”

Maar ’s avonds werd zij onaangenaam verrast door de komst van de oude lui Markens. Zij had hen in jaren niet gezien; ze gingen niet uit dan voor kerkbezoek, en dat deed Roos niet. Het was nog altijd de coupé met de sydneyers. Al was Markens verplicht geweest te verminderen bij zijn pensionneering, dáárvan had hij zich niet kunnen ontdoen.

Toen Roos in haar voorgalerij kwam, trof het haar hoe de Markens verouderd waren; mevrouw vooral. Hij had nog wel zijn oude deftigheid in gang en gebaren, maar in z’n spreken was hij heel anders, iedere gelegenheid aangrijpend om wat het gouvernement deed en naliet scherp te veroordeelen en af te keuren.

En mevrouw Markens had, toen eindelijk het oogenblik kwam, dat het gaan naar bals en partijen moest ophouden; toen de zorgen voor en ’t verdriet over de kinderen toenamen met vermindering der geldmiddelen, haar troost gezocht in overdreven vroomheid, in de eerste plaats berekend op vertoon.

Eerst had dat Markens nog meer gehinderd dan haar vroegere dwaze trots; tegenwoordig lette hij er niet op.

Nu kwamen zij voor de belangen van een hunner zoons, en Roos had hun nooit tot zooveel hartelijkheid in staat geacht.

„Ja,” zei Markens vriendelijk glimlachend terwijl hij, zijn jaspanden oplichtend, zachtjes op den wipstoel plaats nam. „Nu komen wij eigenlijk tot u met een verzoek.”

En mevrouw Markens, óók glimlachend, knikte daar zwijgend bij. Het was duidelijk, dat Roos het feit, dat zij bij haar kwamen met een verzoek, had te beschouwen als een bijzondere onderscheiding.

De oude vrouw had er graag een zalvend woord aan toegevoegd, maar Markens had haar aan het verstand gebracht, dat ze dan alles voor Fred bedierf, want dat indische menschen, die godsdienstloos leven, door niets zoo uit hun humeur worden gebracht en aan niets zoo’n hekel hebben, als aan godsdienstigheid in het dagelijksch gesprek. Dáárom knikte ze nu maar.

„Het is zeker hetzelfde verzoek, dat Freddy hier van ochtend kwam doen.”

„Juist.”

„Maar dat is immers onmogelijk.”

„Bij God....” begon mevrouw Markens.

Zij wou maar iets heel gewoons zeggen, doch zij ving op een toon aan, die haar man bang maakte; hij viel haar met een nijdig gebaar in de rede, hoog zijn waardigheid ophalend in een stijf officieelen toon.

„Waarom zou het zoo bepaald onmogelijk zijn. Mijn zoon heeft capaciteiten..... hij kent zijn talen.”

„Och, dàt is het niet,” zei Roos lachend. „Hij zal wel genoeg geleerd hebben dáárvoor. Maar als hij gouverneur van mijn kinderen wordt.... Ik kan toch niet met zoo’n jongen man onder één dak logeeren.”

Mevrouw Markens drukte haar zakdoek voor den mond en liet, met ’n wanhopige uitdrukking op haar gezicht, ’t hoofd een beetje zijwaarts zakken. Waar dacht zoo’n schepsel niet aan? vroeg zij zichzelve met afkeer en verontwaardiging. Foei!

„Dat is immers volstrekt niet noodig. Hij logeert bij ons aan huis en geeft enkel den kinderen les.”

„In de bijgebouwen,” zei mevrouw zacht.

’t Ging den horizon van Roos te boven; dit was, vond ze, eenvoudig privaatles geven en geen gouverneur zijn.

„O,” zei ze, „als ’t niet anders is, dan is ’t mij wel. Ik zal hem er ’n behoorlijk honorarium voor betalen ook, net als aan ’n ander.”

Maar dáárvan wilden zij niets hooren, en ten slotte kwam het dus neêr op een dienst met een wederdienst.

