Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden

Part 2

Chapter 23,337 wordsPublic domain

Forrest reisde in 1774 tot 1776. Valentijn in zijne in 1726 verschenen „Beschrijving van Groot-Java” (Oud- en Nieuw Oost-Indië, IV. 1), schrijft op bl. 61, dat een der grooten van den Vorst van Mataram hem een _cuspidoor_ of spuwpotje nadraagt. Ook deze plaats leert ons, dat _cuspidòr_ op de eilanden evenzeer als op het vasteland bekend was; merkwaardig is het bovendien, dat ook hij het woord nog in den Portugeeschen vorm geeft en van eene verklaring doet vergezeld gaan. Dit bewijst wel, dat zoowel het algemeen gebruik van het woord als zijn verhollandschte vorm _kwispedoor_, van recenten oorsprong zijn.

Adat.

_Adat_ stamt van den Arabischen wortel _ʾâda_, die _terugkeeren, herhalen_ beteekent, en duidt aan _het gedurig terugkeerende_, de _gewoonte_, het _gebruik_. In de rechtstaal van den Islam (dus bij Arabieren, Perzen, Turken enz.) wordt het woord gebruikt om het gewoonterecht, le droit coutumier, aan te duiden, in tegenstelling van het bij de wet geregelde en beschreven recht. „Het Mohammedaansche recht”, zegt mr. L. W. C. van den Berg, in zijne _Beginselen van het Mohammedaansche Recht_, „heeft twee hoofdbronnen, de wet (sjar') en de gewoonte, _ʾâdat_ of _ʾorf_. Deze laatste mag alleen worden gevolgd, wanneer de wet zwijgt, of er uitdrukkelijk naar verwijst.”

In die Mohammedaansche landen, die eerst laat voor den Islam gewonnen zijn, toen het machtig Rijk der Khalifen lang was uiteengespat, en waar dus geen krachtig centraal gezag de inrichting der maatschappij in alle opzichten onder de heerschappij der wet kon brengen, werd aan het bestaande gewoonterecht zeer veel grooter plaats gelaten, dan er naar de beginselen van den Islam aan toekomt. Dit is inzonderheid ook het geval in den Indischen Archipel. Het staatsrecht, het strafrecht, de meeste rechtsbetrekkingen der individuen onderling, worden er door de âdat beheerscht, ja er zijn zelfs streken waar ook het personen- en erfrecht zich niet geheel aan de voorschriften van den Islam hebben onderworpen. Wel staat er overal tegenover de adat het goddelijke, op den Koran en de Sonnah rustende recht, gemeenlijk door de woorden _sarat_ of _sarengat_ (Arab. _sjar'_ of _sjaríʾah_) aangeduid; wel moet, volgens de inlandsche begrippen, de adat steeds aan de sarat ondergeschikt blijven; maar dat overwicht der sarat bestaat meestal alleen in theorie. Nooit is door eenig openbaar gezag de grens tusschen het gebied van sarat en adat met juistheid aangewezen, en het inlandsch recht verkeert dienvolgens in Ned.-Indië in een staat van onzekerheid, die tot gedurig geharrewar aanleiding geeft. Doch over de rechtstoestanden in Ned.-Indië is het hier de plaats niet te spreken.

Bestaat er geen vaste grens tusschen de zaken waarin de sarat, en die waarin de adat beslist, even weinig bestaat er een vaste grens tusschen hetgeen al of niet tot de adat behoort. Het is er verre van af, dat, wat als adat geëerbiedigd wordt, steeds tot vroegere geslachten zou opklimmen; nieuwe instellingen worden dikwijls reeds na weinige jaren met het gezag der adat bekleed of, om juister te spreken, door de Europeesche gezaghebbers den inlander als adat opgedrongen. Zoo zegt de heer Gevers Deynoot in zijne „Herinneringen eener reis naar Nederl.-Indië”, bl. 78: „De Javaan is gesteld op oude gebruiken, maar men bestempelt dikwijls veel met den naam van _adat_, waarvan de inlander gaarne bevrijd zou zijn”, en de heer J. C. Baud, bij van Deventer, „Bijdragen tot de kennis van het landelijk stelsel”, II, bl. 190: „De Javaan is een slaaf der gewoonte (_adat_), maar voor hem is nu _adat_ geworden, wat sedert 16 jaren bestaan heeft, terwijl hetgeen vroeger bestond, nu heeft opgehouden _adat_ te zijn.”

