Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
Part 21
Dit woord, sedert lang in de Maleische taal opgenomen om een priester aan te duiden, is het Portugeesche _padre_, vader. Marsden voert het aan in zijn „Maleisch Woordenboek” en verklaart het: „een priester, een Europeesch geestelijke”. Men moet zich daardoor niet laten misleiden om te gelooven, dat padre _alleen_ van Europeesche geestelijken gebruikt wordt. Het beste bewijs van het tegendeel is het door Marsden zelven uit een Maleisch geschrift aangehaald voorbeeld: „Wij hebben eenen padri, Hadji Kasim genaamd.” Want Hadji Kasim is een Arabische naam.
Aan de hadji's en priesters, die zich in de Menangkabausche landen op Sumatra in 1803 aan het hoofd stelden der beweging, om den godsdienst te zuiveren en te hervormen, is door de Maleiers zelven den naam van _Padries_ gegeven (zie de Stuers, „De vestiging en uitbreiding der Nederlanders ter Westkust van Sumatra,” D. I, bl. 33), en deze naam is later, ik denk vooral door ons Europeanen, tot al de aanhangers der hervorming uitgebreid. In de Nederlandsche geschriften over Indië, beteekent dus Padries de ons vijandige partij op Sumatra, waarmede wij van 1821 tot 1838 in oorlog waren, en die, vooral door de heldhaftige verdediging van Bondjol in de geschiedenis van Ned.-Indië beroemd is.
Cipay, Sipoy.
De inlandsche soldaten in dienst der Engelsche regeering in Hindostan, worden door de Engelschen gewoonlijk _Seapoy_ of _Sepoy_ genoemd; de Fransche vorm daarvan is _cipaye_. In navolging van dit laatste en tengevolge, zoo het schijnt, van de zonderlinge neiging bij ons volk om alle woorden, die het niet kent voor Fransch te houden en op Fransche wijze te spellen, schrijven sommige Nederlandsche schrijvers _Cipay_, b. v. de Boer, „Krijgs- en geschiedkundig overzicht van den Punjab”, bl. 260, 261. Anderen houden zich meer aan den Engelschen vorm, maar toch dikwijls met eenige afwijking. Zoo nemen b. v. van Dale, „Nw. Ned. Wdbk.” en de „Kunstwoordentolk” van Kramers-Bonte den vorm Sipoys (meervoud) op, en de heer Steyn Parvé, „de Bijbel, de Koran en de Veda's”, D. I, bl. 12, 14 schrijft Sepay op. De beste schrijfwijze is sipahi, zooals geschreven wordt door Prof. Pijnappel in de „Bijdragen voor Ind. Taal-, Land- en Volkenkunde”, D. II, bl. 130, in de vertaling van een Maleisch stuk, welks schrijver in den vorm _Soepei_ eene andere verbastering van het woord te aanschouwen gaf. De schrijfwijze _sipahi_ heb ik ook nagevolgd o. a. in mijn „Java”, D. II, bl. 589. Zij houdt zich nauwkeurig aan den oorspronkelijken Perzischen vorm. In die taal is _sipahi_ een adjectief gevormd van _sipah_ leger, evenals _lasjkari_ van _lasjkar_ (zie op _Laskar_). Uit dit _sipahi_ is bij samentrekking ook _spahi_ ontstaan, een naam der Turksche ruiters, waarover men Dozy's „Oosterlingen” in v. raadplege.
Gamĕlan.
