Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
Part 8
[6] Van Lennep, Vondel, IV, bl. 53, noot, meent dat van 't oude _den Ikker_, door de _n_ van 't lidw. bij 't zelfst. nw. te trekken, later _de Nikker_ ontstaan is, op de wijze zooals 't volk _Noom_ heeft gemaakt uit _den Oom_ of _mijn Oom_. Maar ofschoon die meening het gezag van Bilderdijk voor zich heeft, schijnt het mij dat hier het omgekeerde heeft plaats gehad, namelijk aantrekking van de _n_ van het zelfst. nw. door het voorafgaande lidwoord, zooals in _ar_, voor _nar_ (narrenslede). Die _n_ tusschen het lidwoord en het volgend met een vokaal beginnend zelfst. nw. was altijd een zeer bewegelijk element, omdat zij doorgaans niet den verbogen vorm van het lidwoord aanduidde, maar bloot euphonisch was.
Kafir, Kaffer.
Dit woord is Arabisch en beteekent _ongeloovige_. In eene noot op zijne vertaling van de Warren's „Engelsch-Indië”, I, bl. 167, zegt de heer van der Maaten: „_Kaffer_ of _Kafir_ is een scheldnaam dien Aziatische en Afrikaansche Muzelmannen aan alle volken geven die met hen van geloof verschillen. Waarschijnlijk afgeleid van het gebergte Kaf, dat volgens hunne mythologie de grenzen van hun halfrond omgeeft.” Deze afleiding is een waarschuwend voorbeeld voor allen die het wagen verklaringen van woorden te beproeven uit talen, waarvan zij niets verstaan. _Kafir_ is in het Arabisch het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord _Kafara_, dat _ondankbaar, goddeloos, ongeloovig zijn_ beteekent, en wordt inzonderheid gebruikt van allen die den Islam verwerpen. De naam is bij ons het meest in gebruik als geographische naam van twee volken: de bewoners van Kafiristan in het N.-O. van Afghanistan, en die van het Kaffergebied in Zuid-Afrika, dat den zuidoostelijken hoek van dat werelddeel tot aan de Delagoa-baai beslaat. In beide gevallen is de naam ongetwijfeld van de belijders van den Islam afkomstig en misschien alleen door misverstand der Europeanen bepaaldelijk een geographische naam geworden. Zelfs als zoodanig was in vroeger tijd het gebruik in Afrika veel minder beperkt. Zoo zegt b.v. van Linschoten, „Itinerario”, bl. 60, dat over 't geheel naakt loopen „die swarten ofte Caffres van 't land van Mossambique en alle die custe van Aethiopia ende te landwaarts binnen, tot die Cabo de Bona Esperansa.”
Moor, Mooriaan.
_Moor_ komt van het Latijnsche _Maurus_; de Mauri waren de bewoners van het noordwestelijk gedeelte van Afrika, dat tegenover Spanje ligt en thans door Marokko en Algerië wordt ingenomen. Door de Arabieren onderworpen en tot den Islam bekeerd, smolten de Mooren eenigermate met hunne overheerschers te zamen, maar staken later het hoofd weder meer zelfstandig op, zoodat de strijd dien de Christenen van Spanje en Portugal te voeren hadden om zich van hunne Moslimsche, steeds uit Afrika ondersteunde, overheerschers te bevrijden, veelal als een strijd tegen de Mooren beschouwd wordt.
In hoofdzaak zijn de oude Mauri hetzelfde volk dat later door de Arabieren Berbers werd genoemd, een naam ontleend aan het oude, klassieke _barbaren_. In eene nadere ontleding der stammen, die onder de namen Mooren en Berbers worden begrepen, kan ik hier niet treden. Men zie het voortreffelijk artikel van Prof. de Goeje over de Berbers, in „de Gids” voor 1867, D. III, bl. 13.
