Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden

Part 22

Chapter 222,874 wordsPublic domain

Dat _recche_ in eenig verband zou staan met de Portugeesche woorden _rechear_ en _recheado_, zooals Rumphius' meening was, komt mij in ieder geval zeer onwaarschijnlijk voor. _Rechear_ beteekent niet _inleggen_, maar opvallen, _volstoppen_, het fransche _farcir_, of zooals het Port. woordenboek van Da Costa e Sá het verklaart: „Encher de carne picado, de peine picada”. Voor _rechead_, dat geen woord is, moet men bij Rumphius waarschijnlijk _recheâo_ lezen, dat vermoedelijk de beteekenis _vulsel_ had. Echter heeft de tegenwoordige taal daarvoor _rechêo_ of _recheio_, door Da Costa e Sá verklaard: „Carne, peixe ou outro monjar picado com hervas, ovos e especes, com que se enchem aves, alcachofras etc.”, d. i. vleesch, visch of andere spijs bereid met kruiden, eieren en specerijen, waarmede vogels, artisjokken, enz. gevuld worden.

_Ritsjes_ is thans niet alleen in Nederland onbekend, en ook in Ned.-Indië, zoo het schijnt, in onbruik geraakt, maar het heeft zijn weg gevonden naar de Kaapkolonie, waar nog, volgens Mansvelt's „Idioticon” _Rissies_, verbasterd uit _ritjes_, voor Spaansche peper in gebruik is.

Massa.

_Massa_ komt bij van Linschoten voor als naam van de foelie, die in het Fransch, Spaansch, Duitsch en nieuw-Latijn _macis_, in het Engelsch _mace_, in het Italiaansch gewoonlijk _mace_, doch in d'Ulloa's vertaling van de Barros, Decel. II, lib. 6, c. 7, _mazza_, en in het Portugeesch _maça_. Van dit laatste is _massa_ bij van Linschoten ongetwijfeld afkomstig. De plaats, „Itinerario”, bl. 90, luidt als volgt: „De notemuscaet heeft omheen een harde schulp gelijc hout, so dat die noot daer los in leyt, ende deze houte schille ofte schulpe is bedect ende becleet met muscaten bloemen, die men _massa_ heet.... Somtijds soo berst die foelie ofte massa; welcke is de oorsake dat altemet die noten sonder massa komen, ende wanneer men die note muscaten drooght, so gaeter die massa af, ende die coleur van root verandert in orangien coleur, gelijc men mach sien aan de massa die herwaerts overgebracht wort.” Dat ook de andere genoemde natiën dit woord aan de Portugeezen verschuldigd zijn, acht ik zeer waarschijnlijk, ofschoon de overgang tot den vorm _macis_ moeilijk te verklaren is.

Maar nog moeilijker is het van den oorsprong van _maça_ zelf rekenschap te geven. Eertijds hield men het voor identisch met het Grieksche _maker_, bij Plinius, H. N. XII: 16 _macir_ („Et macir ex India advehitur, cortex rubens radicis magnae, nomine arboris suae; qualis sit ea, incompertum habeo”). Uit die plaats volgt echter dat _macir_ iets geheel anders moet zijn dan de foelie, zooals ook door Piso in „Mantissa aromatica” en Rumphius, „Amb. Kruydboek”, II, bl. 16, zeer wordt op den voorgrond gesteld. Echter moet men erkennen, dat eene verwarring van beide, in voorkomen, zoo het schijnt, wel eenigszins overeenkomende zaken niet zoo geheel ondenkbaar is.

