"Ups" en "downs" in het Indische leven

Part 17

Chapter 174,142 wordsPublic domain

Nu het dag was, overviel hem het onaangename, dat hij de vorige dagen reeds met zich had omgedragen in nog sterker mate; hij had een opkomende hoofdpijn en lichte huiveringen als bij zacht begin van koorts. Louisa wilde den dokter halen, en Twissels vond dat goed. Toen die hem voorschreef het rooken te laten, was hij woedend; maar hij deed het toch. Werktuigelijk greep hij op ’t kantoor wel tienmalen dien dag naar zijn sigarenkoker; doch hoe moeielijk het ook was, hij bedwong zich. De tijdingen uit Europa lieten zich wachten; zijn zenuwachtig ongeduld nam toe, tot het weêr tijd was om naar huis te gaan, en de kans op berichten dien dag zoo goed als verkeken was. Weêr sliep hij dien nacht niet; weêr ving hij, nauwkeurig narekenend, den arbeid aan van den vorigen nacht, en... hij stak er een sigaar bij op. Wat was dat voor nonsens! Hij had nu den heelen dag niet gerookt, en ’t was immers net eender! Nu dronk hij, het eene glas grog na het andere. Het benevelde hem niet; hij was en bleef helder wakker; volkomen scherp bij ’t hoofd, tot de dag kwam en daarmeê een diepe ellende over hem. In het rijtuig, naar het kantoor, dook hij weg in ’n hoekje; dun en smal, geen vierde beslaand van de breedte; het kleine grijze hoofd rustend tegen de kap, doodvermoeid, de oogen gesloten achter de brilleglazen. De nieuwe speculatie spookte intusschen voort in zijn hoofd, rusteloos, onophoudelijk zich herhalende; voortwerkend als een idée fixe, waaraan hij zich met moeite ontworstelde, om achter zijn lessenaar de brieven te openen, te lezen en met orders en kantteekeningen te beschrijven. Geel blinkend als ’n streepje helder licht, in den dag voor het venster, gleed zijn gouden potlood over het wit der brieven in onduidelijk schrift, de woorden op het eind uitloopend in een vage streep of middenin afgebroken, het kenmerk van iemand, die ’t land heeft aan het schrijven of aan wat hij schrijft.

Maar het moest. Al waren die gewone zaken thans voor hem bijzaken,—zij waren de oorsprong geweest van zijn huis, zij hadden het tot bloei gebracht en ontwikkeling; zij waren er nog de gezonde reden van bestaan van. En nadat hij zoo een uur had zitten werken, het vervallen gezicht meêschuivend achter ’t ringetje van de gouden stift, kwam het eerste telegram uit Europa. Toen hij het aannam, beefden zijn lange dunne vingers; maar voorzichtig toch, deed hij het couvert open met een klein vouwbeen. Hij wist wat het wezen zou, schoon hij ’t voor zichzelven niet had willen erkennen met zijn verstand. Zijn overprikkelde geest zag het cijfer in gedachten, noodlottig nadeelig.

Het was zoo! Nu hij het voor zich zag, onherroepelijk, kwam het looden gevoel over hem van een zwaren last. Stil deed hij het telegrampapier dicht, deed het weer open, bekeek het nog eens, de manipulatie herhalend, machinaal. ’t Was een harde slag! Hij was er niet finaal meê weg, maar dat scheelde toch niet veel. Als hij met zijn gewone zaken zou moeten terugwinnen, wat hij met speculeeren in ’n paar jaren verloren had, was het heele arbeidsleven achter hem daartoe noodig; en zulk een leven had hij niet meer vóór zich. Maar hij dacht aan zijn nieuwe plan, en als dat gelukte..... De stijfheid in zijn gezicht, opgekomen onder de jobstijding en daarop gebleven, gleed zachtjes weg; er kwam ontspanning in de trekken om z’n mond; nu stond hem de volle schoonheid zijner nieuwe combinatie in al haar prachtige kansen voor oogen, veel helderder dan te voren; hij was nu niet meer belemmerd en in beslag genomen door die oude zaak, thans achter den rug; zijn blik was vrij, zijn geest heelemaal los van dien band. Driftig en zenuwachtig greep hij zijn portefeuilles, haalde er zijn aanteekeningen uit, zijn statistieken van voorraden en producties, zijn informaties over allerlei bijzonderheden. En het was zoo duidelijk als de dag! Hoe had hij soms nog kunnen twijfelen? ’t Was zoo goed als wiskundig zeker, dat hij niet omver te werpen conclusies had getrokken uit cijfers, welsprekend, zuiverder, helderder dan de meest logische redeneering,—„als het een hombertje was,” dacht Twissels, zijn handen wrijvend tusschen de knieën, „zou ik zeggen: het is een os.”

