Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
Part 19
Deze drie en nog vele andere namen behooren aan de voortreffelijke graansoort, de _Zea Mays_ der botanici, die, als men in aanmerking neemt hoe wijd hare cultuur over alle warme gewesten verspreid is, nevens de rijst als het eerste der voedselgewassen mag beschouwd worden. Dat de maïs uit Amerika afkomstig is, wordt thans nauwelijks meer betwijfeld, ofschoon vroeger, onder andere door Bonafous, „Hist. nat. du maïs”, (Paris, 1836), de meening is voorgestaan, dat de maïs lang vóór de ontdekking van Amerika in de oude wereld bekend was, en dat zij door de Arabieren en de kruisvaarders uit het Oosten naar Europa is gebracht. Zeker is het, dat de maïs, tijdens de ontdekking van Amerika, daar overal door de Indianen verbouwd werd, en dat men reeds maïsklossen (zoo noemt men gewoonlijk de dikke rolronde aren) in de graven der Inka's heeft gevonden. Vanhier, dat in de Vereenigde Staten, waar de cultuur van maïs een groot gewicht heeft erlangd, dit gewas nog met den naam van _Indian corn_ wordt aangeduid. Ook is de _naam_ _maïs_ stellig uit Amerika tot ons overgekomen; men meent dat het de naam is, dien deze plant op Haïti droeg. (Zie Hernandez, „Hist. plantarum”, VI, 44). Van maïs (maïze) is afgeleid _maïzena_, zooals een fijn meel genoemd wordt, dat van de maïs wordt bereid, en in de laatste jaren ook bij ons een veelvuldig gebruik heeft erlangd in de samenstelling van poddingen.
_Miloe_, de naam dien de maïs bij inlanders en Europeanen in de Minahassa draagt, is eene verbastering van het Portugeesche _milho_, dat zelf niets anders is dan het Latijnsche _milium_. Onder den naam van _milho_ worden in het Portugeesch verschillende soorten van gierstgrassen (Paniceae), zooals _milho painço_, _milho miudo_, enz., samengevat, maar hij is ook uitgebreid tot de maïs, die dan tot onderscheiding ook wel _milho grosso_, _milho zaburro_ of _milho da India_ wordt genoemd. Waarschijnlijk noemden de Portugeezen reeds in Amerika de maïs _milho_; ik vind ze althans _millio_ genoemd bij Hartsinck, „Beschrijving van Guiana”, bl. 901. Met het graan zelf brachten zij dan ook dezen naam over naar Afrika en Oost-Indië, en in beide gewesten werd hij, meer of min verbasterd, door de Nederlanders van hen overgenomen. Bij de Marrée, „Beschrijving van de Goudkust”, D. I, bl. 82 en 93, vind ik _milhio_ geschreven, maar in de Kaapkolonie is daaruit _miellies_ of _mielies_ ontstaan. Zie Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”, bl. 28, 39, 164, en Mansvelt's „Kaapsch-Hollandsch Idioticon”. Met het Eng. adjectief _mealy_, meelachtig, dat laatstgenoemde vergelijkt, heeft mielies ongetwijfeld niets uitstaande.
Het voorkomen van den Portugeeschen naam der maïs tot in de Minahassa maakt het ongetwijfeld zeer waarschijnlijk, dat de verbreiding van dit gewas vooral aan Portugal moet worden toegeschreven. Maar ook Spanje heeft daartoe bijgedragen, en men beweert zelfs, dat reeds Columbus de maïs naar Spanje heeft gebracht, dat zij reeds in 1520 in dat land werd verbouwd, en dat zij vandaar naar Italië, Turkije en de Levant kwam.
