Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
Part 5
Voorgelicht door deze eerste moeilijkheid, ontdekt men weldra nieuwe bezwaren. Is zwarte schors voor de schorseneeren wel een goede naam? Zij hebben een zwarte schors, ja! maar niet aan het zichtbaar deel der plant, maar alleen als bekleedsel van den als spijs gebruikten vleezigen penwortel. _Schwarz-wurzel_ is daarom een goede naam, maar _zwarte schors_ zou vreemd gekozen zijn voor een plant, waarvan slechts de _wortel_ een zwarte schors heeft.
Is de naam Italiaansch, dan dient de plant ook wel uit Italië afkomstig of van Italië uit over Europa verspreid te zijn. Maar is dat werkelijk het geval? De botanische naam is _Scorzonera Hispanica_, en ofschoon die naam niet als een afdoend bewijs kan gelden, dat de plant niet vroeger in Italië dan in Spanje is bekend geweest, is hij toch voldoende om bij het zoeken van het land van herkomst onze aandacht vooral bij Spanje te bepalen.
In het Italiaansch-Fransche woordenboek van den abt de Villanova wordt _Scorzonera_ aldus verklaard: „Sorta da pianta, venuta dall' Indie in Europa, e che prende tal nome, per preservar essa dai morsi dello scorzone”, d. i. „eene soort van plant, uit Indië naar Europa overgebracht, en die dezen naam draagt, omdat zij beveiligt tegen de beten van de scorzone”. _Scorzone_ wordt in hetzelfde woordenboek verklaard door „Specie di serpe velenosissima di color nero”, d. i. eene soort van zwartkleurige, zeer vergiftige slang (adder).
Deze verklaring wordt opgehelderd door de volgende bijzonderheden, medegedeeld in Lindley en Moore, „Treasury of Botany” in v. _Scorzonera_: „_Scorzonera Hispanica_ is a native of Spain; but is cultivated in this country [Engeland], and the root is sold in the markets as _Scorzonera_, a name derived from _escorza_, the Spanish name of a serpent, in allusion to its cooling antifebrile effects, it having formerly been employed in Spain on account of these properties for the cure of serpent-bites. It has also sometimes been called viper's grass”.
De afleiding van _Scorzone_ met den uitgang _era_, is zeker te verkiezen boven die van _Scorza nera_; maar wanneer Spanje terecht als het vaderland der plant beschouwd wordt, zal men als grondwoord niet _escorza_ (welks bestaan ik betwijfel), maar _escorzon_, dat in het Spaansch aan _scorzone_ schijnt te beantwoorden, behooren aan te nemen. De voorslag _e_ voor _sc_ is in het Spaansch volkomen regelmatig, en doet niets ter zake. Ook de plant wordt in het Spaansch _escorzonéra_ genoemd.
Hidalgo.
Dit vaak gebruikte, ook door van Dale opgenomen, Spaansche woord, beteekent een gentleman, een man van goede familie, schoon juist niet van den hoogsten adel. De oorsprong van het woord blijkt uit den niet geheel ongebruikelijken volledigen vorm, _Hijodalgo_, waarvan het vrouwelijk, ten blijke dat het een samengesteld woord is, _Hijadalgo_ luidt, terwijl daarentegen de samengetrokken vorm, als ware hij een enkelvoudig woord, in het vrouwelijk _Hidalga_ heeft. _Hijodalgo_ is samengesteld uit _hijo_, zoon, de partikel _de_, van, en _algo_, iets, eenig vermogen. Men zou dus hidalgo kunnen vertalen door „een zoon van goeden huize”.
_Hijo_ is = fijo, het Latijnsche _filius_ (Gr. huios), door de gewone verwisseling van F en H. Vandaar heeft het Portugeesch _fidalgo_ voor _hidalgo_, evenals _fazenda_ voor _hacienda_ enz.
Amfioen.
