Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden

Part 17

Chapter 173,409 wordsPublic domain

Van het Javaansch-Maleische _baris_, dat _streep_, _lijn_, _regel_, _rij_, _gelid_ beteekent, komt _barisan_, of, naar de gewone uitspraak, _barissan_, dat veelvuldig, ook door de Europeanen, van een troep inlandsch krijgsvolk gebruikt wordt, zooals wij ook in onze taal _de gelederen_ voor _het krijgsvolk_ gebruiken. Zie het „Woordenboek der Ned. Taal” van de Vries en te Winkel, 3e reeks, kol. 1149 v. _Barissan_ vinden wij van inlandsche korpsen gebruikt in de volgende gevallen: 1o. Van de ongeregelde korpsen die in den oorlog op Java met Dipô Negôrô in verschillende deelen des eilands werden opgericht. Voorbeelden: „In de verschillende districten van Kadoe werden onder inlandsche hoofden, op wie men vertrouwen stelde, ongeregelde troepen of barissans opgericht.” Weitzel, „de Oorlog op Java”, I, bl. 97. „In die bijeenkomst werd onder anderen bepaald, dat eenige barissans zouden te velde gebracht worden.” Ibid. bl. 296.—2o. Eene soort van inlandsche schutterij, uit de familieleden en afhangelingen der Regenten samengesteld, onder hunne bevelen geplaatst, maar door het Gouvernement bezoldigd, die v. d. Bosch instelde met het oog op het cultuurstelsel, ten einde de macht en den invloed van de inlandsche aristocratie te vermeerderen. Zie van Deventer, „Landelijk stelsel”, II, bl. 202, 214. Vgl. mijn „Java”, II, 685.—3o. De inlandsche troepen onderhouden door de Vorsten van Madoera, om steeds ter beschikking te blijven van het Gouvernement. De Louter, „Handleiding tot de kennis van het Staats- en Administratief Recht van N.-I.”, bl. 335. Vgl. mijn „Java”, III, bl. 896.

Overdrachtelijk wordt de naam barissan ook gebruikt van bergen die een gesloten keten vormen en als het ware in het gelid staan. Vooral het gebergte dat zich in schier onafgebroken lijn langs de Westkust van Sumatra uitstrekt, wordt het Barissan-gebergte genoemd.

Prauw.

_Prauw_, vernederlandscht uit het Jav. en Mal. _prahoe_, _pĕrahoe_ of _praoe_, is zeker een der meest bekende en gebruikte onder de inlandsche woorden, die eerst in Indië, later ook, waar over Indië gehandeld wordt, in Nederland, in onze taal zijn opgenomen; maar dat het woord niet altijd juist wordt opgevat, blijkt uit de omschrijving in het „Nieuw Nederl. Wdbk.” van van Dale: „plat vaartuig der Indianen, waarmede de lading wordt gelost of aan boord gebracht.” Vooreerst is hier _Indiaan_, geheel in strijd met het spraakgebruik, toegepast op Javanen en Maleiers, terwijl het, tegenwoordig althans, bij ons uitsluitend pleegt gebruikt te worden van de wilde stammen van Noord- en Zuid-Amerika, zooals van Dale zelf op het woord _Indiaan_ te kennen geeft. Men zou hierdoor in den waan kunnen gebracht worden dat de prauw in Amerika, in stede van Insulinde, te huis behoort. Ten andere is _praoe_ inderdaad een woord van veel algemeener beteekenis. Terecht zegt Marsden in zijn „Maleisch Woordenboek” (Ned. vert. van Elout): „algemeene benaming voor alle vaartuigen, van de _sampan_ of boot af tot de _kapal_ of het schip met een vierkant zeil toe.” Verschillende soorten worden door toevoegsels onderscheiden, zooals _praoe majang_, de gewone visscherspink der Javanen; _praoe tôp_, een soort van handelsprauw, in hoofdzaak op Europeesche wijze getuigd; _praoe kroewis_,[46] de kruisprauw voor de handhaving der zeepolitie; _praoe koenting_, een groot vaartuig met een schuinsch zeil (_lajer tandjak_ of _tandja'_), dikwijls alleen _koenting_ en door de Europeanen bij uitnemendheid _prauw_ genoemd, enz. Bij de namen der kleinste bootjes of kano's, zooals de _sampan_ (van Chineeschen oorsprong zoo het schijnt) en de _djoekoeng_ of _djoengkoeng_ (een Javaansche kano, vooral voor de vischvangst gebezigd), wordt het woord _praoe_ zelden gevoegd.[47]

