Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden

Part 18

Chapter 183,329 wordsPublic domain

_Toptafel_ komt o. a. voor in „Batavia in derzelver gelegenheid”, III, bl. 17: „Aan de luitenants der Chineezen zijn tot een bestaan gegeven de toptafels dier natie”; doch het is vreemd dat daar van de toptafels wordt onderscheiden het Chineesche spel _pho_ en _to-pho_, dat gezegd wordt aan de kapiteins dier natie te zijn afgestaan. Het onderscheid schijnt hier niet juist te zijn gemaakt; ten minste zou uit de hierboven voorgestelde, ook door den heer G. Schlegel goedgekeurde afleiding volgen, dat de _toptafel_ juist voor het _to-pho_-spel diende.

Zeer vreemd klinkt in onze ooren de uitdrukking _topbaan_. Wij verstaan door _baan_ een geëffende vlakte, zooals inderdaad gevorderd wordt voor sommige spelen. De namen _kolfbaan_ (of zooals men oudtijds ook zeide _klosbaan_), _kegelbaan_, _kaatsbaan_, zijn ons niet vreemd, maar dat plaatsen waar men zich met kaart- en dobbelspel bezighoudt, ook _banen_ genoemd worden, is in strijd met ons hedendaagsch spraakgebruik. Intusschen schijnt _baan_, bij uitbreiding, ook de algemeene beteekenis te hebben gehad van _speelplaats_. Volgens Kiliaan beteekent _bane_: _via_, _platea_, _planities_, _callis_; maar hij scheidt daarvan af een tweede _bane_, met de beteekenis van _area, locus ubi luditur_, waarbij hij klosbaan (kolfbaan) en tuischbaan (elders door hem _area aleatoria_ verklaard) als voorbeelden noemt. Mijns inziens is baan voor _speelplaats_ hetzelfde woord als in den zin van gebaanden weg of vlakte, maar, nadat het in gebruik was gekomen in den zin van speelplaats voor spellen die eene geëffende baan vereischen, door minder eigenaardige uitbreiding voor iedere plaats gebruikt, die bepaaldelijk voor eenig spel bestemd was.

Mogol.

_Mogol_ (vgl. het Eng. _Moghul_) is de echte Aziatische naam van den Tartaarschen volksstam, dien wij gewoonlijk, met invoeging eener _n_,[50] Mongolen noemen. De vorsten van dezen stam worden doorgaans „de groote Mogol” genoemd. De grondlegger van de dynastie der Mogols, die sedert het jaar 1526 haren zetel had in Delhi in Hindostan, was de beroemde Tamerlan, die dan ook veelal als de eerste Groote Mogol wordt aangemerkt. Zie b. v. Valentijn, IV, 2, bl. 165. Echter wordt ook de zevende Groote Mogol, Sjah Baber, wel eens als de eerste voorgesteld, omdat met hem de regeering dezer dynastie te Delhi aanvangt. De Nederlanders kwamen in den tijd hunner vestiging en veroveringen in Hindostan met de Groote Mogols dikwijls in aanraking; de Engelschen, die in hunne voetstappen traden en hen eindelijk geheel uit dit gebied verdrongen, hebben het gezag der Groote Mogols eerst allengs ondermijnd, en eindelijk, toen het niets meer dan een schaduw geworden was, in 1828 opgehouden te erkennen. Desniettemin komt de naam Groote Mogol, of enkel Mogol, niet enkel veelvuldig bij onze geschiedschrijvers voor, maar is hij ook overgebleven in de volkstaal, om een potentaat, een despoot, iemand die zich op zijn gezag, zelfs in geringe zaken, veel laat voorstaan, aan te duiden. Zoo wordt zelfs bij Cremer, „Anna Rooze”, II, bl. 348, een keukenmeid schertsenderwijze „een keuken-mogol” genoemd, in denzelfden zin waarin wel eens in het dagelijksch leven van de „keukenprinsessen” gesproken wordt.

