Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
Part 3
Het Maleische woord dat ik op het oog heb, is _hampir_ of _ampir_, waarvan de beste woordenboeken dier taal de beteekenissen dus opgeven: _nabij_, _dichtbij_, _naast_, _bijna_, of als werkw. _nabijkomen_, _naderen_. Het woord schijnt het eerst, en geheel in de oorspronkelijke beteekenis, naar de Kaap de Goede Hoop te zijn overgebracht, hetzij door de matrozen in dienst der Compagnie, die de Kaap als ververschingsplaats bezochten, hetzij door de Maleiers, als kolonisten, die op last der Compagnie naar Afrika werden overgebracht om er den bodem te helpen ontginnen. Die Maleiers, die nog eene vrij talrijke en de meest geachte klasse onder de gekleurde rassen in de Kaapkolonie vormen, hebben, ofschoon zij meerendeels aan den Islam zijn getrouw gebleven, de Hollandsche taal en vele Hollandsche gebruiken aangenomen. Hunne taal is ongeveer als die der Hollandsche boeren van Zuid-Afrika. Onze reiziger in Oost-Afrika, de heer Hendrik P. N. Muller, ontmoette er eenige in de Nederlandsche faktorie te Zanzibar, die voornemens waren de bedevaart naar de Kaʾba te verrichten. Toen zij hem met zijn gezelschap Hollandsch hoorden spreken, toonden zij zich geneigd tot een praatje en verzekerden hem: „ons is slamsche menschen; ons wil na Mekka, maar ons hèt geen geld nie.” (Zie zijn „Bezoek aan de Delagoa-baai en de Lydenburgsche goudvelden,” in _Eigen Haard_ voor 1887[3].) De wegen waarlangs Maleische woorden naar Zuid-Afrika konden komen, zijn ons dus goed bekend, en het behoeft ons niet te bevreemden in de taal der Boeren Maleische woorden, zooals _banjak_ (veel), _tjambok_ (zweep of karwats) en andere, aan te treffen. Van _amper_, en wel uitdrukkelijk in de beteekenis van _bijna_, zijn de volgende voorbeelden aan de Afrikaander literatuur ontleend: „Van Engels en Frans, wat een mensch dit zou verwag, krij jij _amper_ gen woorden in ons taal nie.” (Th. Tromp, Herinneringen uit Zuid-Afrika, bl. 173). „Hulle kan _amper_ net so vinnig loop a's een pert.” (Tijdschr. v. h. Aardr. Gen., D. V, bl. 181).
[3] De geschiedenis der Maleische kolonie aan de Kaap, die oorspronkelijk uit slaven en ballingen schijnt bestaan te hebben, is zeer merkwaardig en verdiende wel eens een opzettelijk onderzoek. Men vindt daarover een en ander in Wilmot's History of the Cape colony (Capetown, 1869), p. 116, en Noble's Descriptive Handbook of the Cape colony (Capetown, 1875), p. 44.
Naar Europa overgebracht, schijnt het woord zijn beteekenis allengs eenigszins gewijzigd te hebben, ofschoon het aan sporen van de oorspronkelijke beteekenis _bijna_ niet geheel ontbreekt. Nog zeer onlangs hoorde ik eene dame het woord in dien zin bezigen, en daar dit mijne aandacht trok, vroeg ik haar wat zij er mede bedoelde, waarop zij onmiddellijk _bijna_ ten antwoord gaf. Van Dale geeft in zijn Ned. Woordenboek zoowel _bijna_ als _nauwelijks_ op en Heremans in zijn Ned.-Fr. Woordenboek onderscheidt uitdrukkelijk twee beteekenissen: 1o. _nauwelijks_, à peine; 2o. _bijna_, presque. Ik merk hierbij op, dat Heremans als Vlaming en van Dale als bewoner van Staatsvlaanderen ook voor het Zuid-Nederlandsch goede autoriteiten zijn.
