Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden

Part 15

Chapter 153,586 wordsPublic domain

Het woord _gonje_ las ik op een uithangbord op de Oude Schans te Amsterdam, en bij onderzoek vernam ik dat daaronder verstaan wordt een soort van grove zakken tot verpakking van sommige handelswaren gebezigd. Dit deed mij dadelijk aan goeni-zakken denken. Ik herkende toch in _gonje_ gemakkelijk een vernederlandschten vorm van _goni_ of _goeni_, op dezelfde wijze gevormd als _katje_ van _katti_, _pitjes_ van _pitis_.

De _goeni_ bestaat uit de vezelen der tot de Tiliaceeën behoorende en in Bengalen veelvuldig gekweekte planten _Corchorus capsularis_ en _Corchorus olitorius_. De uit deze vezelen geweven ruwe stof dient tot vervaardiging van de zoogenaamde goeni-zakken tot verpakking van suiker en koffie, welk laatste product vooral geacht wordt daarin beveiligd te zijn tegen schadelijke invloeden, anders op de zeereis te duchten. Zie de Sturler, „Handboek voor den landbouw in N. O.-I.”, bl. 151. Daar de Corchorus-planten, ofschoon op sommige eilanden van den Archipel in het wild groeiende, daar niet gekweekt noch tot vervaardiging van _goeni_ aangewend worden, is het nauwlijks te denken dat het woord _goeni_ oorspronkelijk Maleisch zou zijn, en is zijne afkomst eer in Bengalen te zoeken. De Engelschen noemen de zakken _gunny_ of _gunney_, de vezels _jute_ (vandaar ook bij ons soms jute-vlas) en de plant _paat_, alles vermoedelijk woorden van inlandschen oorsprong.

In Ned.-Indië wordt de naam _goeni_ ook tot andere gelijksoortige vezelstoffen uitgebreid. „Weleer,” zegt de heer de Sturler, t. a. p., bl. 152, „waren wij voor de verpakking der koffie cijnsbaar aan Bengalen, totdat men op het denkbeeld kwam om de vezelen van de uitgebreide familiën der _Malvaceae_ en _Tiliaceae_[38] daaraan dienstbaar te maken.” Hieruit laat zich verklaren, dat de heer de Hollander, „Land- en Volkenk. van Ned. Indië”, 3e uitg., D. I, bl. 104, opgeeft, dat het goeni-touw en de goeni-zakken vervaardigd worden van de vezelen van den Genitri-boom[39]; want deze is eene op Java en in de Molukken veelvuldig voorkomende tiliacee, de _Elaeocarpus serratus_ en de nauw aan deze verwante _Elaeocarpus angustifolius_ der botanici. Doch de heer de Hollander vergist zich geheel als hij t. a. p. de _Genitri_ een palm noemt.

[38] De heer de Sturler drukt zich hier niet nauwkeurig uit, daar ook _Corchorus_ tot de tiliaceeën behoort.

[39] Of _Ganitri_. Zie Filet, „Plantk. Wdbk.”, no. 2430. Op Amboina heet de boom _Ai-manoek_. Zie ald. no. 104.

Ook de _Crotalaria juncea_, eene Papilionacee, door de Engelschen _Sun_ of _Sunn_ genoemd, en zoowel in den Indischen Archipel als in Bengalen gekweekt, levert eene stof op, de Indische hennip, die als surrogaat voor de _goeni_ gebezigd en vaak onder dien naam begrepen wordt.

Het woord _gonje_ wordt in ons land ook veelvuldig gebruikt om eene van grove, sterke vezels vervaardigde, zeer duurzame soort van tapijten aan te duiden. Waarschijnlijk waren die gonje-tapijten oorspronkelijk vervaardigd uit dezelfde stof als de goeni-zakken, d. i. uit de vezelen van den Corchorus of een zijner surrogaten. Het woord _gonje_ moest in de Nederlandsche woordenboeken niet ontbreken.

Krandjang.