Het is echter ook niet ondenkbaar, dat het woord _massa_ afstamt uit de taal der Bandaneezen, op wier eilanden de muskaatnoten het meest voorkomen. Van deze taal is ons zeer weinig bekend en de bevolking werd reeds door Koen verdreven en verstrooid. In de „Curieuse Aenmerckingen” van S. de Vries, I, bl. 125, leest men, dat de muskaatnooten op Banda door de inwoners _pala di massa_ genoemd werden, en de bloemen, d. i. de foelie, _buna pala_. Volgens Rumphius t. a. p. heet de muskaatnoot op Banda en bij alle Maleiers _pela_. „Het roode netjen”, dus gaat hij voort, „dat op de houten schaalen ligt, werd in 't nieuw-Latijn genaamd _macis_” [over welks verschil van _macer_ hij dan verder uitweidt], „maar 't woord macis schijnt afkomstig te wezen van 't Javaanse woord _massa_, gelijk ze noch op het Portugeesch heet. Hedendaags noemt men ze in 't Maleyts _Bonga-pala_... op 't Nederduits _foely_ en muschaaten-bloemen... De regte Maleiers verstaan door _Bonga-pala_ de kleine bloempjes, ofte eigentlyke bloeizel van de Noteboom, dewelke zij gedroogt tot eenige medicyne bewaaren, en men kan ze genoegzaam bekoomen aan de zoorte, die men Pola-Boy noemt en voor 't manneken van de tamme nooteboom gehouden wert; daarentegen de foely noemen ze _sarony_ of _boncus-pala_, d. i. scheede of zak van de Noot, en zeker dat met beter reden, want wat gelykenis heeft de foely met een bloem?”

In de aangehaalde plaatsen, zoo van de Vries als van Rumphius, zijn de namen uit de inlandsche talen aangehaald eenigszins misspeld of verbasterd[66], maar zij zijn gemakkelijk te verbeteren.

[66] Burman, de uitgever van het Amboinsch Kruydboek, heeft waarschijnlijk niet veel van de inlandsche talen van den Archipel geweten, en dienvolgens in het H. S. verkeerd gelezen. Men kan niet aannemen, dat Rumphius zelf nu eens pela, dan eens pala zal geschreven hebben.

De muskaatnoot heet in het Maleisch niet _pela_, maar _pala_; in plaats van _buna pala_ en _bonga pala_, moet men _boenga pala_ lezen, van _boenga_, bloem en _pala_, muskaatnoot; in plaats van _sarony_, het bekende _sarong_ of _saroeng_, d. i. scheede of koker; in plaats van _boncus_ schrijve men _boengkoes_, omhulsel. Dat _boenga-pala_ en het nog in het Duitsch gebruikelijke Muskatblüthe geheel verwerpelijke namen voor de _foelie_ zijn en niets anders dan den bloesem der muskaatboomen kan aanduiden is ook, zooals wij zagen, reeds door Rumphius aangeduid. De foelie heeft niets met den bloesem te maken, maar is wat men thans gewoonlijk een _zaadmantel_ of _zaaddek_ (_arillus_) noemt.

Wat nu de meening van Rumphius betreft, dat de naam _massa_ Javaansch zou zijn, deze wordt geenszins door onze woordenboeken bevestigd. Deze zijn intusschen nog verre van volledig. Maar daar de muskaatboom op Java niet groeit, kunnen zijne producten ook niet wel oorspronkelijke Javaansche namen hebben; maar zullen ze wel door de Javanen genoemd zijn met de namen, die er in het land van herkomst aan gegeven worden. Behoort het woord _massa_ werkelijk in de inheemsche talen van den Archipel te huis, dan zullen wij het wel in de eerste plaats op Banda moeten zoeken. Ik acht het daarom zeer opmerkelijk dat bij de Vries _pala di massa_ als de Bandaneesche naam van den muskaatboom wordt opgegeven. Sommige lexicografen (b. v. Crawfurd) geven aan _pala_ in de eerste plaats de algemeene beteekenis van vrucht. Mocht dus massa de naam van de foelie zijn, dan zou men misschien _pala di massa_, door de _vrucht_ of _noot in de foelie_ kunnen vertalen.

Ik wensch hier nog een woord bij te voegen over het Nederlandsche foelie, waarvan de oorsprong ook niet zoo dadelijk klaar is. Hetzelfde woord komt ook voor in de beteekenis van een dun blaadje of laagje metaal achter edelgesteenten en spiegels. (Hoogd. _Folie_). Ook de foelie van de muskaatnoot is een blaadje, zij het ook in geheel anderen vorm. Het woord stamt ongetwijfeld af van het Latijnsche _Folium_, niet rechtstreeks echter, maar door tusschenkomst van het midden-Latijnsche _folia_, Ital. _foglia_, en vooral van het Fransche _feuille_, waarmede foelie in vorm overeenkomt. Volgens Franck, „Etym. woordenboek”, moeten eenmaal _foglia di noci moscate_ en _feuille de macis_ in het Italiaansch en Fransch gebruikelijke uitdrukkingen zijn geweest.