[50] Zie op _Moeson_, _Amfioen_, _Pampoesjes_, en vooral ook de noot op het art. _Banaan_.

Pikol, Pikkel.

_Pikol_, door velen, zonder eenige reden, als ware het een woord van Latijnschen of Franschen oorsprong, _picol_ geschreven, is het Mal. en Jav. _pikol_ of _pikoel_, dat eigenlijk _dragen_, inzonderheid _over de schouders dragen_ (waartoe veelal een over den schouder liggende en aan beide in evenwicht gebrachte zijden beladen draagstok, _pikolan_, gebezigd wordt) beduidt, beteekent als zelfst. naamw. _den last dien een man op deze wijze dragen kan_, een _schoudervracht_. Daar zulk een last gemiddeld op honderd kati's, gelijkstaande met 125 Amst. ponden, begroot wordt, heeft _pikol_, volgens de bepalingen van de Nederlandsche Regeering, de bepaalde beteekenis van een gewicht van 125 Amst. ponden of 61.7613 kilogr. erlangd, en is men thans gewoon, zoowel in Indië, als ook in Nederland, de hoeveelheden van koloniale waren, b. v. koffie, suiker, tin enz., bij zulke pikols te berekenen. Hierdoor heeft dit woord, in deze bepaalde beteekenis dagelijks in de dagbladen voorkomende, het Nederlandsch burgerrecht verkregen. Zoo zegt men, b. v.: „Banka levert jaarlijks gemiddeld 80,000 pikols tin”; „de residentie Pasoeroean bracht in 1870 aan het Gouvernement 274,000 pikols koffie op.” De oude Preanger pikols van 225 Amst. ponden behooren thans nog slechts tot de geschiedenis.

Wanneer aan het woord _pikol_ het Nederlandsch burgerrecht wordt toegekend, kan de vraag rijzen of het niet verkieslijk zou zijn, daaraan den reeds nu niet geheel ongebruikelijken verhollandschten vorm _pikel_ te geven, die geheel met de gewone uitspraak overeenstemt, en waarvoor ook pleit het in Indië van pikol als werkwoord gevormde, en in den zin van _over den schouder dragen en vervoeren van lasten_ gebruikte, vernederlandschte werkwoord _pikelen_.

Gelijk damar, pasar, klapa, rotan, pikir en vele andere Mal. of Jav. woorden in het Nederlandsch met verkorte vokaal en verdubbelde consonant worden uitgesproken (zie op _dammer_, _passer_, _klapper_, _rotting_, _pikkeren_), zoo kan ook uit _pikol_ de nieuwe vorm _pikkel_ ontstaan zijn.

Het woord _pikkel_ is in het Ned. bekend: 1o. als bijvorm van _bikkel_ (zie Franck, Etym. Wdbk. op _bikkel_); 2o. in de aan de Vlaamsche gewesten eigene beteekenis van voet of onderstel (b. v. van een tafel, een stoel, een pot)[51]; 3o. in de beteekenis van zeker weegwerktuig, dat alleen plaatselijk schijnt bekend te zijn, waardoor deze beteekenis in onze woordenboeken niet vermeld wordt. Te Rotterdam en Dordrecht nam. is _pikkel_ de naam van een werktuig uit drie palen bestaande, die van boven onderling met scharnieren verbonden en van onderen van ijzeren punten, waarmede zij tusschen de straatsteenen kunnen worden vastgezet, voorzien zijn. Tusschen die palen hangt een haak, waaraan een balans met schalen bevestigd wordt. Men bezigt dit weegwerktuig op de kaden bij het lossen van schepen. De arbeiders die met het wegen met de pikkel belast zijn, vormen in de genoemde plaatsen een soort van veem, en hieruit is de spreekwijze te verklaren: „die man is aan de pikkel”, d. i. hij behoort tot dat veem. Te Rotterdam (wellicht ook op andere plaatsen) zijn de pikkelloonen bij stedelijke verordening vastgesteld.