Men zegt en schrijft ten onzent gewoonlijk _kranjang_, maar niets zou nog beletten den waren vorm _krandjang_ (of _kĕrandjang_) van het Maleisch en Javaansch te herstellen. Van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.” verklaart _kranjang_: „matwerk of gevlochten riet, waarin suiker uit Oost-Indië verzonden wordt, baal”. In het Jav. Wdbk. van Prof. Roorda wordt _krandjang_ verklaard: „een meer of min groote, grof gevlochtene, lange, ronde mand, gewoonlijk van bamboe, tot verpakking en vervoer van goederen.” Uit de Sturler's „Handboek voor den landbouw in N. O.-I.”, bl. 496, blijkt dat de krandjang ook wel van klapperbladeren (d. z. kokosbladeren) wordt gemaakt. Bij ons zijn de krandjangs het meest bekend door het gebruik om stukken van oude suikerbalen in onze tuinen tot beschutting van teederder gewassen te gebruiken.

Gladakker.

Op Java is _galadag_ of _gladag_, door de Europeanen _gladak_ uitgesproken, de gewone naam van den dienst der vervoermiddelen en transporten. Zoo heeten b. v. de lastdragers _wong gladag_, de lastpaarden _djaran gladag_, enz. De paarden voor de transportdiensten gebruikt hebben veel te lijden en verliezen spoedig alle schoonheid en goede hoedanigheden. Vandaar beteekent onder de Nederlanders op Java een _gladakker_ een slecht, versleten paard, een knol. Maar die naam wordt vervolgens ook overgedragen op alles wat leelijk en gemeen is. Zoo worden b. v. de leelijke honden, die, zonder meester, in de dessa's rondloopen, zoo bekend uit van Rees, „Herinneringen uit de loopbaan van een Ind. officier”, 3e druk, Dl. II, bl. 22, dikwijls _gladakshonden_ genoemd. Maar vooral ook wordt _gladakker_ (bij ten Brink, „O.I. Dames en Heeren,” altijd _gladak_ geschreven) gebezigd voor een gemeen en liederlijk persoon, die door fatsoenlijke lieden geschuwd wordt.

Kĕ, Keh.

De Chineezen die pas uit hun vaderland in den Indischen Archipel komen, worden daar aangeduid door den naam _Sin-kĕ_, d. i. _nieuw-gast_, en in het algemeen worden de Chineezen van zuivere afkomst van de in Indië uit de kolonisten geboren bastaard-Chineezen, die den naam van _pĕranakan_[40] dragen, door den naam _Kĕ_ (of _Keh_), d. i. _gast_, onderscheiden. Die naam wordt echter door de Europeanen vaak als een soort van schimpnaam gebezigd. Van Rees, „Herinneringen”, II, bl. 16: „Het kostte ons altijd moeite den groet der Chineezen niet onheusch te beantwoorden, en een „dag, leelijke kee!” was het minste dat zij moesten hooren.”

[40] De _pĕranakans_ zijn inderdaad steeds bastaard-Chineezen of mestiezen, daar de emigratie uit China aan vrouwen verboden is.