[46] Men zal licht begrijpen, dat _kroewis_ een verbastering is van het Ned. _kruis_.

[47] _Djoekong_ (= Djoekoeng) en _sampan_ zijn door van Dale opgenomen. Deze woorden komen zeker enkele malen in geschriften over Indië voor; maar als men alle inlandsche woorden, waarmede dit wel eens het geval is, in de Ned. Woordenboeken wilde opnemen, zou het aantal schrikbarend groot worden. Ik heb mij bepaald tot degene die in algemeen gebruik zijn; maar de grenzen zijn zeker moeilijk vast te stellen.

Van Dale schijnt alleen gedacht te hebben aan de _Praoe tambangan_, de veer- en laadprauwen, die in de verschillende havens voor het vervoer van personen en goederen, het laden en lossen van schepen werkzaam zijn. Daarvoor bestaan verschillende Vereenigingen of Vennootschappen, zooals het Bataviaasch Prauwenveer, het Nieuw Prauwenveer te Batavia, het Tagalsch Prauwenveer, het Semarangsch en Nieuw Semarangsch Prauwenveer, het Particulier Prauwenveer en Nieuw Prauwenveer te Soerabaja, de Oost-Java Prauwmaatschappij en het Padangsch Prauwenveer. Deze vereenigingen, waarin de belangen van vele in Nederland vertoevende oud-kolonisten betrokken zijn, en waarvan verslagen en mededeelingen omtrent de geldelijke resultaten van tijd tot tijd in de dagbladen zijn te lezen, zijn in Nederland beter bekend, dan de prauwvaart voor handel en militaire doeleinden, die geheel Insulinde omvat.

Jonk.

_Jonk_ beteekent volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdb.”: „een Chineesch koopvaardij- en oorlogschip van eenigszins plomp maaksel, gemeenlijk met drie masten en zeilen van biezen matten of vrij dik katoen.” Men vindt dit woord terug in de meeste hedendaagsche talen van Europa, b. v. Sp. en Port. _junco_, Ital. _ionco_, _zonco_, Fr. _jonque_, Eng. _junk_ enz. Algemeen wordt aangenomen dat het van Chineeschen oorsprong is. Zoo zegt b. v. Littré: „du Chinois _Tschouen_, bateau, vaisseau, prononcé à Canton _chune_, suivant l'orthographie Anglaise, c'est à dire en Français _tchoun_.” Het bedoelde Chineesche woord is, naar Prof. Hoffman mij zeide, _tschuen_.

Ofschoon ik den Chineeschen oorsprong van dit woord niet betwisten wil, houd ik mij echter overtuigd dat het niet rechtstreeks uit het Chineesch, maar uit het Arabisch of Perzisch in de talen van Europa is gekomen, en daarom niet misplaatst ware geweest in Dozy's „Oosterlingen” en „Glossaire”. De vormen in die talen komen veel meer dan de Chineesche met onze Europeesche overeen. De Arabische is _djonk_, door Freytag, „Lex. Arab.”, I, p. 315 verklaard: „navis maximae molis in China”[48]: de Perzische is _djong_ of _tjong_, door Vullers, „Lex. Pers.”, I, p. 533, verklaard door _navis magna_. Dat hiervan ook het Javaansche _djong_, het Maleische _djoeng_ of _ĕdjoeng_ afstammen, springt in het oog. Dat het woord tot in de Aroe-eilanden is doorgedrongen, leert ons Wallace, „Insulinde”, I, bl. 269.