De naam van Mooren kreeg bovendien in tweeërlei richting eene uitbreiding. De donkere huidskleur der Mooren, ofschoon op verre na niet zoo zwart als die der Negers, was oorzaak dat zij in de voorstelling der Europeanen met de overige donkerkleurige en zwarte rassen van Afrika samensmolten en Moor of Mooriaan als synoniem met Zwarte of Neger werd gebruikt. Vandaar in het Engelsch _blackamoor_; vandaar dat Othello „the Moor of Venice” heet; vandaar onze spreekwijze „den Mooriaan wasschen” of „schuren”, voor vergeefsch werk doen. Speciaal wordt nog in de Statenvertaling des Bijbels de naam van Mooren gegeven aan de Cuschieten of Ethiopiërs, eene van ouds beroemde zwarte of donkerkleurige natie, wier rijk zich over het tegenwoordige Nubië en Abessynië uitstrekte.
De tweede uitbreiding van het gebruik van den naam Moor had haren oorsprong niet zoozeer in overeenkomst van huidskleur, maar in overeenkomst van belijdenis. De Mooren, met wie de bewoners van het Iberische Schiereiland eeuwenlang in oorlog hadden geleefd, waren niet alleen vijanden van hunne vrijheid, maar ook van hunnen godsdienst. De Spanjaarden en Portugeezen streden voor het Kruis tegen de Halve Maan. Toen hunne ontdekkingstochten hen naar Malabar en Koromandel voerden, vonden zij ook daar een groot aantal belijders van den Islam, op wie ze den naam van _Moros_ of Mooren overbrachten, en van de Portugeezen leerden ook de Nederlanders het gebruik om de Indische Mohammedanen _Mooren_ te noemen. Zoo zegt b.v. Valentijn, „Choromandel”, bl. 108: „Behalve de Heydenen heeft men hier te lande ook zeer veel Mooren of Mohammedanen, die mettertijd ook meesters van het land geworden zijn”. Maar dit gebruik werd door ons hoofdzakelijk beperkt tot de Moslemen van het vasteland van Indië. Vgl. Pijnappel, „Geographie van Ned.-Indie”, 2e druk, bl. 59. Zoo is het althans in onze dagen, maar bij vroegere schrijvers werd ook wat op Java Mohammedaansch is niet zelden Moorsch genoemd. Zoo leest men b. v. in „Batavia in derselver gelegenheid”, D. I, bl. 19, van den _Moorschen_ Landvoogd van Japara; bl. 22, van de _Moorsche_ lijfwacht van den Soesoehoenan, in tegenstelling met de Europeesche wacht hem toegevoegd; bl. 23 van den _Moorschen_ tempel (d. i. de moskee) van Toeban, enz. Doch van de Javanen als Mooren te spreken, is thans geheel in onbruik geraakt.
Razzia.
Dit woord is niet opgenomen in Prof. Dozy's „Oosterlingen”, maar dat het wel had mogen opgenomen worden, is reeds opgemerkt door Prof. de Goeje, in zijne aankondiging van genoemd werk in „de Ned. Spectator”, 1867. Dozy geeft echter de verklaring van _razzia_ in zijn „Glossaire des mots Espagnols et Portugais, dérivés de l'Arabe”, art. _Gazua_. In de eerste uitgave van het Glossaire had de heer Engelmann alleen geschreven: „_Gazua_ portug. (expédition militaire), de _gazât_ ou _gazâwa_, qui signifie: une expédition militaire contre les infidèles. De ce mot Arabe les Français ont fait leur _razzia_.” Dozy doet hierbij nog opmerken, dat ook de vorm _gazwa_, schoon ontbrekende in het Woordenboek van Freytag, in het Arabisch menigmaal voorkomt; dat dit eigenlijk de vorm is waarvan _gazua_ afstamt, en dat men in het Port. ook _gazia_ en _gaziva_ aantreft. Dit _gazia_ nu, dat het meest overeenkomt met het Fransche _razzia_, heeft ook zijn voorbeeld in het Arabisch, zooals blijkt uit Dozy's „Supplément aux Dictionnaires Arabes”, T. II, p. 212, nam. in _gâzia_, attaque, coup de main, prise. Om te doen begrijpen hoe uit dit _gâzia_ razzia kon ontstaan, heb ik alleen nog te doen opmerken, dat de Arabische letter _gain_ of _ghain_, die noch aan onze _g_, noch aan onze _r_ beantwoordt, maar beider klank eenigermate in zich vereenigt, evengoed door _r_ in _razzia_, als door _g_ in _gazua_ kon worden uitgedrukt.