De overgang der beteekenis van _bijna_ tot _nauwelijks_, is zeker niet van dien aard, dat zij ernstigen twijfel aan de juistheid mijner verklaring kan wekken. Er bestaat ongetwijfeld verschil, maar hoe de eene soms schier onmerkbaar in de andere overgaat, blijkt b. v. uit eene phrase als _ampir siang_, „even voor den dageraad”, die ons „als 't amper dag is” al zeer nabij komt. De bezwaren van prof. de Vries tegen mijne verklaring betreffen dan ook minder deze wijziging van beteekenis, als het menigvuldig gebruik dat van _amper_ en _amperkens_ overal in Zuid-Nederland gemaakt wordt. Dat algemeen gebruik in België acht hij met een Maleischen oorsprong moeilijk vereenigbaar en brengt hem tot de meening dat _amper_ op Nederlandschen bodem ontstaan is. Hoe hij zich het ontstaan voorstelt, zal men weldra kunnen lezen in de nieuwe aflevering van het groote Woordenboek der Nederlandsche taal, die thans op de pers is.
Ik ontveins niet dat ook mij het algemeen gebruik van _amper_ in Zuid-Nederland, als het werkelijk Maleisch is, zeer bevreemdt; maar veroorloof mij toch nog eene kleine opmerking, die de waarde der tegenwerping wel eenigszins vermindert. In het „Dictionarium Teutonico-Latinum”, van Kiliaan, waarvan de eerste uitgave in 1574 te Antwerpen verscheen, komt _amper_ als bijwoord, hetzij in den zin van _bijna_ of van _nauwelijks_, nog niet voor. Mag men hieruit niet opmaken, dat het gebruik van dit woord in België niet oud is, en in verband daarmede de gissing wagen, dat het door Antwerpsche of andere Vlaamsche matrozen, die aan de eerste tochten der Nederlanders naar Oost-Indië hebben deelgenomen, daar het eerst is in zwang gebracht?
Bakkeleien.
Bekend, ook door van Dale en Franck opgenomen, en door laatstgenoemde als Maleisch erkend woord uit de volkstaal, dat _vechten_, _plukharen_ beteekent. Voorbeelden uit onze schrijvers, zal men echter vermoedelijk niet kunnen bijbrengen, tenzij men ze mocht vinden in eene of andere klucht of blijspel, of bij komische schrijvers en rijmelaars als Focquenbroch, Rusting en dergelijke. Aan den oorsprong van het woord uit het Maleisch kan niet getwijfeld worden en men mag dus ook stellig aannemen, dat het door Janmaat onder het volk is gebracht. Het is het Maleische _berkĕlahi_, dat in het laag-Maleisch, met assimilatie van de _r_ aan de volgende letter, _bekkĕlahi_ wordt uitgesproken. De beteekenis is in Maleisch en Hollandsch geheel dezelfde.
Fezikken.
_Fezikken_ schrijf ik met Weiland, en niet _feziken_, zooals de Vries en te Winkel en ook van Dale hebben, omdat het woord mij gevormd schijnt naar de analogie van _amokken_, _batikken_, _tandakken_, en dergelijke.
Ik houd namelijk fezikken voor eene gewijzigde uitspraak van _bisikken_, dat men in Indië zal gevormd hebben van het Maleische _bisik_, in 't Javaansch ook _wisik_, een zeer gewoon woord, dat _fluisteren_, _stilletjes_ of _heimelijk praten_ beteekent, en waarvan ook vooral de geredupliceerde vorm _bisik-bisik_ in gebruik is. De beteekenis van fezikken is geheel dezelfde. Ik kan van Dale niet toegeven dat dit woord verouderd is, want ik heb het, vooral te Dordrecht, dikwijls hooren gebruiken, ook in het afgeleide _gefezik_. Ik kan er echter vrede mede hebben, als dat „verouderd” alleen slaat op de schrijftaal. Trouwens daarin is fezikken zeker, evenals andere dergelijke woorden uit de volkstaal, altijd zeer zeldzaam geweest. Weiland haalt echter een voorbeeld aan van Westerbaen: „ick sat... te fesikken van u.”