[48] Daar het woord zeldzaam schijnt, heeft Freytag een paar voorbeelden aangehaald, waarbij men nog voegen kan Ibn Bathoetha, IV, p. 247.

Het woord _jonk_ heeft voor het overige in Ned.-Indië nog eene tweede, geheel verschillende beteekenis. Het is namelijk ook de naam eener Javaansche landmaat, die gelijk is aan vier bouws. In dezen zin is _jonk_ het Javaansche _djoeng_, dat anders ook been beteekent, evenals _bahoe_, waaruit ons _bouw_ is ontstaan, _schouder_.

Wangkang.

Waar van de scheepvaart der Chineezen sprake is, worden de benamingen _jonk_ en _wangkang_ meestal door elkander gebruikt, zooals ik ook zelf gedaan heb in mijn Borneo's „Wester-Afdeeling”, I, bl. 313. Strikt genomen behoort men echter de _jonken_, als de grootere vaartuigen, van de _wangkangs_, als de kleinere, te onderscheiden. Zoo b. v. „Batavia in derzelver gelegenheid”, III, bl. 24: „Wegens de groote vaart van zwaare Chineesche vaartuigen op Batavia, werdt in 't jaar 1654 een besluit genomen, om voor een groote jonk, wegens uit- en inkomende rechten, te doen betalen 1500 rijksdaalders, en voor een wangkan, zijnde een kleiner soort van vaartuig, 1000”. Op de hier aangehaalde plaats vindt men _wangkan_, elders _wankang_ geschreven; doch Prof. G. Schlegel verzekert mij, dat de rechte uitspraak _wangkang_ is. Omtrent den oorsprong verkeert hij echter geheel in het duister. „De Chineezen op Java”, dus schrijft hij mij, „zeggen zelven dat het niet Chineesch is”.

In het „Jav. Wdbk.” van Prof. Roorda wordt het woord mede _wangkang_ geschreven en als gemeen aan de hooge en lage taal opgegeven. Hij verklaart het: „naam van een soort van Chineesche jonk.” Men zou hieruit opmaken, dat Prof. Roorda aan het woord een Polynesischen oorsprong toekent, en hiertegen pleit eigenlijk ook niets dan dat het zoo bepaald van _Chineesche_ vaartuigen gebruikt wordt. Neemt men aan dat dit louter toevallig is, en dat het oorspronkelijke woord in het algemeen eene _boot_, een _klein vaartuig_ beteekent, dan wordt de Polynesische oorsprong aanbevolen door de vergelijking van _waa_ (_vaa_), _waka_ (_vaka_), _wangka_, waardoor een kano in de talen der Taïtih- en Sandwichs-eilanden, van Nieuw-Zeeland, de Marquesas- en de Tonga-eilanden en van de Fidji-eilanden wordt aangeduid. De sluiting der open lettergrepen door den neusklank _ng_ is, gelijk ieder weet, een zeer gewoon verschijnsel in den Polynesischen taalstam.

Talie.

Dit woord is in de meeste beteekenissen waarin het in onze taal eertijds gebruikelijk was of nog is (zie Kiliaan), niets anders dan het Fransche _taille_; maar in de beteekenis van _touw_ is het stellig uit den Indischen Archipel afkomstig. _Talie_ in den zin van _touw_ heb ik reeds gevonden bij Baldaeus, maar de plaats is mij ontgaan. Gewoonlijk echter is het een zeewoord voor _scheepstouwen_, _takel_, _takelage_, en vooral gebruikt in samenstellingen, als _taliehaak_, _taliereep_, _talielooper_, _noodtalie_, _inhaaltalie_, _reeftalie_, _Spaansche talie_ enz. In 't Maleisch en laag Javaansch is _tali_ het gewone woord voor _touw_, het meest bekend door de _tali-api_ of lont (lett. _vuurtouw_), om sigaren aan te steken; maar het woord is ook zeer bekend bij de Maleische zeevaarders om de scheepstouwen aan te duiden, die dikwijls collectief _tali-toemali_ of _tali-mali_ genoemd worden. Er kan dus weinig twijfel bestaan of wij hebben ook dit woord aan matrozen te danken, die het uit Oost-Indië medebrachten.