Dit woord _razzia_ kwam bij de Franschen in gebruik in Algiers, voor de menigvuldige strooptochten op het gebied van vijandige stammen, om hen van hun vee en leeftocht te berooven. Maar men gebruikt het ook voor de slavenjachten, die nog zoo vaak door de Moslemen in Afrika gehouden worden, als een ontaard overblijfsel van den heiligen oorlog tegen de ongeloovigen, dien de Islam zijnen belijders tot plicht heeft gemaakt.
Een paar voorbeelden van het gebruik van razzia in onze taal mogen hier niet ontbreken. In het Tijdschr. v. N.-I., Jg. 1863, D. I, bl. 61, vindt men een artikel, getiteld: „Razzia's in Ned. Indië”, waarin o. a. gelezen wordt: „Razzia's, zooals er eene tegen de Alfoeren van Mani heeft plaats gehad, zijn voorzeker niet het middel om tot verwezenlijking dezer inzichten te geraken.” D. Veth's „Reizen in Angola”, bl. 387: „Portugal kan door geene dekreten de vormen veranderen die eenmaal het Afrikaansche leven heeft aangenomen, den stempel uitwisschen dien de razzia en de slavenhandel er sedert eeuwen diep hebben ingedrukt.”
Azagai, Assegaai.
De Mooren waren van oudsher beroemd om hunne werpspiesen en de behendigheid waarmede zij die wisten te hanteeren. Wie herinnert zich niet de regels van Horatius:
„Integer vitae scelerisque purus Non eget Mauris jaculis, nec arcu” etc.?
De werpspies der Mooren schijnt zich als wapen over geheel Afrika te hebben verspreid. De schrijvers over de meest verschillende streken van dat werelddeel maken van haar gewag en noemen haar Azagai of Assegaai, een naam die, met het wapen zelf, van de Berbers afkomstig is, maar waarschijnlijk uit het Spaansch tot de overige volken van Europa is gekomen. Ziehier eenige voorbeelden bij Nederlandsche schrijvers. G. v. Broekhuizen in zijne Vertaling van Dan's „Historie van Barbaryen” (Amsterdam 1684), bl. 286: „Hun wapenen zijn een halve-piek of een werpspies, welke zij een _Agay_ of een _Azegay_ noemen, daar ze zich met zulk een behendigheid en kracht af dienen, dat ze er iemand op vijftig treden ver mee doorschieten.” De Marrée, „Reizen op en beschrijving van de Goudkust”, I, 235: „Eer hij nog de sabel konde vatten, kreeg hij van achteren eenen worp met een _Azagai_ (werp-pijl), van welke de Negers in vroegere tijden zich bedienden”. Th. Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”, bl. 171: „De oorspronkelijke wapenen van den Kaffer zijn assegaai, knopkiri's (stokken, in den regel van assegaaihout, die van een knop zijn voorzien), boog en lans”. Idem, „de stam der Amazoeloe”, bl. 90: „Ketchwayo begon over te hellen tot den onstuimigen wensch van zijn eer- en huwelijkszuchtige jongelieden, om de _assegaaien_ eens te gaan wasschen.” Hendrik P. N. Muller, „Herinneringen uit de Transvaal” (Gids 1888, D. II, bl. 242): „Alleen verstaan de negers [d. z. hier de Kaffers] het smeden van _assegaai_-spitsen uit het ijzer, dat in het noordelijk deel der Republiek bijna allerwegen wordt gevonden.” De opmerking schijnt mij hier niet overbodig, dat de _azagai_ en andere oorspronkelijke wapenen in vele streken van Afrika meer en meer door het schietgeweer verdrongen worden.
