Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden

Part 9

Chapter 93,387 wordsPublic domain

_Wouwouw_ is de naam van eene soort, of juister misschien van een geslacht, van in Insulinde levende apen, en is door de Europeanen gevormd van de klanken _oea-oea_ of _oa-oa_, door de inlanders gebezigd als nabootsing van den onwelluidenden kreet, dien deze apen telkens doen hooren. (Zie Sal. Müller in „Verhh. over de Nat. Gesch. der Ned. overzeesche bezittingen”, afd. Zoölogie, bl. 48).

De vermelde inlandsche benamingen zijn lokaal. _Oea-oea_ (door Mohnike, „Blicke auf das Pflanzen- und Thierleben in den Niederl. Malaien-ländern”, bl. 356, _wau-wau_ geschreven) behoort volgens Müller bij de Maleiers op Borneo, _oa-oa_ bij de Soendaneezen op Java te huis. Het geslacht Hylobates telt vier op de groote Soenda-eilanden wonende soorten, maar alleen op Java leeft Hylobates leuciscus, alleen op Borneo Hylobates concolor, terwijl Hylobates syndactylus (de Siamang) en Hylobates variegatus of agilis (de Oengko) tot Sumatra bepaald zijn. De bewoners van Borneo bedoelen dus met hun _oea-oea_ Hylobates concolor, die van de Soendalanden met hun _oa-oa_ Hylobates leuciscus; maar ook de soorten van Sumatra uiten kreten die, schoon eenigszins verschillend, met die der andere in hoofdzaak overeenkomen, zooals o. a. blijkt uit de mededeelingen van de leden der Sumatra-expeditie in het groote werk „Midden-Sumatra” (I. Reisverhaal, 1, bl. 118, II. Aardr. beschr., bl. 158, IV. Nat. Hist., Fauna, 1, bl. 5 en 8; vgl. ook D. Veth's „Reizen in Angola”, bl. 89). Het gansche geslacht _Hylobates_, althans zoover het op de Soenda-eilanden voorkomt, heeft dus eigenlijk aanspraak op den klanknabootsenden naam _wouwouw_, en toen de heeren J. van Iperen en Fr. Schouwman in de „Verhandelingen van het Bat. Gen.” D. II, hunne „Beschrijving der wouwouwen” leverden, sloten zij ook de verdere soorten geenszins buiten, al moest hunne beschrijving zich, bij gebrek van bekendheid met de andere soorten, tot de Javaansche soort bepalen. Met betrekking tot het gebruik van het woord verdient nog opmerking, dat in genoemde verhandeling het wijfje _wouwouwin_ genoemd wordt.

Het is zeer vreemd, dat men het woord wouwouw, zoo dikwijls in geschriften over Indië voorkomend, in geen enkel Ned. Woordenboek, zelfs niet in Kramer's „Kunstwoordentolk”, vindt opgenomen. Het is evenwel een echt Nederlandsch woord, omdat het natuurlijke klanken, geuit door eene in Insulinde levende klasse van dieren, nabootst op eene wijze, die alleen in onze taal bestaanbaar is. Ook was het, schoon thans vergeten, eenmaal in onze volkstaal lang niet zeldzaam. Ik herinner mij zeer goed het ± 60 jaren geleden dikwijls in mijne geboortestad Dordrecht gehoord te hebben; ik meen zelfs dat het een gewone spreekwijs was een knaap, dien men als vlug en vlijtig prijzen wilde, „een koninkje van de wouwouwen”[11] te noemen. Misschien dacht men, bij deze uitdrukking, aan de bekende en niet geheel ongegronde verhalen omtrent de in Indië voorkomende apenkoloniën, die een ouden aap tot leidsman, koning of, zooals men op Java zegt, tot koewoe hebben; doch in dat geval heeft men zich bedrogen, daar zulke koloniën altijd uit apen van eene geheel andere soort, nam. _Macacus_ of _Cercocebus cynomolgus_, den grijzen aap of meerkat, bestaan.

[11] Of moet het soms „koning van de wouwen” zijn, met toespeling op den _koningswouw_ (_Milvus regalis_)?