Dr. Franck heeft in zijn Etymologisch Woordenboek eene afleiding uit het Germaansch beproefd, namelijk als verbaal afleidsel met iteratief-diminutive beteekenis van het oude _fezen_ of _vezen_ (met vergelijking, wat den vorm betreft, van _hinniken_ en _ginniken_ of _grinniken_). Dat zijne afleiding mogelijk is, geef ik toe; daar echter het woord fezikken in het oud-Nederlandsch niet voorkomt, waag ik het ook de mijne, die stellig eenvoudiger is, daarnevens te stellen. Misschien ben ik geneigd den invloed van het Maleisch op het Nederlandsch te overdrijven; maar dit is een natuurlijk gevolg daarvan, dat die gewoonlijk schier geheel wordt voorbijgezien. Om duidelijk te bewijzen hoe verkeerd men daarin handelt, laat ik thans een woord volgen, waarvan de oorsprong uit het Maleisch volstrekt onbetwistbaar is.
Pitsjaren.
_Pitsjaren_ is thans bij ons alleen gebruikelijk als zeewoord en beteekent _door middel van een sein aan boord roepen_. Het wordt ook wel gebruikt wanneer de bevelhebber van een schip het afwezige scheepsvolk door zulk een sein terugroept; maar oorspronkelijk schijnt het slechts gebezigd te zijn van een vlootvoogd, die de bevelhebbers der schepen van zijn eskader bij zich aan boord laat komen, om zich met hen te beraden. De vlag die daarvoor dient, heet de pitsjaar-vlag.
Van Dale vergelijkt het Eng. _pitch-yard_, maar verzuimt ons te zeggen wat dit woord beteekent. Ik heb het tevergeefs gezocht, maar indien het werkelijk onder de zeelieden in gebruik is, schijnt het mij een verbastering van _pitsjaar_, zoodat het door dit laatste moet worden opgehelderd, en niet omgekeerd.
_Pitsjaar_ nu is stellig niets anders dan het Maleische _bitjára_ (door sommigen _bitsjára_ uitgesproken), dat, zelf uit het Sanskriet stammend, _overlegging_, _raadpleging_, _raad_, _raadsvergadering_ beteekent. Wanneer de admiraal met de kapiteins een raad, een bitjara, wilde houden, seinde hij met de _pitsjaar_, d. i. de bitjara-vlag. Door misverstand heeft men later dit pitsjaren in den zin van _seinen om aan boord te komen_ opgevat.
Dat pitsjaren werkelijk moet verklaard worden zooals ik hier heb voorgesteld, blijkt uit het gebruik van dat woord in oude Indische stukken. Een duidelijk voorbeeld is het volgende uit een brief van den Gouverneur-Generaal aan Pieter Fransen te Bantam, dd. 17 April 1630, bij de Jonge, „Opkomst van het Ned. gezag in O.-Indië”, D. V, bl. 187: „Sult den Tommogon bij eene goede gelegentheyt voorhouden en te verstaen geven, dat het goed waare syn E. met ons daarover eerst hadde gepitschaert.” Zoo ook leest men in een rapport van Couper, dd. 25 Maart 1677 (Ald. D. VII, bl. 103): „waerover seyden eerst te moeten _pitsjaren_.”
Men heeft van _pitsjaren_ ook een naamwoord, _pitsjaring_ gemaakt. Zoo bij de Jonge, D. V, bl. 105: „Off dit een Gabangsche _pitsjaringh_ sy sal ons den tyt leeren”, en D. VI, bl. 32: „dat onder ons geen gebruick was, bij de eerste bejegeninge van eenige _pitsiaringen_ te spreecken.”
Pidjetten.