Pagaai.

_Pagaai_, Fr. _Pagaie_ of _Pagaye_, is de korte, breede, niet op het vaartuig rustende, maar aan een kruk met de handen vastgehouden roeiriem, schepriem, of roeischop, waarmede de eilanders der Stille Zuidzee hunne kano's voortstuwen, maar die ook zeer veel gebruikt wordt bij de volken van den Indischen Archipel, en ook bij onze zeelieden, vooral op de oorlogschepen, niet onbekend is. Men heeft ook pagaaien met twee roeischoppen, die door snelle omdraaiing beurtelings met het water in aanraking gebracht worden. In het Engelsch heet de pagaai _paddle_ en het roeien met dit werktuig, dat wij _pagaaien_ noemen, wordt in het Engelsch _to paddle_ genoemd.

Het woord _pagaai_ is zoo al niet rechtstreeks van Maleischen oorsprong, stellig met den in het Maleisch daarvoor gebezigden naam verwant. De lange riem heet in het Maleisch _dajoeng_, de schepriem _pengajoeh_. Dit laatste komt af van _kajoeh_, waarvan de verbaalvorm _mĕngajoeh_ het voortstuwen van een boot met schepriemen aanduidt. Denkbaar is het dat _pagaai_ door verminking en afkorting van _pĕngajoeh_ gevormd is; maar ik mag niet onopgemerkt laten dat _kajoeh_ in het Javaansch ook door _gajoeh_ wordt vervangen, waarvan _pĕgajoeh_ of _pagajoeh_, met de beteekenis van de zaak die dient tot datgeen wat door het grondwoord aangeduid wordt, (zie Roorda's „Beknopte Jav. Spraakk.”, bl. 108) met volkomen regelmatigheid zou worden afgeleid. Ware deze vorm werkelijk in gebruik (en wie verzekert ons dat hij dit nergens is of nooit geweest is?), dan zou men zeker geen bezwaar maken _pagaai_ als rechtstreeks daarvan gevormd te beschouwen.

Toko.

_Toko_ is in Nederlandsch-Indië, zoowel onder de Europeanen als onder de inlanders, een _winkel_, een _magazijn van allerlei koopwaren_, een _bazaar_ waar van alles te verkrijgen is. Men houdt het woord gewoonlijk voor Chineesch, ofschoon Prof. Roorda in zijn „Jav. Wdbk.”, in het art. _toko_, achter Chineesch een vraagteeken heeft geplaatst. Prof. Hoffmann, dien ik over dit woord raadpleegde, schreef mij daarover het volgende: „Wanneer het zeker is dat het woord _toko_ niet tot de Indische talen behoort, maar Chineesch is, dan kan het, hoewel ik een samengesteld woord _toko_, dat zooveel als bazaar zou moeten beteekenen, nog niet gevonden heb, niets anders zijn dan eene samenstelling van _Toe_, Canton-dialect _To_, plaats, lokaal, en _Koe_, magazijn. Toe-koe of To-ko beteekent dan „het _plaatselijk_ magazijn, het magazijn voor een bepaalde _plaats_”, in denzelfden zin als wij van _plaatselijk_ bestuur, van _lokale_ tongvallen spreken.”

Deze verklaring, hoewel niet onaannemelijk, toont echter dat _toko_, voor zoover bekend is, geene gewone Chineesche uitdrukking is. En wat de reserve betreft, door Prof. Hoffmann gemaakt: „wanneer het zeker is dat het woord _toko_ niet tot de Indische talen behoort”, moet worden opgemerkt, dat het zeer gewaagd zou zijn die verzekering te geven. In het Jav. is _toekoe_, in sommige streken bijna als _toko_ uitgesproken, het gewone woord voor _koopen_. Het beteekent wel-is-waar nooit een winkel of magazijn, maar hoe lichtelijk kan door de onkunde van Chineezen of Europeanen het woord in de beteekenis van winkel zijn overgegaan. Men kan zich b. v. zeer goed voorstellen dat men een winkel aanvankelijk een _tokohuis_, d. i. een _koophuis_, heeft genoemd, en uit _tokohuis_ allengs tot enkel _toko_ heeft afgekort.

