Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
Part 20
Doch, daargelaten welke betrekking er tusschen de echte Martavanen en de tampajans der Dajaks bestaat, zeker is het dat de herkomst van eerstgenoemde aan onze oude schrijvers niet onbekend was. Valentijn, zooals ons reeds bleek, noemt ze Siamsche potten, en dit is in zooverre juist, dat hun eigenlijk vaderland Martaban, een landschap van Achter-Indië, dat thans deel uitmaakt van de Britsche provincie Tenasserim, aan Siam grenst en er oudtijds toe behoorde (zie Valentijn, III, 2c, Tonkin enz., bl. 58). Dit Martaban, welks gelijknamige, aan de Golf van Martaban gelegen hoofdstad, in vroeger eeuwen een zeer belangrijke handelsplaats was, maar thans als zoodanig geheel door het naburige Maulmain is in de schaduw gesteld, wordt door Valentijn bestendig _Martavan_ genoemd, eene spelling die wegens de zoo gewone verwisseling van _b_ en _v_ niets bevreemdends heeft. Een nog oudere schrijver, P. v. d. B(roeck), in zijne „Curieuse beschrijving van verscheyde Oost-Indische gewesten” (Rott. 1677), schrijft zelfs herhaaldelijk _Martavaan_ (bl. 112, 117, 121), geheel zooals de naam der potten gewoonlijk geschreven wordt. Maar v. d. Broeck noemt ook uitdrukkelijk, waar hij, bl. 121, de handelswaren dezer landen opsomt: „Potten, groot en kleyn, die men naar het land _Martavanen_ noemt”, en verzekert ons een paar regels verder, dat deze potten _alleen_ van Martavaan en Taway komen. Ook Valentijn, V, 1, bl. 118, spreekt van: „Verglaasde potten, _Martavanen_, na 't land daar zij eigenlijk vallen, genoemt”, en voegt er ook bij dat zij alleen in 't rijk van Martavan en Taway worden gekocht. Er kan dus omtrent de herkomst der Martavanen en den oorsprong van hun naam geen twijfel bestaan. Die naam is een der vele voorbeelden van waren, die eenvoudig naar de plaats van herkomst genoemd worden.[56]
[56] Ik noemde eenige voorbeelden van manufacturen in art. _Gingang_. Vele soorten van wijnen, b. v. Bordeaux, Bourgogne, Champagne, Madera, Malaga, worden op dezelfde wijze benoemd.
Diezelfde naam voor dezelfde potten was ook, doch in den vorm Martaban, aan de Arabieren bekend, en kan wellicht door onze voorouders van hen zijn overgenomen, een vermoeden dat voor de hand ligt, daar _martaban_ of _martavaan_ in de talen van den Ind. Archipel niet schijnt bekend te zijn. De Arabieren gebruikten deze potten tot bewaring van confituren, specerijen, geneesmiddelen enz. De Arabische reiziger Ibn Bathoetha verhaalt, dat hij van eene Indische vorstin vier Martabanen ten geschenke kreeg, gevuld met gember, peper, limoenen en andere provisiën. Zie de noot op een fragment van Ibn Bathoetha door Dulaurier, „Journal Asiatique”, 1847, I, bl. 252.
De heer Logan spreekt over de Martavanen in den Jaarg. 1850 van het „Journal of the Indian Archipelago”, p. 336. Hij gewaagt daar van „the fame which Pegu, and especially Martaban, at one time enjoyed for their beautifully glazed and gilded vases, sometimes of enormous size.” Deze woorden zeggen nog iets meer dan de plaatsen van v. d. Broeck, Valentijn en Ibn Bathoetha, van welke Logan de laatste aanhaalt, maar de beide andere waarschijnlijk niet eens kende; hieruit is af te leiden dat de Martavanen en hunne vervaardiging te Martaban hem ook uit andere bronnen bekend waren. Hij voegt er bij dat de vraag naar deze vazen (hij noemt ze „dragon vases” omdat zij met draken versierd zijn) eenmaal zeer groot moet geweest zijn bij de Hindoe-kolonisten op Java, daar op dat eiland dikwijls martavanen met andere overblijfselen van den Hindoe-tijd worden opgegraven. Voor hem is het ook niet twijfelachtig of de tampajans der Dajaks zijn werkelijk als Martavanen te beschouwen. Volgens deze aanduidingen moet er eenmaal tusschen de volken langs de Irawaddi en de bevolking van westelijk Insulinde een druk verkeer hebben plaats gegrepen,—een feit dat de bijzondere aandacht verdient van hen, die zich aan de studie der ethnologie en oude geschiedenis van den Indischen Archipel wijden.