Voor vreemde dieren, in afgelegen landen vertoevende, heeft onze taal slechts een zeer beperkt aantal eigen woorden. De taal wordt in die richting, gelijk op zoo menig ander wetenschappelijk gebied, niet ontwikkeld, omdat onze geleerden meer en meer het gebruik der moedertaal versmaden. Men moet zich dan ook in onze museën en diergaarden veelal met Latijnsche of Fransche namen behelpen, die den beschouwer zoo vreemd zijn, dat hij ze dadelijk weder vergeten is. Een naam als wouwouw, die op een duidelijk kenmerk van het dier, nam. de vreemde klanken die het voortbrengt, berust, wordt daarentegen dadelijk in het geheugen gegrift. Wenschende dat deze naam, gelijk andere dergelijke, in onze taal zou herleven, heb ik daarvan ook reeds in mijn „Java”, D. I, bl. 258, gebruik gemaakt, na in mijne vertaling van Wallace's „Insulinde”, I, bl. 107, het minder Hollandsche _wauwau_ te hebben gebezigd.

Kazuaris.

_Kazuaris_ is een bekende vogel uit Nieuw-Guinea en de Molukken, in gestalte op den struis gelijkende, maar geheel vleugelloos en bedekt met lange, grove, op haar gelijkende vederen. Valentijn, III, 1, bl. 298: „De naam van dezen vogel is door gansch Indië de Kasuwaris.” Hij is van Papoeschen oorsprong en luidt, volgens Sal. Müller, „Reizen in den Indischen Archipel”, I, bl. 120, volgens de uitspraak der westelijke Papoea's _Kasoewari_.

Met den naam van den Kazuaris hangt die van de _Casuarinen_ samen, Oostindische boomen, zoo genoemd, omdat de naaldvormige takjes, die, oppervlakkig beschouwd, de bladeren schijnen te vervangen, door onze voorouders met de haarachtige vederen van den kazuaris vergeleken werden (Jav. _tjemôrô_, Mal. _tjemara_, wij zouden zeggen _paardestaartboom_). Zie Val. III, 1, bl. 222; Pijnappel, „Geogr. van Ned.-Indië”, bl. 25. In 't Nederlandsch schrijft men echter beter _kazuaris-boom_, zooals bestendig geschiedt in 't „Amboyns Kruydboek” van Rumphius, b. v. D. III, bl. 87: „naam in 't Lat. _Casuarina_.... op 't Duytsch _Casuaris-boom_ van de gedaante der bladeren.”

Papegaai.

_Papegaai_, Duitsch _Papagei_, Eng. _Popinjay_, oud-Fransch _Papegai_, _Papegaut_, Ital. _Pappagallo_, Sp. en Port. _Papagayo_, stammen zonder twijfel af van het Arabische _babagâ_ of het Perz. _bapgâ_; maar daar deze woorden in hun oorsprong noch Arabisch, noch Perzisch kunnen zijn, blijft de vraag over in welke taal zij oorspronkelijk te huis behooren. Prof. Dozy, die _Papegaai_ niet in zijne „Oosterlingen” opnam, zegt in zijn „Glossaire des mots Espagnols” etc., p. 326: „M. de Slane, dans une note sur la traduction d'Ibn Khallicân (II, 149) a soupçonné qu'il appartient à quelque dialecte Indien. Notre savant indianiste, M. Kern, m'assure, qu'il n'est pas ainsi. Je suppose donc que c'est un terme Africain.” Onmogelijk is dit zeker niet; maar de ondergeschikte rol die de papegaaien in Afrika vervullen, maakt het minder waarschijnlijk. Doch er is ook nog eene andere onderstelling mogelijk: het woord kan ook van Papoeschen oorsprong zijn, evenals Kazuaris, of ook aan eene der Moluksche landtalen behooren. Nieuw-Guinea en de Molukken zijn vanouds wegens de veelsoortigheid en schoonheid hunner papegaaien beroemd geweest. Vgl. het aangeteekende op _Kakatoe_ en _Lori_.

Kakatoe.