Het woord _Azagai_ (onder de verschillende schrijfwijzen schijnt mij deze de beste) is dikwijls ten onrechte voor Arabisch gehouden. Het woord is wel-is-waar vermeerderd met het Arabische lidwoord (en luidt dus eigenlijk _az-zagâja_); maar wanneer wij dit afscheiden blijft _zagâja_ over, dat nog in de taal der Berbers de voorvaderlijke werpspies aanduidt. Van daar in het Fransch gewoonlijk _zagaie_. De aanwezigheid van het Arabisch lidwoord in den Spaanschen vorm _Azagaya_, waaraan ons _Azagai_ onmiddellijk is ontleend, moet ons niet verwonderen, daar de Berbertaal, ofschoon eigenlijk niets met het Arabisch gemeen hebbende, thans met allerlei Arabische woorden en woordvormen vermengd is.
Vgl. over dit woord vooral Engelmann en Dozy, „Glossaire des mots Espagnols” etc.; op _Azagaya_.
Palabber.
_Palabber_ beteekent eigenlijk niets dan _een woord_, en is het Spaansche _Palabra_, dat ook _Palavra_ kan geschreven worden (omdat _b_ en _v_ conson. in het Spaansch niet verschillen) en steeds dien laatsten vorm heeft in het Portugeesch. Het woord is door de Spanjaarden en Portugeezen in zwang gebracht bij de Negers, en van dezen tot ons gekomen, gelijk het dan ook alleen in gebruik is onder de Nederlanders op Afrika's Westkust, of waar door onze schrijvers van de bevolking dier kust wordt gewaagd. _Palabber_ is waarschijnlijk de gewone negeruitspraak en daarom ook de meest gebruikelijke vorm. Somtijds leest men _palaber_ en enkele schrijvers geven de voorkeur aan den vorm _palaver_. Zie Tengbergen, „Reistocht en Expeditie naar de Ned. Bez. ter Westkust van Afrika”, bl. 37, noot.
Daar het woord van Europeesche afkomst is, mag men vermoeden dat het oorspronkelijk gebruikt werd om een woordenwisseling, mondgesprek of onderhandeling met Europeesche handelaars of autoriteiten aan te duiden. Ziehier een paar voorbeelden van dit gebruik. H. Muller Szn., „de afstand der Kust van Guinea aan Engeland”, bl. 6: „In de te Cape Coast verschijnende _West-African Herald_ komt een uitvoerig verslag voor van een onlangs op het kasteel van Elmina gehouden palabber of vergadering, waaruit zoowel de ijverige pogingen van de daar aanwezige Engelsche autoriteiten en onderhandelaars blijken om de Negers over te halen zich onder Engelsche vlag te stellen, als de onveranderlijke weigering der laatsten om daaraan te voldoen”. Roëll, in „Jaarboek van de Ned. Zeemacht, 1875–76”, bl. 302: „De Koningen eischten, dat wij zouden gaan naar dezelfde plaats, waar het vorige jaar de Commodore Hewitt was geweest tot het houden van een _palaver_”; bl. 307: „De heer Pape begon dit _palaver_ met de mededeeling van het gebeurde acht maanden geleden”.
De Negers gebruiken echter het woord _palabber_ ook van hunne onderhandelingen onder elkander, inzonderheid van hunne rechtsgedingen. Gramberg, „Schetsen van Afrika's Westkust”, bl. 65: „De rechtsgedingen, _palabers_ genoemd, die voor de vergadering [der Kromsgrooten[7]] worden gebracht, beginnen met het drinken van rum; want zoowel de eischer als de beklaagde is verplicht twee flesschen vooruit te betalen. Zulke rechtsgedingen zijn uiterst langwijlig en luidruchtig; de Neger, die zijne zaak voordraagt, houdt er van om veel over zijne familie uit te weiden, en begint gewoonlijk met zijn grootvader of overgrootvader”, enz. De Marrée, „Reizen op en Beschrijving van de Goudkust”, II, bl. 53: „De algemeene Elminasche Regeering bestaat uit den Koning, een tweeden Koning, een Onderkoning, die eigenlijk eerste Secretaris is, en nog eenen anderen Secretaris, welke tevens in alle _palabbers_[8] het woord voert.”