Benting.
_Benting_, ook _benteng_ en _binting_ uitgesproken, is een Javaansch en Maleisch, misschien van het Sanskritsche _bhitti_, wal, gevormd woord, dat een _schans_ of _bolwerk_ beteekent. Het woord is iederen Nederlander gemeenzaam, die niet geheel vreemdeling is in de krijgsgeschiedenis van Ned.-Indië, en de werken van Weitzel, de Stuers, Lange, van Rees, Perelaer over onze oorlogen op Java, Sumatra, Borneo en Celebes heeft gelezen. Voorbeelden komen in die werken bij honderden voor en het is bevreemdend, dat _benting_ noch in het „Nieuw Ned. Wdbk.” van van Dale, noch in den „Kunstwoordentolk” van Kramers en Bonte is opgenomen. Vooral in den Javaanschen oorlog met Dipå Negårå spelen de bentings een groote rol. Er werden toen door het Nederlandsche leger een verbazend aantal van die kleine schansen op de wijze der inlandsche versterkingen opgericht. De vijand was er langen tijd in geslaagd, door de taktiek om ernstige gevechten te vermijden, maar zich in kleine afdeelingen over een groot terrein verspreidende, onze troepen aanhoudend te verontrusten, van tijd tot tijd belangrijke voordeelen te bevechten. De Generaal de Kock besloot nu elken voet gronds, op den vijand veroverd, door de oprichting eener kleine benting met blijvende bezetting tegen zijn terugkeer te waarborgen. Die bentings werden door wegen met elkander verbonden, waarop aanhoudend kleine mobiele kolonnes heen en weder trokken, om de gemeenschap tusschen de versterkingen te onderhouden en het doordringen van den vijand tusschen de posten te beletten. In onze Indische krijgsgeschiedenis is deze wijze van oorlogen, die later door den Maarschalk Bugeaud in Algerië tegen Abd-el-Kader werd nagevolgd,[57] bij den naam van _bentingstelsel_ bekend. Dit stelsel wordt door den Generaal Weitzel, „de oorlog op Java”, D. II, bl. 34–42, uitvoerig beschreven en door de afbeelding eener benting toegelicht.
[57] Dat hier terecht het woord _navolgen_ gebruikt is, wordt door den heer Weitzel, bl. 37, aangetoond.
Sago.
_Sago_, eigenlijk _Sagoe_, ofschoon de eerstgemelde uitspraak in onze taal alleen gebruikt wordt, is de Maleisch-Javaansche naam van een soort van zetmeel of meelachtig merg, dat in de stammen der Cycadeeën en van vele soorten van palmen, zooals de Arengpalm, de Gebangpalm, eenige soorten van het geslacht _Caryota_, maar bovenal in de palmen van het geslacht _Metroxylon_, bij uitnemendheid _sagoboomen_ genoemd, wordt aangetroffen. De sagoboomen zijn over den geheelen Archipel verspreid, ook op Java, waar zij in het Javaansch _boeloe_, in het Soendaasch _kirai_ heeten en in de administratieve taal bij den naam van _zoetwater-nipah_ bekend zijn. Zij worden daar in sommige streken veel aangeplant, omdat de bladeren een goede dakbedekking (atap) opleveren en uit de bladstelen sterke matten gevlochten worden; maar het meel is er in geen tel, en wordt slechts door zeer arme lieden of bij groote schaarschte van rijst als voedsel gebruikt. Van de sago en hare aanwending op de overige groote Soenda-eilanden schijnt weinig bekend te zijn, behalve dat met Maleische vaartuigen groote hoeveelheden ruwe sago van Borneo's Noordwestkust en Sumatra's Oostkust te Singapore worden aangebracht, om daar in fabrieken, die bijna allen aan Chineezen behooren, tot korrel- of parel-sago, den vorm waarin de sago in Europa in den handel komt, te worden verwerkt. Maar het eigenlijke gebied der sago, waar met geringe moeite uitgestrekte sagotuinen worden aangeplant en onderhouden, waar het merg uit de gevelde en doorgezaagde stammen losgeklopt en uitgelicht en vervolgens gewasschen en van houtvezels gereinigd wordt, en waar het dus verkregen meel, op verschillende wijzen bereid, nam. als pap (_papéda_), broodjes (_lempeng_) en als koekjes en gebakjes van velerlei soort, het hoofdvoedsel der bevolking uitmaakt, zijn de Moluksche en Papoesche eilanden in het algemeen en Amboina met de omliggende eilanden bovenal.