_Amfioen_ is de voornamelijk in Ned.-Indië gebruikelijke naam van het heulsap, dat wij in Nederland, evenals alle andere volken van Europa, met den aan het Grieksche _opion_ ontleenden Latijnschen naam _opium_ noemen. Van de Grieken is die naam ook, in den vorm _afioen_, tot de Arabieren overgegaan; de Perzen spreken dien, volgens het woordenb. van Vullers, _afjoen_ uit, de Maleiers en Javanen, die de _f_ niet kunnen uitspreken, zeggen _apioen_ of _apjoen_. Van al deze vormen is het Nederlandsche _amfioen_ door de inlassching der _m_ (zie beneden) nog kennelijk verschillend. Ook gebruikt de inlander _apioen_ alleen van het opium in ruwen staat, zooals het door den handel geleverd wordt. Is het gezuiverd, dan noemt hij het _tjandoe_; is het, met of zonder tabak, voor zijn gebruik gereed gemaakt, dan noemt hij het _madat_ (van 't Hindostanische _madad_; vgl. v. d. Tuuk, „Tobasche Spraakkunst”, bl. 125, noot 2). Bij de Nederlanders in Indië daarentegen behoudt het den naam van amfioen onder alle omstandigheden, en zij spreken van amfioen rooken en amfioen schuiven, van amfioenkitten, amfioenpijpen, amfioenpillen, zoowel als van amfioenhandel en amfioenpacht.
Het woord _amfioen_ zelf is bij ons Nederlanders reeds vrij oud, zoo oud als de vaart naar Indië zelve. Er wordt over dat heulsap reeds in 't breede gehandeld in de „Beschrijvinge van 't Coninckrijck Gussaratten”, in „Begin en Voortgang”, II, no. 17, bl. 61, waar het _amphion_ of _affien_ wordt genoemd. Ook bij Baldaeus, „Malabar en Choromandel”, bl. 144, komt de vorm _amphion_ voor, en reeds veel vroeger vindt men dien bij van Linschoten, „Itinerario”, bl. 98, die met zijne gewone nauwkeurigheid zegt: „het _amfion_, also ghenaemt van de Portugesen, van de Arabyers, Mooren en Indianen _affion_”. De ingevoegde liquida _m_ (waarvoor ook de _n_ werd geschreven, die echter in de uitspraak als _m_ klonk) is dus van Portugeeschen oorsprong. In het Port. Woordenboek van Moraes Silva, komt, nevens het thans gebruikelijke _opio_ ook _anfiâo_ voor, dat bijna als _amfion_ luidt. Ik sprak reeds met een woord over die gewone insertie, vooral vóór de lipletters, in het art. _Moeson_, en zal er op terugkomen bij _Pampoesjes_. _Kamfer_ voor _kafoer_ (zie Dozy's „Oosterlingen” op het woord) en de volksuitspraak _pampier_ voor _papier_ zijn nog een paar bekende voorbeelden, die, zoo het noodig was, licht met andere zouden te vermeerderen zijn. Voorbeelden van _amfioen_ bij latere schrijvers zal men in het Ned. Woordenboek van de Vries en te Winkel op dat woord kunnen vinden. Hier merk ik alleen nog op dat in Nederlandsch-Indië _amfioen_ bestendig en uitsluitend de vorm is die in alle administratieve stukken gebruikt wordt; _opium_ leest men daar nooit.
Daar _opium_ en _amfioen_ inderdaad slechts verschillende vormen van hetzelfde woord zijn, geldt van beide hetzelfde wat het geslacht betreft. Het is verkieslijk beide als stofnaam onzijdig, als handelsartikel vrouwelijk te maken, en het mannelijk, oudtijds voor _amfioen_ gebezigd op grond der vergelijking van andere op _oen_ uitgaande woorden, in het geheel niet meer te gebruiken. Ik ontleen deze opmerking aan het art. _Amfioen_ in het Woordenboek van de Vries en te Winkel, waarvan mij, schoon het, terwijl dit gedrukt wordt, nog niet is uitgegeven, in de proef inzage is verleend.