[7] Zie op het art. _Krom_.
[8] Hier zijn echter de onderhandelingen met vreemden natuurlijk niet buitengesloten.
In de derde plaats worden, bij overdracht, ook de geschillen, de rechtsquaesties zelve, _palabbers_ genoemd. De Marrée, a. w., I. 25: „Het recht van den sterkste heerscht hier, en waar dit niet geldt vormen zij [de Negers] een allerwanvoegelijkst denkbeeld van het recht van eigendom, en de uitspraken over verschillen (palabbers) van dien aard zijn allerellendigst.” Ald. bl. 28: „Het ellendige denkbeeld dat zij vormen van het recht van eigendom, geeft aan hunne twistzucht oneindige stof van verschillen (palabbers)”. Ald. bl. 159: „Een Neger had, bij zekere afdoening van zijn palabber of geschil te Elmina, kennis gemaakt met een der Elminasche.”
Paan.
_Paan_, ook dikwijls, door de gewone zucht der Hollanders om zich van verkleinvormen te bedienen, _paantje_, is ter Westkust van Afrika een zeer gewoon woord voor een doek of lap van wollen, katoenen of linnen stof, die als kleedingstuk wordt gebruikt. Het is alweder een Portugeesch woord _pano_ of _panno_, afkomstig van het Lat. _pannus_, in het Spaansch _pano_ uitgesproken, in het Fransch _pagne_, ofschoon ook _pan_ tot dezelfde familie behoort. Treffend juist is de omschrijving bij Littré (in v. _Pagne_): „Morceau de toile de coton ou d'autre étoffe, dont tous les nègres d'Afrique qui ne vont pas tout-à-fait nus, s'enveloppent le corps, depuis la ceinture jusqu'aux genoux, et quelquefois jusqu'au milieu des jambes”. Van Dale, art. _Paan_, verklaart het door: „Schaamteschort der negerinnen”, en de Kunstwoordentolk van Kramers en Bonte door: „een stuk stof dat de negerinnen om haar onderlijf slaan en dat de plaats van een rok vervangt”. Hoe komt men er toch toe om den paan alleen door de zwarte _dames_ te laten dragen? Ik sla een paar Afrikaansche reisverhalen op die mij het eerst in handen komen, en lees bij de Marrée, „Reizen op en beschrijving van de Goudkust”, I, bl. 28: „De linnen of katoenen lap, _paantje_ genaamd, mag [bij de meer vermogenden] wat fijner stoffaadje en grooter zijn, teneinde dien over den linkerschouder te kunnen slaan; doch overigens zijn zij allen aan elkander gelijk”. Ald., bl. 31: „De eilanders hebben de gewoonte, dat zij, zoo lang zij op hun eiland zijn, geen handbreed goed (of _paantje_) op hun ligchaam dragen,... de vrouwlieden zoowel als de manspersonen;... wanneer echter deze lieden van hun eiland naar een ander dorp gaan, dan kleeden zij zich gelijk alle andere Negers met eenen paan, bestaande uit eenig stuk lijnwaad.” Ald. II, bl. 57: „De Koning zelf gaat in een op zijn manier kostbaren paan.” H. J. Pel, „Aanteekeningen op eene reis van St. George Delmina naar Comassie”, bl. 12:[9] „Het voedsel en de kleeding der Caboceërs [dorpsgrooten] zijn dezelfde als van den geringsten Neger; het _paantje_ is somtijds iets beter, doch bij lange na niet van allen.”
[9] Zie over dit wèl gedrukte, maar, zoo het schijnt, nooit uitgegeven, en slechts in eenige overdrukken voorhanden reisverhaal, Veth en Kan, „Bibliographie van Afrika”, bl. 32. De heer Suzanna, uitgever van Pel's reisverhaal, teekent bij _paantje_ aan: „Aldus wordt de min of meer groote en prachtige doek genaamd, waarmede zij zich het hoofd bedekken.” Dit is een fout. Er is wel-is-waar geen reden, waarom paan niet ook een _hoofddoek_ zou kunnen aanduiden; maar hoofddoeken zijn op Afrika's Westkust niet gebruikelijk.
