Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden

Part 7

Chapter 73,516 wordsPublic domain

Naam die vooral op Java, misschien ook elders in Nederlandsch-Indië, gegeven wordt aan eene zekere klasse van personen, in hoofdzaak afstammende van de Portugeezen die tijdens de verovering der bezittingen van Portugal door de Ned. O.-I. Compagnie in hare nederzettingen gevestigd bleven en de Hervormde kerkleer aannamen, en te wier behoeve te Batavia en elders langen tijd in de Portugeesche taal werd gepredikt, totdat deze schier geheel door de Maleische verdrongen was. Ofschoon van Europeanen, althans Europeesche vaders, die vóór twee à drie eeuwen leefden, afstammende, moeten zij echter, wegens de sterke inmenging van inlandsch bloed, als kleurlingen beschouwd worden. Doorgaans onder elkander huwende of zich weder met inlandsche vrouwen verbindende, leven zij schier geheel gescheiden van de Europeanen of kleurlingen van nieuweren oorsprong, en vormen bijna een eigen ras, dat een mengelmoes van Maleisch en Hollandsch van de slechtste soort als taal heeft aangenomen, eigenaardige gewoonten volgt en zich, tengevolge van grove verwaarloozing, veelal door groote stompzinnigheid en onkunde onderscheidt.

„Geplaatst”, zegt van Rees, „Herinneringen uit de loopbaan van een Indisch officier”, 3e druk, 1e serie, bl. 239, „tusschen Europeanen, die zich niet met hunne vorming bemoeien, en inlanders, waarmede zij zich niet willen afgeven, blijven zij op een lagen trap van ontwikkeling staan”. Beide seksen zijn bijzonder keurig op hunne kleeding, die bij de mannen, _signo's_ geheeten, zeer nauwsluitend en stijf is, maar bij de vrouwen, die _nonna's_ genaamd worden, en er in hare jeugd dikwijls allerliefst uitzien, zich door bevalligheid en goeden smaak onderscheidt. De mannen schrijven doorgaans eene fraaie hand, en worden dus dikwijls als kopiïsten gebezigd, maar begrijpen vaak zoo weinig van hetgeen zij schrijven, dat hunne kopiën van fouten wemelen; de vrouwen zijn vaardig in handwerken, hebben eenigen aanleg voor muziek en zijn hartstochtelijke danseressen.

De naam _liplappen_ dien men hun geeft, en die ook wel, misschien beter, _liblabben_ geschreven wordt, is uit geene bekende taal te verklaren, of men moest er, met sommigen op Sumatra's Westkust, het Bataksche _liplip_ in vinden, hetwelk beteekent: _iemand als zijn bloedverwant verloochenen, omdat men zijne schulden niet wil betalen_. Zie v. d. Tuuk, Bataksch Wdbk., bl. 484. Deze verklaring is echter geheel onaannemelijk; behalve dat de beteekenis in het geheel niet past, was de naam van Liplap reeds te Batavia in gebruik, toen men er zelfs den naam der Bataks te nauwernood kende. _Liplap_ schijnt mij een komisch, willekeurig gevormd woord te zijn, op de wijze van _mikmak_ en dergelijke,—een spotwoord dat, eenigszins geluidnabootsend, op de hoogst gebrekkige en belachelijke taal dezer klasse van kleurlingen wijst.