De uitdrukking _amfioen schuiven_ is in het Ned. Wdbk. van van Dale geheel ten onrechte door _opium kauwen_ verklaard. Dit is gebruikelijk bij de Turken en West-Aziaten, maar komt in Ned.-Indië zelden of nooit voor. Ook zou voor dat kauwen _schuiven_ al een zeer zonderling gekozen woord zijn. Ik heb de wijze, waarop het opium gerookt wordt, in mijn „Java”, D. I, bl. 622, besproken. Ik vind voor dit _schuiven_ de verklaring in het krachtig inzuigen of ophalen van den rook der opiumpijp, dat van een _sissend_, _sijfelend_, _schuifelend_ of _fluitend_ geluid vergezeld gaat, en zie dat deze verklaring ook door Prof. de Vries is overgenomen.
Mandoor, Mandarijn.
Ik voeg deze woorden bijeen, omdat het mij waarschijnlijk voorkomt, dat er tusschen beide een nauwe verwantschap bestaat.
_Mandoor_ of _mandoer_ (eene gewone verscheidenheid van uitspraak, waarbij, naar ik vermoed, dialectsverschil ten grondslag ligt) beteekent in Ned.-Indië een opzichter of meesterknecht op een fabriek of bij eenig belangrijk werk, iemand dus die aan zijne minderen bevelen geeft. Het woord wordt algemeen gebruikt in het Maleisch, Javaansch en Soendaneesch; maar is ook niet minder gewoon in den mond der in Ned.-Indië levende Europeanen. Zoo spreekt, om een paar voorbeelden uit duizenden aan te halen, de Sturler, „Handboek voor den landbouw in Ned.-Indië”, bl. 1126, van „meesterknechts of _mandoors_ voor het voeren der cilinders bij het vermalen van het suikerriet”, en van Gorkom, „Oost Indische Cultures”, II, bl. 42, van inlandsche opzichters of _mandoers_, die bij de indigobereiding het criterium of de tijd daar was om het vocht uit den trekbak af te laten, in den reuk of den smaak van het vocht vonden. Dit woord _mandoor_, stellig in het Javaansch en Maleisch van vreemden oorsprong, schijnt af te stammen van het Portugeesche _mandar_, bevelen, gelasten, en is vermoedelijk door de inlanders samengetrokken uit _mandador_, lastgever. „Bij Heydt: „_Geographisch- und Topographischer Schauplatz von Afrika und Ost-indiën (1744)_,” leest men meermalen _mandator_, b. v. bl. 95.”
Van hetzelfde Portugeesche _mandar_, of waarschijnlijker nog rechtstreeks van het Latijnsche _mandare_, komt nu vermoedelijk ook _mandarijn_, door de Portugeezen _mandarin_ of _mandarim_ uitgesproken. Ik vind in het Portugeesch-Fransch Woordenboek van da Costa e Sá (Lissabon, 1794), den latiniseerenden vorm _Mandarinus_, die, naar het mij toeschijnt, zal zijn uitgedacht door de Jezuieten, die in de Latijnsche taal zooveel over China en Japan geschreven hebben. Bij hen zal men vermoedelijk den oorsprong van het woord moeten zoeken, en ik acht het onnoodig er het Sanskrietsche _mantrin_, in het Jav. en Mal. _mantri_, minister of raadsman van een vorst, staatsbeambte, bij te halen, dat wat den vorm betreft zeker niet zoo goed past. Het woord komt reeds voor bij v. Linschoten, „Itinerario”, bl. 32, 33, in den opmerkelijken vorm _Mandoryn_. S. de Vries, „Curieuse aenmerckingen” (1682), D. I, bl. 38, zegt over _mandaryn_: „de naem mandarijn is geen Chineesch woord, maar voortgekomen van de Portugeezen, welcke alle magistraten in China dien naem geven, willende daermeê sooveel seggen, als de Nederlanders met 't woord _Commandeur_. Gelijck 't dan ook schijnt, dat de naem mandarijn is afgeleyd van 't Lat. woord _mandare_.”