Ook in Insulinde ontbreken de sporen van Spaansche herkomst niet. Rumphius, „Ambonsch Kruydboek”, D. V, bl. 203, zegt: „de Turkze Tarwe.... wast nu ook op vele plaatsen van deze Eilanden, wordt echter voor een uitlandsch gewas gehouden, door de Spanjaarden eerst ingevoerd. Men heet het op Maleyts _Jagum_, Baleys _Jagum Castila_. In Ternaten _Bira Castela_”. In deze namen is _Jagum_ kennelijk het Maleisch-Javaansche _Djagoeng_, waarop ik zoo aanstonds terugkom, en Castela (Kastîla) beteekent _Spaansch_ (van Kastilië). _Bira_ doet denken aan den Makassaarschen naam der maïs _Birâlle_, in het Boegineesch _Barälle_ of _Warälle_. _Bärrä_ of _Wärrä_, beteekent in die taal het ontbolsterde graan, hetzij rijst, gierst of maïs (het Mal.-Jav. _bĕras_, Makass. _berasá_). Is _bîra_ daarvan soms slechts een andere vorm en _birâlle_ eene samentrekking voor _bira castelle_?[53] Zoo zou de anders vreemde _l_ in _birálle_ en _bärälls_ eene natuurlijke verklaring gevonden hebben.
[53] Die samentrekking ziet er oppervlakkig niet zeer waarschijnlijk uit, maar men wordt er als met noodwendigheid toe gebracht door die anders onverklaarbare _l_.
Op Java, waar de cultuur van de maïs van betrekkelijk jongen oorsprong schijnt te zijn, is zij thans een algemeen en hoogst gewichtig voedingsgewas, dat niet alleen door de inlanders, maar ook door de Europeanen, zelfs als zij Nederlandsch spreken, altijd met den naam _djagoeng_ of _djagong_ genoemd wordt. Houdt men dit _Djagoeng_ voor een oorspronkelijk inlandsch woord, dan kan men het aanwenden om de meening omtrent de Oostersche herkomst van de plant te steunen; maar waarom zouden dan alle andere namen dezer graansoort in den Archipel gebruikelijk naar Spanje en Portugal als het land van herkomst wijzen? Het reeds vermelde _djagoeng kastila_, d. i. _Spaansche djagoeng_, door Rumphius vermeld als op Bali gebruikelijk, wijst ook daarheen, en toont tevens dat _djagoeng_ op zichzelf eene ruimere beteekenis had; want waartoe zou anders het bepalende _kastila_ dienen? Vergelijkt men _djagoeng kastila_ met het Ternataansche _bira kastila_, dan zal men zich genoopt voelen aan _djagoeng_ eene analoge beteekenis met _bira_ toe te kennen. Ik waag omtrent dit woord de volgende gissing. _Djawa_ beteekent _gierst_ (zie mijn „Java”, D. II, bl. 3 en 5), of oorspronkelijk misschien in het algemeen _graankorrel_, dat dan in een land, waar oudtijds geen ander graan groeide dan gierst, natuurlijk toch de naam van dit graan werd. Later noemde men op Java de gierst _djawawoet_, samengetrokken uit _djawa awoet_, d. i. _fijne korrel_. De maïs zal men daarentegen _djawa agoeng_ of _djawa goeng_, d. i. _groote korrel_, genoemd hebben, volkomen beantwoordende aan het Port. _milho grosso_. Later werd dan _djawa goeng_ tot _djagoeng_ samengetrokken.
Eer ik dit artikel besluit, wil ik nog even opmerken, dat de naam van Turksch koren of Turksche tarwe, waarmede wij in Nederland veelal de maïs noemen, eene navolging is van het Fransche _blé de Turquie_, ook _Turquet_. Het schijnt dat in dit land de maïs eerst uit de Levant is ingevoerd, toen zij haren tocht door het Zuiden van Europa volbracht had. De naam _blé de Turquie_ wordt door Littré volstrekt afgekeurd.
Tamarinde.