Van het Maleische en Javaansche _pidjet_, en dus minder juist dikwijls _pitjitten_ geschreven. Door dit woord worden zekere manipulatiën in de inlandsche geneeskunde aangeduid, bestaande in wrijvingen en drukkingen met de volle hand en zachte knepen met duim en vinger. Strikt genomen is _pidjet_ de speciale naam voor het knijpen, terwijl het wrijven _oeroet_ heet; doch dit laatste woord is minder bekend, terwijl _pidjetten_, zoo gebruikt dat het beide omvat, een woord is dat door de Europeanen in Indië dagelijks gebezigd en ook in Nederland niet zelden gehoord wordt. Dr. van der Burg zegt van het _pidjetten_ in zijn klassiek werk „de Geneesheer in Indië”, D. I, bl. 249: „Dat systematisch knijpen en wrijven nuttig kunnen zijn, ook bij abnormale toestanden van het lichaam, is bekend, en dat beide als aangename prikkels reeds bij de volkeren der oudheid in zwang waren, behoeft niet herinnerd te worden. Zeer zeker zijn die bewerkingen hoogst aangenaam bij groote spiervermoeidheid, en hoewel somtijds zeer pijnlijk onder de operatie, is het effect er van uitstekend. Nadeelen van de behandeling zijn alleen waarneembaar bij menschen, die er om zoo te zeggen misbruik van maken en er zoo door verwend zijn, dat zij er niet meer buiten kunnen, en b. v. niet kunnen slapen zonder geknepen en gewreven te worden. Men zou de gewoonte bijna onder de middelen tot genot kunnen brengen.” Verg. ook wat ik over het _pidjetten_ en de _pidjetsters_ van beroep gezegd heb in mijn „Java”, D. I, bl. 487.
De methode om voor zekere kwalen en lichaamsgebreken het knijpen en wrijven als geneesmiddelen aan te wenden, is in ons land in groot aanzien gekomen door de voortreffelijke resultaten, daarmede verkregen door onzen beroemden Metzger. Men hoort echter op zijne manipulatiën nooit den naam van _pidjetten_ toepassen, en zij schijnen inderdaad van die der Javaansche pidjetsters (het vak wordt meest door vrouwen uitgeoefend) nogal te verschillen. Dr. Metzger waakt tegen het misbruik door het te doen op eene wijze waarbij van „wellustig genieten” zelden sprake is. Ik heb nooit een zijner patiënten zijne behandeling onder de middelen tot genot hooren noemen.
Punch, Pons.
Het woord punch, in de schrijftaal veelal onveranderd behouden, in de omgangstaal tot _pons_ verbasterd, hebben wij uit het Engelsch, maar het is in deze taal zelve weder afkomstig uit Indië. Het is namelijk het Indische en Perzische _pandja_ of _pendja_, vijf (het Gr. _pente_), zoo bekend door den eigennaam _Pendjâb_ of _Pundsjâb_, het land der vijf rivieren, in Hindostan. In het Oosten bestaat de drank, die bij de Engelschen onder den naam van _punch_ populair is geworden, uit vijf bestanddeelen; hij schijnt in Perzië volledig _pandja noesj_ (de _vijfdrank_) te heeten (zie Vullers, Lex. Persicum, I, p. 376), maar tot enkel _pandja_ te zijn afgekort. De vijf bestanddeelen waren, zoo men meent, oorspronkelijk: brandewijn (rum of arak), thee, citroen, suiker en kaneel. Het laatste wordt thans gewoonlijk weggelaten, meestal ook de thee. Zie Littré, „Dictionnaire de la langue française”, in v. „Punch”. Maar als men de laatste behoudt en het bijgevoegde water als vijfde bestanddeel aanmerkt, blijft de oude naam gewettigd. De verschillende praeparaten, die onder den naam van siroop van punch in den handel komen, zijn wat de zuiverheid betreft zeker niet altijd te vertrouwen.
Den overgang tot _pons_ vormt het Fransche _ponche_, dat o. a. voorkomt in het volgende door Littré aangehaalde voorbeeld: „il nous fit servir (le capitaine hollandais) de la bierre, du vin de Madère, de la _ponche_ et du pain d'épices.” Labat, „Voyage aux Antilles”, VIII, p. 361. _Punch_ is thans in het Fr. mannelijk, in onze taal vrouwelijk; maar uit het aangehaalde voorbeeld blijkt, dat _ponche_ in het Fransch ook als vrouwelijk werd gebruikt.
Tank.