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ROOS DOET ZAKEN.

De oppasser annonceerde een „njonja”. Wat kwam die ongelegen! Hij had zich er reeds toe gezet orders te geven tot inkoopen, en al wat er verder aan vast zat, en nu kreeg hij damesbezoek! Misschien een bedelpartij! Twissels draaide met ’n driftige wending om met z’n kantoorkruk, het lange lijf recht, den bril met twee handen vattend aan de ooghoeken en vaster zettend om goed te zien.

Dood op haar gemak en in een golvend gangetje op haar kleine vleezige voetjes, als een rijtuig op zachte veeren, kwam Roos binnen, heelemaal in het zwart; niet als rouwgewaad over Geber, maar.... ze was zoo dik geworden, dat ze geen licht goed meer dragen kon; daar zag ze meê uit als een pottentrien! En nu was ze niet koket; zij hengelde in het geheel niet naar ’n man, maar ze wou er toch ook niet mal uitzien. Zwart was haar onveranderlijke uniform; zij zag er minder kolossaal door uit en minder donker ook.

„Zóó!.... zóó!” riep Twissels, zijn oude-vrouwtjes-stem verheffend tot een onnatuurlijk piepgeluid, waarover ’n paar aankomende klerkjes in den open corridor stonden te gichelen. „Welzoo!.... Dat is geloof ik ook voor het eerst in je leven.”

Zij gaf geen antwoord; haar gansche massa bewoog op en neêr bij een snelle, korte ademhaling, en de hand tegen het hart, liet zij zich langzaam neêr in denzelfden rieten stoel, waarin haar vader zoo dikwijls had gezeten, als hij kwam afrekenen op ’t kantoor.

„Ja, als je het trappen klimmen niet gewoon bent, en je weegt dan zoo’n respectabel aantal kilo’s....”

Ze kwam intusschen bij adem, en keek hem aan, verwijtend, haast boos.

„Ik vind het onplezierig genoeg! Als ik er iets tegen kon doen....”

Het was haar gewone zeggen; zoo ze slechts ’n middel wist om haar corpulentie te bestrijden.... Men had haar vele middelen aan de hand gedaan in den loop van tijd; ze had er nooit een toegepast!

„En waaraan heb ik de eer van je bezoek te danken?” vroeg Twissels, den schertsenden toon volhoudend, toen hij haar ’n oogenblik tijd had gelaten uit te blazen.

Vertrouwelijk lei zij den arm, er overheen leunend, op den rand van zijn lessenaar.

„Ik wou u eens spreken over geldzaken.”

Hij had, zittend, het kleine grijze hoofd ook in haar richting laten gaan, en hij knikte, zonder iets te zeggen, herhaaldelijk en gewichtig.

„U hebt altijd met pa zaken gedaan. Ik weet daar zoo niet van, maar ik weet wel, dat pa dikwijls sprak van u en van ’t kantoor, en Geber ook.”

Hij bleef maar knikken met het hoofd, ’n stille aanmoediging om voort te gaan, als ’n biechtvader, die de zonden aanhoort en bij zichzelf overtuigd is, dat er nog wel meer zal komen dan hij reeds heeft vernomen.

„Nu,” vervolgde Roos, „ik heb na Geber’s dood er nogal wat bij gekregen. Ik had eerst, zooals u weet, mijn geld maar heel solied belegd tegen weinig rente. Nu dacht ik er zoo over.... Het is toch eigenlijk zonde.”