Reeds in Dozy's „Oosterlingen” verklaard als _tamr_ (of _tamar_) _hindi_, d. i. in het Arabisch _Indische dadel_. Zie ook „Glossaire des mots Espagnols et Port. dérivés de l'Arabe”, op _Tamarindos_. In het Fransch zegt men _tamarin_ en voor den boom _tamarinier_, ofschoon men tegenwoordig in de dagbladen dagelijks _tamar indien_ leest. De verklaring van het woord heeft grammatisch niet het minste bezwaar; maar waarin het punt van vergelijking tusschen de tamarinde en de dadels gelegen is, blijft raadselachtig, ook na raadpleging der plaats van Van Linschoten, „Itinerario”, bl. 99, die ik hier laat volgen. „De Malabaren heetent _pulii_, de Gusaratten en de ander Indianen _ambilii_, de Arabyers _tamarindi_, overmidts dat _tamaras_ in Arabyen zijn, die men bij ons daalen heet[54], ende omdat se de _Tamarinio_ anders geen beter gelijckenis weten te geven als naer de datylen ofte daalen, soo noemen se die _Tamarindi_ (d. i. tamaren ofte daalen van Indië), waerom van de Portugesen ook _tamarinio_ genoemd wordt.” Het moeten dus de vruchten zijn, die tot den naam Indische dadels hebben aanleiding gegeven; maar wanneer men bedenkt, dat de tamarindeboom (_Tamarindus indica_) tot de leguminosen behoort en eene lange peul draagt, die van zes tot twaalf kleine zaden bevat, en de dadel (_Phoenix dactylifera_) een palm is, met vleezige, slechts één zaad bevattende vruchten, dan gevoelt men, dat ook de overeenkomst tusschen de vruchten niet groot kan zijn. Zij schijnt hoofdzakelijk te bestaan in de trossen waarin beide groeien.
[54] Thans zegt men _dadels_, maar te Amsterdam hoort men nog steeds de Joden _geconfijte dalen_ venten.
Dat de tamarindeboom een overvloed van fijn gevederd loof draagt en de prachtigste lanen vormt, en dat de vrucht een heerlijk zuur voor de spijsbereiding oplevert, waarom de boom in het Javaansch _wit-asĕm_, in het Maleisch _pohon-asam_, dat beide de _zuurboom_ beteekent, genoemd wordt, zijn bijzonderheden, die geen plaats laten voor de meening, dat hij soms in andere opzichten iets met den dadelpalm kan gemeen hebben.
Kerrie.
_Kerrie_ (Eng. _curry_) is de algemeen bekende naam eener soort van specerij, uit de gepulveriseerde bladeren van verschillende aromatische planten vervaardigd, die ons uit Oost-Indië wordt aangebracht en doorgaans in flesschen in den handel komt. Onder de planten uit wier bladeren kerrie bereid wordt, noemt men _Bergera Königi_, _Canthium parviflorum_ en andere. Het woord stamt uit het Tamielsch, luidt in die taal juist gezegd _Kari_ (zooals het ook te Batavia door de inlanders wordt uitgesproken), en beteekent eigenlijk een _gerecht_, een _schotel_. Daar nu de inlandsche gerechten der Malabaren doorgaans met geurige kruiden worden toebereid, hebben de Europeanen dien naam niet van het gansche gerecht, maar alleen van die toespijs opgevat.
Bij van Linschoten, „Itinerario”, bl. 99, vindt men den vorm _carryl_ gebezigd: „koken nimmermeer rijs ofte daer moet _tamarinio_ bijwesen, waaruit hunnen compost, die zij _carryl_ noemen, toemaken.” De tegenwoordige vorm _kerrie_ schijnt rechtstreeks van het Engelsche _curry_ af te stammen, evenals wij, naar het mij toeschijnt, herrie, dat een gewoon volkswoord geworden is,[55] ofschoon het nog in geen Nederlandsch woordenboek gevonden wordt, hebben gemaakt van het Engelsche _hurry_, dat _spoed_, _overhaasting_, _verwarring_, _rumoer_ beteekent.
[55] Ziehier eenige voorbeelden. Van Lennep, „Poëtische werken”, XIII, bl. 189:
„Al te lang reeds heeft die herrie, Heeft die warboel mij gestuit”.
Van Maurik, „Uit één pen”, bl. 146: „om schandaligheid of _herrie_ voor meheertje (den commissaris van politie) te vermijden”; Cremer, „Anna Rooze”, D. III, bl. 334: „naar de _herrie_ gaan kijken”. Laatstgenoemde schrijver gebruikt ook _geherrie_, b. v. „Anna Rooze”, III, 150: „een Sultan met zoo'n massa vrouwen aan 't been, moet toch altijd in een afgesukkeld _geherrie_ zitten”. Ibid. bl. 236: „och kind! _geherrie_”.