Deze schrijfwijze is geloof ik de meest gebruikelijke en bewaart beter den oorspronkelijken vorm dan _kakketoe_, dat door de Vries en te Winkel en ook door van Dale is aangenomen. In het Engelsch zegt men _cockatoo_.

Ieder weet dat _kakatoe_ een geslacht van papegaaien is, zich onderscheidende door een kuif op den kop, een grooten, gekromden, scherpgepunten en krachtigen snavel, en in witte en zwarte soorten voorkomende. Het vaderland dezer vogels zijn de Moluksche of Papoesche eilanden en hun naam, evenals die van den kazuaris, behoort dan ook, naar allen schijn, oorspronkelijk in de talen dier eilanden te huis. Die naam is tot de Maleiers gekomen en luidt bij hen _kakatoewa_. Uit het Maleisch is deze in de talen van Europa overgegaan; maar dat hij oorspronkelijk Maleisch zou zijn, is hoogst onwaarschijnlijk. In die taal zou hij een samengesteld woord moeten zijn; maar de verbinding van _kaka_ met _toewa_ geeft geen zin,[A] en in de Maleische landen geldt even goed als bij ons de regel, dat dieren uit vreemde landen komende, doorgaans hunne uitheemsche namen behouden.

[A] Toen ik de woorden nederschreef: „de verbinding van _kaka_ met _toewa_ geeft geen zin”, dacht ik er niet aan dat men, de woorden afzonderlijk houdende, _kaka toewa_ in het Maleisch gebruikt in de beteekenis van een _oude vrouw_, een _oud moedertje_, eigenlijk _oude zus_. _Toewa_ beteekent _oud_ en _kaka_ eigenlijk zoowel _oudere broeder_ als _oudere zuster_, maar vooral het laatste. Het is echter overbodig _toewa_ aan _kaka_ toe te voegen, wijl het er reeds in ligt opgesloten. Dit alles heeft intusschen met _kakatoe_ als vogelnaam niets te maken.

_Kakatoewa_ heeft intusschen in het Maleisch nog twee wel niet algemeen bekende, maar toch genoegzaam vaststaande beteekenissen. Volgens Crawfurd, in „Journal of the Indian Archipelago”, 1850, p. 183, beteekent het _a vice_, _a gripe_, d. i. een nijptang. Het is zeker meer waarschijnlijk, dat men dit werktuig _kakatoewa_ heeft genoemd, omdat zijn vorm en gebruik aan den snavel van dien vogel herinnerden, dan dat de vogel naar de nijptang is genoemd, zooals Crawfurd schijnt te meenen. Ook Klinkert, in zijn Supplement op het „Maleisch-Ned. Wdbk.” van Pijnappel, kent die beteekenis van _nijptang_, maar bovendien ook die van een _soort_ van _pagaai_ of schepriem. Dit laatste voorwerp wordt niet nader beschreven, maar moet toch ook, dunkt mij, gekenmerkt zijn door iets in zijn vorm dat aan een kakatoe doet denken. Pijnappel heeft in de tweede uitgave van zijn Woordenboek ook de beteekenissen van _nijptang_ en een _soort van pagaai_ opgenomen.

Lorre.

_Lorre_, of de verkleinvorm _Lorretje_, is de gewone naam waarmede bij ons een papegaai, als huisdier in een kooi gehouden, wordt aangesproken. Dus b. v. in Potgieter's „Liedekens van Bontekoe” (Verspreide en nagelaten werken, Poëzy, D. II, bl. 28):

Ai! Lorretjen, Kaporretjen, Kapoe, kapoe, kapoe, Houd mij je bekjen toe!

Ook bestaat er in onze taal een spreekwijs: „Hij is van lorretje [in zijn hersens?] gepikt”, d. i. hij is onnoozel.

