Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden

Part 16

Chapter 163,335 wordsPublic domain

De heer van der Aa, die eenigszins spottenderwijze over deze verklaring spreekt, en, niet zonder eenige ironie, zegt: „Prof. Veth vond deze afleiding zoo waarschijnlijk, dat hij de schoone vondst onmiddellijk aan het wetenschappelijk publiek mededeelde (Tijdschr. v. h. Aardr. Gen., D. V, Meded., bl. 182), daar dit niet licht zoo iets in een roman zou zoeken”, kon toch niet ontkennen dat ook in zijne oogen deze afleiding veel voor zich heeft. Doch er blijven eenige zwarigheden. Is zij juist, waar blijven dan de beweringen, dat ook de Maleiers den naam Dajak kennen en gebruiken; dat zij dien zelfs tot wilde bevolkingen buiten Borneo uitstrekken; dat de naam _bovenlander_ of _wilde_ beteekent; dat hij oorspronkelijk aan bijzondere stammen, nu eens in N. W. Borneo, dan eens in het grensgebergte van Pasir geplaatst, eigen was? Hoe is het ontstaan van al die beweringen te verklaren, indien Perelaer's meening de ware is? En is het niet wat vreemd dat de Europeanen den spotnaam waarmede zij de Dajaks aanduiden, ontleend hebben aan de, zeer zelden door hen beoefende taal van het volk zelf, dat er mede genoemd wordt?

Alfoer.

Dit woord, dat, toen het eenmaal niet meer verstaan werd, allerlei zeer uiteenloopende vormen heeft gekregen (b. v. Alifoeren, Arafoeren, Halfoeren, Harafoeren, Alforen, Alfores, Alforias), duidt in het Oosten van den Indischen Archipel de oorspronkelijke heidensche bevolking aan, in tegenstelling van de Mohammedaansche of Christelijke. Wie tegenwoordig in de Minahassa tot het Christendom overgaan, worden niet langer tot de Alfoeren gerekend. Hieruit blijkt reeds, dat de naam geene ethnologische beteekenis heeft, en dit wordt ook daardoor bevestigd, dat de Alfoeren van de Molukken en van Celebes klaarblijkelijk tot geheel verschillende stammen behooren.

Het gebruik van het woord schijnt op te klimmen tot het tijdperk der Portugeesche heerschappij in deze streken, en Crawfurd gist daarom dat het gevormd is uit het Arabische lidwoord _al_ en het Portugeesche _fora_, buiten, zoodat het beteekende: „zij die buiten het Portugeesche gezag leefden”. Deze verklaring voldoet vrijwel wat de uitkomst (ik meen de beteekenis aan het woord Alfoer toegekend) betreft, maar verkrijgt die langs een onmogelijken weg. Tegen de verbinding van een zuiver Portugeesch, uit het Latijn stammend woord, met het Arabische lidwoord, bestaat een onoverkomelijke zwarigheid, en om aan de uitdrukking _een man die buiten is_, een _buitenman_, de speciale beteekenis te geven van _een man die buiten het Portugeesch gezag leeft_, is een vervaarlijke sprong noodig. Ik zal dus beproeven tot dezelfde uitkomst langs een veiliger weg te geraken.