Het katoen voor de _paantjes_ aan het stuk, zooals het in den handel voorkomt, wordt soms _panen-goed_ geheeten (de Marrée, I, bl. 109). Veel fraai panen-goed wordt geweven te Accra, en de fraaiste soorten worden aan de Europeanen verkocht, die daarvan dekens en spreien voor bedden en rustbanken maken. (Ald., II, bl. 129.)
Krom.
Dit woord komt bij onze schrijvers over de Kust van Guinea ontelbare malen voor, maar hoe Hollandsch het er ook uitziet, het schijnt een echt negerwoord te zijn. Het is op de Goudkust de naam der _dorpen_. Gramberg, „Schetsen van Afrika's Westkust”, bl. 31: „Alleen bij de inlandsche dorpen of krommen vertoonen zich eenige kokosboomen.” De Regeering van zulk een dorp bestaat uit den Koning en zijne _caboceërs_ [van het Portug. _cabeceira_] of edellieden, d. z. degenen die in de krommen, of in de wijken waarin de voornaamste dorpen verdeeld zijn, de meeste slaven en het meeste goud bezitten (zie de Marrée, „de Goudkust”, I, bl. 122.). Zij worden door de Nederlandsche schrijvers dikwijls de _Kromsgrooten_ genoemd (b. v. Gramberg, t. a. p., bl. 65.) De Raadsvergaderingen van den Vorst en de edelen worden in de open lucht gehouden. Gramberg, t. a. p., bl. 64: „Zelfs de kleinste _krommen_ hebben hunne opene vergaderzalen; deze bestaan eenvoudig uit eene schoon geveegde plaats, afgesloten door vier boomen in _carré_ gelegd.” De Marrée, „de Goudkust”, II, bl. 5, verwisselt _krom_ met _negerij_ (zie op dat woord), en Kan, „Nederland en de Kust van Guinea”, spreekt van _negerkrommen_.
Baar.
_Baar_ is volgens van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” „een nieuweling aan boord, een nog onervaren, matroos; een Europeër die voor het eerst in Oost-Indië komt, aldus genoemd in tegenstelling met een oudgast. 't Woord is ontleend aan het Maleisch.” Volkomen juist, slechts had de beteekenis in de tweede plaats vermeld, moeten voorafgaan; want natuurlijk is de Maleische naam _baar_ het eerst in O.-Indië aan de nieuwelingen gegeven, en daarna door de schepelingen op de nieuwe matrozen toegepast. De Oostindische baar is zeer goed geschetst in Weitzel's „Batavia”, bl. 153–161. Het blijkt uit dat stuk dat men van _baar_ ook het adjectief _baarsch_ en het afgetrokken naamw. _baarschap_ heeft gevormd. „Heeft Mijnheer de _baarsche_ stoot reeds gehad?”—„Er bestaat een natuurlijk en een conventioneel _baarschap_.”—„Ieder is in Indië genegen baarsche hoedanigheden op te merken in anderen, die er korter dan hij hun verblijf hielden.”