Dit woord komt zeer dikwijls en, als algemeen bekend, doorgaans zonder eenige verklaring, voor bij onze schrijvers over de bezittingen der Compagnie in Hindostan en op Ceilon. Men zie b. v. Baldaeus, „Afgoderije der Heidenen”, blz. 24, 30, 48; „Begin en Voortgang”, D. II, no. 17, bl. 10; Valentijn, V, 2, „Ceilon”, bl. 240; Canter Visscher, „Mallabaarsche brieven”, bl. 151; Stavorinus, „Reize naar Batavia”, bl. 240. Men vindt echter uitvoerige beschrijvingen van de tanken bij Valentijn, V, 1, „Coromandel”, bl. 172, en bij Stavorinus, a. w., bl. 83 v. Verg. ook Stocqueler, „Oriental interpreter”, in v. _Tank_. Het blijkt uit die plaatsen dat de tanken groote kunstmatige vijvers of waterbakken zijn, voor badplaatsen ingericht. Het woord is Hindostani. Een andere, minder gebruikelijke naam der tanken in Hindostan is Tullao. Zie Stocqueler in v.
Sedert wij onze bezittingen in Hindostan verloren hebben, is het woord _tank_ bij ons in vergetelheid geraakt; maar, vermoedelijk door Engelschen invloed, wordt het thans weder gebruikt om de groote ijzeren reservoirs op de petroleum-schepen aan te duiden.
Sits.
_Sits_ werd vroeger en juister _chits_ geschreven, de eerste letter toch van het oorspronkelijke woord is de _tja_ of _tsja_ der Hindostansche, Perzische, Javaansche en Maleische alfabets, die in vele Europeesche talen door _ch_ wordt vervangen. Daarom heet ook het sits in het Fransch _chite_, in het Eng. _chintz_ of _chints_. Vroeger was bij ons ook dezelfde transscriptie in zwang, zooals blijkt uit den bekenden naam Cheribon. _Chits_ komt nog voor in Canneman's „Dissertatio de Batavorum Mercatura Levantica”, p. 20, waar wij lezen: „Per Caravanas Halebum etiam mittebantur species [pannorum] levigatae Persicae ex Ispahan et Tebriz, quae Malaico nomine _tchit_, vulgo _chits_, vocantur.” Hier is de Maleische naam, die echter ook wel _tjita_ (Jav. _tjitô_) luidt, correct opgegeven, maar uit het bijgevoegde bericht blijkt, dat het niet noodig is aan te nemen, dat wij dien naam het eerst van de Maleiers ontvangen hebben. De gebloemde katoenen stof, die wij _sits_ noemen, werd oorspronkelijk in Hindostan geweven en geverfd of gedrukt, en niet enkel over den Indischen Archipel, maar ook over Perzië en de Levant tot ons gebracht; en ook de Perzische naam luidde _tsjit_ of _tjit_. Dat behalve het echte Indische sits of Indienne vele Europeesche namaaksels onder denzelfden naam in den handel komen, is bekend.
Palankijn.
Ieder, die niet geheel vreemdeling is in de Nederlandsche letterkunde, kent ook de „Reize in een palanquin” van Jakob Haafner (Amst. 1808), den laatsten schrijver van wien wij berichten hebben over de bezittingen der Compagnie in Hindostan en Ceilon, die sedert aan Engeland zijn afgestaan. _Palanquin_ is de Portugeesche vorm van het woord, dat wij thans _Palankijn_ schrijven, en dat in de verschillende talen en dialekten van Hindostan in de vormen pallangka, palankin en palki voorkomt, die allen (door verwisseling der liquidae _l_ en _r_) afstammen van het Sankrietsche _Paryanka_, rustbed. Het woord is ook in het Javaansch en Maleisch overgegaan in de vormen _palangki_ en _plangki_.
De Indische draagstoel, toegerust met een verhemelte en gordijnen, en geheel anders ingericht dan de Europeesche, behield natuurlijk den oorspronkelijken naam, toen hij door de Europeanen van de inlanders werd overgenomen.
Rigel.