De massa der Chineezen die in den Indischen Archipel komen, behoort tot het ruwe, maar krachtige ras der bergvolken, die in het gebergte langs de noordelijke grenzen van Koeang-tong (Canton) en Koeang-si wonen. Men vindt er echter ook sommigen van een meer verfijnd ras, dat in Amoy (Hiamen) en de naburige streken te huis behoort. Men geeft aan deze laatsten een bijzonderen naam, die zeer verschillend wordt uitgesproken. De heer van Lynden, „Nat. T. v. N.-I.”, D. II, bl. 602, van de Chineezen op Borneo sprekende, zegt: „De Chineezen te Pontianak, Mandor en in de bovenlanden zijn meestal Keh's en slechts zeer weinigen Ollo's”. De heer Tobias in de „Ned. Hermes”, Jg. III, no. 12, bl. 36, spreekt van twee Chineesche kampongs te Pontianak, waarvan de kleinere alleen door Chineezen uit de provinciën Emoi (Amoy) en Holy bewoond wordt, die, zooals hij er bijvoegt, veel fijner en beschaafder van zeden zijn dan de andere klasse van Chineezen en van dezen een afkeer hebben. Deze onderscheiding wordt ook bevestigd door hetgeen de reizigers omtrent Riouw berichten. Zoo b. v. de Bruyn Kops in „Nat. T. v. N.-I,” D. IV, bl. 69: „De Chineezen (te Riouw) worden naar hunne afkomst onderscheiden in Canton- en Emoyer-Chineezen, welke afzonderlijke kampongs bewonen en afzonderlijke hoofden hebben. Tusschen deze beide afdeelingen bestaat een voortdurende naijver, die somwijlen in twist uitbreekt. De Chineezen van Canton zijn zware, sterke menschen; de Emoyers zijn in het algemeen veel minder gespierd en houden zich meer uitsluitend met den handel bezig.”

Zijn nu de Chineezen, die van Lynden Ollo's noemt, dezelfde als de Chineezen van Amoy, die door de Bruyn Kops op dezelfde wijze tegen die van Canton worden overgesteld? Dat die vraag bevestigend moet beantwoord worden, kan dunkt mij niet twijfelachtig zijn, vooral wanneer men acht geeft op de woorden van den heer Tobias, die de Chineezen van Amoy en Holy bijeenstelt, om ze gezamenlijk aan de Canton-Chineezen over te stellen. Er woont namelijk in de nabijheid van Amoy, op de grenzen tusschen Fokiën en Canton, volgens eene mededeeling die ik van Prof. G. Schlegel ontving, een kleine stam, welks naam deze geleerde Hok-lo schrijft, en hij voegt er uitdrukkelijk bij dat vele Hok-lo Chineezen te Riouw wonen. Ollo en Holy zijn dus andere transscriptiën, of verbasteringen, voor Hok-lo, en Tobias drukt zich ongewoon nauwkeurig uit, wanneer hij de Chineezen van Emoi (Amoy) en Holy (Hok-lo) nog verder van elkander onderscheidt. Zij wonen dicht bij elkander, schijnen in zeden en levenswijze overeen te komen, en worden gewoonlijk als ééne klasse beschouwd, die nu eens Amoy-, dan eens Hok-lo of Ollo-Chineezen genoemd worden.

Uit de boven aangehaalde plaats van den heer van Lynden, die de Kĕh's en Ollo's tegenover elkander stelt, zou men opmaken dat alleen de Canton-Chineezen Kĕh worden genoemd. Dit wordt echter door geene andere mij bekende getuigenis bevestigd, en is zelfs eenigermate in strijd met de volgende taalkundige opheldering omtrent het woord Kĕ, mij door wijlen Prof. Hoffman verstrekt: „De Chineezen op Java beschouwen zich zelven als Thang-Kĕ, d. i. gasten (Kĕ) uit Thang, een vroegeren naam van China, dus als gasten uit China, en noemen de nieuwe aankomelingen „nieuwe gasten”, _sin kĕ_. In China zelf gaan ook reizende kooplieden, marskramers enz. voor gasten (kĕ) door, en men noemt b. v. de reizigers die de tee-districten bezoeken en tee opkoopen „tee-gasten”, _tscha-kĕ_, terwijl ook de winkelier zijne klanten als _kĕ's_ beschouwt. Het woord _kĕ_ sluit het begrip van _vreemdeling_ in. In het Canton-dialect luidt het _hak_.”