Sommigen schrijven dit woord _hadat_, b. v. de heer Verkerk Pistorius, „Studien over de inlandsche huishouding in de Padangsche Bovenlanden”, bl. 87: „_Hadat_ is de algemeene naam voor wetten, zeden, instellingen, gewoonten, gebruiken en inzettingen”. Deze schrijfwijze is te verklaren uit den aard der eerste letter van het Arabische woord, die door de inlanders evenmin als door de Europeanen kan uitgesproken of met juistheid in het schrift wedergegeven worden. Onlangs in de _Arnhemsche Courant_ de door prof. Dozy in zijne „Oosterlingen” en elders gegeven verklaring van het woord _averij_ tegen eene nieuwe, weinig aannemelijke verklaring handhavende, merkte ik op, dat ook in dat uit het Arabisch stammende woord, en juist om dezelfde reden, wel eens _haverij_ wordt geschreven. Echter verdient mijns inziens _adat_, als meer met de gewone Mal.-Javaansche uitspraak overeenkomend, de voorkeur.

Op Celebes heeft het woord _adat_ (in het Makassaarsch en Boegineesch _ada_ uitgesproken) nog eene gewijzigde beteekenis gekregen. Het wordt er ook gebezigd van hen die gesteld zijn om de adats des lands te handhaven, alzoo de Rijksgrooten, de Raadsheeren, coll. de Rijksraad. Zie Matthes, „Makassaarsch Wdbk.”, bl. 650. Het is zeker niet meer dan toeval dat juist in deze beteekenis door de Europeanen zoo dikwijls de vorm _hadat_ gebezigd wordt, en men zoo vaak van de _hadat_ van Boni, de _hadat_ van Gowa enz. leest. Men heeft waarschijnlijk daarin het voorbeeld van den een of anderen schrijver gevolgd, die met den heer V. Pistorius den vorm _hadat_ verkoos. Men zou dwalen indien men meende, hier met een ander woord dan het gewone adat, of met eene uitspraak met scherper aspiratie op Celebes te doen te hebben.

In de tot dusverre gegeven voorbeelden is het woord _adat_ steeds van Ned.-Indische toestanden gebruikt, en bleef het daartoe bepaald, dan zou het, hoe gemeenzaam het ons ook geworden is, nog geen aanspraak maken om als genaturaliseerd in onze taal te worden beschouwd; maar het heeft meer recht dan _dessa_, en minstens evenveel recht als _prauw_, om in een Nederlandsch woordenboek te worden opgenomen. Van Limburg Brouwer, „Akbar”, bl. 108, gebruikt het met betrekking tot Hindostan, waar hij van verkorting van de rechten der gemeenten tegen de adat gewaagt. Maar vindt men dit voorbeeld nog niet sterk genoeg, zeker zal men overtuigd worden, als men in populaire geschriften plaatsen als de volgende aantreft: „Eene vrouw mag niet kiezen, en zelfs geen man; dit verbiedt nu niet de kieswet, maar de maatschappelijke usance, de adat.” (_Uilenspiegel_ van 18 Jan. 1872). Het Nederlandsch Woordenboek van van Dale, dat zoowel _dessa_ als _prauw_ heeft opgenomen, zal dus in een volgende uitgave voor _adat_ een plaatsje behooren in te ruimen.

Het is niet geheel overbodig te vragen, welk geslacht aan het woord _adat_ moet worden toegekend. De talen van Insulinde, die geen grammaticaal geslacht kennen, laten dit onbeslist. Maar sommige Nederlandsche schrijvers gebruiken het woord als mannelijk, b. v. „spoorwegen in de Oost—is er wel iets dat meer strijdt tegen den adat?” (_Uilenspiegel_ van 14 Oct. 1871). Maar dat is stellig eene fout. In het Arabisch is het woord vrouwelijk en wordt door den uitgang als zoodanig gekenmerkt.

Hadji.