„Ja,” zeide hij. „Daar heb je gelijk aan, het is zonde.”

„Daarom kwam ik vragen,” zei Roos half en half verlegen, „of u wat van mij zoudt willen hebben, tegen wat meer rente. Ik heb.... ’n twintig duizend.”

„Och, ja! Als ik je er een plezier meê doe, dan wil ik die twintig wel nemen.”

„En hoeveel krijg ik dan?”

Zij wist het wel, maar van terzijde; ze wou het hooren uit zijn eigen mond.

„Zeven percent.” Hij zei het achteloos en onverschillig, maar het deed de oogen van Roos glinsteren van genoegen. Dus hoefde men waarlijk geen geld uit te leenen met groot risico voor een percent of zoo in de maand, als men op zoo’n solide manier er zeven in het jaar van maken kon!

Stilletjes berekende zij bij haarzelve, dat zij nu in een jaar veertien honderd gulden kreeg van die onnoozele twintig duizend. Zij deed een taschje open, dat aan haar arm hing, haalde er een pakje bankpapier uit, en lei dat met een gewichtig gezicht op den lessenaar.

Twissels verwaardigde het met geen blik.

„En hoe gaat het met de kinderen?” vroeg hij verder. „Ik heb ze in lang niet gezien.”

„O! heel goed,” antwoordde Roos, verstrooid, in haar gedachten bij ’t geld en de rente. Jongens, als zij op die manier wat meer kon plaatsen! Als zij er bijvoorbeeld eens tachtig duizend mocht bijdoen, dan was het net een ton, waarvan ze zooveel trok als nu van twee!

„Het is zoo onplezierig,” ging zij hardop voort, „dat men als vrouw zoo weinig kan maken voor z’n geld.”

Hij lachte erom, fijntjes, voelende waar ze heen wilde, met het hombreurs-gevoel, dat hij de fourchette in z’n hand had.

„Wat zou je dan willen?”

„Dat u op die manier wat meer van me plaatsen kon.”

„Zoo, en hoeveel dan wel?”

Aarzelend zei ze:.... „Honderd?”

„Hm! Dat is ten minste een bedrag om over te spreken. Je begrijpt.... twintig mille is voor ons de moeite niet. Ik zal maar zeggen, zooveel als in uw huishouden een ringit.... Ik deed, natuurlijk.... uit oude relatie.”

Om het Roos gemakkelijk te maken, liet hij haar de stukken teekenen noodig om haar geld los te krijgen en gaf haar het ontvangbewijs. Zij was er bijzonder meê in haar schik; lekker als kip!

„Ja,” zei Twissels, die dat wel zag, „je boft maar, dat is zeker, met op die manier wat te kunnen steken in een huis zoo solied als de Javasche Bank.”

Zij lachte hem vriendelijk toe en bedankte hem wel. En met ouderwetsche galanterie bracht hij haar de trap af; zij, voorzichtig, niet gewoon aan trappen loopen, doodsbang te vallen, zich met het eene kussentjeshandje vasthoudend aan de verflooze, grauwe leuning; hij, haar bij het andere steunend, gemakkelijk zijlings de trap af, met zijn lange beenen in een gewoontetred van vele jaren, leidde haar naar haar rijtuig, dat voor ’t kantoor wachtte, tevreden over haar bezoek, tevreden ook over zijn eigen handigheid.

’t Was, vond hij, net zooals het hoorde; of het voor hem geknipt was!

Hun meeste geld hadden die Uhlstra’s te danken gehad aan Lugtens en hem; de oude was ’n best mensch geweest en ’n goede sobat, maar in zaken had hij waarachtig het kruit niet uitgevonden. En Geber dan! Die hadden met hun tweeën buiten ’t landelijke nooit een cent extra verdiend als hij en Lugtens hen niet op sleeptouw hadden genomen indertijd. Dat Roos nu die eene ton stak in zijn zaken, wel, ’t was zoo goed als zijn eigen geld! En ten slotte hielp hij haar. Wat hij nu bezig was te organiseeren, kon haast niet anders dan prachtig gelukken. Van alle kanten had hij de kansen gewikt en gewogen, hij was zeker van zijn zaak; en dat had hij vroeger van die vorige speculaties ook wel gedacht, maar toen had hij zich vergist, en daar was, ditmaal, geen quaestie van.

