Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
Part 6
Bij onze oude schrijvers leest men telkens het woord _Bonze_, ook _Bonziër_, waar van Japan en China sprake is. Ik zal slechts enkele voorbeelden bijbrengen. S. de Vries, „Curieuse Aenmerckingen”, II, bl. 592: „Hij voeghden er bij hoedaenighe cierlycke redenen de welspreeckende en hoogst voorname secte der Bonziërs bij de Japanners hielden”. Valentijn, V, 2, bl. 145: „De Japanders hebben daartoe ook hunne bijzondere priesters, _Bonzes_ genaamd”. „Batavia in derzelver gelegenheid”, III, bl. 27: „Deeze afgodt Fo werdt uit de Indiën naar China overgebragt door zijne priesters, gewoonlijk Bonzen genoemd, omtrent in 't twee en dertigste jaar onzer tijdrekening.”
Bouw.
Bouw is de zeer gebruikelijke, ook in Nederland algemeen bekende, verhollandschte vorm van het Javaansche _bahoe_, synoniem met het ons minder bekende karjô. _Bahoe_ beteekent oorspronkelijk zooveel akkergrond als één man met zijn gezin bewerken kan; maar toen wij begonnen zijn ons met den grond der Javanen te bemoeien, hebben wij ons ook hunne landmaat meer of min toegeëigend, en niet alleen haren naam vernederlandscht, maar ons ook veroorloofd hare waarde nauwkeuriger te bepalen. Een bouw wordt thans in alle Gouvernementsstukken gerekend op 500 vierkante Rijnlandsche roeden. Het is te eer noodig op den Javaanschen oorsprong van dit woord opmerkzaam te maken, daar de onkundige licht geneigd zou zijn het voor een echt Nederlandsch woord, in den zin van een stuk _bebouwden_ grond, aan te zien.
Een moeilijker vraag is het, hoe het woord _bahoe_, dat eigenlijk _arm_, _bovenarm_, _schouder_ beteekent, en die beteekenis in het Maleisch steeds behoudt, in het Javaansch in die van eene groote landmaat is kunnen overgaan. Misschien heeft men aan het woord de beteekenis van _de kracht eens arms_, eens _mans kracht_ gaan hechten, en vandaar vervolgens die van een stuk lands, waarvoor, als er werkbare of weerbare mannen gevorderd werden, ééns mans kracht, dus één man, moest gesteld worden. Men herinnere zich hierbij dat de heeredienstplichtigheid op Java, volgens oude herkomst, aan het bezit van den grond verbonden was.
Creool.
Een creool is een blanke bewoner van Zuid-Amerika en de Westindische eilanden, van vaders- en moederszijde van Europeesche afkomst, maar in de koloniën geboren. Hij staat tegenover den Europeeschen kolonist door het land zijner geboorte en tegenover den kleurling door de zuiverheid van zijn Europeeschen oorsprong.
Zoo ongeveer wordt dit woord gewoonlijk verklaard en opgevat, maar er is in die verklaring iets eenzijdigs; want men kent in Brazilië ook neger-creolen, d. z. kinderen van negers en negerinnen, maar in Amerika geboren en als zoodanig overgesteld aan de negers uit Afrika aangevoerd.
Wat meer is, oorspronkelijk schijnt creool eer de in Amerika geboren negerslaven dan de daar geboren blanken aan te duiden. Het Portugeesche _crioulo_, waarvan ons creool afkomstig schijnt te zijn, beteekent volgens Moraes Silva: „O escravo, que nasce em casa do senhor; o animal, cria, que nasce em nosso poder;” d. i.: de slaaf die geboren wordt in het huis zijns meesters; het dier, jong, dat geboren wordt in onze macht. _Crioulo_ als adjectief verklaart dezelfde lexicograaf door „nâo comprado”, d. i. niet gekocht. En dat ook _creool_ oorspronkelijk niets anders dan een in het huis des meesters geboren slaaf beteekende en in Suriname die beteekenis zelf zeer lang behouden heeft, blijkt uit Hartsinck's „Beschrijving van Guiana” (Amst. 1770), D. II, bl. 899: „Nog hebben wy tot slaaven, die in onze volkplantingen uit slaaven gebooren worden, _Creoolen_ genaamd, die men voor de beste en trouwste lijfeigenen houdt; men noemt ze Creoolen om hen te onderscheiden van de _zoutwater Negers_, welken naam men toeëigent aan alle slaaven die van Africa ingevoerd worden.”