[51] Kiliaan op _Pickel_: „pes mensae, sedis”, op _Pickelpot_, „chytropus, olla pedes habens”. Heremans, „Ned.-Fr. Wdbk.”: „_Pikkel_, voet eener tafel, eens stoels”.

Dit weegwerktuig kan zijn naam ontleend hebben aan zijn vorm of aan zijn bestemming. In het eerste geval is misschien _pikkel_ een verkorting van het Vlaamsche _pikkelstoel_, dat volgens Heremans _un trépied_, volgens van Dale _een drievoet_, _elk meubelstuk dat op drie voeten rust_, beteekent. Dit _pikkelstoel_ zal wel met het bovengenoemde _pikkel_, voet van een stoel of tafel, samenhangen, maar hoe het aan de speciale beteekenis van een _drie_-voet komt, blijft zeer onduidelijk. Intusschen zijn het alleen _de drie voeten_, die niet oorspronkelijk tot het begrip van pikkel schijnen te behooren, die bij de pikkel als weegwerktuig aan den pikkelstoel doen denken.

Eenvoudiger is het wellicht aan te nemen dat pikkel als weegwerktuig het vernederlandschte _pikol_ is, dat allengs zijne beteekenis van schoudervracht met die van een handelsgewicht heeft verwisseld. Misschien werd in den tijd der Compagnie ook in Nederland bij pikols gewogen. Men zal dus de weegloonen _pikkel-loonen_ genoemd hebben, en vandaar het werktuig, waarmede gewogen werd, de _pikkel_.

Men zie in alles wat hier over het woord pikkel gezegd is, niet meer dan een poging om op een verwaarloosd woord opmerkzaam te maken, en om het raadsel van zijn oorsprong op te lossen. Groote waarschijnlijkheid durf ik zelf aan mijne oplossing niet toekennen.

Dikir.

De _dikir_ is een gewone vorm van godsvereering in den Indischen Archipel, daarin bestaande, dat mannen en vrouwen zich vereenigen en onder het aanhoudend slaan op een gong of trom en het aanhoudend geroep van „lá iláha illaʾlláhoe” (er is geen God dan Allah), het lichaam gedurig heen- en weerschudden, waarbij sommigen in een staat van vervoering geraken en na allerlei sprongen en kronkelingen onder hevige stuiptrekkingen bewusteloos neerzijgen. Deze soort van godsvereering gaat echter niet altijd met zulke heftige verschijnselen gepaard. Men moet een onderscheid maken tusschen die eenvoudige dikirs, die reeds tot de eerste tijden van den Islam opklimmen en door Mohammed zelven in praktijk werden gebracht, en die meer omslachtige en kunstmatige, waardoor zich later de Çoefi's onderscheidden (zie Niemann's „Inleiding tot de kennis van den Islam”, bl. 352), en die wij bij de Derwisjen in Turkije en Egypte (zie Dozy, „het Islamisme”, bl. 330; Lane, „Modern Egyptians”, 5th ed., p. 243), en bij sommige dweepzieke sekten op Java, b. v. bij de zoogenaamde _tiang doel_ (zie T. v. N.-I., Jg. 1855, D. II, bl. 14; Meded. v. wege het Ned. Zendelinggen., Jg. IV, bl. 241; mijn „Java”, D. I, bl. 339), ook op Borneo in den tijd van den Bandjermasinschen krijg bij de broederschap der _beratip beamal_ (zie van Rees, „de Bandjermasinsche krijg”, D. II, bl. 186, Tijdschr. v. N.-I. Jg. 1869, D. II, bl. 197; Gramberg, „Madjapahit”, D. II, bl. 195) aantreffen. Wanneer wij b. v. bij Wallace, „Insulinde”, D. II, bl. 178 lezen: „Nadat wij van wal waren gestoken, begon de oude djoeragan eenige gebeden op te zeggen, waarop allen in het rond, onder begeleiding van eenige slagen op de gong, „_lá iláha illaʾllahoe_” antwoordden,” dan wordt daar ongetwijfeld een _dikir_ beschreven, maar een dikir die geheel vrij is van de buitensporigheden der geestdrijverij. Ook de plechtige dikirs die op Java op den Moeloed-dag, den geboortedag van den Profeet, door de priesters gehouden worden (zie mijn „Java”, D. I, bl. 393, D. III, bl. 624), schijnen van die heftige vertooningen vrij te zijn. Men kan in Sprenger's „Leben und Lehre Mohammeds”, D. I, bl. 317 vv., of in de vertaling van dat stuk in „T. v. N.-I.” Jg. 1870, D. I, bl. 405, nalezen, hoe deze bijzondere vorm van godsvereering, die met de vijf voor elken dag voorgeschreven gebeden niets gemeens heeft, ontstaan is en zich ontwikkeld heeft.