Innig tevreden over haar buitenkansje, zat Roos in haar rijtuig, gemoedelijk en vredelievend van stemming, met nog geen plan naar huis te gaan. Ze wou ’n visite maken, en dat kon ze wel doen bij ’n dozijn dames van haar kennis, maar dat trok haar nu niet aan; ze had bij familie willen gaan. Hoe akelig toch, dat er tegenwoordig zoo’n oneenigheid was!

Wel, dat kon zoo niet blijven. Ze zou naar haar moeder gaan, al kregen ze dan ook standjes; ze zouden zich toch wel met elkaar verzoenen, ondanks de heftigheid van mama en het akelig totok-gezicht van de „heilige maagd”, zooals zij smalend haar nichtje Lena noemde. Want die had al het kwaad gebrouwen, en die stond veel hooger aangeschreven dan de eigen kinderen. ’t Was een schande!

„Zoo, ben jij daar?” vroeg haar moeder niet erg vriendelijk.

Roos was bleek en zenuwachtig.

„Dag ma!”

En de oude vrouw Uhlstra, enkel maar zoo onaangenaam nu om haar ontroering te verbergen, riep meer dan ze sprak met beverige klanken nu en dan:

„Goeje God, schepsel, wat wordt jij een babi! Ik ben ook niet van de magersten en vroeger veel dikker dan nu, maar dat is terlaloe. Het is nogal mooi, dat moet ik zeggen!”

Ofschoon haar de tranen in de oogen stonden, moest Roos er toch om lachen.

„Ik kan het toch niet helpen, ma.”

„Wat wou je zeggen! Moet ik misschien de eerste wezen en naar jou komen. Je moest je schamen. ’t Is gemeen! Zoo ben je.”

Nu Roos de vreemde gedachtenverwarring snapte, zei ze:

„Dàt niet ma, zeker niet. Daarom kom ik immers hier. Ik vraag excuus, ja ma?”

Zij sloeg den arm om den hals harer moeder en zoende haar; mevrouw Uhlstra, schreiend, mopperde nog door, in algemeene termen sprekend over iemands eigen „vleesch en bloed”, en dat dit zoo gemeen kon doen, als in opstand tegen zijn ouders; zij vroeg, wie zóó iets ooit had kunnen denken in haar jeugd, toen nog het „eert uw vader en uwe moeder” in praktijk werd gebracht; zij betoogde, dat de kinderen tegenwoordig geen kinderen meer waren; dat zij in staat zouden zijn hun ouders liever van honger te laten sterven, dan hun een bordje rijst te geven, en zoo al meer, tot ze, na haar gevoelens lucht te hebben gegeven, Roos meênam naar achter om versche, pas gebakken kwee-kwee te proeven en ketoepat te eten.

Zij zetten het gesprek voort, snoepend intusschen van alle schoteltjes, uit alle stopflesschen. Even kwam Lena erbij, vriendelijk als altijd, blij om de verzoening tusschen moeder en dochter, maar zij werd door beiden min of meer teruggewezen; door mevrouw Uhlstra, die een apartje met Roos verlangde voor een bepaald doel, goedig en met groot vertoon van teederheid; door mevrouw Geber, die haar de genegenheid der familie benijdde, kort en uit de hoogte.

„Zeg Roos,” vroeg mevrouw Uhlstra, toen Lena, voelend dat ze te veel was, naar voren ging, „je komt toch niet aan huis bij tante Clara..., dat beest?”

„In den laatsten tijd niet, ma.... Niettemin.... het spijt me.”

„Je bent gek, kind,” was het compliment, zoo bits en spijtig als het de in haar humeur gekrenkte vrouw tegenwoordig altijd afging. „Als iemand haar uit den weg ging, moest jij het wezen.”