Dessa.

Gewone uitspraak der Europeanen van het Javaansche _désô_, dorp, dat afkomstig schijnt van het Sanskrietsche _désja_, oord, streek. In het hoog-Javaansch gebruikt men voor _désô_ den vorm _doesoen_, die overigens eigen is aan het Maleisch. De naam _dessa_ kan niet op de dorpen van andere eilanden van den Archipel worden overgedragen, daar de Javaansche dessa een bijzonder karakter heeft, samenhangend met haren Hindoeschen oorsprong. Zij is steeds de hoofdplaats en het middelpunt van eene _padésan_ of mark, deels uit bebouwde en duurzaam of tijdelijk tusschen de bewoners verdeelde, deels uit gemeenschappelijke, voor gemeene weide en inzameling van boschproducten bestemde gronden bestaande, en bestuurd door een dorpshoofd, dat met zijne assessoren, door de bevolking wordt gekozen. Strikt genomen mag men zelfs de dorpen der Soenda-landen geen dessa's noemen. Zij heeten _lemboers_ en zijn in verschillende opzichten anders ingericht. Echter zijn de dorpsinstellingen in vele gedeelten van Java door den tijd en den invloed van het Europeesch gezag verbasterd, zoodat ook het genoemde verschil niet meer streng is vast te houden, en ook in West-Java van dessa's gesproken wordt.

Het woord dessa is zoozeer Nederlandsch geworden, dat het met tal van Nederlandsche woorden is samengesteld. Men vindt dit b. v. in dessabestuur, dessahoofd, dessapriester, dessagrond, dessagebied en vele andere.

Kampong.

_Kampong_ of _Kampoeng_ is Javaansch, Soendaasch en Maleisch en beteekent een _omheind erf_, een kleine verzameling van inlandsche woningen door paalwerk of heggen omgeven, een gehucht, buurt of wijk. In de groote steden, die de middelpunten der Europeesche kolonisten zijn, zooals Batavia, Samarang, Soerabaja, Pasoeroean vindt men tusschen of naast de Europeesche gedeelten een groot aantal inlandsche kampongs verspreid; ook de voornamere inlandsche plaatsen, zetels van regenten, districtshoofden en andere groote dessa's zijn in verschillende kampongs gesplitst; maar als het geheele dorp uit eene enkele kampong bestaat, verdwijnt het onderscheid tusschen kampong en dorp en worden die uitdrukkingen synoniem. Inzonderheid is dit vaak het geval in de Soendalanden, waar de lemboers gewoonlijk zeer klein zijn, en meestal een aantal lemboers onder het bestuur van een enkelen loerah vereenigd zijn tot de grootere eenheid van een _kaloerahan_, die veel overeenkomst heeft met die vereeniging van een aantal dorpen, welke men in de provincie Friesland _grietenij_ placht te noemen, en die werkelijk niet is opgeheven, schoon men thans den grietman burgemeester noemt.

Volgens oude, reeds lang voor de komst der Europeanen ingevoerde bepalingen, moesten de Chineezen en andere vreemde Oosterlingen steeds in afzonderlijke wijken en onder hoofden hunner eigen natie bijeenwonen. Deze bepalingen zijn nu eens met meer, dan met minder gestrengheid tot heden gehandhaafd, en de Indische Regeeringsalmanak bevat in de laatste jaren eene lange lijst der plaatsen waar wijken voor Chineezen en andere vreemde Oosterlingen zijn aangewezen. Men vindt die wijken doorgaans aangeduid door de namen: het Chineesche kamp, het Arabische kamp en zou daardoor, als men niet beter wist, den indruk krijgen alsof die vreemde Oosterlingen daar geene vaste woningen houden, maar in tenten als gekampeerd waren. Die voorstelling zou echter zeer verkeerd zijn, en _kamp_ zal hier wel eenvoudig een Europeesche afkorting van kampong wezen. Men zou dus, naar het schijnt, beter doen, althans _de_ Chineesche kamp, in plaats van het Chineesche kamp te schrijven; doch de kwade gewoonte is zoo diep ingeworteld, dat zij moeielijk zal zijn uit te roeien.