Het is geenszins onwaarschijnlijk dat de Portugeezen den naam Alfoer reeds hebben overgenomen van de aan de kusten gevestigde Mohammedanen, en dat dezen, door Arabische zendelingen bekeerd, een Arabischen naam hebben gegeven aan de bevolkingen die aan het Heidendom trouw bleven, en zich juist daarom ook niet aan hun gezag wilden onderwerpen. Het woord _Alfoer_ heeft reeds bij oppervlakkige beschouwing een eenigszins Arabisch voorkomen, wegens de lettergreep _al_, waarmede het aanvangt, en die hier, gelijk in zoovele andere in de Europeesche talen overgenomen Arabische woorden (b. v. _almanak_, _alchymie_, _aldebaran_, _alkoran_, _alizari_, _alkanna_ enz.), het Arabische lidwoord schijnt te wezen. Maar is deze opvatting van de eerste lettergreep juist, dan zal men ook voor de tweede een Arabischen oorsprong moeten zoeken. Nu herinnere men zich dat in het Spaansch en Portugeesch de letters _f_ en _h_ in de spelling gedurig met elkander verwisseld worden, zonder dat de uitspraak verandert (zie art. _Hidalgo_ en Dozy's „Oosterlingen”, art. _Feloek_). Zoo is dus ook het Portugeesche woord _alforria_ hetzelfde als het Arabische _alhorria_, waarmede het ook geheel in beteekenis overeenkomt. Beide beteekenen de _vrijheid_, de _staat van den vrije_, het _bevrijd zijn_ van de slavernij. Het Arabische _alhorro_, d. i. _de vrije_, de _aan geen meester onderworpene_, zal op gelijke wijze in het Portugeesch _alforro_ worden. Nu is _forro_ inderdaad nog een gewoon woord in het hedendaagsche Portugeesch, om een _vrijgemaakte_, b. v. van de slavernij of van schulden of hypotheken aan te duiden, en dat dit woord niets anders is dan het Arabische _horro_ zal wel algemeen erkend worden. Duidelijk is het ook, dat in dit woord, evenals in zoovele andere, het Arabische lidwoord als een soort van voorslag kon behouden worden, met verlies zijner eigenlijke beteekenis. De oorspronkelijke vorm van _Alfoer_ zal dus _Alforro_ geweest zijn, en de oorspronkelijke beteekenis, _de vrije_, _de niet onderworpene_.

Met deze, zoo het schijnt, afdoende verklaring, die ik aan de wenken van wijlen den heer van Musschenbroek verschuldigd ben (zie mijne biographie van van Musschenbroek in het „Tijdschr. v. h. Aardr. Gen.”, Jg. 1887, afd. meer uitg. artt., bl. 200), worden de gissingen overbodig, die ik, op bl. 404 mijner vertaling van Wallace, „Insulinde”, D. II, heb medegedeeld. Echter verdient nog vermelding eene zeer scherpzinnige gissing van dr. G. A. Wilken, die ik ook reeds op de aangehaalde plaats van v. Musschenbroek's biographie vermeld heb. Daar _Alfoeren_ vaak ook _Halfoeren_ wordt uitgesproken, is door hem de vraag geopperd, of het woord niet zou kunnen ontstaan zijn uit eene uit misverstand geboren verminking van de uitdrukking „dalam _hâl foeroe_”, d. i. _in den wilden staat verkeerende_. _Foeroe_ is, hetzij al of niet uit het Portugeesch afkomstig, in het Maleisch van Ternate en Menado een gewoon woord voor _wild_, _ontembaar_.

Kondé.

Van de in Indië uit Europeesche ouders geboren vrouwen (Creoolsche dames) te Batavia sprekende, zegt Stavorinus: „Reize van Zeeland naar Batavia”, D. I, bl. 265: „zij gaan alle blootshoofds; het hair, dat gitzwart is, dragen zij in een wrong, met gouden en juweelen spelden vastgemaakt; dit noemen zij een condé.... Diegeene van haare slavinnen, die het best haar condé opmaakt, is haare voornaamste gunsteling”.