Hieruit volgt: 1o. dat _kĕ_ soms te onrecht als een verkorting van _sin-kĕ_ wordt beschouwd. _Kĕ_ is een vreemde, d. i. een _echte_ Chinees in het algemeen, en _Sin-kĕ_ een pas aangekomene, een nieuweling, een baar. Dit blijkt ook reeds uit hetgeen over deze benamingen werd opgemerkt door Prof. Hoffmann in „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenk. van N.-I.”, D. IV, bl. 280, waar hij ten slotte nog opmerkt: „Het Chineesche _Kĕ_ heeft al de schakeeringen van beteekenis, die wij aan ons woord _gast_ hechten, en daar het ook een _vreemdeling_ beteekent, die ter plaatse waar hij zich bevindt niet te huis behoort, is het in den mond van niet-Chineezen geen aangename groet voor een Chinees op Java.”

2o. Dat in het woord _kĕ_ op zichzelf niets ligt, waarom het niet even goed op Amoy- als op Canton-Chineezen zou toepasselijk zijn.

Smous.

Evenmin als Kĕ schijnt ook dit woord naar zijne eigenlijke beteekenis iets beleedigends te bevatten. In de taal der boeren van Zuid-Afrika is nog alle bijgedachte van schimp of smaad aan het woord vreemd. Volgens Mansvelt's „Kaapsch-Hollandsch Idiotikon”, is een _smous_ een te voet, te paard of per kar voorttrekkende Jood, die zijne waren rondvent. Zie ook Schüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 9: „Zij verkoopen hun voorraad aan reizende kooplieden of smousen. Dit woord getuigt volstrekt niet van minachting... Reizend koopman en smous zijn woorden van één beteekenis”. H. P. N. Muller in „de Gids” voor Mei 1888, bl. 225: „Marskramers worden door de Boeren steeds met den liefelijken naam _smous_ betiteld, ook al zijn zij Christenen. Het is geen scheldwoord, maar slechts eene beroepsaanduiding”. Uit deze laatste plaats blijkt, dat _smous_ in Zuid-Afrika eene uitbreiding van beteekenis ondergaan heeft, zoodat het niet enkel bepaaldelijk een _Joodschen marskramer_, maar een _marskramer_ in het algemeen aanduidt.

De oorsprong van het woord _smous_ is niet zoo duister als gewoonlijk geloofd wordt. In het Hoogduitsch beantwoordt daaraan _Mauschel_. Heyne, in Grimm's „Deutsches Wörterbuch” in v., zegt over dit woord: „Spottname für einen Juden, weitergebildet aus dem jüdischen Namen Moses, in jüdisch-deutscher Aussprache _Mausche_ oder _Môsche_, wie denn diese und verwandte Formen als allgemeiner Rufnahme für Juden begegnen”. Hij brengt daarna voorbeelden bij waarin Mausche, Moschi, Moschgen als zoodanig voorkomen. Eerst de vorm _Mauschel_ of _Mauschl_ (een deminutiefvorm) „bezeichnet in verächtlicher Weise den Juden, namentlich den Schacherjuden”. In het Hollandsch is Mausche of Môsche overgegaan in _mous_ of _moos_, maar met voorklamping van den sis-klank, zoo gewoon vóór de _liquidae_, als in _smoel_ voor _moel_ of _muil_, _smerlijn_ voor _merlijn_ (den steenvalk), _sneb_ voor _neb_, _snugger_ voor _nugger_, _snikken_ (_snokken_) voor _nokken_ (_nikken_), _slinker_, _slinksch_ voor _linker_, _linksch_, _slank_ (voor _lang_ of _lank_), enz., geheel in den geest der volkstaal[41]. Terecht dus heeft reeds Weiland ons _smous_ afgeleid „van den eigennaam Mozes, waarvoor de Joden in de gemeenzame verkeering _mous_, _mousje_, bezigen, dat met voorzetting van eene s, _smous_, _smousje_ geworden is”. Daar nu een gebruikelijke eigennaam op zich zelf geen scheldnaam kan zijn, is _smous_ meer door den minachtenden toon waarop het wordt uitgesproken, dan door zijne beteekenis tot scheldwoord gestempeld. Bij ons volk bestaan niet die bittere vooroordeelen tegen de Joden die hun in andere landen bloedige vervolgingen op den hals halen, maar het is hun geest van schacheren en woekeren, die hen bij de menigte in minachting brengt, zonder dat men bedenkt hoezeer die geest een uitvloeisel is van de verdrukking, waaraan zij zoovele eeuwen waren blootgesteld. De beteekenissen van het woord _smous_ laten zich dunkt mij het best zoo ordenen: 1o. een duitsche Jood, 2o. een joodsche marskramer, 3o. een marskramer in het algemeen (Zuid-Afrika), 4o. een schacheraar, een woekeraar.