Alang-alang.
_Alang-alang_ is de, bij de Europeanen in Indië algemeen gebruikelijke, laag-Javaansche naam van eene soort van lang rietgras, (_Imperata arundinacea_ of _Imperata Königii_), die in hoog-Javaansch _kambĕng_, in het Soendaneesch _eurih_, in het Maleisch _lalang_ heet. Dit gras, tot eene hoogte van drie à vier voet opschietende en dicht bijeen groeiende, vormt op Sumatra, Java en elders uitgestrekte, door vele tijgers bewoonde wildernissen, daar het mijlen ver de vlakten en zachtglooiende berghellingen met een eentonig, vaalgroen kleed bedekt. Het vertoont zich spoedig overal, waar vroeger voor den landbouw ontgonnen velden weder verlaten en der woeste natuur prijsgegeven worden. Men bedient zich van het _alang-alang_ veelvuldig tot dekriet voor inlandsche woningen. Vgl. op _Atap_.
Atap.
_Atap_ Mal., _atĕp_ Jav. en Soend., schijnt oorspronkelijk in het algemeen _dak_ of _dakbedekking_ te beteekenen; men spreekt daarom ook van de atap, of het dak, eener Javaansche kar (pedati). Wanneer men dus, gelijk dikwijls gebeurt, het alang-alang-gras of de nipah-bladeren _atap_ noemt, heeft dit geen betrekking op de planten; maar op het materiaal voor dakbedekking dat zij opleveren. Atap is nooit een plantennaam. De uitdrukking „een dak van atap” of „een atappen dak”, dikwijls door Europeanen gebezigd, is daarom ook eigenlijk niet juist; want wie zal van „een dak van dakbedekking” spreken. Zij is echter eenigszins verschoonbaar en brengt althans geen misverstand teweeg, omdat het gebruik gewild heeft dat atap, ook door de inlanders, gebruikt werd van het gewone dakmateriaal, dat in sommige streken het nipah-blad, in andere het alang-alang-gras is, en zulks in tegenstelling met de daken vervaardigd van _sirap_, kleine houten plankjes of platte stukjes bamboes, op de wijze onzer dakleien geplaatst, en van _talahab_ of gekloofde bamboeleden, waarvan eerst eene laag met de holle en dan eene met de bolle zijde naar boven op het dakgeraamte gelegd wordt.
Bandjer.
_Bandjer_ of _Banjer_, een zeer gewoon woord bij de Europeanen in Indië en in geschriften die over Indië handelen, is het Mal. en Jav. _bandjir_, d. i. overstrooming, watervloed, zooals die op Java, ten gevolge van het plotseling zwellen der rivieren, in den regentijd voorkomt. Men kan in dien tijd nauwelijks berichten over Java opslaan, zonder van bandjirs gewag te vinden. Van de vreeselijke uitwerkingen van zulk een bandjir gaf eenmaal Douwes Dekker, ik meen in zijn boekje: „Wijs mij de plaats waar ik gezaaid heb”, eene aangrijpende beschrijving.