Over dit woord kan ik zeer kort zijn. Het duidt de personen aan die de _hadj_ verrichten, d. i. de bedevaart naar Mekka, die door den Islam van iederen geloovige, minstens eenmaal in zijn leven, gevorderd wordt, wanneer hij in de gelegenheid is ze te volbrengen en het hem niet door force majeure belet wordt. In zoo ver van den hoofdzetel van den Islam verwijderde gewesten als ons Insulinde, is de massa der bevolking van de gelegenheid tot het doen der bedevaart verstoken, ofschoon zij toch jaarlijks door eenige duizenden, en vooral in de laatste jaren, tengevolge der zooveel gemakkelijker en veiliger reisgelegenheden, in sterk toenemend aantal volbracht wordt. De betrekkelijke zeldzaamheid der hadj is oorzaak, dat in Ned.-Indië zij, die haar volbracht hebben, levenslang den naam van Hadji als onderscheiding blijven voeren, en door de bevolking met veel eerbied behandeld worden. Het sterk toenemend aantal heeft echter het aanzien der hadji's doen tanen.

Moeson.

Moesons heeten bij ons de periodieke winden die tusschen de keerkringen waaien. De spelling met dubbele _s_, in de Vries en te Winkel's „Woordenlijst” en van Dale's „Nieuw Ned. Woordenboek” aangenomen, verliest allen grond, zoodra men met die schrijvers _Pruisen_, _geesel_ en dergelijke schrijft. In het Fransch is die dubbele _s_ noodig, om aan te duiden dat de _s_ scherp is en niet den klank van _z_ heeft; maar als men den regel aanneemt in § 105 van te Winkel's „Grondbeginselen der Ned. spelling” gesteld, moet men in onze taal _moeson_ schrijven. Te meer is dit het geval, daar er niet de minste waarschijnlijkheid bestaat, dat wij het woord uit het Fransch hebben ontvangen. Dat sommigen zelfs _mousson_ spellen, moet alleen worden verklaard uit de gewoonte van schier alle in taalquaesties minkundige Nederlanders, om alle vreemde woorden voor Fransche te houden en als Fransche woorden te schrijven.

Het woord _moeson_, op verschillende wijzen gespeld, is bij ons zeer oud, en ongetwijfeld hebben wij het in Indië van de Portugeezen geleerd, van wie het ook tot alle andere zeevarende natiën van Europa is overgebracht. Het verdient daarbij opmerking, dat het bij de Portugeesche schrijvers in twee hoofdvormen voorkomt, namelijk _mouçâo_ (_mousâo_) en _monçâo_, waarvan de eerste misschien de oudere, maar de andere stellig de meer algemeene is. In het woordenboek van Moraes Silva zijn beide vormen opgenomen. Bij de Barros, „da Asia”, vindt men in de uitgave van 1553 nu eens _moucâo_, dan eens _monçâo_ (bij welk laatste men echter wellicht aan een drukfout zou kunnen denken); maar in de uitgave van 1628 vindt men reeds overal _monçâo_, dat de meer gebruikelijke vorm in het Portugeesch was gebleven. Intusschen heeft de oudere vorm _mouçâo_ het Fransche _mousson_, het Italiaansche _mussone_ en ons _moeson_ voortgebracht, terwijl daarentegen de vorm _monçâo_ wordt wedergevonden in het Spaansche _monzon_, het Engelsche _monsoon_ en het Duitsche _monsun_ of _monsuhn_. Ook zijn in het Fransch de vormen _monson_ en _monçon_ niet geheel onbekend, en in van Linschoten's „Itinerario” lees ik eveneens, bl. 24, van _monsoyns_.

Ik heb vroeger aan de mogelijkheid gedacht, dat de geheele vorm met _n_ uit drukfouten kon ontstaan zijn; maar toch scheen mij dat wat al te avontuurlijk, zoodat ik die _n_ liever uit de zoo gewone inlassching eener liquida (_n_ of _m_) tusschen een klinker en medeklinker[1] meende te moeten verklaren, welke inlassching, zoo zij achter een langen klinker of tweeklank plaats heeft, dien tevens noodwendig verkort, zooals in _komfoor_ voor _chauffoir_, of in _planzier_, gelijk het volk zegt voor _pleizier_. Later evenwel is het mij waarschijnlijker voorgekomen, dat de beide vormen in den grond een verschillenden oorsprong hebben, en dat de ééne door het Javaansch uit het Sanskriet, de andere door het Maleisch uit het Arabisch tot ons is gekomen, ofschoon tevens eene verwarring en vermenging van beide toevallig zoo weinig van elkander verschillende woorden heeft plaats gegrepen.

[1] Ik zal daarover nader spreken bij het woord _amfioen_.