[41] Zulk eene _s_ komt enkele malen ook vóór andere letters voor, b.v. _stronk_ voor _tronk_ (Lat. _truncus_), _strubbel_ voor _trubbel_ (Fr. en Eng. _trouble_).

Prof. Dozy heeft het woord _smous_ in zijne „Oosterlingen” niet opgenomen. Dit gaf aanleiding dat bij de verschijning van dat werkje twee nieuwe afleidingen beproefd zijn. Prof. de Goeje wilde het in verband brengen met _Schammôsj_, een kerkedienaar, Prof. Land met _Isj-mówet_ (uitgesproken Schmówĕs), een man des doods, dat dan zooveel zou beteekenen als _galgebrok_, _pendard_. Beide verklaringen zijn veel te gezocht en te geleerd, en geen van beide komen met het gebruik van _smous_ overeen.

Ik wensch hier ook nog iets over eenige Joodsche woorden bij te voegen, die van te weinig gewicht zijn om een afzonderlijk artikel te verdienen. Prof. Dozy zegt in de voorrede zijner „Oosterlingen”: „Van Joodsche woorden zijn er misschien in enkele steden, waar veel Joden wonen, vooral te Amsterdam, meer in de volkstaal overgegaan, dan ik heb opgeteekend”. Juister ware het te zeggen, dat daar de Joden, die onder elkander hun eigen, met Hebreeuwsch en Chaldeeuwsch doorspekt Duitsch spreken, ook in het verkeer met Christenen vaak Joodsche woorden in hun taal mengen, die door hen met wie ze spreken dikwijls niet of slechts ten halve verstaan worden. Wanneer nu zulke woorden kunnen gezegd worden in de volkstaal te zijn overgegaan, is moeilijk te bepalen. Waar van Maurik, die Amsterdam kent zooals Dickens Londen kende, in zijne schetsen en novellen Joden ten tooneele voert, legt hij hun niet zelden woorden in den mond die stellig niet algemeen verstaan worden, en toch in den mond van een Jood zeer gepast zijn, b. v. waar in „Uit één pen”, bl. 181, David de loterijman _tôf_ (het Hebr. _tôb_, volgens de uitspraak der Duitsche Joden) voor _goed_[42] en _gammor_ (verbastering van het Hebr. _chămoor_) voor _ezel_ bezigt. Maar deze woorden kunnen geen aanspraak maken om zelfs als vreemde gasten in de Nederlandsche taal beschouwd te worden. Meer aanspraak daarop heeft _sikker_, dat, zoo ik geloof, vrij algemeen, althans in Amsterdam, verstaan wordt, en dan ook door van Maurik, „Uit één pen”, bl. 142, 148, aan een Amsterdamschen nachtwacht in den mond wordt gelegd. Het is het Hebr. _sjikkôr_, dat _dronken_ beteekent.

[42] Men heeft ook voorgeslagen uit dit _tôb_ het Ned. _top_ te verklaren, het tusschenwerpsel waarmede een koop wordt aanvaard of toegeslagen. Hier schijnt echter iets meer, iets levendigers en krachtigers gevorderd te worden, dan een woord dat eenvoudig uitdrukt dat het _goed_ is. Het schijnt mij een geluidnabootsend woord te zijn, dat den klank der met kracht ineengeslagen handen nabootst en versterkt. Zie Littré in voce _toper_. Vgl. ook Weiland op _top_ en _toppen_.