Het zeer algemeene woord is terecht opgenomen in het „Nieuw Ned. Wdbk.” van van Dale; maar zijne verklaring: _stortvloed_, _zware regenbui_, is niet geheel nauwkeurig; want _bandjir_ duidt nooit den zwaren regen zelven aan, maar steeds zijn gevolg: den _stortvloed_.
Djaksa.
_Djaksa_, Mal. en Soend. (de Javaansche vorm is _djĕksô_), heet ook bij Europeanen, en zelfs in officieele stukken, de openbare aanklager, fiskaal, of, zooals men thans meestal zegt, officier van justitie bij de inlandsche rechtbanken. Zie b. v. van der Lith en Spanjaard, „Staatsinstellingen van Ned.-Indië”, bl. 144: De titel van de inlandsche officieren van justitie is die van _hoofd-djaksa_ op de hoofdplaatsen der gewesten, elders die van _djaksa_. Adjunct-djaksa's staan hun gewoonlijk ter zijde.
Balé-balé.
In het Javaansch beteekent _balé_ in de eerste plaats ongeveer hetzelfde als _ambèn_, d. i. eene bank, zit- of ligplaats, doorgaans van bamboe vervaardigd, en die het voornaamste stuk huisraad in eene Javaansche woning uitmaakt. Op zulk eene bank strekt de Javaan gaarne op het warmste van den dag de van den arbeid vermoeide leden uit, om zich over te geven aan eene droomerige rust. Gelijk vele andere woorden wordt ook _balé_, althans in de hier vermelde beteekenis, dikwijls verdubbeld, en bij de Indo-Europeanen op Java is het bepaaldelijk de gewoonte geworden, altijd dien geredupliceerden vorm te bezigen. Zoo lezen wij b. v. bij van Hoëvell, „Reis over Java”, D. I, bl. 127: „Menigmaal kon ik de verzoeking niet weerstaan, mij op een oogenblik op een _balé-balé_ voor een der woningen neder te zetten.”
Door eene uitbreiding van het gebruik beteekent het Jav. _balé_ ten tweede ook een _pandôpô_ of paviljoen, dat bij bijzondere gelegenheden tot zitplaats dient, en hieraan sluit zich de beteekenis van het Maleische _balei_, dat ongetwijfeld hetzelfde woord is, dus omschreven in het „Mal. Woordenboek” van Pijnappel: „een aan de vier kanten open gebouw, dat voor vergaderingen, het huisvesten van vreemdelingen enz. dient, het raadhuis.” Zulk een gebouw is inderdaad te vergelijken met eene groote overdekte rustbank. Vgl. Klinkert's „Supplement”. Ook in dezen zin komt _balei_ wel eens in Nederlandsche geschriften voor, b. v. van Hasselt, „Volksbeschrijving van Midden-Sumatra”, bl. 142; Verkerk Pistorius, „Studiën over de inlandsche huishouding in de Padangsche bovenlanden”, bl. 9. Laatstgenoemde schrijft ook dit woord _balei-balei_, waarschijnlijk omdat hem die vaak, schoon in andere beteekenis, op Java gehoorde klank voor den geest zweefde.
Er ligt iets verleidelijks in om ons _balie_, in den zin van _rechtbank_, van dit Maleische _balei_ af te leiden; want in beide heeft het woord bank eene gelijksoortige uitbreiding erlangd. Het denkbeeld is dan ook werkelijk geopperd; maar het woord behoort volstrekt niet tot die klasse van woorden, die ons Nederlandsch aan het Maleisch verschuldigd is. Maar bovendien is het niet twijfelachtig of de ware beteekenis van _balie_ is afpaling, afschutting, hek, slagboom, het Latijnsche _cancelli_ (waarom het ook voor het afschutsel eener stoep, de leuning eener trap enz. gebezigd wordt), en dus ook de afschutting tusschen de rechters en advokaten. De advokaat spreekt dus vóór de balie. Misverstand dier uitdrukking zal aanleiding gegeven hebben dat het woord op de rechtbank zelve werd overgebracht.