Velen schrijven _gamĕlang_ (vgl. het gezegde op _orang oetan_ en _tang_), welke schrijfwijze in de volgende woorden gegispt wordt door Dr. Groneman „In den Kedaton”, bl. 4: „Waarom schrijven velen, die 't beter kunnen weten, nog altijd gamĕlang? 't Is 't werkwoord _gamĕl_ (_muziek maken_, _begeleiden_ met _muziek_) met het achtervoegsel _an_, en de _g_ is dus geheel overtollig”. Men zou ook evenzoo kunnen vragen: „Waarom doen sommige schrijvers, die 't beter kunnen weten, het ten onrechte voorkomen als ware de _gamĕlan_ een enkel instrument, terwijl het inderdaad een Javaansch orkest, een stel van Javaansche muziekinstrumenten vordert.” 't Is waar dat een _gamĕlan_ voor verschillende gelegenheden verschillend is samengesteld, maar dat is ook met onze orkesten het geval. Alleen is bij de Javaan de samenstelling zoowel wat het aantal spelers, en de keus der instrumenten betreft, voor verschillende gelegenheden aan vaste regelen onderworpen, en voeren de verschillende samenstellingen verschillende namen, waaraan de kenner ze dadelijk herkent. Verkeerd is het dus, wanneer de heer Gevers Deynoot, in zijne „Reis naar Oost-Indië”, bl. 79, van den Javaan zegt „de gamĕlang, die het best met een zeer zacht klokkenspel kan vergeleken worden, is zijn meest geliefd _instrument_”.
Tegenwoordig zijn zulke verkeerde voorstellingen niet meer te vreezen: de gamĕlan is te dikwijls beschreven, de instrumenten waaruit zij bestaat zijn te zeer in onze ethnologische verzamelingen vertegenwoordigd, en te vaak op tentoonstellingen vertoond en bespeeld. Men zie b. v. den Catalogus der Nederlandsche koloniale afdeeling van de Tentoonstelling te Amsterdam van 1883, 2e groep, bl. 296. Eene uitvoerige, maar niet geheel van misstellingen vrije beschrijving der gamĕlans en daartoe behoorende instrumenten, gaf ik in mijn „Java”, D. I, bl. 468–480.
Passer.
Zeer gebruikelijke vernederlandschte vorm (zie op _Rotting_, bl. 239) van het Mal.-Javaansche _pasar_, markt of bazaar. Dit laatste woord, dat eigenlijk Perzisch is, maar ook door de Arabieren wordt gebruikt (zie Dozy's „Supplément aux Dictionnaires Arabes” in v.), heeft met _pasar_ eene overeenkomst die waarschijnlijk bloot toevallig is. Marsden in zijn „Mal. Woordenbk.” en Roorda in zijn „Jav. Handwoordenboek” schijnen _pasar_ en _bazár_ voor identisch te honden; doch hier is veel tegen te zeggen. Vooreerst schijnt de beteekenis niet geheel dezelfde te zijn, daar _bazaar_ eigenlijk het _overdekte marktgebouw_ (zie Dozy, „Oosterlingen” in v.), _pasar_, evenals ons markt, in het algemeen _tijd en plaats voor de samenkomst ten handel_ schijnt te beduiden. Ten andere doet het gebruik van _pasar_ in het Javaansch, in verband met de overoude instelling der _pasarweek_ (zie mijn „Java”, D. I, bl. 502), een ouderdom van dit woord vooronderstellen, die veel hooger opklimt dan de Perzisch-Arabische invloed. Ten derde is de overgang van den vorm geheel onaannemelijk. _Bazaar_ zou in het Jav. en Mal. eenvoudig _badjar_ zijn geworden (zie van der Tuuk, „Bataksch leesboek” D. IV, bl. 211); want voor de verwisseling van _b_ met _p_ bestond hier geen reden, en de _zā_ van het Arab.-Perz. alfabet gaat in het Maleisch en Javaansch steeds in _dj_ over, zooals in _tradjoe_ (het Perz. _trazoe_), _djakat_ (het Arab. _zakáh_), _djimat_ (het Arab. _ʾazîmah_) enz.
Er bestaat in het Maleisch voor _markt_ nog een tweede woord _pekan_, dat in het Javaansch _pĕkĕn_ wordt uitgesproken en in de hooge taal _pasar_ vervangt.
Pagger.