In het Javaansch heeten de periodieke winden _môngsô_, welk woord eenvoudig de Javaansche uitspraak is van het Sanskrietsche _mângsa_, tijd, verwant met _mâsa_, maand[2]. Eigenlijk beteekent dit môngsô dan ook _tijd_, _getijde_, _tijdperk_, _seizoen_, en de Javanen zijn gewoon het natuurlijke of zonnejaar, met het oog op de werkzaamheden van den landbouw, in 12 môngsô's of tijdperken van ongelijken duur te verdeelen. De 11e en 12e môngsô vormen met de vier eerste van het volgende jaar het droge, de zes overige het natte jaargetijde, en deze grootere tijdperken worden insgelijks môngsô's genoemd. Maar daar het verschil tusschen deze tijdperken geheel van de periodieke winden afhankelijk is, wordt de naam môngsô als van zelve ook op die winden toegepast.

[2] Masa komt ook in het Maleisch voor in den zin van _tijd_, _tijdperk_, _seizoen_.

In het Maleisch dragen de periodieke winden den naam van _moesim_. Dit woord is het Arabische _mausim_, maar de tweeklank _au_, dien de Maleier niet goed kan uitspreken, is daarin, evenals in _moeloed_, _moelâ_ enz., met de vokaal _oe_ verwisseld. _Mausim_ beteekent in het Arabisch een _bepaalden_ of _gezetten tijd_, en vandaar ook dikwijls een _feest_, dat op een gezetten tijd van het jaar plaats heeft. Zie de voorbeelden van dit gebruik des woords, aangehaald in Dozy's „Glossaire des mots Espagnols et Portugais, dérivés de l'Arabe”, p. 317. Intusschen is het klaar dat een woord dat _gezette tijden_ beteekent, evenzeer kon worden toegepast op de jaarlijks tusschen de keerkringen regelmatig terugkeerende tijden van droogte en vochtigheid, en daarmede gepaarde meerdere warmte of koude, en zoo verkreeg ook _mausim_ de beteekenis van _jaargetijde_ of _seizoen_. De Arabische zeevaarders gebruikten _mausim_ meer bepaaldelijk voor het seizoen dat hun gunstig was om naar Indië te varen, of, zooals wij ons uitdrukken, voor den westmoeson. Zie b. v. Niebühr, „Reize naar Arabië”, D. I, bl. 421. Evenzoo is ook bij de Maleiers de ware beteekenis van moesim _jaargetijde_, en zij onderscheiden, gelijk de natuur van hun land met zich brengt, een _moesim kĕring_ of _panas_, d. i. een droog of warm jaargetijde, en een _moesim oedjan_ of _dingin_, een vochtig of koel jaargetijde. Doch daar, zooals ik reeds opmerkte, in die gewesten de jaargetijden geheel bepaald worden door de periodieke winden, die met verwonderlijke regelmatigheid waaien, is het al zeer natuurlijk dat men den naam _moesim_ (evenals de Javanen dien van _môngsô_) op de regelmatig afwisselende ooste- en westewinden toepaste, zoodat men thans ook van een _moesim barat_ of westmoeson en een _moesim timor_ of oostmoeson spreekt.

De Portugeezen nu hebben, naar mijne meening, van _môngsô_ en _moesim_, welke beide woorden zij met elkander verwarden, omdat zij, bij toevallige overeenkomst in vorm, geheel dezelfde beteekenis hadden erlangd, hun _monçâo_ of _mouçâo_ gemaakt. Ook bij hen beteekenen die woorden nu eens _jaargetijde_ of _seizoen_, en dan eens de _periodieke winden_, die in Indië de jaargetijden beheerschen. Zoo zegt b. v. de Barros op de ééne plaats: „Estes taes tempos por serem geraes pera navigar a certas partes, e nâo a outras, commummente os mareantes nossos, conformando-se com os daquelle Oriente, chamam-lhe monçâo, que quer dizer tempo pera navigar pera tal parte” [d. i. „Zoodanige tijden, omdat zij voortdurend geschikt zijn om naar zekere streken te varen, en niet naar andere, noemen onze zeelieden, in overeenstemming met die van het Oosten, gewoonlijk _moeson_, hetgeen wil zeggen een tijd om te varen naar deze of gene streek.”] Maar op andere plaatsen van denzelfden schrijver heeft _monçâo_ geheel de beteekenis van den vasten wind (_vento geral_) die gedurende dat jaargetijde waait. In de gewone Portugeesche spreekwijze _fora da monçâo_ heerscht weer de eerste beteekenis. Zij stemt letterlijk overeen met het Fransche _hors de saison_.