Prof. Dozy heeft in zijne „Oosterlingen” een artikel gewijd aan de ster _Aldebaran_, ook aan niet-astronomen bekend door de regels in Beets' „Guy de Vlaming”:
„En wat er in uw aadren gloeide, „En wat er in uw oogen blonk „Zal, opgegaan tot hooger sfeeren, „Mijn Aldebarans gloed vermeeren „Of Mixars helle schittervonk”.
Maar gelijke aanspraak had zeker de eveneens Arabische naam _Rigel_, die de ster aanduidt in den voet van het sterrenbeeld „Orion”, en waarvan Nieuwland in zijne beroemde ode „Orion” aldus zingt:
„'k Zie Betelgeuze's rooden gloed „Uw schouder, naast Bellatrix, sieren „En Rigel flonk'ren op uw voet”.
Rigel is het Arab. _ridjl_, d. i. _voet_, en als naam van de ster in den Orion afkorting van _ridjloeʾl-djabbâr_, de voet van den reus. Door _al-djabbâr_, de reus, wordt het sterrenbeeld Orion aangeduid.
Elixir.
Dit woord is behandeld in Dozy's „Oosterlingen”; maar hij verkeerde destijds nog in onzekerheid omtrent den oorsprong van het woord, waarvan hij alleen zegt: „het zou mij niet verwonderen als er een door de Arabieren veranderd Grieksch woord, waarvan de eerste of tweede letter een x is, onder schuilde”. De juistheid dier gissing was reeds aangewezen toen zij werd bekend gemaakt, namelijk door Fleischer, die in zijn werkje _de Glossis Habichtianis_, p. 70, _elixir_ verklaarde als ontstaan uit het Arab. lidwoord en het Grieksche _xèron_, dat eigenlijk een _droog geneesmiddel_ aanduidt, maar door misverstand eene ruimere beteekenis kreeg. Ik merk in het voorbijgaan op, dat ook dit woord eene bijdrage levert tot de oplossing van het thans weder opgerakelde geschil over de uitspraak der Grieksche letter èta, die velen thans evenals in het Nieuw Grieksch als _i_ willen uitspreken. Als ik mij niet bedrieg pleiten alle oude transcripties van Grieksche woorden met èta in het Syrisch en Arabisch voor het _itacisme_. Eene objectie door Zotenberg tegen de verklaring van elixir uit het Gr. _xèron_ opgeworpen, namelijk dat de Grieksche _x_ in het Arabisch _sk_ en niet _ks_ wordt, is te niet gedaan door Defrémery in het _Journal Asiatique_ van Augustus 1867, door te wijzen op het Arabische abraksis, als transscriptie van het Gr. praxis.
_Elixir_ is dus uit het Arabisch tot ons gekomen. Het was in die taal een term der Alchimisten, om den _steen der wijzen_ aan te duiden, de substantie waardoor men onedele metalen in goud kon veranderen, en die tevens een middel was waardoor men alle kwalen kon genezen en het lichaam versterken en verjongen. Doch toen de alchimistische droomerijen haar krediet verloren, bleef het woord elixir in zwang om oplossingen van verschillende zelfstandigheden in alkohol of alkoholische tincturen aan te duiden, of in het algemeen elk geneesmiddel, dat druppelsgewijze wordt toegediend. Men denke b. v. aan het maag-elixir, dat vaak bij jenever en curaçao gevoegd wordt.
Tarra.
Men schrijft thans gewoonlijk _tarra_, en het is ook alleen in dien vorm dat het woord voorkomt in de Woordenlijst van de Vries en te Winkel. Weiland behandelt het op _tara_, den gewonen vorm van het woord in het Italiaansch, Spaansch en Portugeesch. In den vorm _tare_ vindt men het ook in het Fransch en Engelsch. Wij hebben het woord, als zoovele andere in de handelstaal, waarschijnlijk van de Italianen ontvangen. Het beteekent, gelijk men weet, het verschil tusschen bruto en netto gewicht of maat, met andere woorden wat voor emballage moet worden afgetrokken.