Zoo drukte zich Markens uit bij het heengaan, en hij voegde erbij:

„Dat deden je goede vader en ik ook altijd.”

„Och ja!” voegde mevrouw Markens erbij, terwijl ze van Roos afscheid nemend, haar de wangen kuste. „Men kan niet weten hoe de Heer de menschen tot elkaar brengt.”

In het rijtuig mopperde Markens over een voorbarigheid, die, vond hij, alles kon bederven, doch die in zoover niets bedierf, dat de bedoeling Roos ten eenenmale was ontgaan.

Intusschen zaten Eddy en Freddy thuis te wachten op den uitslag van het bezoek, tegenover elkaar in luierstoelen, stil hun cigarette rookend. Zij hadden, ’n dag of wat te voren, het idee besproken, en ze waren het eens geworden: ze moesten trouwen. En daar zij arbeid beschouwden als iets geheel buiten hun line of business, moest er worden omgezien naar vrouwen met geld. De weduwe Geber werd genoemd en Lena Lugtens. Wel was het verschil in leeftijd groot, doch dat was voor hen geen bezwaar; tien jaar ouder of tien jaar jonger maakte de rekening niet. Toch hadden ze, heel onpartijdig, erom gedobbeld. Wie de meeste oogen wierp, zou van Lena werk maken, en dat trof Eddy. Dat alles was niet gegaan lachend en schertsend, als een grap, maar met een groote onverschilligheid, haast gelijkend op ernst. Zóó hadden zij het „onderwerp” ook behandeld met hun ouders. Den ouden heer had het eerst tegen de borst gestuit, doch mama keurde het goed, en maalde hem er zóó lang mee aan het hoofd, tot hij er zich bij neerlegde, beseffend nu ook dat het, in elk geval, een „oplossing” was.

De lampen brandden helder en een gezellige lichtstroom ging door de achtergalerij, vroolijk weêrkaatsend op het wit der muren; boven hun hoofden krinkelden de grijze in blauw vervloeiende rookspiraaltjes omhoog, eerst snel elkaar achtervolgende, hooger als rustige wolkjes oplossend in de lucht. In nachtbroek en kabaai, uitrustend van het nietsdoen, leunden ze de hoofden achterover op zachte sluimerrollen, geschenken van hun moeder; zij spraken niet met elkaar, wat zouden ze elkaar te zeggen hebben?

Freddy leegde ’n glas sherry met kleine teugjes.

„Dàt is,” zei hij, „nog het eenige wat hier in huis drinkbaar is. Wil je er ook nog een?”

De andere schoof zwijgend z’n glas bij, en keek naar het inschenken.

„Ik denk,” zei hij eindelijk, „dat het met die Lena niet gemakkelijk zal gaan. Ze is bij die oude moeder Uhlstra als kind in huis, en die is niet gemakkelijk, dat weet je.”

„Och, dat gaat wel over. Zoo’n uitval als ze tegen ons deed, trek ik me niet aan. Als je maar niets weêrom zegt.”

Nu zwegen ze weêr, voortrookend met gewichtige gezichten, als jonge mannen die ernstig nadachten, feitelijk zonder te denken.

„Wel?” vroeg Freddy zonder op te staan, toen, met de drukte van menschen die zelden uitgaan, zijn ouders van het bezoek bij Roos terugkwamen.

„Wij zijn in zoover geslaagd,” zeide Markens.

„Ja,” verzekerde mama, „het was alleen dat eerst haar geest niet helder was, maar er kwam licht.”

„Zoo,” zei Eddy spottend, „nu, dan is het goed. En wanneer moet Fred beginnen, pa?”

Dat had men verzuimd te bespreken; er kwam haast twist over. Maar Freddy zei kortaf, dat hij er den volgenden dag zou heengaan.

Roos kreeg er onaangenaamheden over met haar moeder, die het van Markens een gemeene speculatie noemde, ronduit zei, dat het enkel te doen was om haar geld en haar. Het maakte haar boos. Wat dacht mama wel, dat zij zich zou verslingeren aan zoo’n kwajongen?