Hoezeer het woord _toko_ het burgerrecht in de Nederlandsche taal heeft erlangd, blijkt uit de zeer gewone samenstelling _tokohouder_. Ook begint men reeds aan eenige magazijnen of verkoophuizen in onze groote steden den naam van _toko_ te geven.

Koelie.

Het woord is afkomstig uit het Tamiel of de taal van Malabar en beteekent een _gehuurde arbeider_, een _daglooner_, bij uitbreiding ook een _sjouwer_. Het is algemeen in gebruik in Britsch-Indië, en is ook in het Maleisch en Javaansch overgegaan in dezelfde beteekenis. De woordenboeken zijn in de opgave dier beteekenis doorgaans niet zeer nauwkeurig. De „Kunstwoordentolk” van Kramers-Bonte geeft wel-is-waar de algemeene beteekenis van _daglooner_, _lastdrager_ op; maar laat dan volgen: „Hindoes uit eene der laagste kasten, die thans bij menigten naar de Britsche koloniën in West-Indië als veld- en plantage-bebouwers vertrekken.” Daarentegen zegt van Dale alleen: „Chineesche arbeider of arbeidster in dienst bij de Oostindische planters.” Lucas, die in zijn „Englisch-Deutsches Wörterbuch” slechts den meervoudvorm _Coolies_ opgeeft, vermeldt ook wel de algemeene beteekenis van _Handarbeiter_, _Lastträger_, maar voegt er aan toe: „Leute welche zu niederen Arbeiten, besonders auf Mauritius zur Theecultur gebraucht werden.” Littré, „Dictionnaire de la langue Française”, had eerst den vorm _coolis_ (uitgesproken _couli_) als enkelvoud opgegeven, met de verklaring: „Nom donné à des Indiens qui contractent des engagements pour aller travailler dans les diverses colonies européennes moyennant salaire,” met de etymologie: „Angl. _coolee_, de l'indoustani _culi_, laboureur qu'on loue à la journée, du turc _culi_, esclave, serviteur.” Dit artikel is reeds vrij verward; het wordt deels verbeterd, deels nog erger gemaakt door de bijvoegselen in het Supplement. Wat de spelling betreft merkt Littré daar terecht op: „l'orthographie _coolis_ au singulier est mauvaise; il faut écrire _cooli_. Quant au pluriel on le formera regulièrement _coolis_. Cependant quelques-uns le forment à l'anglaise _coolies_.” Maar waarom wordt hier in het geheel de Engelsche schrijfwijze met _oo_ behouden, waarvoor toch het Fransche aequivalent steeds _ou_ is? Ik keur niet af dat men ook in het Fransch _groom_ en niet _groum_ schrijft, maar dit is een zuiver Engelsch woord, dat onveranderd behouden wordt; _cooli_, _cooly_ of _coolee_ is ook in het Engelsch een vreemd woord, dat er geen aanspraak op kan maken, in andere Europeesche talen overgenomen, een Engelsch karakter te behouden. Wat de beteekenis betreft, wil Littré in het Supplément, bijgevoegd zien: „2o. il se dit aussi des Chinois engagés comme travailleurs”, alsof een woord dat _daglooner_ beteekent, van beteekenis verandert wanneer het van een Chineeschen, in plaats van een Hindoeschen, daglooner gezegd wordt.

Het minst nog schijnt Littré goedkeuring te verdienen op zijne bijvoeging of verbetering omtrent de afkomst: „La dérivation de l'anglais _coolee_, par l'indoustani _culi_, laboureur qu'on loue à la journée, du turc _coli_, esclave, serviteur, parait fausse. En effet M. L. Rousselet, „Rev. Anthrop.”. T. II, p. 267, dit que _coolee_ est le nom d'une peuplade dite aussi _Kôle_ ou _Khôle_, qui fournit des hommes robustes et d'une force remarquable, employés dans les villes de la côte aux rudes travaux”.