Benzoë.
Deze, voor zoover mij bekend is, alleen in het Hoog- en Nederduitsch gebruikelijke vorm tot aanduiding der welriekende hars of gom van _Styrax Benzoïn_ (een zeer geacht voortbrengsel van den Ind. Archipel, inzonderheid van Sumatra) is de algemeene bij onze hedendaagsche schrijvers (b. v. Miquel, „Sumatra”, bl. 72; de Sturler, „Handboek v. d. Landb. in N. O. I.”, bl. 997; van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”). Vroeger schreef men _benjuin_ (Baldaeus, „Beschrijv. van Malabar en Chorom.”, bl. 13) en gewoonlijk _benzoïn_ (Valentijn, „Sumatra”, bl. 2; Eschelskroon, „Beschrijving van Sumatra”, bl. 64; ook nog Ritter, „Indische herinneringen” (1843), bl. 265). Radermacher, „Verhh. v. h. Bat. Gen.”, D. III, bl. 44, schrijft _benzuin_. In de „Hist. Beschr. d. Reizen” D. XXI, bl. 37, leest men _benjoïn_, den gewonen Franschen vorm, die uit den oorspronkelijken tekst in de vertaling zal zijn overgegaan. In het Engelsch zegt men _benzoin_ of _benjamin_, het laatste vooral in Indië gebruikelijk en ontstaan uit de zucht, om vreemde woorden naar bekende klanken te verknoeien. De Italiaansche vormen zijn _belzuino_ en _belguino_, de Spaansche _benjui_ en _menjui_. De Portugeesche schrijvers eindelijk, die het woord misschien wel het eerst gebezigd hebben, gaven het de vormen _benjoïm_, _beijoim_ of _beijuim_.
Onder deze menigvuldige vormen is het moeilijk te bepalen welke de zuiverste is, waardoor ook de nasporing van den oorsprong wordt bezwaard. De vormen in de inlandsche talen van den Archipel zijn niet minder menigvuldig, maar wijzen toch ook op een gemeenschappelijken oorsprong. Daar de echte benzoë vooral in de Bataklanden op Sumatra te huis is, mag de Bataksche vorm _kemèndjen_ (Daïrisch _hamindjon_) wel het meest als de oorspronkelijke in aanmerking komen. „Dit _kemèndjen_,” schreef mij de heer Neubronner van der Tuuk, „is in 't Menangkabausch in 't noordelijk dialect _koemòjon_, in 't zuidelijk _koemajan_, voorts in 't gewoon Maleisch _kemènjan_ en in 't Javaansch en Bataviaasch-Maleisch _menjan_ geworden.”
Ofschoon _beijoin_ (in 't Portugeesch de meest gebruikte vorm) en _kemèndjen_ zeer ver van elkander schijnen te staan, vertoont zich een sterke toenadering tusschen _benjoïn_, dat mij de oudste Portugeesche vorm schijnt te zijn, en _menjan_. Het eerste kan door gewone letterverwisselingen tot het tweede herleid worden, en men vindt dan ook in het Spaansche _menjui_ de _m_ terug. De mogelijkheid schijnt mij hiermede gegeven, om in _mendjen_ den grondvorm van al de verschillende vormen te vinden.
Intusschen heeft men ook eene afleiding van het woord uit het Arabisch voorgesteld, die niet van waarschijnlijkheid ontbloot is. Wij danken haar aan Valentijn, „Groot-Java”, bl. 67. De Arabische naam van de benzoë is _loebân djâwi_, d. i. Javaansche, of liever, wegens de ruimere beteekenis die _Djawa_ oudtijds bij de Arabieren had (zie mijn „Java”, D. II, bl. 11–13) Indonesische wierook. Hieruit zou, door weglating der eerste lettergreep en samenvatting in één woord, _bândjawi_, naar Afrikaansche uitspraak _beendjâwi_, en door verdere verbastering _beenzâwi_, _benzoïn_, _benzoë_ ontstaan zijn. Werkelijk komt de volledige naam loebân djâwi voor bij Ibn Bathoetha, IV, bl. 228, ofschoon de Arabieren gewoonlijk òf alleen _loebân_ òf alleen _djâwi_ gebruiken, zooals Dozy, „Glossaire des mots Espagnols,” enz. p. 239, met voorbeelden doet. Ook zegge men niet, dat de vorm _benzoïn_ of _benzoë_ in het Portugeesch onbekend is. Ofschoon hij in de woordenboeken ontbreekt, leest men bij Moraes Silva het daarvan afgeleide bijv. nw. _benzoïco_.