Dat nog heden dit kapsel de gewone haardracht der Creoolsche dames in Indië is, blijkt uit de „Herinneringen” van van Rees, waar hij spreekt van „open rijtuigen met schoone dames in een licht wit morgen-toilet; het zware haar eenvoudig tot een _kondeh_ gedraaid[43]”. Doch niet de Europeesche vrouwen alleen dragen de kondé; zij is evenzeer in gebruik bij de Chineesche, zooals men zien kan uit de volgende aanteekening van Aquasi Boachi, bij zijne „Mededeelingen over de Chineezen op Java”, in „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van N.-I.”, Dl. IV, bl. 281: „_Kondeh_ noemen de Chineezen eigenlijk dat vrouwelijke kapsel, hetwelk ook in Europa onder den naam _coiffure à la chinoise_ bekend is, en hetwelk daarin bestaat, dat men de haren van alle kanten opstrijkt, in het midden te zamen bindt en met 2, 3, 4 of 5 haarspelden bevestigt. Met deze haarnaalden, die òf van zilver òf ook wel van goud en met diamanten en brillanten bezet zijn, wordt groote luxe gedreven”. Uit dezelfde aanteekening zien wij nog, dat kondé ook wordt toegepast op den wrong gevormd van den langen haarstaart die de onderscheidende dracht is der Chineesche mannen. Men noemde oudtijds het van de Chineezen geheven hoofdgeld _staartgeld_. Tijdens de Compagnie moest, volgens „Batavia in hare gelegenheid”, D. III, bl. 23, „ieder Chinees die een _Conde_ draagt—dus noemt men 't haar in tuiten rondom het hoofd gelegd—38 stuivers hoofdgeld geeven.” Het schriftelijk bewijs dat deze belasting, die eerst voor weinige jaren met de bedrijfsbelasting werd samengesmolten, betaald was, werd, volgens Aquasi Boachi, t. a. p., _Soerat Kondeh_ genoemd.

[43] Ik heb de woorden aangeteekend met vermelding der bladzijde, maar mij in de laatste vergist, zoodat ik de plaats niet kan weêrvinden.

Maar ook door de inlandsche vrouwen, Javaansche en Maleische, werd de kondé als haardracht aangenomen. Het woord, ofschoon het van vreemden oorsprong schijnt, is in de taal van beide volken opgenomen. Niet alle Maleische vrouwen dragen het haar in eene knoop; maar dragen zij dien wèl, dan schijnt _kondé_ het eenige, althans het gewone, woord daarvoor te zijn (zie „Midden-Sumatra”, Volkenkunde, bl. 11). Het Javaansch (zoowel de hooge als lage taal) en het Soendaasch hebben daarnevens het woord _gĕloeng_. Het zou echter niet juist zijn _kondé_ geheel als een synoniem van _gĕloeng_ op te vatten. Onder den naam _gĕloeng_ zijn verschillende vormen van haarwrongen samengevat, die door de toevoeging van verschillende soortnamen worden onderscheiden. Zie daarover Poensen in de „Mededeelingen van wege het Ned. Zendelinggenootschap”, D. XX, bl. 418, D. XXI, bl. 18. Een dier soorten, en wel eene soort van waarschijnlijk vreemden oorsprong, is nu de _kondé_. 't Is waar dat Poensen de _gĕloeng kondé_ niet vermeldt, die misschien in de streken waar hij als zendeling werkzaam is, onbekend bleef; maar zij wordt als bijzondere vorm van _gĕloeng_ uitdrukkelijk genoemd in het Soendasch Woordenb. van den heer Oosting, bl. 762, kol. 1.[44]

[44] _Sanggoel_, Jav. en Soend., schijnt mij evenmin synoniem met _geloeng_, en evenzoo eene bijzondere soort daarvan te zijn.

Crawfurd houdt in zijn „Malay Dictionary”, op _Kundai_, dit woord voor Telingasch (= Teloegoe). Daar mij die taal volstrekt onbekend is, durf ik dit niet tegenspreken: maar daar in het hierboven over _kondé_ bijeengebrachte, wel het een en ander voorkomt dat op een _Chineeschen_ oorsprong schijnt te wijzen, wilde ik mij althans omtrent de mogelijkheid daarvan zekerheid verschaffen. Ik raadpleegde daarom onze Sinologen, de heeren J. Hoffmann en G. Schlegel. Aan beide was echter _kondé_ als Chineesch woord onbekend; maar laatstgemelde meende dat het woord van Europeesche afkomst was, en wel van de „Coiffure à la Condé”, die, zegt hij, in de vorige eeuw in Frankrijk in den smaak was.[45] Het woord zou dus niet alleen door de inlanders, maar ook door de Chineezen van de Europeanen zijn overgenomen, ofschoon het thans, in Europa vergeten, in Indië als een woord aan de inlandsche talen ontleend wordt aangemerkt.