_Dikir_ is de Javaansche en, wat de uitspraak betreft, ook de Maleische vorm van het Arabische woord _dzikr_, dat _vermelding_, _lofvermelding_, _verheerlijking_, nam. van God, beteekent. De Arabische letter _dzâl_ kan de Javaan niet uitspreken; zij wordt vanzelve _d_. Tusschen de sluitconsonanten _k_ en _r_ wordt, omdat de in de literaire taal gebruikelijke uitgang die de naamvallen aanwijst, verloren is gegaan, als vanzelve de vokaal der eerste letter vluchtig herhaald. (Vgl. het aangeteekende op _Attar goel_). Zoo ontstaat dus het woord _dikir_, dat door den heer Verkerk Pistorius, „Studiën over de inlandsche huishouding in de Padangsche Bovenlanden”, bl. 211, minder goed _sikir_ geschreven en daardoor moeilijk herkenbaar wordt. In den laatsten tijd las men in de Indische dagbladen ook dikwijls _dzikir_ (en als werkwoord _dzikirren_); maar deze poging om den oorspronkelijken Arabischen vorm beter uit te drukken, is niet aan te bevelen in een woord dat niet in zijn Arabischen, maar in zijn Javaanschen vorm tot ons is gekomen.

Brani.

_Brani_ is een Maleisch woord, waarvan _wani_ het Javaansche aequivalent is, ofschoon de Javanen ook somtijds het Maleische woord gebruiken. Naar den aard dier talen, die wel bijzondere verbale vormen hebben, maar niet noodwendig substantief, adjectief en verbum onderscheiden, beteekenen deze woorden zoowel _stoutmoedig zijn_, _durven_, _wagen_, als _stoutmoedig_, _dapper_, _driest_, en _een stoutmoedige_, _een dappere_, _een held_. Het woord _brani_ wordt niet slechts in Indië veel door de Europeanen gebruikt, maar is ook in Nederland in de volkstaal ingedrongen. Zoo lezen wij, b. v., bij van Maurik, „Van allerlei slag”, bl. 32: „Kijk ereis aan, die wil den _brani_ uithangen”.

Pikeren, Pikkeren.

Deze woorden zijn ontleend aan het Maleische en Javaansche _pikir_, overdenking, overleg, gedachte, dat zelf weder niets anders is dan de inlandsche uitspraak van het Arabische _fikr_. Daar de Maleische taalstam geen _f_ kent, gelijk de Arabische taal geen _p_, moest de _f_ door haar naaste verwante de _p_ vervangen worden; voor het overige werd _pikir_ van _fikr_, gelijk _dikir_ van _dzikr_ gevormd. De verdubbeling der _k_ in _pikkeren_, dat dikwijls in plaats van _pikeren_ gebruikt wordt, is ook een gewoon, reeds meermalen door mij ter sprake gebracht verschijnsel; zie art. _Rotting_. In het Maleisch en Jav. wordt, naar den aard dier talen, _pikir_ ook als werkwoord gebruikt, in den zin van _overleggen_, _overdenken_; bij den Indo-Europeaan wordt hetzelfde uitgedrukt door aan het inlandsche woord den Nederlandschen verbaalvorm te geven. Zie op _Soebatten_. _Over iets pikkeren_ is eene gewone Ned.-Indische spreekwijze, zooals o. a. opgemerkt is door Gevers Deynoot, „Herinneringen eener reis naar Ned.-Indië”, bl. 41, en in van der Hoog's roman „Wonosari”, D. II, bl. 43, waar men leest: „wat loopt gij dan ook zoo te piekeren, zooals men zegt.”