Moksa.
Ik verkies deze schrijfwijze boven de gewone _moxa_, niet alleen omdat het Nederlandsch het gebruik der letter _x_ verwerpt, maar ook omdat, zooals zoo aanstonds blijken zal, in het Japansch, waaraan dit woord ontleend is, de _k_ en _s_ afzonderlijke letters zijn, zelfs door een korte vokaal gescheiden. Van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”, art. _Moxa_, omschrijft de beteekenis dus: „bijvoetwol, uitwendig als brandmiddel gebruikt ter genezing van jicht en podagra.” Inderdaad is het niet de bewerking, maar de stof, die _moxa_ genoemd wordt, zoodat die naam ten onrechte door de Europeanen gebezigd wordt, wanneer men eene andere stof dan de _bijvoet_ voor de brandwonde bezigt. Wijlen Prof. Hoffmann gaf mij omtrent dit woord op mijn verzoek de volgende opheldering: „_Moksa_ is de vulgaire Japansche naam van _Artemisia vulgaris_ L. (bij ons _bijvoet_). Het woord wordt ook _Mo-kusa_ (_Mo-ksa_) en _Mo-gusa_ geschreven, en beteekent naar mijne opvatting _brandkruid_, van _Mo_, _Moye_ = branden (intransit.) en _Kusa_, kruid. De wetenschappelijke Japansche naam is _Yo-mogi_, de Chineesche _Gai_ of _Ngai_. Men bezigt de stelen tot pitten van waskaarsen en de gedroogde bladeren tot het zoogenaamde moksa-branden, waarvoor de Europeesche kliniek thans schietkatoen bezigt. De Japaneezen hebben het moksa-branden van de Chineezen geleerd, en de Europeanen (Kaempfer, Thunberg enz.) zijn het eerst door de Japaneezen hiermede bekend geworden.” Uitvoerige mededeelingen over het moksa-branden, de bereiding der stof, de wijze en het doel der aanwending vindt men in Kaempfer's „Japan” (Ned. tekst), bl. 463–472. In de hedendaagsche geneeskunde is het moksa-branden nauwlijks meer bekend.
Soja.
Gewoonlijk schrijft men _Soya_; doch ik zie geene reden waarom wij eene lettergreep volkomen gelijkluidend met _ja_ in _jagen_ en _Java_, in andere woorden _ya_ zouden schrijven. In het Engelsch heeft de _y_ de waarde onzer _j_, en de _j_ de waarde die wij in vreemde woorden door _dj_ (of _dsj_) uitdrukken, omdat geene letter in onze taal aan dien klank beantwoordt. Iedere taal houde zich in de spelling aan haar eigen klankstelsel; anders geraakt men in onoplosbare verwarring en bevordert verkeerde uitspraak. Dus ook geen _u_ (als in het Duitsch en Italiaansch) of _ou_ (als in het Fransch) voor den klank dien wij met _oe_ uitdrukken. Alleen in vreemde eigennamen, waarvan geen Nederlandsche vormen bestaan en die in het oorspronkelijk met dezelfde letterteekens (ofschoon niet altijd met dezelfde waarde) als in de onze geschreven worden, behoude men de vreemde spelling. Het spreekt echter van zelf dat deze regelen niet toepasselijk zijn op wetenschappelijke werken, waarin een vast stelsel van transscriptie gevolgd wordt, zooveel mogelijk alle talen omvattend. De lezer behoort dan echter gewaarschuwd te worden, dat hij met eene _algemeene_, _niet_ met eene _Nederlandsche_ spelling te doen heeft.
_Soja_ is de naam eener Japansche saus, die ook bij ons door velen als een aangenaam toevoegsel bij vele spijzen beschouwd wordt. In het Japansch luidt het woord _soo-joe_ of _sjoo-joe_ en beteekent _uitstekende saus_.