Is de meening van Prof. Schlegel de ware, dan zou _condé_ de beste schrijfwijze zijn. Zoolang dit niet vaststaat doet men beter _kondé_ te schrijven, als beantwoordende aan de gewone transscriptie in onze taal van Jav. en Mal. woorden. Schrijft men met sommigen _kondeh_, dan is de _h_ op het einde slechts als het teeken der lange _e_ te beschouwen, maar deze schrijfwijze is bepaald onnederlandsch.

[45] Ofschoon ik zelfs bij Paul Lacroix, „XVIIIe Siècle: Institutions, Usages et Costumes”, tot mijn spijt te vergeefs naar eenige melding van de _coiffure à la Condé_ gezocht heb, wil ik gaarne aannemen dat zij werkelijk heeft bestaan. De vormen der kapsels, door de Parijsche mode voortgebracht, zijn inderdaad ontelbaar.

Kraak, Korakora.

Een _kraak_ of _karaak_ is volgens Weiland „zeker oud Spaansch of Portugeesch schip, zoowel tot den oorlog als tot den koophandel geschikt.” Het woord komt, ofschoon niet dikwijls, toch van tijd tot tijd voor, zoowel bij nieuwe als bij oude schrijvers. Zoo bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Ceylon”, bl. 98: „Korts na het overlijden van den Onderkoningh, hadden die van Goa.... een _carake_ langzaam met koopmanschappen beginnen te laaden”, en bij Meijer, „Heemskerk”, bl. 33:

„Dat vrij uw oog van fierheid blaak, „Bij d'aanblik van die reuzenkraak, „Die uit den vloed rijst als een eiland”.

Den vorm _karaak_ vindt men bij de Brune:

„Geen hulcken, of karaken groot ghenoegh”.

Het woord _karaak_ of _kraak_ is rechtstreeks ontleend aan het Spaansche en Portugeesche _carraca_, maar behoort met dit tot eene talrijke familie van woorden, in verschillende talen van Europa, die allen tot het Arabische _qorqôr_ of _qorqôra_ en zijn meervoud _qarâqir_ zijn terug te brengen. Zie Dozy, „Glossaire des mots Espagnols” enz., p. 248, die terecht opmerkt, dat _carraca_, zooals vele andere Spaansche en Portugeesche woorden aan 't Arabisch ontleend, van den meervoudigen vorm afstamt, wat hier te eerder kon gebeuren, daar vaak meerdere _qorqôrs_ tot een vloot waren vereenigd, en men dan, het woord _qarâqîr_ hoorende, dit licht ook op de enkele schepen kon toepassen. Hetzelfde gebruik van Arabische meervouden (nam. van de zoogenaamde _pluralia fracta_) met de beteekenis van enkelvoud komt ook dikmaals voor in de talen van den Archipel, b. v. in _ngoelåmå_ (meerv. van _ngalîm_ of liever _ʾalîm_; zie op _Ulema_), en laat zich te eerder begrijpen, daar de Maleiers en Javanen, evenals de Spanjaarden en Portugeezen, van de eigenaardige vorming der zoo talrijke pluralia fracta geen denkbeeld hebben. In het Maleisch heeft zich van het Spaansch-Portugeesche _carraca_ het woord _kĕrakah_ gevormd, dat o. a. gelezen wordt in de „Sjadjara Melajoe” (zie Klinkert's „Supplement”), en onmogelijk is het niet, dat karaak of kraak eigenlijk door tusschenkomst van het Maleisch tot ons is gekomen. Voor 't overige behooren tot dezelfde familie als _carraca_ niet alleen nog het It. _caracca_, het Fr. _caraque_ (vgl. Defrémery in „Journal Asiatique”, Aug. 1867, bl. 185) en het middeleeuwsch Latijnsche _caraca_, maar ook nog eenige andere woorden die eene wat sterkere verandering ondergaan hebben, en waarop ik zoo aanstonds terugkom.