Ook in de andere Europeesche talen, waarin dit woord uit het Portugeesch is overgenomen, heeft het denzelfden dubbelen zin behouden. Zoo vinden wij den eersten in de in Dozy's Glossaire aangehaalde plaats uit de reizen van Thévenot: „Depuis ce temps plusieurs vaisseaux viennent à Bassora, chargés de marchandises des Indes, et le temps ou _monson_, comme ils l'appellent, auquel viennent les vaisseaux, est au mois de juillet; et ils y demeurent jusqu'à la fin d'Octobre, passé lequel temps ils ne pourraient plus sortir du fleuve, à cause des vents contraires; et justement alors commence la monson pour passer aux Indes, qui dure jusqu'au commencement de Mai.” En eveneens zegt Baldaeus, „Beschrijving van Ceylon,” bl. 63: „Mousson is een gety ende zaizoen des jaars”, ofschoon hij elders het woord ook van de periodieke winden gebruikt. Maar bepaaldelijk in deze laatste beteekenis vinden wij het woord reeds in van Linschoten's Itinerario, bl. 24, waar hij de _monsoyns_ omschrijft als: „winden die op haer tydt wayen.”

Bij ons hoort men tegenwoordig in den dagelijkschen omgang niet zelden de uitdrukking, „het is er de rechte moeson niet voor,”—een bewijs dat het woord ook in de volkstaal doordringt in den zin van „_de geschikte tijd_.”

Soebatten.

Het is jammer dat Prof. Dozy zich omtrent den oorsprong van dit woord, dat hij in de voorrede zijner „Oosterlingen” als van Arabische herkomst vermeldt, niet nader verklaard heeft. Wij zouden dan wellicht meer zekerheid hebben van die afkomst, die mij wel zeer waarschijnlijk voorkomt, maar niet historisch kan bewezen worden. Maar het schijnt hopeloos een Germaanschen oorsprong voor het woord te ontdekken, en daar het toch den vorm heeft van een Nederlandsch werkwoord, ligt het voor de hand het te vergelijken met die menigte verbaalvormen, die, door toevoeging van de lettergreep _en_, al of niet door een verdubbeling der sluitconsonant van de vorige lettergreep voorafgegaan, dagelijks door de Europeanen in Indië van Javaansche en Maleische woorden gevormd worden. Men denke aan _tombokken_ voor rijststampen, _tandakken_ voor op Javaansche wijze dansen, _batikken_ voor op Javaansche wijze katoenen stoffen verven, _amokken_ voor amok maken, _patjollen_ voor met de patjol bewerken, _pikelen_ voor op de schouders dragen, _pikeren_ voor denken, en ontelbare andere. Zoo er in het Maleisch of Javaansch een woord mocht gevonden worden dat op _soebat_ gelijkt, kan daarvan, als de beteekenis voegt, zonder twijfel het werkwoord _soebatten_ gevormd zijn.

Zulk een woord bestaat nu inderdaad, maar het is een woord dat, schoon in de genoemde talen zeer gebruikelijk, aan het Arabisch is ontleend. Het is het woord _tsohbat_, dat, in het Maleisch overgegaan, als _sohbat_, en in het laag Maleisch geheel als _sobat_ wordt uitgesproken, waarvan _soebat_ slechts een geringe wijziging is. _Sobat_ beteekent eigenlijk _vriendschap_, maar wordt, door een in de Maleische taal zeer begrijpelijken overgang, ook in den zin van _vriend_ gebezigd. Daar de Maleiers, wanneer zij iets te verzoeken hebben, veelal zeer mild zijn met vleiende vriendschapsbetuigingen, en daarbij, vooral in den aanvang hunner brieven, menigvuldig van het woord _sobat_ gebruik maken, vormden de Europeanen daarvan het werkwoord _sobatten_ of _soebatten_, met de beteekenis van _steeds het woord sobat in den mond hebben_, en vandaar, zooals van Dale het verklaart, _vleiend vragen_, _aanhouden om iets door vleiende woorden gedaan te krijgen_. Van _soebatten_ of _sobatten_, heeft men dan verder _soebatter_, _soebatster_ en _soebattery_ afgeleid. Het gebruik in Indië is duidelijk uit het volgende, aan het _Soerabajasch Handelsblad_ van 23 Aug. 1871 ontleende voorbeeld: „De hoofddjaksa is in zijne plaats tot ronggo benoemd, welke keuze men algemeen gunstig acht, daar deze ambtenaar bij de bevolking niet erg getapt is, waarvan men voor de politie meer goeds verwacht, dan van die _sobattery_ tusschen hoofden en geregeerden.”