Deze afleiding uit het Arabisch krijgt, zooals terecht door v. d. Tuuk is opgemerkt, daardoor waarschijnlijkheid, dat de Portugeezen de namen van Oostersche producten doorgaans onmiddellijk van de Arabieren hebben ontvangen. Ik durf echter niet zoover gaan als Prof. Dozy, die in zijn aangehaald „Glossaire” deze verklaring zonder voorbehoud „la véritable étymologie de ce mot” noemt. Indien werkelijk benzoë met de Indonesische namen dezer stof niets te maken heeft, is de klankovereenkomst, die toch ongetwijfeld tusschen de Europeesche en Indonesische namen bestaat, een zonderling toeval.
Guerilla.
Dit woord behoorde eigenlijk _guerrilla_ geschreven te worden, want het is een Spaansch deminutief van _guerra_, oorlog. De letterlijke beteekenis is dus _kleine oorlog_, d. i. een oorlog die, althans van ééne zijde, gevoerd wordt door ongeregelde, aan geen militaire tucht onderworpen troepen, die zich in het gebergte of in de bosschen schuil houden, en in kleine partijen hunne tegenstanders overvallen en zooveel mogelijk afbreuk doen, om zich dan weder ten spoedigste voor hen te verbergen. In zulk een oorlog vallen dus geene veldslagen voor en vinden geene geregelde belegeringen plaats. Men heeft echter in Spanje den naam _guerrilla_ ook overgedragen op de ongeregelde benden zelven, die op deze wijze krijg voeren, met dien verstande, dat alsdan doorgaans in het meervoud _guerrillas_ wordt gebezigd.
De Franschen, dit woord overnemende, hebben daarin eene der r's laten vallen, en schrijven dus _guerilla_, wat bij het gebruik in onze taal wordt nagevolgd. Men spreekt bij ons ook wel van een _guerilla-oorlog_, eene uitdrukking die natuurlijk onbestaanbaar is, als men _guerilla_ in de oorspronkelijke beteekenis opvat, maar zich zeer goed laat verdedigen als men denkt aan een oorlog, door _guerillas_ of ongeregelde troepen gevoerd.
Tinka.
Zoo wordt dit woord geschreven door den heer J. ten Brink, die er telkens gebruik van maakt in zijne „Oost-Indische dames en heeren”, en wel altijd in de beteekenis van _grillen_, _kuren_, _nukken_; b.v. D. I, bl. 35: „_Tinkaas_! als ze niet dadelijk stil is, moet Moenah met haar naar binnen”; bl. 72: „We moeten ze wat ontzien, al hadden ze ook de lastigste _tinkaas_”; bl. 214: „Altemaal _tinkaas_!”; D. II, bl. 165: „Lucy is een zottin met een massa kuren en _tinkaas_.” Bij van Rees, „Herinneringen”, vinden wij hetzelfde woord, in dezelfde beteekenis _tingka_ geschreven; b. v. D. I, bl. 124 (3e druk): „Het is geen wonder dat die paarden _tingka's_ hebben.” Inderdaad is _tinka_ voldoende, daar de _n_ vóór de _k_ van zelve als _ng_ wordt uitgesproken.
Het woord, zeer gebruikelijk in de samenleving der Indo-Europeanen te Batavia, is uit de inlandsche talen overgenomen. Het is gemeen aan het Javaansch, Soendaasch en Maleisch, en heeft in die talen niet alleen de _ng_, maar ook nog een _h_ op het einde (dus _tingkah_), die echter in de uitspraak niet of nauwelijks gehoord wordt. Het heeft echter oorspronkelijk eene meer algemeene beteekenis, namelijk die van _wijze van zijn_ of _van doen_, _manier_. De overgang tot de meer beperkte beteekenis van _bijzondere, in het oog loopende manieren_, _grillen_ of _kuren_ is nagenoeg dezelfde als die in onze taal, wanneer wij van _manier_ en _gemanierdheid_ in de kunst spreken.