Niettemin geloofde zij het, en elken dag werd het haar duidelijker. Van les geven aan de kinderen kwam niet veel. Freddy zei heel ernstig, dat ze slecht hollandsch spraken, wat waar was, en dat hij ze dat eerst moest afleeren al babbelend en spelend. Ten slotte zat hij voornamelijk de weduwe te amuseeren met verhalen over zijn studentenstreken, zijn uitstapjes en allerlei grappen. Hij had verstand van veel, dat mannen meestal niet interesseert; dingen van huishoudelijken aard en de toilettafel; hij sprak met haar over de bloemen en planten, waarin zij liefhebberij had; over haar paarden en rijtuigen; haar meubels en japonnen.

Er werd over gesproken. Niet, dat er iets onbehoorlijks gebeurde, want tegen twaalf uren ’s middags ging Freddy geregeld naar zijns vaders huis terug,—toch werd er heel veel gepraat buitenaf en heel leelijk ook. Telkens en telkens werd Roos gewaarschuwd, maar ’t hielp niet, zij had haar eigen hoofdigheid, en hoe meer men van alle kanten erop aandrong, dien „nietsdoener” het huis te ontzeggen, des te minder was zij daartoe geneigd. Hij gedroeg zich fatsoenlijk, was haar vast argument; ten slotte veel fatsoenlijker, dan zij, die zooveel op hem hadden aan te merken. Zij lag er na korten tijd weêr met haar heele familie om overhoop, maar werd daarentegen heel wel met de oude lui Markens, bij wie ze nu ook aan huis kwam, die haar geleidelijk inpalmden en haar toejuichten om haar zelfstandigheid. Zij geneerde zich nu ook niet meer. Men at over en weêr bij elkaar, passeerde avondjes met elkaar, alles netjes en met de oude deftigheid, die Markens altijd had gekenmerkt en Roos hoe langer hoe meer beviel.

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VERLIEFD.

„Jij gaat goed vooruit,” zei Eddy op een ochtend tegen zijn broer terwijl ze samen voor hun paviljoen koffie dronken.

„Wel zeker! Het kan nu wel niet anders of ’t komt in orde. Ik zal niet te haastig zijn; dat zou den boel bederven.”

„Maar van dat andere komt niets.”

„Dan heb je ’t niet goed aangevat.”

„Er valt zoo wat niets aan te vatten. Zij is geëngageerd of zal het al heel gauw wezen.”

Freddy wist het al lang van de weduwe Geber, maar hij had ’t niet willen zeggen.

„Enfin,” zei hij. „Als je dat zeker weet, zou ik ook maar geen noodelooze moeite doen.”

Eddy schudde het hoofd, zuchtte, beet op de onderlip en keek mistroostig naar den grond.

„Ik had haar toch zoo graag gehad,” zei hij.

Verwonderd keek Freddy op. ’n Cynisch lachje gleed over z’n gezicht: die Ed, dacht hij, had meer zulke aardigheden, maar het was te kinderachtig, ze thans nog, en tegenover elkaar, uit te halen.

„Ajakkes,” zei hij, „wat ben je flauw.”

„Waarachtig, Fred, het spijt me.”

„Zanik toch niet,” riep de oudste, verstoord. „Dat je nu zulke nonsens aan den oude vertelt... maar onder ons.”

„Het is waar,” herhaalde Eddy; „Parole d’honneur: ik ben er beroerd van.”