_Pagger_ is gevormd van het Maleische _pagar_ (Jav. _pager_), zooals _passer_ van _pasar_, _dammer_ van _damar_ enz. Het woord beteekent heining, heg, haag, wand, schutting, scheidsmuur, omtuining. Hoezeer het woord in Indië is vernederlandscht, blijkt uit het samengestelde paggerkoffie zooals, in tegenstelling met de tuin- en boschkoffie, die koffie genoemd wordt, die, meestal onder de schaduw van pisangboomen, binnen de omheining der inlandsche kampongs groeit. Een in Indië zeer gebruikelijk en zuiver Nederlandsch maar toch nauwlijks in het moederland bekend woord, _omwanding_, omgeving door een _wand_[59], heeft waarschijnlijk het voorbeeld gegeven voor _ompaggering_, omgeving door een _pagger_, dat evenzeer in algemeen gebruik is.
[59] _Omwanding_ is in Indië, waar men van inlandsche gebouwen spreekt, een zeer gepast woord, daar eerst het geraamte van het huis wordt nedergezet, en dit, eerst nadat het dak daarop geplaatst is, met een wand van planken, bamboes of boomschors wordt omgeven. Zie van Hasselt, „Volksbeschrijving van Midden-Sumatra”, bl. 159. De Vries en Verwijs hebben in de tweede reeks van het „Nederlandsch Woordenboek” (beginnende met de letter O), kol. 737, het woord _omwanding_ opgenomen, en vermelden kol. 754 het deelwoord _omwand_; maar beschouwen het werkwoord _omwanden_ als ongebruikelijk. Al kan ik er niet dadelijk voorbeelden van geven, meen ik het toch ook wel eens gelezen te hebben.
Fettor.
De langdurige en tot heden over het oostelijk deel des eilands gehandhaafde heerschappij van Portugal op Timor heeft natuurlijk aanleiding gegeven, dat op dat eiland onderscheidene Portugeesche woorden in zwang en zelfs in de taal der inlanders overgegaan zijn, die elders niet worden gebruikt. Zoo wordt het opperhoofd der zoogenaamde zwarte Portugeezen _Tenente-_ (verkorting van _Locotenente_ of _Lugartenente_) _general_, d. i. _Luitenant-generaal_, genaamd, en de leden der ongeregelde troepen-korpsen, die te Delli, Batoe gedeh en Manatoetoe dienst doen, _Moradores_, dat letterlijk _inwoners_, _ingezetenen_ beduidt. Ook voeren vele hoofden en regenten in het Portugeesch gedeelte van Timor, zelfs in officieele stukken, den titel _Dom_ (= het Spaansche _Don_, en ook in het Port. in het meervoud _Dons_), waarvan het vrouwelijk _Dona_ misschien de grondvorm is, waaruit door verbastering de Maleische woorden _nona_ of _nonna_ (zie op Liplap) en _nonja_ ontstaan zijn.[60] De vorsten op Timor hebben veelal als districtshoofden rijksgrooten onder zich, die in het Timoreesch _Siko_ heeten, maar meer algemeen onder den Portugeeschen naam van _fettor_ bekend zijn. Ook in Nederlandsche stukken over Timor komt dit woord telkens voor. Maar het heeft ook een meer algemeen gebruik; want op sommige eilanden worden ook de _Europeesche_ ambtenaren bij het gewestelijk bestuur aldus genoemd. Dit laatste is een overblijfsel uit den tijd der Compagnie, toen _fettor_ (in plaats van het in Europa gebruikelijke _factoor_) dikwijls gebezigd werd van een _opziener van den handel_, het _hoofd eener factorie_. Het woord is toen ook in het Maleisch overgegaan in den vorm _pétor_, daar de Maleier de _f_ niet kan uitspreken.
[60] _Nona_ wordt gebruikt voor een jong meisje en _nonja_ van een getrouwde vrouw. De inlanders gebruiken deze woorden niet enkel van mestiesche vrouwen, maar ook wel van dames van zuiver Europeesche afkomst. Zoo hoort men ze b. v. wel eens spreken van de _nonja residen_. _Signo_ (_sienjo_) is verbastering van het Port. _senhor_.