In de beruchte „Relation de la ville de Batavia”, als aanhangsel gevoegd bij de „Voyages aux Indes Orientales” van Nic. de Graaf, komt, bl. 291, eene plaats voor over de vrouwen te Batavia, waarin van de Hollandoises-Indiennes, dat zijn de in Indië uit Europeesche ouders geborene meisjes, gezegd wordt: „on les appelle ordinairement les Enfants _Liblabs_; la plus part de celles-ci ont, a ce qu'on dit, le timbre un peu felé”. Ik weet niet recht wat ik van deze woorden maken moet. Is de naam _Liblab_ in de Graaf's tijd (omstreeks 1720) de speciale naam geweest der in Indië uit Europeesche ouders geboren vrouwen, of schuilt er iets bijzonders in dat _Enfants_ Liblabs? Dat destijds de toon der Bataviasche Maatschappij uitermate slecht was, dat ook Europeesche ouders de opvoeding hunner kinderen schandelijk verwaarloosden, ze vaak geheel aan slaven overlieten en zelfs niet zorgden, dat zij de Nederlandsche taal leerden, en dat de dochters zich in reine zeden en beschaafde manieren vaak weinig boven de Liplapsche dames verhieven, zijn zeker maar al te bekende zaken; maar dit is toch de eenige plaats die mij ooit is voorgekomen, waarin dames van onvermengd Europeesch bloed, in weerwil van, ja men zou zeggen juist om hare zuiver Europeesche afkomst, _Liplappen_, of eigenlijk, wat nog vreemder is, _Liplapsche kinderen_ worden genoemd. Wie tegenwoordig het wagen mocht eene dame van zuiver Europeesch bloed, die gewoonlijk te Batavia zelve al de voordeelen eener Europeesche opvoeding heeft genoten en in niets bij hare zusters in het vaderland achterstaat, eene Liplap of een Liplapsch kind te noemen, zou haar eene grove en waarschijnlijk geheel onverdiende beleediging toevoegen.

Wetanger.

In de „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië”, N. V., D. I, wordt, in een rapport over den staat van Bantam in 1786, op bl. 147 gewag gemaakt van _Wettangers_ of Compagnies-onderhoorigen. De Redactie tracht dit woord in eene noot te verklaren, en noemt het „een bastaardwoord ontleend aan _Wettang_ (_wetan_), het Oosten, zoodat Wettangers „menschen uit het Oosten” zou beteekenen”. Die verklaring is echter zeer onvoldoende. Waar komen die Oosterlingen van daan? Waarom wordt in een land, waar Makassaren, Boegineezen, Timoreezen, Alfoeren, Papoea's en ik weet niet hoevele stammen meer, terecht „Oosterlingen” kunnen genoemd worden, die naam in het bijzonder geschonken aan een klein deel der bevolking, dat er bezwaarlijk een speciaal recht op hebben kon?

Wij weten thans beter wat in den tijd der Compagnie de _Wettangers_ of liever _Wetangers_ waren, uit het „Resumé van het onderzoek naar de rechten van den Inlander op den grond in Bantam”, bl. 3. Ziehier wat wij daar lezen: „Zij waren tot zekere straffen veroordeeld en gehouden tegen de zeeroovers en ander kwaad volk in straat Soenda en langs de kusten te kruisen, omtrent de schepen te rapporteeren en andere zware diensten te doen, hetgeen ten gevolge had dat velen zich daaraan onttrokken, door zich in de bovenlanden te vestigen. Zij waren verplicht nabij St. Nikolaaspunt te wonen.”

De toestand dezer Wetangers schijnt mij verklaard te moeten worden uit het inlandsch recht, volgens hetwelk schuldenaars, die hunne schulden niet kunnen betalen, ter voldoening daarvan tot lichamelijke diensten ten behoeve hunner schuldeischers verplicht worden, en dus in een staat van onvolkomen slavernij verkeeren. Men noemt zulke pandelingen _orang beroetang_ of _orang oetangan_, en uit dit laatste woord schijnt _wetanger_ verbasterd. Zij zullen dus als het ware pandelingen der Compagnie zijn geweest, haar door den rechter toegewezen om door persoonlijke diensten de boeten of andere straffen te vervangen, hun wegens misdrijven opgelegd.

Mardijker.