Tang.

Dit woord zullen de meeste mijner lezers wel niet verwacht hebben hier aan te treffen. Het is dan ook slechts in de zeer bijzondere beteekenis die het als scheldwoord heeft, dat er hier sprake van kan zijn. De uitdrukkingen: _een tang van een wijf_, _een oude tang_, zouden, volgens eene gissing van Prof. de Vries in „de Taalbode”, II, 292, afkomstig zijn van _seetang_ of _zeetang_, eene Europeesche verbastering van het Maleische _seitan_ of _sétan_. Prof. Moltzer zegt daarvan in zijne aankondiging in „de Gids” voor 1872, II, 161: „Lepidius quam verius”, en drukt zijne overtuiging uit dat te eeniger tijd de ware eerste _tang van een wijf_ uit het een of ander oud kluchtspel zal te voorschijn treden. Maar dit is geene verklaring. Zou _de tang_ ook kunnen staan voor de persoon die er zich van bedient? Het is een werktuig dat men gebruiken kan om te slaan en te knijpen en vast te houden, en dat eene vrouw uit de volksklasse allicht ter hand vindt als zij haren toorn koelen wil. Onmogelijk schijnt mij die opvatting niet.

De gissing van Prof. de Vries is echter lang zoo onwaarschijnlijk niet als zij zich op het eerste gezicht voordoet, en kan ook nog wel voorgesteld worden op eene wijze, die haar meer aannemelijk maakt. Het woord _seetan_ is oorspronkelijk niet Maleisch, maar het Arabische _sjeitan_ (dat echter van het Hebr. _Satan_ schijnt af te stammen), door de Maleiers en Javanen, wier spraakorganen de _sj_ (of _sch_) van het Arabisch alphabet niet kunnen voortbrengen, als _seitan_ of _sétan_ uitgesproken. Daaruit schijnt in het zoogenaamd laag-Maleisch, dat is het door de Europeanen gesproken brabbel-Maleisch, _sĕtang_ ontstaan, want ofschoon die vorm in onze Maleische woordenboeken en woordenlijsten, ook die van het laag-Maleisch, zooveel ik weet, nooit wordt opgegeven, vind ik hem reeds bij den ouden Bontius, „Hist. Nat. et Med. Ind. Orient.”, p. 79, waar hij van een kleinen gehoornden visch sprekende zegt: „Piscatores Indi vocabulo Arabico ipsum _ican setáng_ vocant, i. e. piscem diabolum, vel quod cornua gerat, seu, quod ictus ejus admodum virulentus sit.” De betoning van de _a_ in de laatste lettergreep, die Bontius door een accent aanwijst, vordert bepaaldelijk dat de _e_ in de eerste als ĕ wordt uitgesproken. Echter is die verkorting van den klinker _é_ bevreemdend, en alleen te verklaren uit eene verplaatsing van den klemtoon, zooals ook in andere talen soms plaats heeft. Men zegt wel te Amsterdam steeds _vierkánt_ in plaats van _víerkant_, en te Groningen _óverleg_ in plaats van _overlég_, ofschoon beide geheel met ons taaleigen strijden. Minder bezwaar heeft de verandering op het einde van de zuivere _n_ in de nasale _ng_, die bijzonder aan het laag-Maleisch eigen is, zooals ik op _Orang oetan_ en _Rotting_ opmerkte. Stel nu (wat ik niet durf verzekeren, maar dat gemakkelijk kan worden uitgemaakt door ieder die eenigen tijd te Batavia heeft vertoefd) dat die vorm _sĕtang_ nog heden in het straat-Maleisch in gebruik is, dan kan het woord licht door onze matrozen zijn opgevangen, en, met verwaarloozing der eerste toonlooze lettergreep, waardoor het tevens den vorm kreeg van een gewoon Nederlandsch woord (zie op art. _Kaalkop_) in de Nederlandsche volkstaal overgebracht. Ik vind _orang sétan_ als een gebruikelijke laag-Maleische uitdrukking voor een _duivelsch_, een _boosaardig mensch_ vermeld. Dezelfde beteekenis heeft dan _sĕtang_ of _tang_.