Een Chineeschen oorsprong kan 't woord _mandarijn_ stellig niet hebben, maar het wordt in alle Europeesche talen gebruikt om een hoogen staatsbeambte in China aan te duiden. Ook noemen wij Mandarijnappels of Mandarijntjes (Fr. _Mandariniers_), een soort van kleine, zoete, bijzonder geurige, licht geribde, eenigszins afgeplatte en zeer los in de schil liggende oranjeappels, die naar men zegt in China vooral gebruikt worden om ze aan de mandarijnen ten geschenke te zenden. Zie Lindley en Moore, „Treasury of Botany”, p. 292.
Gorgelet.
_Gorgelet_ is een woord nu aan weinigen bekend, maar dat dikwijls voorkomt bij onze oude schrijvers over Indië; b. v. Baldaeus, „Afgoderye der Heydenen”, bl. 62: „zij stopte den hals van 't gorgelet, zoodat het water daaruyt niet konde loopen.” Valentijn, IV, 1, bl. 54: „de derde slavin draagt een gorgelet met water na.” Zulk een gorgelet wordt door van Linschoten uitvoerig beschreven, waar hij in zijn „Itinerario” handelt „van de manieren ende usantiën der Portugaloysers ende Mestisen vrouwen in Indië”, bl. 47. „Desgelijcks, wanneer zij drincken,” zegt hij, „hebben een manier van potgiens, gemaeckt van swarte aerde, zijn seer fijn ende dun, op die manier van de pullen die men bij ons ghebruyckt om die bloemen in te setten, ende binnen in den hals is een schildeken vol gaetgiens; dit cruycxken wordt ghenaemt _Gorgoletta_, om dieswille dat als men wil drincken soo hout ment omhoog om niet aen de mont te raken, ende alsdan comt het water door de gaetgiens die binnen in den hals in 't schildeken staen, ende loopen al gorgelende inde mont sonder een druppel te storten, 'twelcke zij doen door groote reynigheyt, omdat niemant het aende mont souden setten; ende wanneer daer jemant eerst nieuw van Portugal comt, ende wil dan beginnen te drincken, op haer manier als voorseyt is, en door die onghewoonte hem bestort, hebben dan een groot playsier ende belachen hem.”
Het blijkt tevens uit deze plaats dat gorgelet weder een woord is, dat onze voorvaderen in Indië van de Portugeezen hebben overgenomen. In het Portugeesch Woordenboek van Moraes Silva wordt _Gorgolèta_ dus omschreven: „Quarta de barro de gargalo largo, no qual ha un raro, e passando agua por elle caindo umas bolinhas que estâo no fundo, faz a agua um som ao beberse”, d. i.: „Een aarden vat met wijden hals, waarin zich een zeef bevindt, waarop onder het drinken balletjes vallen, die op den bodem liggen, zoodat het water, er doorgaande, een geluid maakt.”
Kipersol.
_Kipersol_ of _Quipersol_ is eene Nederlandsch-Indische verbastering van het Portugeesche _quitasol_, zonnescherm. In oudere boeken vindt men het nog in den echten Portugeeschen vorm, b. v. in „Begin en Voortgang”, Eerste schipvaerd der Hollanders naar O.-I., bl. 77, waar wij lezen: „Te Panarucan zijn veel swarte Christenen. Zij gaen gekleedt met een paar lange indiaensche boxens [broek], ghelyck men ghemeynlick in Persiën draeght, maar heel barrevoets; altoos eenighe slaven achter haer hebbende, die hun een _quitasol_ ofte sonneweerder over 't hoofd houden.” Later vindt men verbasterde vormen, b. v. bij Valentijn, II, 1, bl. 257, _Kitasol_. Bij Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl. 45, leest men: „Alle personen van enig aanzien dragen een _quiperzol_ boven hun hooft, om de hette der zonnestralen af te keren, en de vrouwen zouden zich schamen uit te gaan, indien een slaaf dezelve niet nadroeg of haar boven het hooft hielde”; en bl. 96: „de kinderen der Europeanen worden doorgaans zorgvuldig bewaart voor de stralen van de zonne, gebruikende als zij uitgaan zonneschermen, _quipersols_ genoemt”. De meest verhollandschte vorm, _kipersol_, is ook de jongste. Men leest dien b. v. in „Batavia in derzelver gelegenheid” enz., D. III, bl. 6, waar van de Bataviasche dames gezegd wordt: „Deeze fraay versierde juffrouwen kunnen niet naar de kerk gaan, of zij moeten ten minsten één slaaf achter zich hebben met een grooten _kipersol_ of zonnescherm, om de hitte af te keeren.”