„Och waarom? Alleen in het begin had ik er ’n beetje verdriet van.”

„Welk begin?”

„Toen ik pas met Willem was getrouwd.”

„Zoo.... je wilt zeggen, dat naderhand....”

„Och,” zei Roos zacht en gemoedelijk, achterover in den stoel zich als ’t ware wiegend in haar welgedaanheid, „och, ma, naderhand kon ’t me niet zooveel schelen. Ik vond het wel onpleizierig, maar niet dáárom.”

Mevrouw Uhlstra lachte een kwaadaardig honend lachje. Zij vergat heelemaal hoe zij om het lieve geld zelf tot de afdwalingen van haar zuster en haar schoonzoon juist „naderhand” had meêgewerkt.

„Jij bent een rare, hoor!”

„Nou ma, als het mij niet zooveel schelen kon.... Ik hield altijd veel van tante.... nog houd ik veel van haar. Ik heb me altijd heel goed kunnen begrijpen, dat mannen haar erg lief vinden.”

„Je begreep het zoo goed, dat je.... je eigen man niet kwalijk nam, dat hij....”

Nu lachte zij van harte om het malle idee, tot ze, zich buigend over het leuke volle gezicht van Roos, dat zonder vouw of rimpel, met niets dan ’n trekje om den mond, een beeld van Siwa leek,—haar zoende, telkens tusschen twee lachen uitroepend:

„Je bent zoo mal, ja, Roos! Zoo’n gek spook, ja!”

Maar ze werd weêr ernstiger; ze was in zoo’n gewoonte van zich kwaad te maken en van anderen kwaad te spreken gekomen, de laatste jaren, dat het haar een genot was geworden.

„’t Is eigenlijk zonde, kind, er gekheid over te maken. Jij hebt een gelukkigen aard, dat moet ik zeggen. Ik ben met papa dertig jaar getrouwd geweest.... we waren altijd heel gelukkig samen.... God zegene zijn nagedachtenis.... hij was braaf en goed....”

Ze hield even op, al de trekken in haar gezicht vol zenuwachtig leven; met de punt van haar kabaai in driftig gewrijf haar tranen drogend. Over het rustig gelaat van Roos gleed een droefgeestig waas als ’n neveltje langs ’n heldere lucht, en met haar kanten zakdoek bette zij zachtjes, voorzichtig, de tranen weg, ook in háár oogen opgekomen.

„Ik wou maar zeggen,” zei daarna mevrouw Uhlstra, „dat als je vader het mij had geleverd, onverschillig met wie, ik hem de oogen uit het hoofd zou hebben gehaald.”

„Die ma!” riep Roos, nu weer lachend; en wat droefgeestig voegde zij erbij. „Dat was ook heel wat anders.”

„Waarom?”

„U bent heel jong met pa getrouwd en u hield veel van elkaar. Geber en ik.... nou, daar behoef ik u toch waarlijk niets van te vertellen.”

„In elk geval, moet je niet meer bij haar aan huis komen en haar ook niet ontvangen. Je mag je eigen goeden naam niet in de waagschaal stellen.”

„Maar ma, zóó erg is het toch niet.”

„Wat zeg je daar? Niet erg?”

En mevrouw Uhlstra richtte zich rechtop, achterover inbuigend, den buik vooruit, zoodat de punt van haar kabaja wel twee meters voor haar uit wees, furieus, met schitterende oogen, den rechterarm uitgestrekt, als stelde zij een aanwezige in staat van beschuldiging:

„Niet erg? De meest gewone inlandsche straatmeid is minder erg dan zij.”

Mevrouw Geber zei maar niets; zij wist wel, dat als mama tegenwoordig op zoo’n manier uitviel, er niet mee was te redeneeren. Zij geloofde het niet. Praatjes dacht ze. Daarom hoorde ze ook maar stil aan, hoe haar moeder „uitpakte”, ofschoon het haar nieuwsgierigheid prikkelde en haar toch verbaasde; zij hoorde de namen van mannen, paniers percés meest; de verhalen over het stelen van geld en juweelen van mevrouw Lugtens door haar „aanbidders”, en tal van bijzonderheden, waarvan zij wel iets wist, maar lang het „fijne” niet.