Mardijker is de vernederlandschte vorm van het Maleische _mardaheka_ of _mardeka_, Jav. _mardikô_, vrij, een vrij man, die niet tot heerediensten verplicht is. Men noemde _mardijkers_ eene klasse van inlanders, die in de geschiedenis van Insulinde eene vrij belangrijke rol heeft vervuld, maar omtrent wier oorsprong en beteekenis veel onzekerheid heerscht. Men vindt reeds sporen van het bestaan der Mardijkers onder het Portugeesch bestuur, dat aan onze verovering der Molukken is voorafgegaan. Zie Valentijn II, 1, bl. 123; 2, bl. 16. Het is waarschijnlijk hun naam die Valentijn en anderen op het denkbeeld heeft gebracht, dat zij afstammelingen waren van vrijgegeven of vrijgekochte slaven; maar, ofschoon het zeer mogelijk is, dat velen onder hen inderdaad vrijgelatenen of afstammelingen van dezen geweest zijn, staat het toch vast dat het woord niets meer beteekent dan een vrijman, onverschillig of hij al of niet eenmaal tot den slavenstand heeft behoort. Men leert evenwel ook nog uit dien naam, dat de bedoelde vrije lieden geen Europeanen, maar inlanders waren; want waarom zou men ze anders een Maleischen naam gegeven hebben? De vrije, niet in dienst der Compagnie staande of door haar bezoldigde Europeanen, met andere woorden, de blanken die als kolonisten naar Indië waren gekomen, werden Vrijburgers genoemd; zulke Vrijburgers waren nu ook de Mardijkers, maar als men hen met den naam van Vrijburgers noemde, voegde men er doorgaans tot onderscheiding _zwarte_ bij, daar men gewoon was alle inlanders _zwarten_ te noemen.

De kolonel Haga, die ons, als inleiding tot een lezenswaardige verhandeling over de Mardijkers van Timor (in het Tijdschrift v. het Bat. Gen., Dl. XXVII, blz. 191), de resultaten van zijn zorgvuldig onderzoek over de Mardijkers heeft medegedeeld, erkent als het doel dezer instelling, een inlandsch element te scheppen, dat, onder het rechtstreeksch bestuur der overheerschers geplaatst en door voorrechten aan deze verbonden, een tegenwicht zou helpen vormen tegen de massa der inheemsche bevolking. Het lag in den aard der zaak, dat men onder die Mardijkers oorspronkelijk alleen zulke inlanders opnam, die, ter plaatse waar men ze vestigde, vreemdelingen waren, welke of om eenige reden de bescherming der Compagnie gezocht hadden, of door het voorspiegelen van voordeelen waren gelokt. Later zich voortplantende en in aantal wassende, erlangden zij, vooral te Batavia, eene belangrijke plaats in de maatschappij. Velen dreven een aanzienlijken handel, inzonderheid in kleedjes en kostbaarheden, waren vermogend en bewoonden fraaie huizen; anderen leefden in de nabijheid der stad van tuin- en akkerbouw. Zie Valentijn, IV, 1, bl. 254; „Batavia in derzelver gelegenheid”, III, bl. 35.

De Mardijkers werden tijdens de Compagnie ook voor schuttersdiensten bestemd; waar hun aantal dit toeliet werden de weerbare mannen onder hen in compagniën of vendelen ingedeeld. Zie b. v. de beschrijving van Batavia in D. I der Verhandelingen van het Bat. Gen., bl. 61. Niet zelden namen de Mardijkers ook deel in de militaire expeditiën door de Compagnie uitgerust. Zie b. v. Baldaeus, Ceilon, bl. 71 en 80, en de Jonge „Opkomst van het Ned. gezag,” D. VI, bl. CVIII en 171. Nergens echter hebben de Mardijkers eene grootere rol vervuld dan op Timor; alleen op dat eiland (te Koepang en Babauw) is nog onder dezen naam eene afdeeling militairen, uit verschillende inlandsche en vreemde elementen bestaande, in dienst gebleven. De verhalen echter omtrent hunne heldendaden en de hun toegekende eerbewijzen bij een aanval der Portugeezen in 1749, berusten slechts op mondelinge overlevering, en het legendair karakter dezer berichten is door kolonel Haga in het aangehaalde stuk duidelijk in het licht gesteld.