Saraceen.

Dat dit woord niet voorkomt in de „Oosterlingen” van Prof. Dozy, en, ofschoon het ook aan de Spanjaarden en Portugeezen bekend is, evenmin in zijn „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérives de l'Arabe”, kan nauwlijks daaraan worden toegeschreven, dat het vergeten is. Ik vermoed dat hij het als een eigennaam van onzekere afkomst beschouwde, waarvan alleen bekend is dat hij van de Grieken en Romeinen tot ons is gekomen. Onder de verschillende afleidingen van het woord, die men heeft voorgesteld en kan nalezen bij Pococke, „Specimen Hist.-Arab.”, ed. White, p. 33, en in Gibbon's „Decline and Fall of the Roman Empire”, in eene noot op Ch. I, is er ééne, die bij den eersten oogopslag groote waarschijnlijkheid heeft: deze namelijk, dat Saracenen, het Grieksche _Sarakénoi_, afstamt van het Arab. _Sjarq_, het Oosten, dus overeenkomt met _Sjarqioena_, Oosterlingen, en overstaat tegen _Maghrebioena_, Westerlingen (Magrebynen), zooals de latere Arabieren de Mauretaniërs noemden. Men denke daarbij dan ook aan den naam _Bené Qèdem_, zonen van het Oosten, in het Oude Testament aan de Arabische stammen ten O. van Syrië en Palestina gegeven. De vorm biedt hoegenaamd geen zwarigheid; want de _sjîn_ gaat in het Grieksch vanzelf in _sigma_ (onze _s_) over, en aan de lange _i_ beantwoordt in het Grieksch de _èta_.

Er bestaan echter tegen deze afleiding twee zwarigheden. De Arabieren konden zich zelven niet wel _Oosterlingen_ noemen, en hoe kan men zich voorstellen, dat de Grieken, die hen zeer natuurlijk zoo noemden, dit deden met een aan de Arabieren zelven ontleenden naam. Het is vooral deze zwarigheid die mij doet twijfelen.

De andere is van minder gewicht. Zij bestaat daarin, dat bij Ptolemaeus, „Geographia”, V, 17, § 6, _Sarakéné_ als een landschap van Arabia Petraea, en VI, 7, § 21, _Sarakénoi_ als een stam in Arabia Felix voorkomen. Hieruit maakt men op dat Saracenen oorspronkelijk de eigennaam was van een klein deel des Arabischen volks, die later, waarom blijkt niet, bij de Grieken de algemeene naam des ganschen volks is geworden. Aan analoge voorbeelden ontbreekt het niet. De naam van den stam Tai is bij de Syriërs de naam van alle Arabieren geworden (Tajôjé); bij de Franschen werd de naam der Alamanen de algemeene naam van alle Duitschers (Allemands); wij Nederlanders zelven worden in den vreemde naar een deel van ons volk algemeen Hollanders genoemd. Maar daaruit volgt volstrekt niet met eenige zekerheid, dat de naam Saracenen, zoo al Ptolemaeus terecht van een kleine bevolking dus geheeten in Arabië gewaagt, oorspronkelijk alleen aan dien kleinen stam toekomt, en daar men, wat de landen van het Oosten betreft, bij de oude geographen op velerlei verwarring en misverstand kan rekenen, mis ik zelfs de overtuiging dat werkelijk Saracenen ooit de naam van een bijzonderen stam geweest is. Indien dus slechts een aannemelijke reden kon worden opgegeven, waarom de Grieken een oostersch volk noemden met een woord dat in zijne eigen taal _Oosterlingen_ beteekent, zou ik aan de afleiding van _sjarq_ de voorkeur blijven geven.

Dajak.