_Quitasol_, waarvoor men ook _guardasol_ zegt, is samengesteld uit _quitar_, verlaten, verwijderen, afschaffen, afweren, en _sol_, zon. Men gebruikt het ook voor een zonnehoed.
Kaste.
Deze naam, dien wij bestendig gebruiken waar van de scherp gescheiden erfelijke standen bij de oude Egyptenaars en bij de Hindoe's sprake is, moet bij ons stellig van romaanschen oorsprong zijn. In het Spaansch en Portugeesch beteekent casta _ras_ en wordt ook voor de rassen van dieren gebruikt. Algemeen wordt aangenomen dat het afstamt van het latijnsche _castus_, rein, onvermengd. Ik kan mij dit slechts zóó voorstellen, dat het oorspronkelijk een adjectief was als een soort van epitheton perpetuum behoorende bij een substantief dat _ras_ of _stam_ beteekende, b. v. _gente_. Dit substantief zal dan in het spraakgebruik zijn weggevallen, zoodat van de uitdrukking _gente casta_, d. i. onvermengd ras, alleen het adjectief _casta_ overbleef, om hetzelfde te beteekenen. Eene merkwaardige beschrijving der kasten in Hindostan wordt gevonden in Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl. 147, die door de volgende definitie van het woord kaste wordt voorafgegaan: „Een kast dan is een zeeker geslagte van menschen, welke uit kragt van hunne geboorte verbonden zijn zekere bedieningen en plegtigheden waar te nemen, uit kragt van welke zij ook zeekere voorregten bezitten”.
Fust.
Het woord _fust_ komt bij Nederlandsche schrijvers in twee beteekenissen voor. Het zijn eigenlijk twee waarschijnlijk van elkander geheel onafhankelijke woorden, die slechts door toeval aan elkander gelijk zijn. Het eerste, nog algemeen in gebruik, heeft de beteekenis van schacht, onderstel, vat; het tweede, sedert lang geheel verouderd, heeft zelfs geene plaats in de Nederlandsche woordenboeken gekregen, niettegenstaande het ontelbare malen bij onze oude schrijvers over de geschiedenis onzer vestiging in Indië en onzer oorlogen met de Portugeezen en Spanjaarden voorkomt. Wel een bewijs dat deze weinig gelezen worden!
Het is het Spaansche en Portugeesche _fusta_, door Da Costa e Sá omschreven als: „Genero de embarcaçao comprida e de baixo bordo, que anda a vélas e a remos”, d. i. „een lang, platboomd vaartuig, geschikt om naar omstandigheden te zeilen of geroeid te worden”. Ik sprak reeds over dit woord in mijn „Java”, D. II, bl. 283.
Amok.