Van oudsher werden de slaven in het algemeen onderscheiden in: „de ingeborenen des huizes en de voor geld gekochten” (zie b. v. Gen. XVII: 12, Levit. XXII: 11), en overal werden eerstgenoemden, in het Latijn _verna_ geheeten, om hunne trouw hooger geschat. Dezelfde tegenstelling bestond natuurlijk ook in de Spaansche en Portugeesche bezittingen in Amerika. De crioulo's als _vernae_ waren in de kolonie geboren; maar terwijl de oorspronkelijke beteekenis van het woord allengs in vergetelheid raakte, dacht men daarbij weldra nog slechts aan dat geboren zijn in een ander land dan dat der afstamming, en kende dus den naam crioulo toe aan alle negers, hetzij slaaf of vrij, in Amerika geboren, en aan de blanken die ten opzichte van het verschil tusschen geboorte- en stamland in dezelfde omstandigheden verkeerden.
Zoo kan men zich den oorsprong der tegenwoordige beteekenis van het woord creool zeer geleidelijk voorstellen; mocht echter historisch kunnen bewezen worden, dat de naam vroeger aan de blanke dan aan de zwarte creolen gegeven is, dan zou men moeten aannemen, dat er een eenvoudige metaphora had plaats gehad van den _ingeborene des huizes_ tot den _ingeborene des lands_.
Mijne verklaring van het woord _creool_ verschilt eenigszins van de gewone, die het afleidt van het Spaansche _criollo_. Dit woord is ongetwijfeld slechts een eenigszins gewijzigde vorm van het Portugeesche _crioulo_; maar dit laatste schijnt mij het oorspronkelijke te zijn, althans indien het juist is, wat uit het woordenboek der Spaansche Akademie schijnt te blijken, dat _criollo_ niet gebruikelijk is in de beteekenis van _verna_, maar alleen in die van: „el hijo de padres europeos, nacido en America”, die echter uit die van _verna_ schijnt te zijn afgeleid.
Intusschen is de oorsprong van het Portugeesche _crioulo_ zelf niet geheel zonder zwarigheid. Moraes Silva geeft door de verklaring van het voorbeeld _gallinha crioula_ (in het huis des eigenaars uitgebroede hen) door de woorden: „que nasce e se cria em casa” (die in het huis geboren en opgevoed wordt) genoeg te kennen, dat hij crioulo in verband brengt met het werkwoord _criar_. _Criar_ is in het Portugeesch een tweede vorm voor _crear_, het latijnsche _creare_. Het werkwoord _criar_ of _crear_ beteekent volgens Moraes Silva: 1o. uit niets voortbrengen, scheppen; 2o. veroorzaken, teweegbrengen; 3o. voortbrengen, van zich geven; 4o. zogen, voeden; 5o. opvoeden. In de tegenwoordige taal wordt in de drie eerste beteekenissen gewoonlijk _crear_, in de beide laatste, meer afwijkende, _criar_ gebruikt. _Se criar_ beteekent dus: opgevoed worden, opgroeien. Hieruit moet men dus opmaken dat crioulo oorspronkelijk een voedsterling, _alumnus_, aanduidt, wat lichtelijk in de beteekenis van een in het huis des meesters geboren en opgevoeden slaaf kon overgaan. Niet in deze beteekenis schuilt dus het bezwaar, maar alleen in den vorm; want die uitgang _oulo_ schijnt geheel onregelmatig en zonder voorbeeld te zijn.
Intusschen bestaat het woord _crioulo_ in de beteekenis van _verna_ in de Portugeesche taal, en de tweede beteekenis, die van _creool_, laat zich daaruit geleidelijk verklaren. Er kan dus nauwelijks reden zijn om met sommigen aan te nemen, dat creool eigenlijk een Caraïbisch woord is, waarvoor men te vergeefs een oorsprong in eenige taal van Europa zou zoeken.
Ik geloof hier nog te moeten bijvoegen, dat het woord creool in het spraakgebruik niet altijd strikt de beteekenis behoudt, die er in de woordenboeken aan wordt toegekend, maar vaak ook de verschillende graden, vooral de lichtere, van kleurlingen omvat, die in de Westindische koloniën geboren zijn. Zie b. v. Dumontier, in „Catalogus der afdeeling Ned. Koloniën van de Amsterdamsche Tentoonstelling in 1883,” bl. 152. In onze Westindische bezittingen zijn creolen, ongeveer wat wij in onze Oostindische bezittingen _inlandsche kinderen_ noemen.