Te Batavia is de naam Mardijkers sedert lang in onbruik geraakt, en vervangen door dien van Papangers. Radermacher en W. van Hogendorp in hun beschrijving van de stad Batavia (Verhh. v. het Bat. Gen. I, bl. 61) gebruiken Papangers en Mardijkers als synoniemen, en het Koloniaal Verslag over 1849 zegt over die Papangers het volgende: „Dit corps, samengesteld uit vrijgegeven slaven, Maleiers, Mooren, Bengaleezen en hunne afstammelingen, die hun 16e jaar zijn ingetreden en hun 40e nog niet hebben bereikt, is reglementair eene inlandsche schutterij en staat dan ook, behoudens het gezag van den Resident, onder de bevelen van den kommandant der schutterij. Zij onderscheidt zich echter van de boven behandelde schutteren daardoor, dat zij geheel voor 's lands rekening komt _buiten_ de schutterlijke kas, en geregeld al de wachten in de oude stad betrekt tegen dagelijksche soldij. De diensten welke dit corps bij voortduring verricht, geven reden tot tevredenheid”. In weerwil dezer laatste woorden blijkt uit „Ind. Staatsbl.”, 1849, no. 17, dat de Regeering destijds reeds het voornemen koesterde, het corps Papangers te reorganiseeren of geheel op te heffen. Dit laatste schijnt eenige jaren later gebeurd te zijn.

Van den oorsprong van den naam Papangers kan ik geene rekenschap geven. Onder de vreemde Oosterlingen, te Amboina wonende, worden door Valentijn, II, 1, bl. 156, ook Pampangers (bewoners van het gewest Pampanga op Manilla) genoemd. Men kan aannemen dat onder de Mardijkers ook afstammelingen van die natie scholen, maar, daargelaten dat het woord Pampangers een _m_ te veel heeft, is het niet aan te nemen, dat zij onder de Bataviasche Mardijkers ooit zoodanig het overwicht hebben gehad, dat _hun_ naam dien van Mardijkers verdringen kon.

Toepassen.

Zoo heet een deel der bevolking van de door de Compagnie beheerde gewesten, dat veel overeenkomst had met de Mardijkers en dikwijls met hen verward wordt. Zoo lezen wij in „Batavia in derzelver gelegenheid”, D. III, bl. 35: „de Mardijkers of Toepassers zijn Indianen van verschillende natiën, volgens veler meening Toepassers genoemd, omdat zij de zeden en godsdienst der volkeren, bij welke zij woonen, lichtelijk, als bij toepassing, aannemen”. Valentijn onderscheidt echter tusschen Mardijkers en Toepassen, en zegt dat deze laatsten, althans te Amboina, afstammelingen zijn van Portugeesche vaders en inlandsche moeders. De belachelijke verklaring van den naam Toepassers, zoo even vermeld, zal wel niet vele voorstanders vinden; maar het woord is klaarblijkelijk verhollandscht en zal moeten afstammen van het een of ander inlandsch woord, dat met het Nederlandsche woord _toepassen_ eene toevallige overeenkomst had. Het zal dus gevormd zijn op de manier van _kaalkop_ van _kakap_, _passeerbaan_ van _paséban_, _boetjongen_ van _boedjang_, _Bokje_ van _Boegis_ of _Boeginees_, _Baviaan_ van (het eiland) _Bawéan_, en andere dergelijke producten van Europeesche onwetendheid of valsch vernuft. Zulk een woord vinden wij in het Malabaarsche _toepay_, dat volgens Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl. 121, _tolk_ beteekent. Men werpe niet tegen dat deze verklaring niet met de klankwetten strookt; zulke willekeurige verbasteringen zijn aan geen wetten onderworpen. Canter Visscher bevestigt de meening van Valentijn, dat de Toepassen in hoofdzaak van Portugeesche vaders en inlandsche vrouwen afstammen, en verzekert ons, dat zij, ofschoon met slavenkinderen en vrijgelaten slaven van allerlei natiën vermengd, zich veel op hunne Portugeesche afkomst lieten voorstaan. Allen echter werden door hen afgestooten die niet den Roomschen godsdienst beleden. „Daar wordt”, zegt gemelde schrijver, die een langen brief aan de Toepassen wijdt, „een groote menigte van deze Toepassen gevonden door Mallabaar en bijzonderlijk aan den zeekant en bij Fortressen en Losiën (Loges) der Europeanen; men vindt er ook vele in en rondtom deze stad Couchim, die zich generen met allerlei Ambagten....... ook begeven zich degene welke buiten de stad wonen tot den landbouw. Daarbij worden ze van de E. Maatschappij gebruikt in den oorlog, of tot het bezetten van Posten, daar ze meteen tot briefdragers dienen.”