_Amok_ komt reeds bij onze oudste schrijvers over Indië dikwijls voor, en is later zoozeer een Nederlandsch woord geworden, dat Prof. Pijnappel in zijn „Maleisch Woordenboek” het Maleische _amoek_ en den verbaalvorm _mengamoek_ door _amokken_, _wanhopig aanvallen_, kon verklaren. Voor hen echter die minder met de schrijvers over Indië vertrouwd zijn, zal het niet overbodig zijn op te merken, dat het evenzeer Javaansche als Maleische _amok_ eigenlijk een soort van woede of razernij beteekent, die den inlander (bovenal den Makassaar; zie Wallace, „Insulinde”, D. I, bl. 306) soms bevangt, wanneer zijne hartstochten in de hoogste mate zijn opgewekt, en waarbij hij wanhopend aanvalt op ieder die hem in den weg treedt, en moord tracht te plegen, onverschillig aan wien. Het _amok_ is zeer verwant met hetgeen de inlanders _mata glap_, d. i. _verduistering der oogen_ noemen; juister misschien de amokmaker doet gaarne het mata glap voorkomen als een symptoom van zijn toestand, om daardoor zijn niet altijd geheel onwillekeurig moorden te vergoelijken. Zie v. d. Burg, „de Geneesheer in Indië”, D. II, bl. 786. Een ander verschijnsel dat er mede gepaard gaat, is het luide schreeuwen, waarbij doorgaans het woord _amok_ zelf vernomen wordt, waarom men in het Javaansch Wdbk. van Prof. Roorda op _amoek_ ook de verklaring vindt: „een _uitroep_ van iemand die in dolle woede gaat moorden.” Vandaar verder de uitdrukking _amok roepen_ of _amok schreeuwen_, b. v. bij W. Schouten, „Reistocht naar en door O.-Indië”, 4e dr., D. I, bl. 27: „Binnen Batavia werden eenen zwarten Indiaan de borsten afgenepen, omdat hij _amok geroepen_ had.... Dit was reeds de derde _amokroeper_ die in mijn tijd geradbraakt werd.” Zoo ook bij van Rees, „de Bandjermassinsche Krijg”, I, bl. 64: „de priester vatte eensklaps een der wapens, riep amok, en wilde den artillerist een houw toebrengen.” Maar ook de omstanders roepen _amok_, wanneer iemand, zooals men gewoonlijk zegt, _amok maakt_. Zie b. v. Ritter, „het Amok” in „Tijdschr. v. N.-Indië”, Jg. VII, D. III, bl. 459: „Groot was de opschudding onder al die reizende personen, toen zich op eens de noodkreet amok! amok! in den omtrek deed hooren.” Stavorinus, „Reize van Zeeland naar Batavia”, Deel I, bl. 236, schijnt de uitdrukking _amok spuwen_ als synoniem met _amok roepen_ te beschouwen; want hij zegt dat de amokspuwers dus genoemd worden, omdat zij het woord _amok_ veel in den mond hebben. Ik geloof echter dat men daarbij tevens moet in het oog houden, dat den amokmaker het schuim op den mond komt.
Bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Malabaar en Choromandel”, bl. 145, komt de zonderlinge en minder gewone uitdrukking _amokspeelder_ voor; een later voorbeeld van _amokspeler_ vindt men bij W. Schouten, a. w., D. II, bl. 134. _Amok slaan_ noemt men het alarmsein, dat door de inlandsche wachters op de trom gegeven wordt, wanneer zich een amokmaker vertoont.
Ik meen bij Nederlandsche schrijvers ook wel _amok loopen_ gelezen te hebben. In allen gevalle is in het Engelsch _to run amuck_ een gewone uitdrukking geworden. Daarbij heeft echter een kluchtig misverstand plaats gegrepen, doordien men de eerste lettergreep van _amuck_ voor het lidwoord _a_ of _an_ hield. Men schrijft dus meestal _to run a muck_ (zie b. v. Forrest, „Voyage aux Moluques”, p. 168), en vindt in de Engelsche woordenboeken dikwijls het woord _Muck_, waarvan Johnson erkende, de herkomst niet te weten. Dryden gebruikt de uitdrukking _to run a muck_ in de volgende verzen in het derde deel van „the Hind and the Panther”:
„Frontless and satire-proof he scours the streets „And runs an Indian muck at all he meets.”
En Pope volgde hem na in zijne vertaling van Horatius:
„Satire's my weapon, but I'm too discreet „To run a muck and tilt at all I meet.”