De vorm van het Portugeesche woord heeft in zijn overgang tot andere talen slechts geringe wijziging ondergaan. Wij zagen reeds dat het in het Spaansch _criollo_ luidt. In het Ital. werd het _creólo_, in het Fransch _créole_, in het Engelsch _creole_, in het Duitsch _creole_ en in het Nederlandsch _creool_.
Mulat.
Door dit woord worden aangeduid die geboren zijn uit een blanken man en eene negerin of uit eene blanke vrouw en een neger, alsmede (tot zekere hoogte althans) die gesproten zijn uit mulatten en blanken. Het woord behoort uit den aard der zaak vooral op de Westkust van Afrika en in West-Indië te huis, waar wij het hebben overgenomen van de Spanjaarden en Portugeezen. De Engelschen kennen het evenzeer in den vorm _mulatto_, de Franschen in dien van _mulâtre_.
Omtrent den oorsprong van dit woord bestaan twee gevoelens. Volgens het eerste stamt het af uit het Arabisch en wel van _moewallad_, waaraan men de beteekenis toekent van „iemand die uit een Arabischen vader en een vreemde moeder (slavin) of uit een slaaf en eene vrije Arabische moeder geboren is”. Deze verklaring is het eerst gegeven door Reiske in eene noot op „Abulfedae Annales Moslemici”, I, p. 264; beaamd door de Sacy „Chrestomathie Arabe”, II, p. 155, en opgenomen in Freytag's Arabisch Woordenboek en in Engelmann's „Glossaire des mots Espagnols”, etc. Vandaar dat ik in mijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen”, in „de Gids” voor 1867, D. I, mij verwonderde dat dit woord, aan welks afkomst uit het Arabisch ik toen niet twijfelde, niet in dat boekje was opgenomen.
Later evenwel heb ik ingezien, dat dit woord niet van moewallad kan zijn afgeleid om de volgende redenen.
1o. Vooreerst is de beteekenis van _moewallad_ door Reiske en de Sacy niet juist opgegeven. Het beteekent: een onder de Arabieren opgenomen vreemdeling, iemand die tot Arabier aangenomen, als zoodanig genaturaliseerd is, of, zooals het is uitgedrukt in Zamachschari's „Lexicon Arabico-Persicum”: „iemand die uit vreemden onder de Arabieren geboren en met de kinderen der Arabieren naar hunne zeden opgevoed is”. Prof. Dozy zegt, in zijne vermeerderde uitgave van het „Glossaire des mots Espagnols” enz., p. 384, dat in Spanje, tijdens de Arabische heerschappij, de naam van _moewallad_ werd gegeven aan de Spanjaarden die den Godsdienst der Arabieren aangenomen hadden en dus onder de Arabieren waren opgenomen. De plaatsen van Abulfeda en Makrizi, die tot de verklaring van Reiske en de Sacy aanleiding gaven, kunnen ongetwijfeld even goed van geadopteerde Arabieren als van personen van gemengde afkomst worden opgevat.
2o. Evenmin als de beteekenis, begunstigt ook de vorm van het woord _moewallad_ de bedoelde afleiding. Eene samentrekking als van _moewallad_ tot _mulat_ zou in de Romaansche talen zonder voorbeeld zijn. Alleen in het Javaansch zou men misschien een voorbeeld van zulk eene samentrekking kunnen vinden, namelijk in _modin_ voor het Arabische _moadzdzin_, den uitroeper van het gebed. Maar zelfs dit voorbeeld zou vervallen als men kon toonen, dat de Javanen dit woord in den evenzeer bestaanbaren, ofschoon dan ook minder gebruikelijken, vorm _moedzin_ van de Arabieren of Perzen kunnen ontvangen hebben.
De tweede afleiding van mulat is veel eenvoudiger; zij is die welke Engelmann met de volgende woorden verwerpt: „il va de soi-même que ce mot n'a rien de commun avec _mule_, dont on a voulu le deriver”. Ik zeg daarentegen met Prof. Dozy, die trouwens zelf reeds t. a. p. heeft opgemerkt, dat ik later van gevoelen was veranderd: „Je dois avouer que j'approuve au contraire l'étymologie repudiée par M. Engelmann”.