Toen mevrouw Uhlstra had uitgeraasd over haar zuster, kregen de meisjes een beurt; zij logeerden nu op Tji-Ori; ze waren op weg geëngageerd te raken, maar: het was er ook naar! zei mama bitter. En toen kwamen de jongens. Dat ging beter, vergoelijkend wat de gebreken betreft.

„Piet schrijft, dat het zoo’n mooi koffieland is, waar hij werkt.”

„Dan moet hij ’t koopen.”

„Dat wil hij ook, maar hij heeft niet genoeg van z’n eigen.”

„Maar ma, hij heeft toch...”

„Ja, ik weet het wel, kind... Hij heeft veel geld zoek gemaakt... Enfin, hij is jong, weet je. Het is ’n land van twee ton.”

Roos zweeg.

„Hij heeft er maar één.”

„Dan moet hij de andere opnemen.”

„Precies! En dan valt hij weer in de handen van een geldschieter, die hem het vel over de ooren haalt.”

„Wat moet hij dan?”

„Wel Roos, wij moeten hem ’n handje helpen, ja? Henri heeft al gezegd, dat hij het met pleizier zou doen, maar hij kan niet op ’t moment. Nou, over wat van de meisjes is, beschik ik niet graag, dat begrijp je... En dan die akelige weeskamer... trima kasi, zeg! Als ik nou ’reis met vijftig duizend van mezelven toelongde en jij ook? Hij kon er best zeven en een half van betalen aan rente.”

Roos knikte toestemmend. Als Piet zich nu maar goed hield, was het nog zoo’n kwaad idee niet van haar moeder.

„Dus je doet het, ja?” vroeg haar moeder, die blijkbaar zekerheid wilde hebben.

„Omdat u ’t graag hebt, ma. Wat Piet aangaat.... hij heeft het hier niet best laten liggen. Zooals hij huishield op Koeningan,—te erg toch! Maar, zooals u zei, hij is jong.”

„Och, wel ja! Hij is anders knap genoeg, Roos, in de zaken, weet je.”

En Roos, met zekere rustige superioriteit tegenover haar familie, aangenomen sedert ze weduwe was, beloofde vast dat ze een halve ton zou bijdragen. Om te toonen, dat ze lang niet dom was, zei ze nadrukkelijk:

„Die honderd van ons tweeën, ma, samen als eerste hypotheek.”

Nu, dat kon mevrouw Uhlstra niet schelen. Piet, die metterdaad het geld niet krijgen kon, omdat men in hem geen voldoend bekwaam planter zag, had haar dringend verzocht hem te helpen; zij kon nu den wensch van haar jongsten lieven zoon bevredigen; meer verlangde zij niet.

Zoodra haar dit pak van ’t hart was, vroolijkte mama Uhlstra heelemaal op. Ze ging zich te buiten in attenties voor Roos en putte zich uit als om haar dochter te amuseeren in het zeggen van onaangename dingen over anderen. Tot ze op eens aangedaan werd, toen ze, met Roos naar voren terugkeerend, Lena zag zitten in de verte.

„God, Roos, nou moet ik je toch nog wat zeggen. Er is er al een verliefd op dat kleine ding.”

„Och kom ma.... gekheid!”

„Soengoe mati, Roos. Ja! hoe is het mogelijk! Nog pas zoo kort geleden liep ze in broek en baadje.”

„Maar ma, wees toch verstandig. ’t Is maar kinderspel.”

„Dat denk je maar. Hij is een knappe jongen, ’n Totok van den Waterstaat, ’n aspirant....”

„’n Ambtenaartje!” zei Roos, den neus optrekkend.

„Niet waar.... ingenieur, betoel.”

De weduwe Geber haalde even haar dikke schouders en goed geteekende zwarte wenkbrauwen minachtend omhoog.

„Hij is altijd bij haar, als ze ergens op een partij is, en telkens komt hij hier voorbij.”