In het Portugeesch luidt dit woord eigenlijk _feitor_, eene verweeking van het Lat. _factor_, waarvan ook ons _factoor_. Het beteekent in het algemeen _dader_, _bedrijver_, maar heeft de bijzondere beteekenis erlangd van _zaakwaarnemer_ of _administrateur_ van een handelszaak, een fabriek of een landgoed (o administrador e negociador de fazenda alheya).
Dammer.
_Dammer_ is in de omgangstaal der Europeanen in Indië en in de werken over de Indische eilanden, de gewone, op de wijze van _passer_, _pagger_ en vele andere dergelijke (zie op _Rotting_) vernederlandschte vorm van het Maleische en Javaansche _damar_, waardoor de tot fakkels gebruikte en ook voor het batikken (zie dat art.) onmisbare hars van de damar-den (_Dammara alba_) en andere boomen wordt aangeduid. Men schrijft ook wel _dammar_, b. v. Perelaer, „Ethnologische beschrijving der Dajaks”, bl. 189, waar de inzameling van de dammer (_njating_ bij de Dajaks) op Borneo wordt beschreven.
Tjambok, Sambok.
Dit woord behoort tot het Hollandsch dialect van Zuid-Afrika, of de zoogenaamde Afrikaander taal, en is waarschijnlijk daarin overgenomen uit het Maleisch, waaraan ook de woorden _amper_, _baar_, _bakklei_ voor _bakkeleien_, _banjak_, veelal afgekort tot _banje_ of _baing_[61], _oorlam_, _sambal_ en andere ontleend zijn. Ik heb die woorden niet behandeld, tenzij ze ook in Nederland in gebruik zijn, maar wensch een paar opmerkingen te maken over _tjambok_, omdat het, ofschoon in het moederland niet gebruikelijk, dikwijls, zij het ook in zeer verschillende vormen in Nederlandsche geschriften over Zuid-Afrika voorkomt. Ziehier eerst enkele voorbeelden. Schüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 128: „Wij voorzagen ons van den noodigen voorraad zweepen en _tjambokken_”. Ald. bl. 129: „Bij het uittrekken van zware vrachten uit rivieren of tegen hoogten, bezigt men, buiten de zweep, ook stokken met ijzeren punten of tanden voorzien, om door prikken of steken de ossen tot meerdere krachtsinspanning aan te sporen. Ook gebruikt men tot dit doel lange of korte karwatsen—_tjambokken_—van rhinoceros-huid vervaardigd, welke bijna onverslijtbaar is”. H. P. N. Mulder „Herinneringen uit Afrika”, bl. 69 v.: „De koetsier pakt zijne zweep, die verscheidene meters lang is,.... en weet dan behendig de voorste dieren te treffen, terwijl de tweede reiziger met een kort karwatsje van nijlpaardenvel vervaardigd, een zoogenaamde _sjambok_, de achterste ezels aandrijft”. Daniël Veth's „Reizen in Angola”, bl. 306: „De huid van den hippopotamus verschaft hun de grondstof voor een soort van zweepen, die zij _achterossimbok_ noemen, en die bij het drijven der ossenwagens worden gebezigd”. Nog andere vormen van het woord leeren wij kennen uit Mansvelt's „Kaapsch Hollandsch Idioticon”, die het behandelt op _sambok_, bij verkorting _smok_, en omschrijft als „een soort van karwats, bestaande uit een lange, dunne reep van de huid van een zeekoe (rivierpaard)[62], ook _aapstert_[63] genoemd. Om de achterossen van een span aan te sporen, bezigt men den _achteros-_ of _handsambok_”. Dat op al deze plaatsen hetzelfde werktuig bedoeld wordt, al is nu eens de huid van een rhinoceros, dan eens die van een hippopotamus genoemd als de stof waaruit het vervaardigd is, kan, dunkt mij, aan geen twijfel onderhevig zijn. Het materiaal wordt waarschijnlijk nu eens van den een, dan eens van den ander dezer pachydermen verkregen.