Het hoofdbestanddeel dezer saus is een soort van boon, die door Linnaeus _Dolichos soya_, door Mönch _Soya hespida_ genoemd werd. De plant is, zoo het schijnt, oorspronkelijk in Japan te huis, waar men zomer- en herfstboonen onderscheidt. De late soort komt in Europa, zooals uit proeven in den Leidschen hortus gebleken is, zelfs na een gunstigen zomer niet tot rijpheid. Daarentegen is de plant met goeden uitslag naar de tropische deelen van Azië overgebracht. Op Java noemt men ze soms _katjang djĕpoen_, d. i. Japansche boon, maar gewoonlijk _kadĕlé_ of _kĕdĕlé_. De Javanen bereiden daaruit, behalve de _soja_, ook de _témpé_, die, tot platte koekjes gevormd en gebakken of gebraden, een zeer geliefde toespijs is bij de rijst.
In de Soja onderscheiden de Japanners twee soorten, naarmate ze met gerst of met tarwe is vermengd. De met tarwe bereide wordt smakelijker geacht.
In een stukje over de „bereiding van de Japansche Soja”, medegedeeld door Prof. Hoffmann, in de „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenk. van N.-I”., 3e Volgreeks, D. V, bl. 192, wordt de bereiding der Soja nauwkeurig beschreven volgens de Japansche Encyclopaedie _Wa-kan san-sai dzu-e_, en ter vergelijking ook de beschrijving opgegeven die in Kaempfer's _Amoenitates exoticae_ wordt aangetroffen.
Saki.
_Sake_, meestal als _saki_ uitgesproken, is de algemeen bekende naam van een bierachtigen drank dien de Japanneezen uit rijst bereiden. Prof. Hoffmann schreef in de „Bijdragen voor Taal-, Land- en Volkenk. van N.-I.”, 3e Volgr., D. V, bl. 179, een uitvoerig opstel over de „rijstbier- of sakibrouwerij in Japan” naar Japansche bronnen, waarin de volgende verklaring van het woord voorkomt. „De uit rijst of andere granen bereide gistende drank, die in het Chineesch Tsieu[58] genoemd wordt, heet in het oud-Japansch _Ki_, hetgeen de Japanneezen zelven voor identisch honden met het Chineesche _Ki_, geest, essence. Vandaar de Japansche woorden _Sira-ki_ en _Kuro-ki_, d. i. wit of klaar en donker of troebel rijstebier, en _Mi-ki_, de eerewijn, die aan de goden en vorstelijke personen wordt voorgezet. De naam _sàke_ (_saki_) later aan deze aftreksels gegeven, wordt verschillend uitgelegd; de meeste waarschijnlijkheid heeft die uitlegging voor zich, welke in _Ke_ eene variant van het oude _Ki_, essence, ziet, en het woord _Sake_ terugbrengt op _Masa-ke_, echte geest.”
[58] Vgl. het art. _Tjoe_.
Tjoe.
_Tjoe_ is in Nederlandsch-Indië een ook bij de Europeanen algemeen bekende Chineesche naam voor een soort van sterken drank, dien de heer Lange, „het eiland Banka”, bl. 105, _Chineesche arak_ noemt. Het is het Chineesche _tsioe_, dat in het Cantonsch dialekt als _tsau_, maar in andere dialekten ook als _tsieu_, _tsjoe_ of _tjoe_ wordt uitgesproken. Volgens de woordenboeken beteekent het een drank uit rijst gedistilleerd, en is dus het Chineesche aequivalent voor het Japansche _saki_; maar het wordt ook op andere sterke dranken en zelfs op wijn toegepast. Het behoeft ons dus niet te verwonderen, indien wij bij den heer de Sturler, „Handboek v. d. Landbouw in N. O.-I.” op bl. 162 lezen, dat de Chineezen op Java ook aan de saguweer den naam van _tjoe_ geven.
_Saguweer_, om dit hier even in het voorbijgaan op te merken, is een der meest gebruikelijke namen voor den palmwijn of het gegiste sap dat van den arèn- of suikerpalm verkregen wordt. Men schrijft ook wel _sagoweer_. De oorsprong van den naam is onbekend, doch het schijnt dat wij dien hebben overgenomen van de Portugeezen, die zoowel het sap als den boom _sagueiro_ noemen. Misschien is die naam afkomstig uit dezelfde Moluksche taal, waaruit ook _tifar_, ons _tijferen_ (zie op dat woord) afkomstig is. Zie Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, D. I, bl. 59, en de Sturler, t. a. p. bl. 157, 161 v.