Het woord _karaak_ of _kraak_ had aanspraak mogen maken op eene plaats in Dozy's „Oosterlingen”, te meer dewijl daarvan vermoedelijk afstamt het bekende _kraakporselein_, reeds door Weiland verklaard als: „fijn porselein, dat met Spaansche karaken of kraken [uit China en Japan] werd overgevoerd.”

De hierboven bedoelde wat meer verwijderde afstammelingen van _carraca_ zijn het Spaansche _caracoa_ of _carcoa_ (d'Argeosola, „Conquista de los Islas Molluccas”, p. 279: „doze carcoas”), het Fransche _caracore_, het middeleeuwsch-Latijnsche _caracora_ en het Portugeesche _caracora_ of _corocora_. (Vgl. bij de Jonge, „Opkomst van het Ned. gezag in Indië”, D. III, de uittreksels uit het dagboek van Craen, waar, bl. 186, de vormen _karacore_ en _karacolen_—dit laatste denkelijk een schrijf- of drukfout—voorkomen.) Het Portugeesche _coracora_ heeft weder een ander woord voortgebracht, dat dikwijls bij Nederlandsche schrijvers over de Molukken voorkomt, t. w. _Korakora_ of _Korrakorra_. De schijnbaar geredupliceerde vorm, die aan _Korakora_ het aanzien geeft van een inlandsch woord, heeft niet alleen tot een verkeerde schrijfwijze (_kora-kora_ of _korra-korra_) maar ook tot een verkeerde verklaring geleid. _Korakora_ is de naam van zekere groote, overdekte en met bamboezen vlerken voor de roeiers toegeruste staatsie-prauwen der Moluksche vorsten. Valentijn, II, 1, bl. 183, misleid door den schijnbaar Polynesischen vorm, behandelt dit woord geheel als een inlandsch, wanneer hij, denkende aan het Maleische _kakoera_ of _koera-koera_, het verklaart door „een waterschildpad”, en er bijvoegt: „met reden zoo genaamt, alzo zij gemeenlijk zeer traag van voortgang is.” _Korakora_ is klaarblijkelijk niets dan het reeds genoemde Portugeesche _coracora_, welks afstamming van het Arab. _qorqora_ en verwantschap met _carraca_ en ons _kraak_ reeds in het licht werd gesteld. Woorden van Portugeeschen oorsprong zijn in de Molukken en den geheelen Indischen Archipel niet zeldzaam, maar slechts weinige worden, zooals _korakora_, ook telkens door Nederlandsche schrijvers gebruikt.

Nevens _korakora_ vindt men ook wel _karakor_, welke vorm eene plaats heeft gevonden in van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” Deze vorm is bijna geheel die van het middeleeuwsche _caracor_ en van het Arab. mv. _qâraqîr_. _Caracora_ komt voor in „Begin en Voortgang, 2de schipvaerd der Hollanders”, bl. 17, waar wij lezen, dat die van Amboina den admiraal tegemoet kwamen „met drie seer kostelijcke ende cierlijk toeghemaeckte galeijen, die sij caracora's noemen.”

Ulema.