Ik moet hier evenwel met een woord zeggen, welke zwarigheid mij aanvankelijk vooral weerhield, mulat met den muilezel in verband te brengen. Deze heet in het Latijn _mulus_, in het Spaansch _mulo_, in het Portugeesch gewoonlijk _mu_ (afgekort uit _mulo_, waarvan echter het vrouwelijk _mula_ nog in gebruik is). Later evenwel is mij gebleken, dat ook de verlengde vorm _mulato_ oudtijds in het Portugeesch den muilezel aanduidde. Dit wordt uitdrukkelijk opgegeven in het Wdbk. van Moraes Silva, die als voorbeeld deze woorden van Sa Miranda aanhaalt: „ou dormindo no mulato”. Het is dus dit _mulato_ zelf (waarmede men het Fransche _mulet_ vergelijke), dat figuurlijk de personen van half-blanke, half-zwarte afkomst aanduidde, gelijk de muilezel half paard, half ezel is. En zoo wordt het ook door Moraes Silva opgevat. Op het eerste gezicht heeft deze verklaring wel iets van een snaakschen, inval; maar deze zwarigheid vervalt als men bedenkt, dat de kleurlingen eene verachte kaste vormen, ten wier koste het volk zelf deze geestigheid van hen muilezels te noemen, zeer wel kan hebben uitgedacht.
Voor de afkomst van _mulat_ uit het Spaansch of Portugeesch pleit ook nog dat wij Creool en Mesties, woorden die tot dezelfde klasse behooren (zie het voorafgaande en het volgende artikel) aan dezelfde natiën verschuldigd zijn.
Mesties.
Onze oude schrijvers schreven _Mestice_ of ook wel _Mixtice_ en _Mixstice_. Deze laatste vormen moesten zeker toonen, dat zij daarin het Latijnsche _mixtus_, deelwoord van _miscere_, mengen, erkenden. Toch bewijzen de gewone vormen, dat wij ook dit woord van de Portugeezen en Spanjaarden ontvangen hebben, die ook in het Latijn den vorm met _x_ reeds met _mistus_ afgewisseld vonden. Wij zullen dus, om het gebruik van dit woord goed te leeren kennen, ook nu weder de beste Spaansche en Portugeesche woordenboeken raadplegen. In het Spaansch schrijft men _mestizo_, en het woordenboek der Spaansche Akademie zegt daarvan: „_Mestizo_ se aplica a la persona o animal nacido de padre y madre de diferentes castas”, d. i.: _Mestizo_ wordt gebruikt van een persoon of van een dier, geboren uit vader en moeder van verschillenden stam. Evenzoo leest men in het Portugeesche woordenboek van Moraes Silva op _mestiço_ of _mistiço_: „Filho de animaes que nâo sâo da mesme especie”, d. i.: afstammeling van dieren die niet van dezelfde soort zijn. Dit is dus de eerste en algemeene beteekenis, die het woord nooit heeft verloren. Vooral blijkt dit uit het gebruik van _métis_ (hetzelfde woord met uitstooting der s) en den bijvorm _métif_ in het Fransch. Zoo spreekt men van „animaux métis”, „fleurs métisses”, „mestiz Français, demi Bourgoings”, en figuurlijk „une classe métive également étrangère à la noblesse et au tiers état”. Zie het woordenboek van Littré op _Métis_. Zoo ook spreekt Mallat, „les Philippines”, II, p. 133, van _métis Chinois_, waardoor hij de afstammelingen van Chineezen en inlandsche vrouwen te Manilla aanduidt, de klasse die wij te Batavia _perănakan tjina_ noemen.
Maar behalve deze algemeene beteekenis van persoon of dier van gemengde afkomst, heeft het gebruik aan mesties eene speciale beteekenis gegeven, waardoor het eene bijzondere klasse van kleurlingen aanduidt. Het woordenboek der Spaansche Akademie laat op de aangehaalde woorden volgen: „Dicese con especialidad del hijo de Español y India”, d. i.: Inzonderheid zegt men het van den zoon eens Spanjaards en eener Indiaansche vrouw. Aan deze speciale beteekenis houdt zich het „Nieuw Ned. Woordenboek” van van Dale met de omschrijving: „afstammeling van eenen blanke en eene Indiaansche (Amerikaansche) of van eenen Indiaan en eene blanke”. Bij Moraes Silva zijn de woorden: „O filho de Europeu com India, branco com mulata, etc.”, d. i.: zoon van een Europeaan met eene Indiaansche, van eenen blanke met een mulattin enz., meer als voorbeelden van het gebruik van mesties te beschouwen.