Men heeft dit woord afgeleid van het Spaansche _loro_ (volgens den „Diccionario de la real Academia Esp.”: lo mismo que papegayo); zie M. J. Koenen, „Sprokkelingen” (Tiel 1888). Dat _loro_ (of _louro_, wat ik als Portug. vind opgegeven) in Indië reeds vóór onze komst door onze Spaansche en Portugeesche voorgangers gebruikt werd, is zeker mogelijk; maar de oorsprong van dit woord is stellig, evenals kazuaris, kakatoe en andere namen van alleen in het Oosten van den Archipel voorkomende dieren, in de talen van de Moluksche en Papoesche eilanden te zoeken. Die fraaie, borsteltongige, driekleurige papegaaien, de meest gezochte en geliefde als huisvogels, die aan de zoölogen onder den naam van _lori_ (_lorius_) bekend zijn, komen in al hunne soorten bijna uitsluitend op genoemde eilanden voor. Hun inlandsche naam luidt _noeri_ of, door de gewone verwisseling der liquidae, _loeri_, is ook in het Maleisch overgenomen en is het eigenlijke grondwoord van _lori_, _loro_, _louro_ en _lorre_ te achten.

Salanganen.

„De tot de gierzwaluwen behoorende _Salanganen_ (_Colocallia esculenta_ en _C. fuciphaga_) bouwen tegen den wand van de holen der kalkrotsen, uit eene kleverige zelfstandigheid, die in den krop wordt afgescheiden, de bekende eetbare nesten, die zulk een geliefd artikel voor de tafel der Chineezen zijn, dat de exploitatie voor Gouvernements-rekening eene niet onbelangrijke bijdrage aan de schatkist levert.” (Zie mijn „Java”, D. I, bl. 213). In het Javaansch heeten deze vogeltjes _manoek walet_, in het Maleisch _lajang boehi_; doch vanwaar komt de naam _salangane_, die voor deze vogeltjes bij Franschen, Duitschers en Nederlanders algemeen is? (Zie Littré's „Dictionnaire”, Brockhaus' „Conversations Lexicon”, Pijnappel's „Geogr. v. Ned.-Indië”, 2e druk, bl. 4). Sommigen leiden dien af van Salanga bij de Westkust van het Maleisch Schiereiland (bij Valentijn Oedjang Salang, en op zijne kaart Junsalan, bij Engelsche schrijvers Junk Ceylon met allerlei verscheidenheden in de schrijfwijze); maar ik heb geene bewijzen kunnen vinden, dat dit tinrijke eiland ook door zijne vogelnesten beroemd was. Eene andere verklaring, die ik niet geloof aan een eigen inval verschuldigd te zijn, maar meen ergens gelezen te hebben, is dat _salangane_ (door een verwisseling der liquidae _l_ en _r_, waarvan wellicht de sporen in sommige Maleische taaltakken zijn weer te vinden) gevormd is van het Maleische _sarang_, nest[12]. Gelijk bij ons in den handel de eetbare vogelnestjes doorgaans alleen _vogelnestjes_ heeten, noemen ook de Maleiers ze enkel _sarang boeroeng_, dat hetzelfde beteekent, en die uitdrukking is ook door de Javanen onveranderd overgenomen. Dit sarang zou dan, als salang uitgesproken, en met een Europeeschen uitgang vermeerderd zijn, zoodat _salangane_ zooveel als _nestvogel_ zou beteekenen, _nest_ in de speciale beteekenis van de bekende eetbare vogelnestjes genomen.

[12] In het Bisajasch, een taal der Philippijnsche eilanden, heet een nest _salag_, en volgens Littré wordt door Camelus, in de „Philosophical transactions” voor Mei en Juni 1703, _salamga_ als een op Luçon gebruikelijke vorm van dit woord vermeld.

Kaalkop.