Akal.

Dit uit Java medegebracht, maar eigenlijk ook al weder Arabisch woord, verneemt men uit den mond onzer Indo-Europeanen tot zelfs in de vergadering onzer volksvertegenwoordigers. In de zitting der Tweede Kamer van 16 November 1885 waarschuwde de heer van Gennep tegen de _akals_, die zouden kunnen worden aangewend om aan gelden voor een bepaald doel beschikbaar gesteld, ten nadeele der inlandsche bevolking, eene andere bestemming te geven, en de _Nieuwe Rott. Courant_ van 16 Oct. 1888, beschuldigt, in navolging daarvan, in een artikel over de Indische begrooting den Minister van Koloniën van zulk een _akal_ om de Begrooting ten koste van den Javaan te ontlasten. Ook de Indische pers maakt dikwijls van het woord gebruik, b.v.: „Er moest dus een _akal_ gezocht worden, om met een zoet lijntje tot hen door te dringen.” (Kruseman, „Eenige dagen onder de Badoewies”, in „Java-bode” van 31 Oct. 1888.) Het zal dus noodig worden ook dit woord onder de aanwinsten onzer taal uit Indië op te teekenen. Het Arabische _ʾaql_ door de Javanen en Maleiers _akal_ uitgesproken, beteekent eigenlijk _verstand_, _doorzicht_, _scherpzinnigheid_, _schranderheid_; bij de Inlanders bepaaldelijk ook inzicht in de waarde der geheimzinnige teekenen, die de goede of kwade eigenschappen van paarden, buffels, vechthanen, en vele andere zaken bepalen. Maar bij de Indo-Europeanen wordt het, ook in navolging der Inlanders, veelvuldig gebruikt van _behendigheden_, _sluwheden_, _listen_, en bij dit gebruik laat het natuurlijk ook het meervoud toe.

Hegira.

Dit woord, waarvan de hierboven geplaatste, vroeger bij ons algemeene schrijfwijze eene navolging schijnt te zijn van het Fransche _Hégire_[52], is reeds behandeld in de „Oosterlingen” van Prof. Dozy, en zou dus hier achterwege zijn gebleven, zoo ik niet gewenscht had opmerkzaam te maken op een opstel van Dr. Snouck Hurgronje in de „Bijdragen van het Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Ind.” 5e Volgr., D. I, bl. 356, waarin hij aantoont, dat het Arabische woord _Hidjra_ (want zoo luidt de juistere, thans ook door velen gevolgde, transscriptie) ten onrechte doorgaans door _vlucht_ wordt vertaald. De wortel beteekent: _afsnijden_, _verlaten_, _zich afwenden_ van personen of zaken, _zich afscheiden_. Dozy heeft de ware beteekenis niet over het hoofd gezien, zooals blijkt uit zijne verklaring: „_het verlaten der geboorteplaats_, _het vertrek_,” maar wordt toch ook weder minder juist, als hij er ook _de vlucht_ aan toevoegt. Wie zijne geboorteplaats verlaat en zich van zijne stadgenooten afwendt, kan zeker daartoe gedwongen zijn en dus _vluchten_; maar Mohammed's vertrek van Mekka was geene vlucht, maar eene vrijwillige, lang overlegde en voorbereide daad, zooals dr. Snouck Hurgronje in bijzonderheden aantoont. Wij zouden der historische waarheid meer recht laten wedervaren door niet van _de vlucht_, maar van de _uitwijking_ van Mohammed te spreken.