Men ziet uit het gezegde dat in Indië _baar_ beantwoordt aan hetgeen onze studenten _groen_ noemen; aan de Militaire Akademie te Breda worden dan ook de nieuw aangekomen studenten _baren_ geheeten. In het algemeen is _baar_ ieder die zich nog vreemd voelt in een kring waarin hij pas geplaatst is, en, de daarin bestaande gebruiken niet kennend of er althans niet in geoefend, zich telkens vergist, of er inloopt, zooals men zegt. Vandaar heeft _baar_ ook de beteekenis gekregen van _ongeleerd_, _ongeoefend_. In Zuid-Afrika, waar in de taal der boeren veel Maleische woorden zijn ingedrongen (zie op _Amper_), heeft _baar_ dikwijls deze beteekenis, niet alleen waar men van menschen, maar ook waar men van trekbeesten spreekt. Zie Mansvelt, „Proeve van een Kaapsch-Hollandsch Idioticon” (Kaapstad, 1884), op _Baar_. In dien zin spreekt men er ook van _baar-Kaffers_, d. z. Kaffers die nog vreemd zijn aan alle beschaving, nog niet gewoon zijn aan den omgang met Europeanen. Zie Schüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 77, 104. Een eigenaardig gebruik van _baarsch_ vond ik vermeld bij de Marrée, „de Goudkust”, I, bl. 20. De klimaatziekte der nieuwelingen, die de Engelschen _seasoning_ noemen, wordt daar, volgens dien schrijver, door de Nederlanders de _baarsche ziekte_ geheeten.
_Baar_ is het Maleische _beharoe_ of _baroe_, d. i. _nieuw_, of als bijw. _nieuwelings_, _pas_; maar wordt vooral gebruikt als verkorte spreekwijs voor _orang baroe datang_, iemand die pas is aangekomen. Het staat over tegen _orang lama datang_, of bij verkorting _orang lama_ of _oorlam_, een oudgast. Zie op _Oorlam_.
Orang oetan.
_Orang oetan_, veelal (ook door van Dale en Kramers en Bonte) _orang oetang_, en vroeger,—tengevolge der zonderlinge voorkeur die ons volk in vreemde namen aan de Fransche spelling geeft, (als ware al wat vreemd is, Fransch)—_orang outang_ geschreven, is de naam dien wij, met het geheele beschaafde Europa, aan eene bekende soort van anthropomorphische apen geven, die alleen op Borneo en Sumatra voorkomen. De naam is volkomen duidelijk en bestaat uit twee zeer bekende Maleische woorden: _orang_, mensch, en _oetan_, bosch, die, dus samengevoegd, aan ons _boschmensch_ beantwoorden. Wegens de groote overeenkomst van den in de bosschen levenden _orang-oetan_ met den mensch, is deze naam niet ongepast; maar de oorsprong daarvan schuilt nochtans in het duister, daar de Maleiers zelven dien naam wel aan wilde, in de bosschen levende menschen, maar, zooveel wij weten, nooit aan eene soort van apen geven. Zij noemen den orang-oetan _mawas_, waarvoor men op Borneo _majas_ zegt. Het verdient echter opmerking dat, volgens Burns, „Vocabulary of the Kayan language”, in „Journal of the Indian Archipelago”, 1849, bl. 134, de majas in de taal van den stam der Kajans op Borneo _orang tuan_ heet, terwijl bl. 182 _tuan_ door _wood_, _jungle_, verklaard wordt, zoodat dit woord geheel aan het Maleische _oetan_ beantwoordt. Misschien is _orang oetan_ eene bij de Maleiers op Borneo wel eens gebruikte vertaling van dezen naam, en hebben oude reizigers die uit hunnen mond opgevangen.
Daar orang oetan, voor den majas gebezigd, geen Maleisch is, maar alleen de Europeanen deze verbinding van twee Maleische woorden tot aanduiding van den majas gebruiken, zijn sommigen van oordeel, dat men ook de gewone Europeesche schrijfwijze _orang-oetang_ moet behouden. De nasale _n_ (_ng_) op het einde der woorden is een gewone verminking der op eene zuiver dentale _n_ eindigende Maleische woorden, in het bij de Europeanen in zwang zijnde zoogenaamde laag-Maleisch of brabbel-Maleisch. Daar het woord in de beteekenis van _majas_ inderdaad tot dit brabbel-maleisch behoort, wil men het dan ook de in die ontaal[10] te huis behoorende uitspraak en spelling laten. Het is een zaak van zeer weinig gewicht; maar daar de samenstellende woorden beide zuiver Maleisch zijn, kan men ze, dunkt mij, ook den zuiver Maleischen vorm doen behouden.
[10] Ik waag het onze taal, naar de analogie van _onzin_ enz., met dit woord te verrijken.
Wouwouw.