Bendi.
_Bendi_, soms ook _bindi_ (en in het Tamielsch, waaruit het misschien afkomstig is, _wendi_) geschreven, is op Java de gewone, ook onder de Europeanen zeer gebruikelijke naam van een licht, tweewielig rijtuig of sjees. Ziehier eenige voorbeelden: Van Hoëvell, „Reis over Java”, I, bl. 128: „De Regent bood mij eene _bindi_ aan om mij verder te brengen”. Van Rees, „Herinneringen”, 3e druk, D. I, bl. 123: „Onder een afdak op het smalle plaatsje, tegenover den stal, prijkte een keurige _bendy_”. Ten Brink, „Oost-Ind. dames en heeren”, I, bl. 250: „soms was een _bendi_ hen voorbijgesneld”. (Zie ook bl. 67, 90, 109, 148, enz. enz.) Van Rees, t. a. p., gebruikt ook het samengestelde _bendyjongen_. Voor het gebruik der _y_ in dit woord is geen reden.
Baboe.
_Baboe_ beteekent in het Javaansch en Maleisch de voedster of minne van een kind, hetzij de moeder zelve of eene andere vrouw die taak vervult, en bij uitbreiding ook de oppasster van een kind of kindermeid. Het gebruik van het woord komt zeer overeen met dat van het Engelsche _nurse_; de baboe is zoowel _dry nurse_ als _wet nurse_. Ook in Nederland is dit woord zeer bekend en gebruikelijk. De Javaansche meiden, die vaak de uit Indië terugkeerende familiën tot verzorging der nog jonge kinderen naar Europa vergezellen, zijn algemeen bij den naam van _baboe_ bekend, en in onze dagbladen zijn advertentiën niet zeldzaam, waarbij eene naar Europa overgekomen _baboe_ hare diensten aan naar Indië vertrekkende familiën aanbiedt, of gelegenheid zoekt op andere wijze naar haar vaderland terug te keeren.
Ampas.
_Ampas_ is een Javaansch en Maleisch woord, dat volgens het „Jav. Woordenboek” van Prof. Roorda beteekent: „het vaste overblijfsel van iets, waarvan de waterdeelen uitgeperst zijn, of dat uitgetrokken of uitgekookt is, zooals van uitgeperst suikerriet, koffiedik of teebladeren”. Volgens Klinkert's „Supplement op het Mal. Woordenb. van Pijnappel” beteekent het te Riouw ook uitvaagsel, afschrapsel.
Bij de Europeanen in Indië is dit woord zeer in gebruik voor den afval in de fabrieken van suiker en indigo, bv. de Sturler „Handboek v. d. Landbouw in Ned. O.-I”, bl. 823: „De dessahoofden wier indigo-product verwerkt wordt, moeten zorgen dat er steeds brandstof voorhanden is, wanneer de _ampas_ (in dit geval de takjes der bladeren) ontbreken mocht”.
Bibit.
_Bibit_ is Javaansch en Maleisch en is een zeer gebruikelijk woord bij den landbouw in Ned.-Indië, om de jonge plantjes van rijst, suikerriet, tabak, enz. aan te duiden, die op kweekbeddingen worden geteeld, om later op den akker te worden overgeplant. De Sturler, „Handboek voor den landbouw in Ned.-Indië”, bl. 1108: „Voor _bibit_ neemt men jonge stekken van het boveneinde”. Van Rees, „Herinneringen”, 3e druk, D. II, bl. 17: „Met kinderlijke onnadenkendheid verkoopt de Javaan den oogst van de pas geplante rijst-_bibit_, de vruchten die nog aan zijne boomen moeten wassen”.
Bij de cochenielje-teelt worden ook de jonge insecten die op nieuwe nopalplanten worden overgebracht, _bibit_ genoemd. De Sturler, t. a. p. bl. 1014: „Gedurende de eerste vijf dagen dat de cochenille aan het baren is, is zij het best geschikt om voor _bibit_ te dienen, teneinde op andere nopals overgebracht te worden.”