In Nederland behoort het woord _soebatten_ met zijne derivata schier uitsluitend tot de volkstaal. Behalve bij die _would-be_ komische schrijvers, die geestigheid in platheid zoeken, zal men het in gedrukte schriften zelden aantreffen. Prof. de Vries wees mij een voorbeeld in de „volgeestige werken” van S. van Rusting (Amst. 1712), waarin op bl. 97 de volgende woorden voorkomen:

„Daar stond hij nu gelijk een aap, „Die zoebat.”

Kras.

De vrij talrijke woorden die in onze taal uit het Maleisch stammen, zijn deels namen van voorwerpen van natuurlijke historie, die in de Maleische landen te huis behooren, of handelswaren die vandaar worden uitgevoerd, deels woorden die betrekking hebben op het leven der Maleische bevolkingen, b. v. hunne woningen, kleeding, gebruiken en instellingen, vooral ook hunne scheepvaart; maar niet weinige ook zijn uitdrukkingen uit het dagelijksch leven, die, door matrozen of militairen overgebracht, zijn ingedrongen in de volkstaal en doorgaans in het geheel niet, of slechts in komische en satirieke geschriften, ingang hebben gekregen tot de schrijftaal. Deze laatste worden dikwijls miskend. Daar onze Germanisten zich niet veel met het Maleisch en verwante talen inlaten, denken zij er zelden aan daarin den oorsprong te zoeken van volksuitdrukkingen, waarvoor zij met veel moeite eene verklaring uit den Germaanschen taalschat trachten op te sporen, terwijl eene verklaring uit het Maleisch voor de hand ligt.

Een der meest gebruikelijke van die woorden is _kras_ in de beteekenis van _sterk_, _flink_, _krachtig_. Is men geheel vreemdeling in het Maleisch, dan is men natuurlijk geneigd daarbij aan het Latijnsche _crassus_, dik, stevig, te denken, of met Franck, „Etymologisch Woordenboek der Ned. taal”, aan het Fransche _crasse_, een slechts in dezen vrouwelijken vorm gebruikelijk adjectief, dat geheel aan _crassus_ beantwoordt. Het Maleische _kras_ (eig. _kĕras_, in welk woord evenwel, gelijk in honderden andere, de toonlooze ĕ-klank tusschen de zich gemakkelijk vereenigende consonanten _k_ en _r_ in de uitspraak doorgaans verloren gaat), komt echter in beteekenis en gebruik veel meer met het Nederlandsche kras overeen, zoozeer zelfs, dat het volstrekt overbodige moeite schijnt naar een anderen oorsprong te zoeken. Men zie slechts het Maleisch Woordenb. van Pijnappel, waar de beteekenissen dus worden opgegeven: „hard, stijf, onbuigzaam; stevig, vast; sterk, ook zooals wij _kras_ gebruiken, b.v. _tjoekei di bĕnoewa Tjina itoe terlaloe kras_”, d. i. de tollen zijn in het Chineesche rijk heel kras. Uitdrukkingen als een _krasse_ kerel, een _kras_ wijf, of „dat is wat _kras_, Keesje”, zooals Hildebrand in de „Camera obscura” tot het diaconiehuismannetje zegt, komen geheel met het Maleisch gebruik van _kras_ overeen.

Daarbij bedenke men dat _kras_ in dezen zin in geen andere Germaansche taal voorkomt, dat het geen oud woord schijnt te zijn (het ontbreekt o. a. bij Kiliaan), en dat het, in overeenstemming met hetgeen boven over woorden van Maleischen oorsprong werd opgemerkt, in deftigen stijl niet gebruikelijk is. Het Javaansch heeft hetzelfde woord en in dezelfde beteekenis.

Amper.

Evenals over _kras_ denk ik over het bijwoord _amper_, thans gewoonlijk bij ons gebruikt in den zin van _nauwlijks_, _ternauwernood_. Ofschoon mij bekend is, dat prof. de Vries, onze groote taalkenner, na gezette overweging een ander gevoelen is toegedaan, schijnt mij toch zooveel voor de herkomst van dit woord uit het Maleisch te pleiten, dat het mij wenschelijk voorkomt mijne gronden aan de toetsing mijner lezers te onderwerpen.