Kraton.

Het getal der Javaansche, Maleische en andere inlandsche woorden, dat door de Europeanen in Indië in het dagelijksch gesprek wordt ingevlochten, is uit den aard der zaak onbegrensd en het zou een ijdel pogen zijn eene lijst te willen geven, waarin men nooit te vergeefs zou zoeken, terwijl zij met den dag vermeerderen. Zulk eene volledigheid is dan ook in deze lijst noch ten opzichte van deze, noch ten aanzien van eenige andere klasse van vreemde woorden beoogd. Eene scherpe grenslijn te trekken tusschen hetgeen al en hetgeen niet moest worden opgenomen, was ook in strijd met den aard dezer verzameling, die met geen bepaald plan is aangelegd, maar uit ware adversaria bestaat, zaken die mij ongezocht en als van zelf tegemoettraden. Ik maak dus geene verontschuldiging over iets, dat ik mocht verzuimd hebben; maar eindig deze lange lijst met een woord, dat in de laatste jaren zoo algemeen onder ons gebruikt en toch door de meesten zoo weinig verstaan wordt, dat eene korte opheldering er wel aan besteed schijnt te zijn.

_Kraton_, samengetrokken uit _Karaton_, is een Javaansch woord, volkomen regelmatig gevormd van _Ratoe_, d. i. Vorst, en beteekent vorstenverblijf. Het woord wordt behalve van verschillende andere vorstenverblijven op Java, waarvan de plaats veelal nog aan eenige ruïnes kenbaar is, gebruikt van de verblijven van den Soesoehoenan van Soerakarta, van den Sultan van Jogjakarta, van de onafhankelijke prinsen Mangkoe Negara en Pakoe alam. Ook de vorstenverblijven te Bangkalan en Soemenep op Madoera worden kratons genoemd. In het Maleisch is het woord uit den vreemde ingedrongen, en wellicht is het alleen aan de Europeanen toe te schrijven, dat het voormalig verblijf der vorsten van Atjeh gewoonlijk de _Kraton_ genoemd wordt. Nevens Kraton of Karaton bestaat er in het Javaansch nog een tweede woord van denzelfden grammaticalen vorm en ongeveer gelijke beteekenis, t. w. _Kedaton_ of _Kadaton_, afgeleid van _Datoe_, dat in beteekenis niet kennelijk van _Ratoe_ verschilt. Het spraakgebruik heeft echter gewild, dat Kadaton gewoonlijk gebruikt wordt van dat deel van den Kraton, waarin de vorst zelf met zijne vrouwen en kinderen verblijf houdt. Men vertaalt het gevoegelijk door _binnenhof_. De Kraton in zijn geheel is eene aanzienlijke ruimte omringd door muren, voorzien van poorten, en bedekt door een groot aantal gebouwen en pleinen, straten en wegen, kanalen en vijvers, kampongs en lusthoven; want schier allen wonen in den Kraton die, al is het ook slechts als werklieden, tot het hof in eenige betrekking staan. De Kraton van den Sultan van Jogjakarta heeft meer dan een uur in omtrek en zijne bevolking wordt op wel 15000 zielen geschat. De Kraton van Soerakarta, ons minder nauwkeurig bekend, zal voor dien van het kleinere rijk wel niet onderdoen.