Ik heb reeds bij het woord _Toepassen_ gewezen op de zonderlinge liefhebberij onzer voorvaderen, om namen voor Indische zaken, die een zweem van overeenkomst met bekende Europeesche woorden hadden, zoodanig te verknoeien, dat zij geheel den vorm dier Europeesche woorden kregen, zonder dat de beteekenis daartoe eenige aanleiding gaf. Dat de gewone Jav. rijstmaat in plaats van _Amĕt_ of _Angmĕt_ door den naam _hangmat_ werd aangeduid; dat eene vrucht, in sommige Indische talen _soorsak_ geheeten, den naam van _zuurzak_ ontving; dat de _paséban_, de plaats waar de Jav. ambtenaren zitting houden, _passeerbaan_ werd geheeten; dat men _kati_, een gewicht van 1¼ Amst. pond, als _katje_ uitsprak; dat men het eiland _Bawéan_ verdoopte tot _Baviaan_, het _Panditô-eiland_ tot _Bandieten-eiland_, het district _Païton_ tot _Phaëton_, de bekende koopstad _Djewônô_ of _Djoewônô_ tot _Joanna_, den _Banian_-boom (een soort van Weringin) tot _Benjamin_ (vanwaar bij Linnaeus _Ficus Benjamina_),—dit alles heeft niets met de beteekenis dier woorden te maken. Geheel onafhankelijk van deze, verminkte men al die namen, omdat zij zoo den Europeanen meer naar den mond stonden. Ik merk dit hier op, omdat sommigen gepoogd hebben den naam kaalkop, dien de Nederlanders aan de bekende vischsoort _kakap_ gegeven hebben, te verklaren uit de omstandigheid dat de schubben op den kop en den nek van dezen visch zoo klein en met elkander verwassen zijn, dat deze deelen geheel kaal schijnen. (Zie „Batavia in derzelver gelegenheid”, IV, bl. 94). Mogelijk is het dat deze omstandigheid tot verbreiding en instandhouding van dien naam heeft medegewerkt, maar de aangehaalde voorbeelden geven ons genoegzamen waarborg, dat hij oorspronkelijk uit de corruptie van een inlandsch woord is ontstaan.

Bij de toegenomen kennis van de talen en de geographie van Ned.-Indië zijn die verbasterde woorden allengs in onbruik geraakt en worden ze thans zelden meer vernomen. Dit is ook reeds eenigermate met _kaalkop_ het geval; althans Dr. van der Burg, „de Geneesheer in Indië”, D. I, bl. 156, verzekert: „Slechts zelden hoort men den verbasterden naam _kaalkop_ voor dien visch bezigen”.

Hoe algemeen hij vroeger was blijkt b. v. uit Stavorinus „Reize naar Batavia”, I, 48, en zelfs uit Bleeker's „Geneeskundige topographie van Batavia” (Tijdschr. van N.-Ind. Jg. VII, D. III, bl. 408), die de woorden: „de vermaarde kaalkop van de Europeanen dezer Indiën” daarvan bezigt.

De _kakap_ of _ikan kakap_ (_ikan_ beteekent _visch_) is eene soort van zeebaars, ongeveer zoo groot als een schelvisch, en heet bij de zoölogen _Lates calcarifer_ (vroeger _Lates nobilis_). Hij is van alle zeevisschen te Batavia de meest geachte, en is voortreffelijk als hij versch gekookt kan gegeten worden, maar dieper in 't binnenland moeilijk goed te krijgen, daar het vleesch bij het vervoer bijna altijd eenigszins week en melig wordt.

Ik vermeld hier in het voorbijgaan nog even een nog zonderlinger naam van een visch, welke naam wel-is-waar ook in Indië te huis behoort, maar zuiver Nederlandsch in oorsprong en vorm is, en dus niet onder de _vreemde_ woorden in de Nederlandsche taal kan gerangschikt worden. De bedoelde visch behoort mede tot de Percidae of baarzen en wel tot het geslacht _Serranus_, ondergeslacht _Epinephelus_. De inlanders noemen deze vaak zeer kolossale visschen gewoonlijk _Ikan krapoe_, maar volgen ook niet zelden het gebruik der Europeanen, die ze van oudsher _Jakob Evertsen_ noemden. De oorsprong dezer zonderlinge benaming is vermeld door Bontius, „Historia naturalis et medica Indiae Orient.”, p. 77: „Piscis hic cute est flava, nigrioribus maculis per totum corpus distincta, unde nostri navales socii, cum primum in Indiam navigantes, circa insulam Mauritii eum cepissent, Jacob Evertsen vocabant, qui ipsorum Nauarchus, et homo parva et compressa statura, flava cute, plurimas similes maculas in facie gerebat, unde et per totam Indiam adhuc idem nomen retinet”. D. i.: „Deze visch heeft een gele huid, over het geheele lichaam met zwartachtige vlekken geteekend, waarom onze zeelieden, toen zij, op de eerste reizen naar Indië, zulk een visch nabij het eiland Mauritius gevangen hadden, dien _Jakob Evertsen_ noemden, omdat deze hun vlootvoogd, een man van kleine en gedrongen gestalte en taankleurige huid, vele dergelijke vlekken in het aangezicht had. Dien naam heeft sedert deze visch in geheel Indië behouden”. Zie verder „Batavia in derzelver gelegenheid”, IV, bl. 26; Bleeker in T. v. N.-I. Jg. VII, D. III, bl. 409; van der Burg „de Geneesheer in Indië”, I, bl. 156 enz.