De Toepassen schijnen dus oorspronkelijk op de kust van Malabar te huis te behooren, en vandaar hun verminkten naam naar Batavia en de Molukken te hebben medegebracht. De weinige naar die gewesten afdwalenden verloren zich onder de Mardijkers, waarvan, om dit in het voorbijgaan te zeggen, ook velen den Christelijken godsdienst beleden.

Bokje, Bokkenees.

Er is misschien geen tweede volksnaam die zoo mishandeld en op velerlei wijzen verminkt is, als die der Boegineezen op Zuid-Celebes.

Hun Maleische naam is Orang Boegis, menschen van Boegis. Maar dit Boegis is reeds door verwisseling der lipletters W en B ontstaan uit Woegi, een dorp aan de rivier Tjenrana, welks bewoners in ouden tijd de rol van tolken vervulden bij de vreemdelingen, die het Hof van den machtigsten Vorst dier streken, Sawêri Gôding, kwamen bezoeken. De naam To Woegi, dien deze volken zich gaven, werd weldra uitgebreid tot allen die hunne taal spraken. (Zie Matthes, „Boegineesche Spraakkunst”, Inleiding). Zooals men van Balineezen, Soendaneezen en Bankaneezen spreekt, maakten de Nederlanders van Boegis soms Boegissen, maar meest Boegineezen, en deze vorm bleef tot heden de gebruikelijke; bij oudere schrijvers echter vindt men ook _Boekaneezen_ (Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl. 65 en elders) en _Bokaneezen_ (Stavorinus, „Reize van Zeeland naar Batavia”, I, bl. 236: „Bijzonder maken de slaaven die van het eiland Celebes of Macasser komen, en wel voornamelijk de Bokaneezen, zich aan gruwelijke moorden schuldig; ook behooren de meeste amokspuwers tot deze natie”). De Engelschen noemden ze oudtijds gemeenlijk _Buggesses_ of _Bugguesses_. Maar de zonderlingste verbastering is die tot _Bokjes_, welke naam te Batavia werd gegeven aan eene kolonie van Boegineezen, na het einde der Makassaarsche oorlogen derwaarts overgebracht. Zie „Batavia in derzelver gelegenheid”, D. III, bl. 35.

In onze volkstaal hoort men een zeer onbeschaafd en ruw mensch, iemand van barbaarsche manieren en voorkomen, wel eens een _Bokkenees_ noemen. Klaarblijkelijk is ook dit eene verbastering van Boeginees. Met de beteekenis van gemelden scheldnaam komt het karakter van wreedheid en teugellooze drift, dat men aan de Boegineezen toekende, goed overeen.