Er viel niet aan te twijfelen; het was geen fopperij; geen poging om hem, Freddy, erin te laten loopen en hem naderhand uit te lachen. Het was waar: Eddy hield van dat meisje, zooals zij beiden het reeds als jongens kinderachtig, verachtelijk en vies vonden van een meisje te houden. Hij was op de europeesche manier verliefd; in staat zich even misselijk en gek te gaan aanstellen als de menschen in Europa, of de naäpende Europeanen in Indië. Met een neêrgetrokken gezicht, vol domme verwondering, zag Freddy naar zijn broer. Hoe was het mogelijk! wat hadden zij samen al niet doorgemaakt op het gebied van ’t sexueel genot; in Indië en in Europa hadden zij alle wateren afgevischt en konden zij zeggen, dat voor hen niets nieuws was onder de zon. En daar deed Eddy ineens zoo gek.... Zij waren altijd vol geweest van stille verachting voor wat men fatsoenlijke dames noemt. Hij, Freddy, beschouwde Roos qua vrouw, zooals hij dat de eerste de beste baboe deed; een machine, niet meer. Zij had een fortuin, en dat had hij noodig; daarom trachtte hij haar genegenheid te veroveren en in de gunst te komen; daarom, zooals zij ’t onder elkaar noemden, „vrijde hij haar op.”

Dat alleen zat diep in hem, en hij was vast overtuigd geweest, dat hierin zijn broer, gelijk in alles, zijn pendant zou zijn. Had hij zich daarin dan zoo schromelijk vergist? Waarachtig, Eddy zat zoo gek te kijken.... Het viel niet te ontkennen! Zij hadden die gelaatsuitdrukking wel honderdmaal gezien in Indië en in Holland, en altijd hadden zij er samen den gek meê gestoken en den neus voor opgehaald, wetende wat zij wisten reeds van hun jeugd. En daar zat nu Eddy te soezen, rechtuit te kijken met precies zoo’n mal bakkes.... Freddy fronste de dunne, blonde wenkbrauwen. Hij gevoelde lust zijn broer uit te schelden voor ’n akeligen kwajongen, maar hij hield zich kalm en vroeg:

„Denk je bij dat meisje iets bijzonders te vinden?”

De andere haalde met ’n wanhopig gebaar de schouders op.

„Daar denk ik in ’t geheel niet aan.”

„Dat is niet waar; zóó krankzinnig kan je niet wezen. Je moet iets aan haar ontdekt hebben, dat je nog nooit bij ’n andere hebt gesnapt.”

„Ik heb niets aan haar ontdekt. Je zult me pleizier doen haar en anderen niet in één adem te noemen.”

„Hé? Waarom niet?”

„Het doet er niet toe; ’t is niet hetzelfde.”

Freddy was stil woedend met bleeke lippen, een leelijk masque, met moeite zich inhoudend en bepalend tot een scherp hatelijken, ironischen toon:

„Zie je wel, dat het net is, zooals ik heb gezegd.”

„Neen! Er is niets zooals jij ’t hebt gezegd.”

„Je erkent toch zelf, dat ze anders is dan een ander. Je hebt om een hoekje gekeken of door een gaatje geloerd, Ed; misschien heb je haar baboe wel omgekocht.”

„Gévédé,” vloekte Eddy, opstaande. „Schei er uit! ’t Raakt je niet, en ik vraag je niks.”

Ze stonden dreigend tegenover elkaar, met andere gestalten en haast dezelfde gezichten; Eddy enkel wat minder verboemeld; en allebei kwaadaardig! Sinds hun jongenstijd hadden ze niet zóó tegenover elkaar gestaan.

Freddy wendde zich het eerst af, met een air van zich voelende meerderheid, een schrede terzijde stappend.

„Eigenlijk,” zei hij uit de hoogte, „moest je je schamen.”

„Ik heb me nergens voor te schamen. Het gaat je ook in ’t geheel niet aan. Het is verder niet de moeite waard erover te spreken. Zij trouwt met een ander, en ik kan toezien! Welnu, daar is alles meê gezegd! Er behoeft geen woord over vuil gemaakt te worden.”