Voor den hoofdingang van den kraton ligt altijd een uitgestrekt plein, bestemd voor openbare plechtigheden en feesten, _aloen-aloen_ genoemd. Een tweede, maar veel kleinere aloen-aloen vindt men ook aan de achterzijde der kratons van de Javaansche hoofdsteden. Het woord _aloen-aloen_ is echter niet tot de voorhoven der kratons beperkt. Het wordt ook gebruikt van de dorpspleinen, die in eigenlijk Java worden aangetroffen op alle plaatsen waar regenten hun zetel hebben, en nog algemeener zijn in de Soendalanden, waar ze in iedere hoofdplaats eener kaloerahan (zie op _Kampong_) worden aangetroffen. De aloen-aloen bevindt zich altijd vóór de woning des vertegenwoordigers van het gezag, en het teeken van het gezag is de daarop geplante _waringin_-boom, waarvoor op de aloen van een Vorst, vaak ook op die van een Regent, een tweetal dezer boomen, ieder afzonderlijk door een sierlijk hek omsloten, in de plaats komt.

Oudere schrijvers verwarden de aloen-aloen wel eens met de daarop voorkomende open gehoorzaal, _paseiban_ genoemd, waar de Javaansche ambtenaren ambtshalve met hunne hoofden samenkomen en waar de terechtzittingen gehouden worden. Dat woord stamt van _séwa_ of _séba_, waarvan de beteekenis is zijn opwachting maken aan een vorst of hooger ambtenaar tot behandeling van dienstzaken. De verbastering van dit woord tot _Passeerbaan_, waarvan reeds in het art. _Kaalkop_ gewag werd gemaakt, hangt waarschijnlijk met die verwarring samen; want de aloen-aloen was dikwijls het tooneel van tornooien of steekspelen en werd daarom als eene _renbaan_ beschouwd. In „Batavia en derzelver gelegenheid”, D. I, bl. 22, wordt de aloen-aloen van 't Keizerlijk Hof te Kartasoera beschreven als: eene zeer groote _Renbaan_, in welke alle Maandagen door de rijksgrooten en den Keizer zelven, met de lancie, vermaakshalve wordt gestreden, om elkander uit den zadel te ligten, of voorbij te rennen.

De waringin- of tjaringin-boom is de baniaanboom, de beroemde heilige boom der Hindoes, welks naam, tot _benjamin_ verbasterd (zie wederom art. _Kaalkop_) het _Ficus Benjamina_ van Linnaeus, het _Urostigma Benjaminum_ der hedendaagsche botanici heeft voortgebracht. Intusschen worden ook andere nauw verwante Urostigma-soorten (_Microcarpum_, _nitidum_ enz.) vaak onder den naam van _waringin_ begrepen. De waringin is de schoonste en reusachtigste boom van Java en krijgt door het uitschieten van luchtwortels, die weder in den grond dringen, bijstammen welke hem in staat stellen een loofkroon te dragen van verbazenden omvang, zoodat hij zich als een berg van groen vertoont. Het is deze boom van wien Milton zingt:

„Branching so broad and long that in the ground, „The bending twigs take root, and daughters grow, „About the mother-tree, a pillared shade— „High overarched with echoing walks between”

welke verzen ik elders[67] gewaagd heb dus te vertalen:

„Zoo lang en breed strekt hij zijn takken uit „Tot 't nederhangend twijgje wortel schiet, „En rond den moederboom de dochters groeien, „Tot de echo van des wandlaars stap weerklinkt „In de gewelfde schaûw, die pijlers dragen.”

[67] In mijne schets „Een waringin”, in „Insulinde, twaalf tafereelen uit Nederlandsch-Indië, volgens teekeningen en studiën naar de natuur, door A. de Grijs, geëtst door C. L. van Kesteren, met tekst van P. J. Veth.”

REGISTER.

NB. De _cursief_ gedrukte woorden zijn niet in afzonderlijke artikelen, maar slechts in het voorbijgaan behandeld.

Bladz.

A.

Adat 15

Adonis 320

_Aga_ 208

Agar-agar 234

Akal 317

Alang-alang 347

Alfoer 269

Alizari 187

_Alizarine_ 189

Alkanna 190

Alkatief 49

_Alligator_ 155

_Aloen-aloen_ 389

Amfioen 72

Amok 82

_Amokken_ 82

Ampas 337

Amper 31

Ananas 242

Anemoon 246

_Apotheek_ 282

Areek 226

Assegaai 129

Atap 347

Attar goel 283

Azagai 129

B.