[52] De _g_ in dit woord stelt de _djîm_ of _djô_ der Oostersche alfabets voor, die wij thans gewoonlijk door _dj_ uitdrukken. Zij stemt wel het best overeen met de Engelsche in _joy_, _journey_ etc.

Adonis.

_Adonis_ is in de Grieksche mythologie de naam van een schoonen jongeling, hartstochtelijk door Venus bemind, en, toen hij op de jacht door een ever gedood was, niet minder hartstochtelijk beweend. In den zin dezer mythe willen wij ons hier niet verdiepen. Ik herinner slechts dat in Syrië en Phoenicië, en later ook in Griekenland, ter eere van Adonis een jaarlijksch feest werd gevierd, vooral gekenmerkt door de luide jammerklachten der vrouwen. De hoofdzetel van dezen cultus was vroeger Byblus in Phoenicië, later Amathus op het eiland Cyprus. De naam _Adonis_ is Phoenicisch en Hebreeuwsch, en samengesteld uit _Adoon_, dat _heer_ beteekent, en het aangehecht voornaamwoord _i_, met de beteekenis van _mijn_. _Adonis_ was dus oorspronkelijk niet de naam eener bijzondere Godheid; elke Godheid had Adoon kunnen genoemd worden, en in het Hebreeuwsch werd het woord in den meervoudvorm _Adonai_, vooral ook van den Eenigen God gebezigd. Voor de Grieken echter had dit woord, dat zij tegelijk met de Adonisfeesten uit het Oosten ontvangen hadden, eene zeer bepaalde beteekenis. Zonder zich om den oorspronkelijken zin te bekreunen, of dien zelfs te kennen, dachten velen daarbij alleen aan den schoonen, door Venus beminden jongeling.

In de moderne talen, ook in de onze, heeft het woord Adonis het karakter van een eigennaam weder verloren en beteekent het in het algemeen een jongeling van buitengewone schoonheid, en vooral, in scherts, een man, die zich inbeeldt schoon te zijn en zich beijvert om zich als zoodanig voor te doen, een pronker. De Vries en te Winkel in het „Nederlandsch Woordenboek” geven daarvan een voorbeeld uit „Willem Leevend”, dat gemakkelijk met andere te vermeerderen ware geweest. Maar zeer eigenaardig is het gebruik van het woord, als _Adoons_ uitgesproken, in de taal der Kaapsche Boeren. Volgens Mansvelt's „Idioticon” noemen zij zoo den _baviaan_, zeker om met zijne afzichtige leelijkheid den spot te drijven.

Sjalot.

Ook deze naam eener algemeen bekende moesgroente stamt in zekeren zin uit het Oosten; want hij is ontleend aan de stad Askalon, eene der in het Oude Testament vermelde steden der Philistijnen. Het voorkomen van uitgestrekte uienvelden bij Askalon wordt vermeld bij Strabo en Stephanus Byzantinus. Die uien werden echter onderscheiden als eene bijzondere soort, reeds bij Theophrastus _ascalonion krommyon_, bij Plinius en Columella _caepa ascalonia_ genoemd. Vandaar ook de tegenwoordige botanische naam der sjalot _Allium ascalonicum_.

De verbastering van dit ascalonia of ascalonium tot _sjalot_ (Duitsch _Schalotte_, Eng. _Shallot_) schijnt aan de Franschen te moeten geweten worden, uit wier taal het tot de andere moderne talen schijnt te zijn overgebracht. Bij oud-Fransche schrijvers door Littré, art. _échalote_, aangehaald, vindt men de vormen _escalone_, _eschaloingne_ en _eschalote_. Het onverstane woord schijnt in de uitspraak allengs meer verbasterd te zijn.

Maïs, Miloe, Djagoeng.