[61] Zie Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”, bl. 174, 180. Mansvelt in zijn „Idioticon” schijnt alleen de verminkte vormen _banje_ en _baing_ of _bajang_ te kennen, maar dat ook banjak gebruikt wordt, blijkt uit Schüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 8 en 79.
[62] Van der Kellen in „T. v. h. A. G.”, 2e serie, D. IV, „Verslagen en Meded.”, bl. 490: „Van de Merwe wilde zich hier eenigen tijd ophouden om „zeekoeien te jachten”, wat, in gewoon Hollandsch overgebracht, zooveel zegt als: „rivierpaarden te jagen”.”
[63] D. i. apestaart.
In de Maleische woordenboeken vinden wij het woord in de volgende vormen en met de daarachter gevoegde beteekenissen vermeld: bij Marsden (vert. van Elout) _tjaboek_, een zweep; bij Roorda v. Eysinga _tjabokh_, zweep, geesel; bij Crawfurd: _chabuk_, a whip; bij Pijnappel _tjaboek_, _tjamboek_, zweep, en _tjĕmoek_, geeselroede (met een vraagteeken). Het „Javaansch Wdbk.” van Prof. Roorda, vermeldt de vormen _tjaboek_, _tjamboek_ en _samboek_, met de beteekenis _zweep_, en het „Soendaasch Wdbk.” van den heer Oosting _tjamboek_ en _tjamoek_, met de beteekenis _karwats_, soms ook _rijtuigzweep_.
Pijnappel, Roorda, Oosting, Crawfurd en ook v. d. Tuuk, en Homan's „Handleiding voor 't Batav. Maleisch”, bl. 88, zijn allen van meening, dat het woord uit het Perzisch stamt, maar verschillen ook ten opzichte van den Perzischen vorm, dien de drie eerstgenoemden _tjamboek_, de beide laatsten _tjaboek_ (_chabuk_) schreven. Mansvelt vergelijkt ook een paar vermeende Perzische vormen, t. w. _tsjoembah_ of _tsjambah_. In het _Lexicon Persicum_ van Vullers vind ik alleen den vorm _tjaboek_ (_scutica_, _flagellum_) en wel als een zeldzaam, slechts bij enkele schrijvers voorkomend en waarschijnlijk uit Hindostan stammend woord voor het gewone _tâzijânah_ of _tâzânah_. Het schijnt mij derhalve nog lang zoo zeker niet dat de talen van Maleischen stam werkelijk dit woord uit Perzië hebben ontvangen.
De verschillende vormen, wanneer wij het waarschijnlijk foutieve of enkel lokale _sjimbok_ ter zijde stellen, laten zich gemakkelijk verklaren en worden dadelijk erkend als door gewone letterverwisselingen benevens de insertie der liquida _m_ (zie de artt. _Amfioen_, _Pampoesjes_ en _Banaan_), wanneer men ze in de volgende orde plaatst: _tjabok_, _tjambok_, _sjambok_, _sambok_, _tjámok_, _tjĕmok_, _smok_. Het verschil tusschen _tjabok_ en _tjaboek_ enz. is onwezenlijk.
De beteekenis is kennelijk noch bepaaldelijk een _zweep_, noch bepaaldelijk een _karwats_, maar in het algemeen een werktuig om trekdieren aan te drijven en omvat dus beide. De Afrikaansche boeren hebben een lange zweep met een verbazend langen riem, waarmede zij zeer behendig elken os, van het uit veertien tot twintig bestaande span, die eene vermaning behoeft, weten te treffen, en bovendien een kort karwatsje dat alleen voor het aanzetten der achterste ossen bestemd is. Dit laatste noemen zij _achterssambok_ of _achterossambok_, soms ook _handsambok_, en daar voor de lange zweep het woord _sambok_ eenigszins in onbruik schijnt geraakt te zijn, ook dikwijls enkel _sambok_.
Sambal.