Ik wil hier in het voorbijgaan nog van een verbastering van een anderen op Celebes te huis behoorenden naam spreken. Nabij en op de kusten van dat eiland leeft een aanzienlijk gedeelte van den steeds op het water zwervenden stam der Badjo's of Bayo's (bekend door Vosmaer's „Korte beschrijving van het zuid-oostelijk schiereiland van Celebes” in Deel XVII der „Verhandelingen van het Bat. Gen.”, en van Verschuer's bericht „de Badjo's”, in D. VII van het T. v. h. Aardr. Gen.). Deze Badjo's worden in het Makassaarsch _Toe-ri-djêné_ genoemd, d. i. letterlijk: _menschen op het water_. Volgens sommige schrijvers zou die naam door de Europeanen te Makasser tot _Trojeenders_ verbasterd zijn. De heer Matthes zegt echter in zijne „Opmerkingen omtrent de Hollander's beschrijving van het Gouvernement van Celebes in zijne „Handleiding bij de L. en Vk. van N.-I.””, bl. 16, dat hij die benaming _Trojeenders_ nooit heeft vernomen.

Laskar, Laskarijn.

Indische, ook Maleische en Javaansche matrozen, op Europeesche schepen varende, worden thans dikwijls ook in Nederland _laskars_ genoemd. De Woordenlijst van de Vries en te Winkel en van Dale's Nieuw Ned. Wdbk. geven den vorm _laskaar_, mv. _laskaren_, die echter minder gebruikelijk en naar mijn inzien ook minder juist is; eerder ware dan als vernederlandschte vorm _lasker_ aan te bevelen.

Dit woord is het Perz. _lasjkar_, dat eigenlijk _leger_ beteekent en in dien zin ook in de Maleische taal is overgegaan, zooals blijkt uit de in Marsden's „Malay Dictionary” aangehaalde voorbeelden. Het tegenwoordig gebruik van _laskar_ voor Indische matrozen hebben wij van de Engelschen overgenomen. In Stocqueler's „Oriental Interpreter” wordt het dus verklaard: „_Lascar_, a European term for certain descriptions of menials in India. Sailors (shipkeepers), employed in harbour, tent-pitchers, the people employed to do the dirty work of the artillery and the arsenals etc. are called lascars. The term is derived from lushkur, literally an army man.” Lucas, „Engl.-Deutsches Wörterb.”, verklaart _lascar_ door, „der Lasker, der Indische Matrose im Dienste der Englischen Compagnie.”

Bij deze verklaringen moet echter worden opgemerkt:

1o. Dat het Perz. _lasjkar_ nooit iets anders beteekent dan _leger_, en de beteekenis van krijgsman, soldaat, alleen toekomt aan het denominatieve _lasjkari_, waarvan onze oude schrijvers zeer juist in het Nederlandsch _laskarijn_ maakten, b. v. van Linschoten, „Itinerario”, bl. 59. En zoo wordt ook bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Ceylon”, bl. 66, 71, 80, 90 enz. aan de inlandsche soldaten in dienst der Compagnie de naam van _Lascaryns_ gegeven.

2o. Dat de samenhang en overgang der beteekenissen waarschijnlijk deze is: _a._ soldaat, _b._ inlandsch soldaat in dienst der Engelsche of Nederlandsche Compagnie, aan wien, in vergelijking met de Europeanen, mindere diensten werden opgedragen, _c._ sjouwer, werkman op de werven en kaden, _d._ inlandsch licht matroos, met het gewone scheepswerk belast.

Neger.

Ik begrijp volstrekt niet, waarom Weiland en Lexer (in Grimm's „Deutsches Wörterbuch”), dit woord van het Fransche _nègre_ afleiden. _Nègre_ is de verfranschte, gelijk het Hoog- en Nederduitsche _neger_ de verduitschte vorm van het Portugeesche (ook in het Spaansch, Italiaansch en, behoudens de wijziging der uitspraak, in het Engelsch onveranderd gebruikte) _negro_. Niet aan de Franschen, maar aan de Portugeesche zeevaarders, zijn wij onze eerste kennis van West-Afrika verplicht. _Negro_ beteekent _zwart_, een _zwarte_ en stamt af van het Latijnsche _niger_. Met _neger_ komt overeen het Arab. _aswado_, mv. _soedân_, vanwaar _biladoe's Soedân_, het land der zwarten of negerland.