Dit woord, dikwijls gebruikt waar van het Turksche Rijk sprake is, zou schijnen uit Duitsche schrijvers te zijn overgenomen, daar aan de _u_ hier de klank moet worden toegekend dien wij uitdrukken door _oe_. 't Is echter waarschijnlijker dat het uit Frankrijk tot ons kwam, want de Franschen schrijven het evenzoo (schoon het naar hun klankstelsel _Oulema_ moest geschreven worden), en wij volgen hen dikwijls na in de fout van het als een enkelvoud te beschouwen en in het meervoud Ulemas of Ulema's te schrijven. Het woord is inderdaad een Arabisch meervoud en hetzelfde dat wij in het art. _Kraak_ hebben leeren kennen in den Javaanschen vorm _ngoelåmå_, die ook als enkelvoud gebruikt wordt. Het enkelvoud is in het Arabisch _ʾalîm_, en beteekent letterlijk een _wetende_, en vandaar, evenals het Fransche _savant_, een _geleerde_. In het Turksche Rijk beteekent _Oelema_ den stand der wetgeleerden, samengesteld uit de _imams_ of voorgangers bij de godsdienstoefeningen, de _mufti's_ of verklaarders der wet, de rechtsgeleerden, en de _kadi's_ of rechters. Dozy nam het woord niet op in zijne „Oosterlingen”, maar het komt voor in van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.”

Bodega.

Eerst sinds weinige jaren is dit woord bij ons algemeen bekend geworden; men vindt thans bodega's in al onze grootere steden en leest dagelijks in de dagbladen de aankondiging van wat zij te koop bieden. Het woord is Spaansch en Portugeesch en beteekent in het algemeen een magazijn van koopwaren, een winkel. Het heeft in beide talen ook nog den bijvorm _botica_, die meer in het bijzonder gebruikt wordt voor een _winkel van geneesmiddelen_, een _apotheek_. Een derde vorm, _botiga_, schijnt alleen in het Spaansch voor te komen, en behoudt doorgaans de beteekenis van winkel, het Fransche _boutique_, het Italiaansche _bottega_. Daarentegen wordt aan _bodega_ meestal de speciale beteekenis gegeven van een magazijn en verkoopplaats van wijn, een wijnkelder, een wijnhuis; en het is alleen in dien zin dat het woord bij ons in gebruik is, met dien verstande dat in de _bodega_ alleen of hoofdzakelijk _Spaansche wijnen_ verkocht worden.

De woorden _bodega_, _botiga_, _botica_, _bottega_, _boutique_ hebben allen een gemeenschappelijken oorsprong. Zij stammen allen af van het Latijnsche _apotheca_, dat weder afkomstig is van het Grieksche _apothéké_, plaats voor terzijdestelling en bewaring, voorraadschuur, en zijn gevormd door weglating der _a_ en verzachting der _p_ tot _b_. De _p_ is nog over in sommige dialectische vormen zooals het Napolitaansche _potega_ en het Sicilische _putiga_. Men ziet dus dat _bodega_ in den grond hetzelfde woord is als ons _apotheek_.

Attar goel.