Het Maleische _sambal_, in het Jav. _sambĕl_ uitgesproken, heeft sedert lang een soort van burgerrecht in onze taal gekregen, en is toch door van Dale niet opgenomen. Ik hoorde het als kind in de ouderlijke woning gebruiken van een toespijs bij vleesch, hoofdzakelijk bestaande uit komkommers die door middel van een daartoe ingericht mesje in zeer fijne reepjes worden gesneden of geschaafd. Volgens een oud recept werden zij daarna 24 uren in de pekel gelegd en vervolgens met bijvoeging van peperwortel en laurierbladen in een flesch gedaan, die verder met besten azijn werd gevuld.
In het Kaapsch-Hollandsch beteekent _sambal_, volgens Mansvelt's „Idioticon”: „een bij vleesch gebruikte toespijs, uit fijn gesneden uien, kweeperen, komkommers enz. bestaande en met azijn toebereid.” In het Maleisch en Javaansch heeft echter _sambal_ geene zoo tot eene enkele toespijs beperkte beteekenis. Het is een algemeene naam voor allerlei als toespijs bij de rijst gebruikte bereidselen, die onder een groote verscheidenheid van namen voorkomen. Gemalen Spaansche peper is meestal een hoofdbestanddeel. De sambals, die gebakken of gefruit worden, heeten _sambal goring_. Bij de familiën uit Indië in Europa weergekeerd wordt vaak nog de rijsttafel aangerecht en de benoodigdheden voor de toespijzen, die echter niet altijd in gelijke volledigheid worden aangeboden, zijn in de voornaamste magazijnen van comestibles in onze groote koopsteden geregeld voorhanden. Wanneer men in deze familiën het woord _sambal_ zonder specificatie hoort gebruiken, denkt men daarbij aan de Maleische beteekenis, die al de eindelooze verscheidenheden der toespijs bij de rijst omvat.
Padi.
_Padi_ (soms _paddi_ geschreven) is de Maleische naam voor rijst in de aard, zooals zij halm voor halm met de padi-sikkel (ani-ani) gesneden, opgeschaard en ter markt gebracht wordt. De Javaansche vorm is _pari_. De samengestelde woorden _padi-sikkel_, _padi-oogst_, _padi-schuur_, _zaai-padi_ en vele andere bewijzen, hoezeer dit woord in de taal der Nederlanders in Indië het burgerrecht heeft erlangd. De rijst komt echter ook gepeld en gereinigd in den handel en wordt dan in het Maleisch _bras_ genoemd. Dit woord is echter minder in gebruik bij de Europeanen, en vandaar het voor een met Indische eigenaardigheden minder vertrouwden Europeaan eenigszins vreemd verschijnsel, dat in handels-staten dikwijls naast eene zekere hoeveelheid _padi_, ook eene zekere hoeveelheid _rijst_ genoemd wordt. De rijst heeft in de inlandsche talen, naar gelang der omstandigheden, verschillende namen. Zij heet _padi_ zooals ze gesneden wordt, _gabah_, als ze van het stroo ontdaan, maar nog in den bolster is, gelijk zij gezaaid wordt, _bras_, wanneer ze ontbolsterd is, zooals zij gekookt wordt, en _nasi_ (_nassi_), als zij gekookt is, zooals zij gegeten wordt.
Men onderscheidt van de rijst vier hoofdsoorten en tallooze verscheidenheden. Van de hoofdsoorten worden _oryza sativa_ en _oryza praecox_ gekweekt op velden die een groot deel van het jaar onder water worden gehouden, de algemeen bekende _sawah's_. Dit woord is Maleisch, Javaansch en Soendaasch en ook bij de Nederlanders in Indië algemeen in gebruik. De namen voor de droge en hooggelegen gronden, waarop de derde soort, _oryza montana_ of bergrijst gekweekt wordt, Jav. _tĕgal_, Soend. _tipar_, Mal. _ladang_, worden niet zoo dikwijls van Europeanen gehoord. De vierde soort, _oryza glutinosa_ of kleefrijst, Jav. _kĕtan_, heeft vele verscheidenheden, deels voor natte, deels voor droge kultuur geschikt, en wordt voornamelijk gebruikt tot bereiding van kwee-kwee (van het Soend. _koewèh_), zooals de Europeanen doorgaans het inlandsche _gebak_ noemen.