De schrijvers die ik heb geciteerd, hebben allen de ware en eenige beteekenis van _Koeli_ op den achtergrond geschoven, en gedrukt op eenige bijzondere gevallen, waarin van koeli-diensten wordt gebruikt gemaakt. Het aantal van die bijzondere gevallen zou men nog zeer kunnen vermenigvuldigen en spreken, b. v., van Chineezen in dienst gesteld door de Europeesche tabaksplanters in Deli, Langkat en Serdang op Sumatra's Oostkust, of van Hindoes en Chineezen naar Suriname overgevoerd, om daar op de plantages het werk te verrichten, vroeger aan de negerslaven opgedragen. Maar ook op deze en meer andere dergelijke gevallen past altijd de algemeene beteekenis van het woord: een voor loon gehuurde arbeider. Strikt genomen heeft ook de nationaliteit daar niets mede te maken. Er zijn niet enkel Hindoesche en Chineesche, er zijn b. v. ook Javaansche koelies, en er zouden ook Makassaarsche koelies zijn, indien men eenmaal te rade werd te Makassaar gehuurd werkvolk naar de tabaksplantages van Oost-Borneo over te voeren. Kwam het woord niet uit het Oosten tot ons, en bleef het niet daardoor in het gebruik tot Oosterlingen beperkt, men zou ook onze daglooners koelies kunnen noemen.

De eenige min of meer van de oorspronkelijke afwijkende, maar toch nauw met haar verwante, beteekenis waarin het woord _koeli_ voorkomt, is die van _sjouwer_ of _lastdrager_. Ook de sjouwer verhuurt zijne diensten, maar niet voor lange termijnen of met vaste verbintenissen, maar slechts voor een enkele karwei, die meestal in weinige uren afloopt. Koelies van die soort worden zeker ook elders gevonden; maar zij zijn vooral in Nederlandsch-Indië te huis. Wie, die maar eenigszins in de literatuur der reisverhalen en novellen te huis is, waarvan Nederlandsch-Indië het tooneel vormt, is niet met de Bataviasche koelies bekend? Dat onze lexicographen wel van Hindoesche en Chineesche arbeiders, die zich als koelies verhuren, maar nooit van de Bataviasche koeli's gehoord hebben, is wel weder een van die treurige bewijzen, hoe weinig de Nederlanders hunne koloniën kennen in alles wat niet rechtstreeks de belangen der schatkist raakt! Men vraagt zich af door wie toch al die boeken over Indië gelezen, voor wie toch zij geschreven worden.

Het is hier de plaats niet om lang bij den Bataviaschen koelie stil te staan, die waarschijnlijk ook al in de laatste jaren, bij het opkomen van stoom- en tramwegen, en het verleggen der haven van Batavia naar Tandjong Priok, groote veranderingen in zijn bedrijf zal hebben ondervonden; ik zal alleen verwijzen naar de uitstekende schets die de heer W. L. Ritter, in zijn „Java, tooneelen uit het leven van Java's bewoners”, bij de afbeelding der Bataviasche koelies door den heer E. Hardouin, van deze klasse van menschen heeft gegeven (bl. 137–143). Al het eigenaardige van hun bedrijf en hunne levenswijze, en de onkreukbare eerlijkheid waardoor zij zich onderscheiden, worden daar met levendige kleuren geteekend. Ook de Padangsche koelies en de diensten die zij, veelal met grooten onwil, aan de expeditiën tijdens den Padri-oorlog bewijzen moesten, worden daarbij niet vergeten.