De oorsprong van dit woord was aan Prof. Dozy nog onbekend, toen hij zijne „Oosterlingen” schreef. Hij zegt in de Voorrede: „het woord _tara_ of _tarra_ kan Arabisch zijn, maar het is mij nog niet gebleken, dat de Arabieren het in dien zin gebruikten.” Maar in het twee jaren later verschenen „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérivés de l'Arabe” heeft alle twijfel omtrent den Arabischen oorsprong opgehouden. Het Arabische woord is _tarha_, van den wortel _taraha_, die de beteekenis heeft van _verwerpen_, en tarha is dus het deel der koopwaren dat men verwerpt, niet mederekent, bij de prijsberekening aftrekt, te weten de balen, kisten, vaten enz. waarin de goederen gepakt zijn.
Er bestaat in het Arabisch nog een synoniem woord _merma_, dat ook in het Spaansch is overgegaan. Ook dit _merma_ beteekent letterlijk het _verworpene_ en bevestigt de juistheid der verklaring van _tarra_. De beide woorden helderen elkander op, zooals door Dozy in het Glossaire, p. 313, wordt in het licht gesteld.
Alkatief.
Baldaeus, „Beschrijving van Malabar en Choromandel”, bl. 183, van de levenswijze der Europeanen in die gewesten sprekende, zegt: „Zelden slaapt men op bedden, maar op alcativen of matrassen.” Het woord _alcatief_ is het Spaansch-Portugeesche _alcatifa_, _alquetifa_, dat denkelijk in Baldaeus' tijd ook onder de Nederlanders in Indië zoozeer bekend was, dat hij het zonder verklaring kon gebruiken. Het is dus weder een woord dat wij in Indië van de Portugeezen overnamen, maar de oorsprong is kennelijk Arabisch. Engelmann, de eerste bewerker van het zoo vaak op naam van Prof. Dozy aangehaalde, en inderdaad door dezen geheel omgewerkte en met de belangrijkste artikelen vermeerderde „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérivés de l'Arabe,” verklaart het door het Arab. _al-qatîfa_, tapis, couverture, en verwijst naar eene noot van Dozy in zijn „Dictionnaire détaillé des noms des vêtements chez les Arabes,” p. 232. In de bedoelde noot wordt eene plaats aangehaald uit Marmol's „Descripcion de Africa,” die eene volledige verklaring geeft van de woorden van Baldaeus en dus luidt: „De gewone bedden der aanzienlijken bestaan uit die harige alcatifa's, die ons uit Africa worden aangebracht. Deze worden onderscheiden malen dubbel gevouwen, terwijl een lange omslag dient om het lijf van boven te bedekken.”
Nog heden is het woord _alkatief_ in Ned.-Indië in gebruik, hoofdzakelijk in de beteekenis van een tapijt of vloerkleed, die het ook in het Arabisch bezit, zooals mede door Dozy in zijn „Dictionnaire détaillé”, t. a. p. is aangetoond. Weitzel, „Batavia”, bl. 113: „Onder de tafels vindt men nog wel eens een sierlijk karpet, en vóór de canapé's vaak zeer schoone alkatieven of vloerkleedjes.”
Prof. de Goeje heeft mij medegedeeld, dat hem toevallig bij de inzage van oude rekeningen gebleken is, dat nog in het begin dezer eeuw alkatieven als handelsartikel werden vermeld.
Fellah.
Dit woord is thans in meest alle Europeesche talen, ook in de onze, algemeen in gebruik om de Egyptische landbouwers aan te duiden. Ieder kent den roman van den heer About, „Ahmed le fellah”. In de aankondiging van Lady Gordon's „Letters on Egypt”, in _de Gids_ voor 1866, D. II, bl. 597 vv., wordt _fellah_ telkens als een algemeen bekend woord gebruikt.
Het woord is Arabisch en luidt in die taal _fallâh_. Het beteekent in het algemeen _landbouwer_, maar voor zoover het in de talen van het Westen is opgenomen, duidt het altijd in het bijzonder de Egyptische landbouwers van Arabische afkomst en Moslemsche geloofsbelijdenis aan. Een Christen is nooit een fellah.
Boernoes.