Ritsje.
_Ritsje_, veelal, in het meervoud, _ritsjes_, was eertijds in Ned.-Indië onder de Nederlanders de gewone naam der Spaansche peper of _capsicum_, die in het Jav. en Soend. _lombok_ en _tjabé_, in het Mal. ook _tjili_ heet[64]. Over den oorsprong van ritsje zegt Rumphius, „Amb. Kruydb.”, D. V, bl. 249: „De Portugeesche naam is in Indiën _Recche_, of gelijk wij lezen _Retsje_, waarvan komt _rechear_ en _rechead_, d. i. allerhande vruchten in azijn en peekel ingeleid, 't welk nooit geschied zonder deze houwen. In 't Duits noemen wij ze _Ritsje_, en de Ternatanen en Amboinezen _Ritsja_”. Volgens de Clercq, „het Maleisch der Molukken”, zou _Ritjà_ in gebruik zijn in Menado en Banda, en zou men op Ternate _Koeroes_, op Ambon _tjili_ gebruiken. Ten onrechte zeker beschouwt hij op het art. _Ritjà_ dit woord als een soortnaam voor _Capsicum pyramidale_, terwijl hij toch het art. _Koeroes_, als een synoniem aanmerkt van dit laatste, ofschoon hij daaraan de beteekenis van _capsicum_ in het algemeen geeft.
[64] Ik geloof, dat de hier opgegeven namen algemeene voor alle capsicum-soorten zijn. In de soortnamen heerscht nog groote verwarring. Het ware wenschelijk, dat de geheele nomenclatuur der Ned.-Ind. plantennamen zorgvuldig herzien werd naar het beginsel der strenge onderscheiding van geslachts- en soortnamen. Ik veroorloof mij daaromtrent te verwijzen naar mijne Inleiding op de „Bijdragen tot de kennis der Flora van Midden-Sumatra” (in het groote werk „Midden-Sumatra”, D. IV, 2e ged.), bl. 9.
Ik vind het woord _recche_ niet in de Portugeesche Woordenboeken, die ik op dit oogenblik kan raadplegen[65]. Misschien is het een woord van Amerikaansche afkomst, door de Portugeezen naar de _Molukken overgebracht_. Miquel, „Flora van Ned.-Indië”, D. II, bl. 661, zegt, dat waarschijnlijk alle capsicum-soorten van Amerikaanschen oorsprong zijn. Maar, zoo laat hij volgen: „in Oost-Indië en den Sunda-Archipel zijn deze gewassen reeds sedert aloude tijden ingevoerd, zoodat Rumphius tot de meening overhelt, dat zij aldaar inlandsch zijn.” Als men de plaats bij Rumphius inziet, bemerkt men, dat hij niet slechts tot die meening overhelt, maar ze geheel omhelst. „Ik houd het,” zegt hij, „voor een inlands gewas, al van oude tijden door geheel Oost-Indiën bekend, en daar is niet een huisje of erfje zoo klein en niet een huisvader zoo arm, die maar een klein hoekje land bij zijn hutje heeft, of hij gund den _Tchili_-boom een plaats, omdat het een zoo algemeene specerij is, en in de dagelijkse kost noodig.” Dit neemt echter niet weg, dat Rumphius een _Capsicum occidentale_ kent, dat bij de Portugeezen _pimenta_ of _pimentâo_ heet en de eigenlijke _Spaansche_ peper van ons Nederlanders is, „omdat het uit de nieuwe Spaansche landen is aangebracht.” Al nemen wij nu aan, dat slechts deze ééne soort door de Portugeezen naar de Molukken is overgebracht, dan zou daarmede toch de verbreiding van haren Amerikaanschen naam verbonden kunnen geweest zijn.
[65] En waartoe niet behoort dat van Moraes Silva, dat ik langen tijd in gebruik had van de bibliotheek der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden en toen bijzonder leerde waardeeren.