Kris.
De _kris_ is het gewone wapen der Javanen, dat zij zelfs in den diepsten vrede altijd bij zich dragen. „Men kan de _kris_ een ponjaard noemen, omdat het lemmer (behoudens de golving) steeds recht en slechts drie à vier palmen lang is; maar het is daarentegen altijd plat, als dat van een zwaard, ofschoon scherp aan beide zijden. De snede, hoewel nooit _ver_ van de rechte lijn afwijkend, volgt in vele der meest voorkomende verscheidenheden eene golflijn met meer of minder, en grooter of kleiner bochten.” In deze korte beschrijving, die ik hier overneem uit mijn „Java”, D. I, bl. 611, heb ik getracht de onnauwkeurigheden te vermijden, die gewoonlijk in de omschrijvingen van het woord worden aangetroffen. De kris heeft _niet_ den vorm eener slang en kan zelfs geheel recht van snede zijn; een kris is dikwijls vergiftigd, maar dit behoort niet tot zijn wezen.
Het is zonderling dat in een zoo eenvoudig woord, dat met de letters onzer taal nauwkeurig kan worden uitgedrukt, zoovele verschillende en verkeerde schrijfwijzen voorkomen, vooral daar men den juisten vorm _cris_ (= _kris_) reeds vindt in „Begin en Voortgang”, tweede schipvaerd der Hollanders, bl. 12. Van Linschoten, „Itinerario”, bl. 25, schrijft: „de pongiaerden, die men in Indië heet _cryses_.” Bij Wouter Schouten vind ik nog in de uitgave van 1780 _kritzen_ gespeld. Vooral vindt men dikwijls _krist_ geschreven.
Van _kris_ heeft men in Indië het werkwoord _krissen_ gevormd, voor _met de kris afmaken_. Zoo zal men er bijv. zeggen: „de ter dood veroordeelde misdadigers werden vroeger in de Vorstenlanden op Java _gekrist_.”
Martavaan.
_Martavaan_, soms _martevaan_ geschreven, is onder de Europeanen in Indië de naam van een soort van groote aarden vaten of potten van oude herkomst en bij de inlandsche bevolking in groot aanzien. Beroemd was van ouds de Martavaan van Soya op Amboina, door Valentijn, III, 1, bl. 9, beschreven als: „een verglaasde, groote _Siamsche_ pot”, die omtrent een half uur van het dorp op eene hoogte stond, waarbij eene godheid haren zetel had, die, als na het offer van een witten haan, met een bamboestokje uit het naburig bosch in den pot geroerd werd, onmiddellijk regen gaf. Wanneer de inlanders boven de hoogte regenwolken zagen, plachten zij te zeggen: „Radja Soya roert zijn pot”. Vgl. nog ald. bl. 30 en Brumund, „Indiana”, II, 73. In het „Tijdschr. v. N.-I.” 1871, D. II, bl. 238 v. wordt gewaagd van merkwaardige overblijfselen der oudheid, voornamelijk bestaande uit een oud stuk geschut, een verminkt beeld en een groote _martavaan_, gevonden bij den oorsprong der Tjitaroem in de Preanger Regentschappen.
Men leest somtijds van „_Japansche_ Martavanen”, b.v. bij Perelaer, „Ethnologie der Dajaks”, bl. 112, die niet of nauwelijks verschillen van de oude tampajans of koelpotten, door de Dajaks zoo hoog in eere gehouden (zie mijn „Borneo's Westerafdeeling”, D. II, bl. 262). De herkomst dier oude, vaak zoo verbazend duur betaalde potten wordt als onzeker beschouwd. (Zie Sal. Muller's „Reizen en onderzoekingen in den Ind. Archipel”, D. I, bl. 264). Mij schijnt het toe dat zij echte Martavanen zijn, maar dat thans onder dien naam ook Japansche en Chineesche namaaksels in den handel komen, die echter de Dajaks (vgl. Perelaer, bl. 117) zeer wel van de echte weten te onderscheiden.