De geographische bepaling van den naam Negerland is zeer moeilijk. Men gaf langen tijd den naam van Negers aan alle zwarte stammen van Afrika, en velen doen dit nog heden. De ethnologen echter beperken den naam Neger tot de koolzwarte stammen, die ten zuiden der Sahara tot omstreeks den Evenaar wonen. Deze vormt, zeer ruw genomen, de grens tusschen de Neger- en de in vele opzichten van hen verschillende Bantoe-stammen, die zich uitstrekken tot Afrika's zuidspits, behalve dat de zuidwesthoek door de Hottentotten en met hen verwante Boschjesmannen bewoond wordt. Ten noorden der Negers wonen Semietische en Hamietische stammen, verspreid onder hen Nubiërs en Fellatah (Nuba-Fulah-volken). Wenschelijk ware het dat zich het gewone spraakgebruik naar die wetenschappelijke onderscheiding richtte. Vgl. mijne opmerkingen in „Daniel Veth's reizen in Angola”, bl. 335–337.

Heeft ons de Kaapkolonie in betrekking gebracht tot de Zuid-Afrikaansche stammen, onze voormalige bezittingen op de kust van Guinea plaatsten ons te midden van echte negers. Ook daar zij uit de vermenging van blanken en zwarten een zeker aantal kleurlingen gesproten, die eveneens, naar den graad der vermenging, verschillende namen dragen, welke niet geheel met de benamingen in Oost- en West-Indië gebruikelijk overeenstemmen. Ik lees daaromtrent bij de Marrée, „Reizen op en beschrijving van de Goudkust van Guinea”, D. II, bl. 135: „de dochter door eenen Blanke bij eene Negerin verwekt, is eene Tapoeijerin—bij eene Tapoeijerin, Mulattin,[5]—bij eene Mulattin, Castiessin,—en bij eene Castiessin wederom Blanke. De dochter van eenen Tapoeijer of Mulat bij eene Negerin noemt men Caboegerin”. Uit hetgeen voorafgaat blijkt echter dat Mulat, daargelaten de speciale beteekenis hier vermeld, ook de algemeene naam is van afstammelingen van blanken en zwarten.

[5] Bl. 44 worden Tapoeiers en Mulatten gelijkgesteld; bl. 52 worden Tapoeiers genoemd „kinderen van blanken en die van de kleur.” Zij vormen een zoogenaamd _kwartier_ en trekken op als eene Compagnie in volle uniform, gecommandeerd door een Kapitein en twee Luitenants. De Tapoeiers hebben eene groote neiging om de blanken na te apen.

Caboeger (er staat eigenlijk Cabocger, maar dat zal wel een drukfout zijn) schijnt mij hetzelfde als het in West-Indië gebruikte _Karboeger_, waarvan ik hierboven in een afzonderlijk artikel gesproken heb. Evenals deze naam moet ook _Tapoeier_ uit Amerika afkomstig zijn. Het is oorspronkelijk de naam van een zeer woesten stam van Indianen, die onze bondgenoot was in onze oorlogen met de Portugeezen in Brazilië. De Portugeezen schrijven hun naam _Tapuya_. Zie over hen o. a. van Kampen „Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa”, bl. 411, 425, 433, 446, enz. Hoe deze namen naar Afrika gekomen zijn, kan ik evenmin verklaren, als de beteekenis waarin zij gebruikt worden.

De Engelsche populaire vorm _nigger_ voor _neger_ en de omstandigheid dat de duivel gewoonlijk als zwart wordt afgemaald, zouden ons bijna verleiden eenig verband te zoeken tusschen den Neger en den _zwarten Nikker_. Doch de Germaansche oorsprong van _Nikker_ (bij Vondel „Peter en Pauwels”, II, 135, ook _Ikker_[6] geschreven), verwant met het Zweedsche _năk_, _nek_, het Eng. _nick_ (old nick), het Hoogd. _neck_, _necker_, _nicker_, _nixe_ enz. alles benamingen voor booze geesten, staat te vast om eenigen twijfel toe te laten.