Kaaiman.

_Kaaiman_ is volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.” een soort van krokodil die de rivieren van Amerika, inzonderheid van Guiana, bewoont. Dit is volkomen juist en in overeenstemming met het oude en echte spraakgebruik. Piso, „de Indiae utriusque re naturali et medica”, p. 282, spreekt van den _Crocodilus vulgo Cayman dictus_ als van een dier in West-Indië, gelijkende op de krokodillen van Afrika en Azië, maar kleiner. Bij S. de Vries „Curieuse Aenmerkinghen”, D. II, bl. 576, waar hij van Nieuw-Granada spreekt, leest men: „de rivieren herberghen ook 't verslindende dier, van de Indianen genoemd _Caymans_, van de Spanjaarden _Lagartos_, zijnde een slagh van crocodillen”. Wij zien hieruit dat de ware Kaaiman noch een _Gaviaal_, noch een echte _Krokodil_ is, maar een _Alligator_. In het voorbijgaan zij hier opgemerkt, dat _Alligator_ slechts in schijn een Latijnsch woord is, maar inderdaad een Spaansch, nam. _Lagarto_, vermeerderd met het lidwoord _el_, en waarin oorspronkelijk het Latijnsche _lacerta_, d. i. hagedis, schuilt. De naam waarvan wij _kaaiman_ gemaakt hebben, is door de Indianen van Amerika zelven aan de hun bekende soort van krokodillen gegeven.

Intusschen wordt thans door de Nederlanders in den Indischen Archipel de naam kaaiman algemeen toegepast op den daar menigvuldig voorkomenden _Crocodilus biporcatus_, eene soort van echten krokodil, en men schijnt er zich zoozeer overtuigd te houden dat _kaaiman_ van echt Nederlandschen oorsprong en met _man_ samengesteld is, dat men, evenals man van _timmerman_ in het meervoud _timmerlieden_, of in de volksspraak _timmerlui_ maakt, zoo ook gewoon is van _kaailieden_ en _kaailui_ te spreken. Dat het gebruik van kaaiman voor den Oostindischen krokodil reeds zeer oud is, blijkt daaruit, dat Bontius, wiens aanteekeningen over de natuurlijke historie van Indië Piso als een aanhangsel op zijn zoo evengenoemd werk heeft uitgegeven, bl. 55 schrijft, dat de krokodil, zooals hij te Batavia voorkomt, „per totam Indiam Cayman audit.” Bontius was een tijdgenoot van Koen. Het blijkt dus dat de naam kaaiman reeds zeer vroeg, òf door onze landgenooten, òf door de Portugeezen, uit West-Indië naar Oost-Indië moet zijn overgebracht. Die vroege verbreiding van het woord in Insulinde doet mij echter bij voorkeur aan de Portugeezen als overbrengers denken, vooral in verband met zijn vorm. De Portugeezen schrijven het woord _Caimâo_ of _Caimam_, vormen die, zooals bekend is, in uitspraak schier geheel met ons _kaaiman_ overeenkomen. Wij zullen dus het woord door hunne tusschenkomst van de Indianen ontvangen hebben.