Het misverstand, dat Rousselet, en in navolging van hem Littré, _koeli_ als eigenlijk de naam van een volksstam deed opvatten, is gemakkelijk te verklaren. Er leeft inderdaad in Britsch-Indië, met name in de provincie Guzeratte, een wilde roofstam, Koolees geheeten, verdeeld in talrijke clans, die ieder haar eigen opperhoofd hebben, en van oudsher befaamd als even gehard en dapper, als onrustig en bloeddorstig. Deze stam, die door de Britsche troepen met veel moeite bedwongen is, wordt kortelijk beschreven in Stocqueler's „Oriental interpreter”, p. 128. „The Portuguese”, zegt die schrijver, „used the name _coolee_ as a term of reproach, and from them it has passed in the same sense in the English language. This must not be confounded with the word _cooly_, commonly used in Southern India, which is derived from the Tamil language, and merely means a labourer for hire”.

Kongsi.

_Kongsi_ is in Ned.-Indië de gewone naam van de mijnvereenigingen der Chineezen, hetzij deze voor eigen rekening werken, als in Borneo's Westerafdeeling, hetzij ze in dienst staan van het Gouvernement, als op Bangka, hetzij ze voor een particuliere Maatschappij van Europeanen arbeiden, als op Blitong. Zoo b. v. Lange, „Het eiland Banka”, bl. 104: „De Chineezen welke een associatie door hen _kongsie_ genaamd, uitmaken, worden bij den administrateur van het district gesignaleerd.” Dezelfde naam werd vroeger op Borneo ook toegepast op de vereenigingen van eenige dier mijnassociatiën tot grootere politieke lichamen. Zie mijn „Borneo's Westerafdeeling”, I, bl. 319.

Dit woord _kongsi_ is inderdaad Chineesch, maar wordt door de Europeanen niet volkomen nauwkeurig gebruikt, daar het eigenlijk niet de geheele mijnvereeniging, maar hare bestuurders aanduidt, die intusschen de geheele vereeniging in alle publieke aangelegenheden in hare rechten en belangen vertegenwoordigen. Daar de Europeesche ambtenaren alleen met de eigenlijke _Kongsies_ of de besturen te doen hebben, wordt het woord natuurlijk genoeg niet alleen van de besturen zelve gebruikt, maar ook van de maatschappijen, die slechts door tusschenkomst dier besturen met de Europeesche ambtenaren in betrekking komen. Het woord _Kongsi_ is samengesteld uit de Chineesche woorden _kong_, publiek, en _ssi_ of _sse_, bestuur. De huizen waarin de leden van het bestuur vergaderen en alles bewaard wordt wat aan de vereeniging gemeenschappelijk behoort, worden _kongsihuizen_ genoemd, een naam dien wij door _gemeentehuizen_ zouden kunnen verklaren.

Het woord _kongsi_ heeft in Indië in het dagelijksch leven een ruimer beteekenis gekregen en wordt toegepast op iedere associatie van Chineezen voor handelszaken, industriëele ondernemingen, verpachtingen of wat ook (zie b. v. Kielstra in „de Gids” voor 1888, D. IV, bl. 62, 64), en wordt er, althans in het dagelijksch gesprek, ook wel tot de maatschappijen of associatiën van niet-Chineezen, b. v. tot eene spoorwegmaatschappij, uitgebreid.

Toptafel, Topbaan.

De Chineesche speelhuizen, die alleen in de hoofdsteden van Java mogen gehouden worden, en wel door hen die het uitsluitend recht daartoe hebben gepacht, worden in de administratieve taal _toptafels_ of _topbanen_ genoemd. Het eerste lid dezer namen is Chineesch, namelijk een samentrekking van _toe-pŏ_, _to-pok_ of _to-pho_, hazard-spellen spelen, inzonderheid, zoo het schijnt, met kaarten.

Gewoonlijk onderscheidt men in Indië van het _to-pho_ of Chineesche kaartspel, het _pho_ of dobbelspel en het _tafui_, een spel dat met tinnen duiten of boonen gespeeld wordt, die men in kopjes telt op de wijze van het _tjongkak_- of _dakon_-spel der Maleiers en Javanen.[49] Ik moet de nadere verklaring dezer namen aan de Sinologen overlaten.

[49] Een dergelijk spel is ook bekend aan sommige stammen van Afrika. Zie v. d. Kellen in „T. v. h. Aardr. Gen.” Verslagen en Meded., 1887, bl. 506.