Zoowel in onze Oost- als in onze Westindische bezittingen hebben wij het woord _mesties_ van de Spanjaarden of Portugeezen overgenomen. In Oost-Indië, waar geene negers en dus ook geen mulatten voorkomen, maar men de inlanders, schoon zeer ten onrechte, zwarten noemde, waren mixsticen volgens Valentijn, II, 1, bl. 256: „kinderen of van Hollandsche vaders en swarte moeders (want nooit heb ik daar kinderen van een blanke moeder en swarte vader gesien, nog daar af gehoort) of wel van swarte moeders en Portugeesche vaders, die men Toepassen noemt, zijnde afsetsels der Portugeesen, die in de eerste tijden met eygen bewilliging hier gebleven zijn.” Valentijn spreekt hier wel bepaaldelijk van Amboina, maar hetzelfde gold van al de Indische gewesten onder het beheer der Compagnie. Zoo onderscheidt Nic. de Graaf in zijne „Voyages aux Indes Orientales”, bl. 290, de vrouwen te Batavia in „Hollandoises, Indiennes, Mestices et Kastices”. De _Hollandoises_ zijn de in Nederland geborene, die naar Indië zijn overgekomen; de _Indiennes_ of _Hollandoises-Indiennes_ de in Indië uit Hollandsche ouders geborene; de _Mestices_ die gesproten zijn uit een Hollandschen vader en eene inlandsche vrouw; de _Kastices_ (zie het volgend artikel) de kinderen van een Hollandschen vader en eene _Mestice_. Vgl. ook nog „Batavia in hare gelegenheid” enz., D. III, bl. 3[4]. De namen Mesties en Kasties worden thans in Ned. Oost-Indië weinig meer gehoord.
[4] Welk eene zonderlinge voorstelling men zich, toen dit werk geschreven werd (1783), nog in het moederland van de Javanen en Maleiers vormde, blijkt uit het volgende. De Graaf had geschreven: „Les Mestices sont venus d'un Hollandais et d'une Moresse”. Hij had het woord Moresse, in navolging van de Portugeezen, gebruikt voor eene inlandsche vrouw, niet met het oog op hare kleur, maar van haren godsdienst (zie hierover het art. _Moor_). In het aangehaalde werk worden nu de woorden van de Graaf vertaald door: „Mestische zijn eindelijk diegene, welke door een blanken vader bij een _pikzwarte_ moeder zijn geteeld”.
In Ned. West-Indië zou, volgens Dr. Dumontier (in den Catalogus der afd. Ned. Kolon. van de Amsterd. Tentoonstelling van 1883, Groep I, bl. 152) Mesties eene speciale beteekenis hebben, die evenwel van die bij de Spanjaarden verschilt; de Mestiezen zouden daar de afstammelingen zijn, niet van een blanken vader en een Indiaansche vrouw, maar van een blanken vader en een mulattin, terwijl de afstammelingen van een blanken vader en een mestiezin _kastiezen_ zouden heeten. Van Sijpesteyn, „Beschrijving van Suriname”, bl. 161, bepaalt zich tot de opmerking, dat de kleurlingen, naarmate zij meer tot het blanke type naderen, Mestiezen, Kastiezen en Poestiezen worden geheeten.
Kasties.
Gelijk _mesties_ overeenkomt met het Spaansche _mestizo_ en het Portugeesche _mestiço_, is het in het vorige artikel reeds een paar malen vermelde _kasties_ gelijk aan het Spaansche _castizo_, en het Portugeesche _castiço_, afstammende van _casta_, waarvan ons _kaste_ komt, waaraan vroeger reeds een artikel werd gewijd. _Castizo_ en _castiço_ beteekenen _van goed, zuiver ras_ (vandaar _cavallo castiço_, een raspaard, een dekhengst). Het woord is dus uit zijn aard niet zeer geschikt om voor eenige soort van kleurlingen gebezigd te worden; maar vele woorden hebben nevens de absolute ook een relative beteekenis, gelijk men b. v. vele zaken _wit_ noemt die in het geheel niet zuiver wit zijn, maar relatief wit in vergelijking met andere. Te Goa, de hoofdstad der Portugeesche bezittingen in Indië, noemt men kastiezen, niet te onrecht, in tegenstelling met de personen van gemengde afkomst, degenen die, hoewel in de koloniën geboren, toch van zuiver Europeesch ras zijn, daar beide ouders daartoe behooren (dus _Creolen_ in den meest gewonen zin). Maar in de Nederlandsche Koloniën heeft men _die_ klasse van kleurlingen _kastiezen_, genoemd die, door herhaalde kruising met blanken, reeds zoozeer tot de volkomen blanken naderen, dat, wanneer nog ééne kruising met blank bloed plaats heeft, de carnatie der kinderen niet meer van die der Europeanen te onderscheiden is. Zoo zegt Valentijn, II, 1, bl. 256: „de kinderen van een mixstice en een Hollander noemt men poestiçen, en de kinderen van een poestiçe en een Hollander castiçen, die bijna zoo blank als een Hollander zijn, en na welke men de kinderen, uit de volgende huwelijken voortkomende, weer onder de Hollandsche telt.” Hiermede stemt overeen N. de Graaf, op de plaats in het art. _Mesties_ aangehaald, behalve dat hij de poestiezen overslaat, die door Valentijn tusschen de mestiezen en de kastiezen zijn ingeschoven. Waarschijnlijk heeft hij die onder de mestiezen medegerekend.