Het woord _Caiman_ wordt ook in het Fransch gebruikt. Ik voeg hierbij wat Littré over den oorsprong van dit woord aanteekent, omdat het mijn gevoelen bevestigt: „Etym. _Acayouman_, nom du crocodile en langue caraïbe. _Dict. fr. caraïbe_ du Père Raymond Breton, Auxerre, 1664. Indi _Aquelzoallin_, alii _Caymanem_ vocant. Nieremberg, _Hist. Nat._ XII: 5. De los lagartos o _Caymanes_ qua llaman (des lézards, ou, comme on dit, _caimans_). Acosta, _Hist. nat. de Indias_, III, 17.”

Leguaan.

_Leguaan_ is de naam van de Kamhagedis, _Iguana tuberculata_, die Midden- en Zuid-Amerika bewoont. Het woord is stellig uit Amerika afkomstig en luidt in het Spaansch, waarin het vermoedelijk het eerst is opgenomen, _Iguana_. Het Woordenboek der Spaansche Akademie zegt uitdrukkelijk, dat Iguana de naam eener Amerikaansche hagedissensoort is, en Littré teekent aan op _Iguane_, „Etym. _Yuana_, mot caraïbe, cité par Oviedo en 1525”.

Maar evenals het woord _Caimâo_ of _Kaaiman_, is ook _Iguana_ of _Leguaan_ reeds zeer vroeg naar Oost-Indië overgebracht en op de daar voorkomende hagedissensoorten toegepast. Bontius, in het aanhangsel op Piso, „de Indiae utriusque re nat. et med.”, p. 56, gelooft zelfs dat _leguaan_ de inlandsche naam eener hagedis op Java is, en nog worden de hagedissen van het geslacht _Monitor_ in Ned.-Indië algemeen _leguanen_ genoemd, ofschoon wij thans genoeg van de talen van onzen Archipel weten, om in te zien dat die naam er niet inheemsch kan zijn. Zie Sal. Müller in de „Verhandelingen over de Nat. Gesch. d. Ned. overz. bezittingen, Afd. Zoölogie, Reptiliën”, bl. 37. Nochtans zijn wij Nederlanders waarschijnlijk niet de eersten geweest, die den Amerikaanschen naam op Oostindische hagedissen hebben toegepast. Vermoedelijk zijn de Spanjaarden ons daarin voorgegaan. In het „Vocabulario de la lengua Tegala” van Fray Domingo de los Santos wordt op bl. 515 het Spaansche _lagarto_ (_lacerta_) verklaard door _Yguana_, als ware dit een Tagaleesch woord, en door _Bayauvac_, het _Biawak_ der Maleiers.

Wat den vorm betreft schijnt _leguaan_, waar voor men bij onze oude schrijvers (b. v. S. de Vries, „Curieuse Aenmerkinghen”, I, bl. 82) ook _legaan_ leest, eene verbastering te zijn van het Sp. _Iguana_, dat de Engelschen onveranderd hebben overgenomen, terwijl men in het Fransch _Iguan_ of _Iguane_ gebruikt. Geene andere Europeesche natie schijnt het woord te kennen in den door ons gebruikten vorm, met uitzondering van de Duitschers, die hun _Leguan_ vermoedelijk van ons hebben overgenomen.

Tor.

Dit bekende synoniem van _Kever_ (Hoogd. _Käfer_, Eng., ofschoon slechts plaatselijk, _chafer_) schijnt in het Nederd. alleen te staan; men wil het afleiden van _tieren_, wegens het snorrend of gonzend geluid dat sommige torren maken. Dit is echter slechts eigen aan eenige weinige onder de vele duizenden soorten van deze insecten. Men zou dus moeten aannemen dat het woord oorspronkelijk tot een of meer der meest geraasmakende soorten beperkt was, en bij uitbreiding een algemeene naam der schildvleugelige insecten geworden is. In ieder geval is _kever_, wanneer daarin, zooals men meent, het begrip van _knagen_ ligt, een veel gepaster naam voor de geheele groep. Merkwaardig is het dat van _tor_ noch in het Duitsch, noch in het Engelsch, ook zelfs in de dialecten, eenig spoor schijnt voor te komen.