Dit Engelsche _muck_ heeft een Franschen schrijver, den heer Radau, in de „Revue des Deux Mondes”, 1 Oct. 1869, p. 675, op den schranderen inval gebracht, dat het Maleische _amok_ zou zijn: „une corruption du mot Anglais _a muck_ (un enragé).”
Tegenwoordig wordt bij ons het woord _amok_ nu en dan gebruikt in de verzachte beteekenis van _opschudding_, _straatrumoer_. Men zal daarvan voorbeelden vinden in het art. _Amok_ in de thans ter perse liggende aflevering van het groot „Nederlandsch Woordenboek”.
Kraal.
_Kraal_ is volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”, „een dorp of gehucht der Hottentotten; eene opene plaats met staketsel afgeschut.” Weiland zegt op het woord: „Zoo noemt men, in beschrijvingen van de Kaap de Goede Hoop, de afgeperkte plaats waar de woningen der Hottentotten staan: _een kraal van vier hutten_; ook eene groote open plaats, met staketwerk omgeven, waarin men vee drijft.... Het schijnt een uitheemsch woord te zijn.” Dit laatste kon met meer stelligheid worden uitgesproken; het woord is ongetwijfeld van de Hottentotten zelven afkomstig. Zoo lezen wij in het „Dagregister van de Voyagie naar het Amaqua's [of Namaqua's] land” van Simon v. d. Stel, bij Valentijn: „Beschrijvinge van de Kaap der Goede Hoop” (V. 2) bl. 592: „De voorgedagte bergen.... worden bewoond van eene natie, genaamt Hottentotten, dewelke zich met troepen van menschen en vee bij malkanderen houden, 't welk zij _Kraalen_ noemen, waarvan wij er dezen dag drie zijn gepasseert”. Ook de dorpen der Kaffers en andere Afrikaansche stammen worden, bij uitbreiding van het gebruik des woords, _kralen_ genoemd. Zie b. v. Th. Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”, bl. 39; „D. Veth's Reizen in Angola”, bl. 359.
Maar dit Hottentotsche woord is door de Nederlanders ook naar Oost-Indië overgebracht, en wordt bij onze oude schrijvers (door verwarring met _kraal_, als samentrekking van _koraal_, polypenhuis) soms ook _Coraal_ geschreven. Zoo leest men bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Ceylon”, bl. 198: „Men vangt omtrent Mathure de Elephanten met _Coralen_, zijnde vele boomen in de aarde geslagen, die in 't eerste een ruymen ingank geven, maar van langhzamerhand enger worden, met valdeuren”. Een anoniem schrijver over Ceilon, door Weiland aangehaald, spreekt evenzoo van „eene groote en sterke houten kraal of bijkans rond palissadenwerk, waarin zij de olyphanten drijven”.
Thans is het woord nog algemeen in Ned.-Indië in gebruik om de afgeperkte ruimte voor de buffels aan te duiden. Zoo b. v. bij Pruys van der Hoeven, „Een woord over Sumatra”, I, bl. 63: „Iedere vier jaar nu vereenigen zich de eigenaars en drijven de buffels in een daartoe gemaakte _kraal_, die, fuiksgewijze vervaardigd, uitloopt in een sterk omheind moeras met een nauwe opening”.
Bonze.
_Bonze_ is in de talen van het hedendaagsch Europa de naam der Boeddha-priesters in China en Japan, en wordt overdrachtelijk gebruikt om alle priesters aan te duiden, die bijgeloof en fanatismus dienen. Omtrent den oorsprong van dit woord ontving ik van wijlen Professor Hoffmann, onzen uitstekenden kenner van het Japansch, de volgende inlichting: „Het woord Bonze voor Boeddha-priester beantwoordt aan het Japansche Bo-nzi, en werd door de Roomsche zendelingen in het meerv. _Bonzii_, genit. _Bonziorum_, geschreven. Het is de algemeene naam aan Boeddhistische geestelijken gegeven en de Japansche uitspraak van den Chineeschen naam _Fă-szi_, die _wetmeester_, leeraar der wet beteekent.”