Boha.
Een volkswoord waarvan de ware vorm en de juiste beteekenis even onzeker zijn als de oorsprong. Ik zou het hier niet vermelden, indien niet van Lennep in zijn „Zeemans Woordenboek” het stellig als een woord van Maleischen oorsprong had opgegeven. „Wanneer”, zegt hij, „men met de sloep over de modderbank voor Batavia varende, vastraakt, moeten de roeiers er uit om te sleepen, 't welk uit hoofde der menigvuldige kaaimannen, die zich aldaar bevinden, niet weinig gevaarlijk is. Wanneer nu de Javanen, die op de modderbank visschen, eene sloep zien vast zitten, roepen zij aan de Equipage toe _bohaya_, 't welk in 't Maleisch _kaaiman_ beteekent, ten einde men hen de sloep doe sleepen en zij er wat aan verdienen. Uit dit herhaald en luid geschreeuw der Javanen is ontstaan, dat de matrozen een schreeuwer, een rumoermaker, een _bohamaker_ noemen.” Deze verklaring schijnt mij niets meer dan een vernuftige inval, waarvan men zeggen kan: se non é vero, é ben trovato.
De gissing van van Lennep is in strijd met de zekerheid die wij bezitten, dat de phrase „de bohay maken” reeds vóór 1573 in het Nederlandsch bekend was. Zij komt namelijk voor in den in genoemd jaar uitgegeven „Schat der Nederduytscher spraken” van Plantin. Zie daarover van Dale's „Nw. Ned. Wdbk.” in voce.
Ik noemde den vorm van het woord onzeker. Plantin schreef, zooals wij zagen, _bohay_, van Lennep schrijft _bohei_ of _boha_, Franck, „Etym. Wdbk. der Ned. taal” _boeha_ of _boha_, waarnevens hij ook de Nederduitsche en nieuw-Hoogduitsche vormen _buhé_, _buhai_, _bruhé_, _bruhai_ vermeldt. Van Dale zegt, dat men in de volkstaal ook _boeha_, _boehaai_, enz. hoort. In gedrukte stukken, de woordenboeken uitgezonderd, heb ik het woord slechts eenmaal aangetroffen, nam. in een schrijven van den Gouv.-Gen. Camphuys, dd. 27 Oct. 1688, bij de Jonge „Opkomst v. h. Ned. gezag in O.-I”, VIII, bl. 53. „Met het bohay van 't groot Javaansch leger... is het gansch in rook verdwenen”. Daarentegen hoorde ik het dikwijls uit den mond des volks, vooral in mijn geboorteplaats Dordrecht, maar dan gemeenlijk _poeha_ uitgesproken. Voor het geslacht wordt gewoonlijk mannelijk opgegeven; door Camphuys wordt het woord als onzijdig gebruikt.
De eigenlijke beteekenis van het woord is ook bezwaarlijk vast te stellen. Plantin verklaart _de bohay maken_ door „faire beau semblant, dissimuler ou feindre”; Waesberge, „Grand Dictionnaire Français-Flamen” (eveneens door v. Dale aangehaald) _den boha maken_ door „faindre et faire semblant d'avoir beaucoup a faire”. Volgens van Lennep is _boha_ geschreeuw, geweld, rumoer. In de plaats van Camphuys zou men er _ophef_, _bluf_ voor in de plaats kunnen stellen.
De waarschijnlijkste verklaring van het woord is, dunkt mij, dat het slechts een natuurkreet is, een nabootsing van de natuurgeluiden, die bij een alarm, een getier, een uitkraaien van de beteekenis eener zaak worden vernomen. Daaruit laat zich dan ook het best verklaren, waarom er zooveel verscheidenheid in den vorm wordt waargenomen, en geene stellige beteekenis kan worden opgegeven.
Padrie.