Baadje 170

Baar 138

_Baarsch_ 138

_Baarschap_ 138

Baboe 336

_Babouche_ 174

_Badjo's_ 118

_Bairam_ 206

Bakkeleien 35

_Bakkove_ 244

Bakkeljauw 65

Balé-balé 350

_Balie_ 351

Baljaren, baljaarden 58

Balkon 209

Bamboes 235

Banaan 242

Bandjer 348

_Banjak_, _banje_ 33

Barissan 286

_Basta_ 63

Bataten 239

Batikken 183

_Bayadère_ 59

Beiram 206

Bendi 335

Benteng 344

Benzoë 330

_Berber_ 125

Betel 227

Betelgeuze 195

Bibit 337

_Bindi_ 335

Bodega 282

Boernoes 51

_Boetjongen_ 115

Boha, bohei 357

_Bohea_, _boei_ 201

Bokje 116. Vgl. 115

Bokkenees 116

Bonze 87

Bouw 88

Brani 313

_Bras_ 374

C.

_Caboceër_ 137

_Caboeger_ 122

Cacao 220

Camarilla 54

_Chits_ 43

Chocolade 220

Cigaar 60

_Cigarette_ 60

Cipay 361

_Coraal_ 86

Creool 89

D.

Dajak 265

Dammer 368

_Dervis_ 53

Dessa 384

Dikir 310

Djagoeng 322

Djaksa 349

_Djarik_, _djarit_ 167

_Djati_ 216

_Djoekong_ 289

_Doesoen_ 384

E.

Efendi 208

Eldorado 63

Elixir 46

F.

Fakir 52

Farizeër 194

_Farizeesch_, _Farizeeuwsch_ 194

Fellah 50

Fettor 366

Fezikken 36

_Fiche_ 2

_Foelie_ 383

Fust 81

G.

_Gabah_ 375

Gamĕlan 362

_Gammor_ 262

_Gefezik_ 36

_Geherrie_ 329

Ginggang 176

_Gingham_ 178, 182

Gladakker 254

Goeni 250

Gonje 250

Gorgelet 77

_Guardasol_ 80

Guerilla 333

Gutta-percha 249

Guttegom 247

H.

_Hadat_ 17

Hadji 19

_Hangmat_ 152

_Haverij_ 17

Hegira 318

Henna 190

_Herrie_ 329

_Heulsap_ 189

Hidalgo 71

_Hijodalgo_ 71

_Hok-lo_, _Holy_ 256, 257

I.

_Ikker_ 123

J.

_Jakob Evertsen_ 154

Japon 165

_Jati_, _Jatti_ 217

Jonk 290

Joosje 202

_Joosje's tee_ 206

K.

Kaaiman 155

Kaalkop 151. Vgl. 115

_Kadaton_ 388

Kaffer 124

Kafir 124

_Kain lepas_ 167

_Kain pandjang_ 167

Kajaput 219

Kajaten-hout 215

Kakatoe 147

_Kakketoe_ 147

_Kamfer_ 73

_Kamp_ 386

Kampong 385

_Karaak_ 277

Karboeger 104. Vgl. 122

Kaste 80

Kasties 101

_Kati_, _Katje_ 152, 307

Kazuaris 145

_Kazuaris-boom_ 145

Kĕ, keh 254

Kerrie 328

_Kĕtan_ 375

Kiaten-hout 215

Kipersol 79

_Kitasol_ 79

Klapper 221

_Klapperboom_ 224

_Klapperolie_ 224

_Kodielje_ 63

Koelie 297

Kokos 221

Kondé 273

Kongsi 302

_Kongsihuis_ 303

Korakora 277

Kraak 277

_Kraakporselein_ 279

Kraal 85

Krandjang 253

Kras 29

Kraton 387

Kris, krissen 338

Krom 137

_Kromsgrooten_ 137

_Kwee-kwee_ 375

Kwispedoor 11

L.

_Lantaarn_ 243

Laskar, laskarijn 118

Leguaan 157

_Lekker_ 286