De echte of voorgewende Turksche kooplieden die zich op kermissen en badplaatsen met hunne kramen van Oostersche snuisterijen en toiletartikelen vertoonen, hebben doorgaans ook eene fijne Oostersche reukstof te koop, die zij in zeer kleine fleschjes voor hoogen prijs aanbieden, onder den naam van _Attar goel_, een naam die ook niet zelden op de aanplakbiljetten en in de advertentiën van kappers en parfumeurs gelezen wordt. Deze naam beteekent _reukstof van rozen_ en bestaat uit twee Perzische woorden, waarvan het tweede volstrekt geene zwarigheid oplevert. Het is het woord _gol_ of _goel_, de Perzische naam der roos, en vandaar ook het eerste lid van „_Goelistan_”, d. i. Rozengaard, de titel van een beroemd zedekundig werk, uit proza en verzen gemengd, van den Perzischen dichter Saadi. Het andere woord, _attar_, is in den grond niet onderscheiden van het Arabische _ʾitr_ onzer woordenboeken, dat in onveranderde schrijfwijze ook in het Perzisch is overgegaan. Daarnevens kent Dozy, „Supplément aux Dictionnaires Arabes”, V. II, p. 137, ook den vorm _ʾotr_, waarvan hij den Engelschen naam van de bedoelde reukstof _Otto of roses_ afleidt. Hij had daarnevens ook _Ottar_ als in dezelfde taal gebruikelijk kunnen noemen („Treasury of Botany,” p. 829: „_Otto_ or _Ottar_ of roses; a fragrant oil obtained from _Rosa centifolia_ and _Rosa damascena_.”) Maar dat ook de evenzeer bestaanbare vorm _ʾatr_ in het Oosten gebruikt wordt, blijkt genoeg uit het hier behandelde _attar_. Dat die vormen als _attăr_, _ittăr_, _ottăr_ worden uitgesproken, is uit den natuurlijken drang tot verzachting van _atr_, _itr_, _otr_ te verklaren. De verdubbeling der _t_ in onze spelling dient om te verhoeden, dat de eerste vokaal als open en lang wordt uitgesproken. Had zij in _attar_ de grammatische waarde die haar in het Arabisch toekomt, dan zou tevens de tweede _a_ moeten verlengd worden, en het dus ontstane _ʾattâr_ zou niet een reukstof, maar een fabrikant van reukwaren of een handelaar in reukwaren beteekenen.

Perzië, inzonderheid de provincie Sjiraz, is van oudsher door de schoonheid en den heerlijken geur zijner rozen vermaard geweest. In de tuinen van Java worden de Perzische rozen nog veelvuldig nevens de Europeesche gekweekt. Men zou echter kunnen vragen, of zij thans nog haar roem kunnen staande houden tegenover de prachtige hybriden, die door de hedendaagsche bloemkweekers van jaar tot jaar in telkens grootere volkomenheid gewonnen worden. Maar de _attar goel_ zou misschien door haren geur den roem der rozen van Azië nog kunnen handhaven, indien zij werkelijk was wat zij voorgeeft te zijn. Het is echter bekend dat de Oostersche rozenolie, thans vooral in Turkije vervaardigd, doorgaans schromelijk vervalscht in den handel komt, en dat in onze dagen de fijnste en geurigste te Leipzig in de fabriek van Schimmel en Co. wordt vervaardigd.

Soesah.

In een oppervlakkig maar niet onaardig stukje over de Maleische taal in het tijdschrift „Vreemd en Eigen”, 2e Jg., aflev. 8, bl. 107, wordt de volgende opmerking gemaakt: „De woorden _soesah_ en _senang_, die een tegenstelling vormen, spelen een groote rol in het Maleisch. Met _soesah_ bestempelt de Maleier alles wat hem onaangenaam aandoet, wat hem zorg of vrees inboezemt, hem benadeelt of in zijn plannen dwarsboomt. Slecht weer, veel muskieten, honger, geldverlies enz. is _soesah_; een onwelkome gast maakt _soesah_, en de laatste en grootste _soesah_ is de dood. Als de Maleier geen _soesah_ heeft, dan voelt hij zich _senang_. _Senang_ is bijgevolg alles wat aangenaam aandoet: een flink en mak paard vindt hij _senang_, gemakkelijke schoenen en goed passende kleederen zijn _senang_, ook een mensch kan in den omgang _senang_ zijn.”

Aan het begrip door _senang_ uitgedrukt beantwoordt in de taal der Indo-Europeanen in de meeste gevallen het woord _lekker_: maar het woord _soesah_, ook in het Javaansch en Soendaasch gebruikelijk, is bij hen even algemeen als bij de inlanders zelven, en is door hen ook naar Europa overgebracht, waar het zelfs niet meer tot de Indische familiën beperkt bleef, maar een gewoon woord van het dagelijksch leven is geworden, inzonderheid om de kleine zorgen en beslommeringen in de huishouding aan te duiden. Met ons _soezen_ en _soes_ heeft het woord natuurlijk niets te maken.

Barissan.