„Daar had je het weêr!” dacht Freddy. Het was juist dàt, waarom hij zich zoo ergerde. Had Eddy gevloekt tegen den concurrent, en gescholden op het noodlot, dat hem zoo deed wanboffen door voor zijn neus een ander de vette bete te doen wegkapen, wel, met groote welwillendheid had Freddy meegevloekt en gescholden. Het zou logisch zijn geweest en hij had het volkomen begrepen.

Maar, neen! Dat pakte dien boekentoon en nam die theater-allures aan! Dat hing, na al zijn sjouwen, den verliefden jongeling uit: het kalf!! Freddy stampvoette.

Toch moest hij nog een poging doen. Het was ten slotte al te zot, dat hij hoogloopenden twist zou krijgen met zijn eenigen broer over het verachtelijkste en onbeduidendste voorwerp dat, naar zijn meening, in de wereld bestond: een bakvischje!

„Soedah!” zei hij met een zucht. „Laat ons geen ruzie maken. Als je die Lena niet krijgen kunt, dan.... voor haar een ander.”

„Ik wil geen ander.”

„Dat is te zeggen: een andere positie; een ander vermogen, liever gezegd; de vrouw doet immers minder ter zake.”

„Dank je; ik ben van opinie veranderd.”

„Dus je doet van jouw kant niet meer meê?”

„Neen.”

„En wat denk je, dat de oude ervan zal zeggen?”

„Dat weet ik niet. Het verwondert me, dat dit jou kan schelen.... Je hebt je, waarachtig, nooit veel aangetrokken van de vraag hoe de oude over iets dacht.”

„Je spreekt als ’n kind, Ed. We hebben ’n heelen boel verknoeid, dat is zeker, en ik zie het nou in. Als we verstandig handelen, kan langs dien weg nog veel terechtkomen. We hebben nu ’n beetje geld, we krijgen naderhand de duiten van den ouwe, en trouwen we fatsoenlijk, met ’n aardig kapitaal erbij, dan zijn we voor ons heele leven onder dak. Kom, wees niet gek, hé?”

Maar Eddy zuchtte weêr.

„Ik kan niet,” zei hij; „ik kan niet, en bovendien.... ik verdom het;” waarop hij naar zijn kamer ging.

Het hoofd voorover, als bestudeerde hij de grind der paden, ging Freddy verontwaardigd en bedroefd naar het hoofdgebouw, waar de oudelui aan de ontbijttafel zaten, zorgvuldig hun versche eitjes pellend en ze naar oud-indisch gebruik overlepelend in een wijnglas.

„’t Ziet er met Eddy beroerd uit,” zei Fred, ongegeneerd aan tafel gaande zitten, de handpalmen tegen de kin gedrukt, de ellebogen op ’t blad.

„Hij is toch niet ziek?” vroeg mama bezorgd.

„Hij heeft, geloof ik, aanleg om gewoon gek te worden.”

„Heb jullie ruzie gehad?” informeerde de oude heer, kalm dooretend van zijn boterham.

„In het begin, ja; maar toen ik zag, dat het ’n gevaarlijk idée fixe was, liet ik hem maar wauwelen.”

„Nu, en wat is het dan?” vroeg papa met deftige stemmodulatie, maar feitelijk zonder belangstelling.

„Hij verbeeldt zich, geloof ik, dat hij op Lena Lugtens verliefd is, en hij stelt zich mal aan nu hij haar niet krijgt.”

„Wie zegt, dat hij haar niet krijgt?” vroeg mevrouw Markens, met een tikje van haar vroegeren hoogmoed, ’t hoofd in den nek.

„Ja,” zei de oude heer, „dat zou ik ook wel eens....”

„Mijn God!” riep Freddy ongeduldig, „wat ben je toch rare menschen! Een ander is hem vóór geweest, dat is alles.”

„Het is niet officieel,” zei z’n vader.

„En ik geloof er niets van.”

„Nou ja!” riep Freddy, boos en brutaal, „of het nu officieel is of niet, en of je het gelooft of niet,—het is zoo, en Ed is een malle quibus, die rijp wordt voor Meerenberg.”