Ten slotte vond Roos het aardig; ’t meest omdat als Lena, hoe jong ook, trouwen mocht, zij niet langer zulk een invloed zou uitoefenen in haar moeders huis. Dat die invloed een goede was, deed er niets toe; dat Lena een knap, verstandig, door en door lief en fatsoenlijk meisje was, kwam er niet op aan. Zij hoorde daar niet, en als er in het huis van mevrouw Uhlstra een vrouwelijk wezen invloed liet gelden, dan kon dat, dacht Roos, alleen zijn de oudste dochter, zelf moeder, als weduwe zelf aan ’t hoofd staande van een gezin.

Het verzoende haar met de gedachte, dat er reeds werk werd gemaakt van dit bakvischje en welwillender dan anders, kwam ze naar Lena toe, die haar altijd heel gewoon vriendelijk bejegende, zich blijkbaar nooit bezighoudend met de vraag of Roos jaloersch van haar was; zich niet bekommerend over het goed of kwaad humeur harer oudere nicht.

„Zoo, zoo,” zei deze op ’n soort moederlijk beschermenden toon. „Ik hoor, je hebt al een aanbidder, Leentje. Nou, da ’s vlug, hoor!”

Wel kleurde ’t nichtje ’n beetje, maar ze was in ’t geheel niet verlegen met het geval, wat Roos weer ergerde. Zoo’n nest! Als je zoo’n... kind toch eigenlijk iets dergelijks zei, dan moest ze nog erg maloe worden, en lag het in de natuur der dingen, dat ze kinderachtig moest staan heen en weer draaien met haar hoofd, schouders, rug en wat er verder volgt. Die Lena niet! Die keek haar vierkant in het gezicht en, Roos ontroerde nu er ook weêr van, met de oogen van Willem.

„Dat zegt tante alleen om me te plagen,” antwoordde het meisje lachend. „Maar ik trek me er niets van aan, hoor!”

En tante, die het erg grappig scheen te vinden, ging met dit „plagen” voort, in een bui van plezier den wipstoel van Lena achterovertrekkend en haar kussend met groote teederheid.

„Dan komt dat aspirantje, ja, Leen,” zei ze met verborgen aandoening, „en dan laat jij tante ook maar alleen zitten, hè?”

Met diepe ergernis en verontwaardiging hoorde Roos het aan, en zag hoe Lena nu ook haar arm met de mooie blanke handjes en de fijne gevulde polsen om den donkeren hals sloeg van mevrouw Uhlstra, in een spontane beweging van groote genegenheid. Het was, vond Roos, om misselijk van te worden.

„Kom!” zei ze erbij zuchtend, „ik ga naar huis.”

Mevrouw Uhlstra bracht haar tot in de voorgalerij, en zag toen voor het eerst, dat het rijtuig erg bestoven was.

„Waar kwam je vandaan?”

„Uit de stad. Ik ben bij Twissels geweest.”

„Zoo.... hè, wat moest je daar uitvoeren?”

„Zaken,” was het korte antwoord.

„Zoo.... ik wist niet, dat jij nog zaken daar hadt.”

„Dat had ik ook niet, maar nu heb ik ze. Ik bedank ervoor mijn geld nog langer voor zoo’n bagatel uit te zetten. Het mag dan verschrikkelijk secuur zijn, maar je kunt het haast net zoo goed in het water gooien. Ik heb een gedeelte bij Twissels gebracht, dan krijg ik er ten minste ’n fatsoenlijke rente van.”

Het was of mevrouw Uhlstra een beroerte kreeg van kwaadheid; zij keek eerst Roos aan met een gezicht vol schrik en ontzetting, de armen slap bengelend langs het lijf, sprakeloos, heelemaal overbluft;—tot ze los kwam in een stroom van verwijten en scheldwoorden. Dáár had Roos ’n dingetje begonnen. Net iets voor zoo’n „stommeling” als zij was. Als er sprake was van geld in het water gooien, dan had ze dat nu net gedaan! Een ton had ze gebracht bij dien dobbelaar, dien zwendelaar, dien dief!