In Nederlandsch West-Indië, waar men ook met _mesties_ wel een weinig in de war schijnt te zijn, is de beteekenis van _kasties_ geheel miskend. Zoowel volgens van Sijpesteyn als volgens Dr. Dumontier (zie de plaatsen aangehaald in het art. _Mesties_) staan de _poestiezen_ niet, gelijk bij Valentijn tusschen de mestiezen en de kastiezen, maar nog achter deze laatsten, als afstammelingen van een blanken vader met een kastiezin, en volgens Dumontier bestaat er zelfs nog een lichtere graad van kleurlingen dan de poestiezen, namelijk de _testiezen_, gesproten uit een blanken vader met eene poestizin en omgekeerd. Maar wanneer er nog twee graden tusschen een kasties en een blanke staan, heeft eerstgenoemde, dunkt mij, nog weinig recht om zelfs in betrekkelijken zin een persoon van zuiver ras genoemd te worden.
Ik kan in geen enkele taal behalve de onze een spoor vinden van die woorden poesties en testies. Hun oorsprong is mij onbekend en de _oe_ in het eerstgenoemde woord is iets zoo eigenaardig Hollandsch, dat ik nauwelijks de gedachte onderdrukken kan, dat wij hier met door de Nederlanders naar de analogie van mesties en kasties gevormde kunstwoorden te doen hebben.
Onder de namen voor soorten van kleurlingen vind ik ook nog _Terceronen_ en _Quarteronen_ of _Quadronen_. Deze namen hebben het voordeel dat zij door hun vorm zelf den graad van bloedmenging aanduiden; maar wanneer ik nu als verklaring van _Terceroon_ vind opgegeven: afstammeling van een Europeaan en eene mulattin, en van _Quarteroon_: afstammeling van een Europeaan en van een terceronin of mesties (Kramer's „Algemeene Kunstwoordentolk”, 4e druk, in v. v. _quart_ en _tercero_), dan weet ik weer niet waar mij aan te houden, daar mesties òf kleurling in het algemeen, òf, volgens speciaal Spaansch gebruik, een afstammeling van een blanke met een Indiaansche, òf eindelijk, volgens Dr. Dumontier, juist zelfs een afstammeling van een Europeaan en een mulattin (dus hetzelfde als volgens de hier gegeven verklaring terceroon) beteekent. In het belang der anthropologie wordt eene vaststelling van den zin dezer verschillende benamingen dringend gevorderd.
Karboeger.
Een bijzondere soort van kleurlingen wordt in Suriname door den naam van Karboeger aangeduid. Eigenlijk zijn de Karboegers een stam van Indianen, die de oevers der Tebiti-rivier, een zijtak van de Coppename, bewoont. Deze Karboeger-Indianen onderscheiden zich van andere Indiaansche stammen door een donkerder huidkleur en gekroesd haar. Zij zijn blijkbaar een gekruist ras, en men beweert dat zij afstammen van Caraïben, die van een gestrand schip de mannen gedood en de vrouwen weggevoerd hebben. Te Paramaribo geeft men den naam van Karboegers aan kinderen van negers en mulattinnen of negerinnen en mulatten, die dus drie vierden negerbloed hebben en een terugtred tot het zuiver zwarte ras maken. Zij heeten waarschijnlijk zoo omdat hunne carnatie het meest met die der Karboeger-Indianen overeenkomt. Zie over hen van Sijpesteyn, „Beschrijving van Suriname”, bl. 161, en Dr. Dumontier in „Catalogus der Ned. Koloniale afd. van de Amsterdamsche tentoonstelling van 1883”, Groep I, bl. 151.
Liplap.