Met dezen naam, waarvan de oorsprong zeer onzeker en betwist is, wordt de inheemsche bevolking van Borneo, in tegenstelling met de Maleische kolonisten aan de kusten, niet slechts door de Europeanen, maar ook door de Maleiers aangeduid. Crawfurd, „Dict. of the Indian islands”, in v. _Dyak_ zegt: „It is a word used by the Malays as a generic term for all the wild races of Sumatra and Celebes, but more especially of Borneo, and seems to be equivalent with them to the European word _savage_.” Doch dat het woord zich ook tot bevolkingen buiten Borneo zou uitstrekken wordt, voor zoover ik weet, door geen andere getuigenissen bevestigd, en is zelfs moeilijk vereenigbaar met hetgeen Crawfurd zelf laat volgen, dat hem door Maleische kooplieden _Dajak_ als de naam van een stam van N. W. Borneo is opgegeven. Iets dergelijks komt voor in een nog onuitgegeven journaal van den heer von de Wall, die door zijne vele tochten en onderzoekingen op Borneo bekend is. De heer Robidé van der Aa deelt in zijne uitgave van Carl Bock's „Reis in Oost- en Zuid-Borneo”, (bl. 177) mede, dat, volgens von de Wall, „de Bonoa's, een Dajaksche stam aan den Boengan, zijtak van den Mohakkam, die van de zuidgrens van Pasir naar het meer Sembajan loopt, de bewoners van het grensgebergte _Dajaks_ noemen, hetgeen _bovenlander_, _bergbewoner_ beteekent, dus hetzelfde als _Beadjoe_ of _Ngadjoe_, van _adjoe_, Poelopetaksch _boven, hooger op de rivier_.” Het zou zeker niet vreemd zijn (vergelijk de gelijksoortige gevallen, vermeld in het artikel _Saraceen_), dat zulk een naam allengs een uitgebreidere beteekenis had erlangd, wat dan ook ten slotte het gevoelen van Crawfurd ten opzichte van _Dajak_ schijnt te wezen.

Nadat de etymologen lange jaren omtrent den naam Dajak in het onzekere hadden verkeerd, zonder het verder te kunnen brengen dan de hier vermelde gissing, komt eensklaps de heer Perelaer in een soort van ethnographischen roman, dien hij onder den naam: „Borneo van Noord naar Zuid” (Rotterdam, 1881) heeft uitgegeven, D. I, bl. 149, het Nederlandsch publiek met eene nieuwe verklaring van den naam Dajak verrassen, die zoo eenvoudig en natuurlijk schijnt, dat men er nauwlijks eenige andere tegenwerping tegen maken kan, dan de onwaarschijnlijkheid dat iets zoo eenvoudigs en natuurlijks zoo lang is onbekend gebleven. Vooral is het bevreemdend, dat zij den heer Perelaer zelven gedurende zijn lang verblijf op Borneo ontgaan was, zooals blijkt uit een vroeger werk van zijne hand: „Ethnographische beschrijving der Dajaks” (Zalt-Bommel, 1870), bl. 2, waar hij zegt: „Hoe wij Europeanen aan het woord Dajak komen, is mij niet mogelijk geweest op te sporen. Nergens op Borneo, althans in dat gedeelte van het eiland hetwelk tot onze bezittingen behoort, is dat woord te huis; het is alleen bekend in die streken, welke met ons Europeanen in aanraking gekomen zijn”. Maar hoe is dan den heer Perelaer in 1881 het licht opgegaan, dat hem in 1870 nog ontbrak? Zeker niet, zoover ik kan nagaan, door een nieuw bezoek aan Borneo, maar waarschijnlijk, zooals ook de heer v. d. Aa t. a. p. aanneemt, door een artikel in Hardeland's „Dajacks-deutsches Wörterbuch”, dat aldus luidt: „_Dadajak_, _dajadajak_, _hadajak_, wackelnd gehen.—_Kadajadajak_, immer, noch immer wackelnd gehen.—_Baradajak_, alle wackelnd gehen”. Het verdient opmerking, dat het den heer Hardeland niet in de gedachten schijnt gekomen te zijn, den naam Dajak hieruit te verklaren.

De heer Perelaer, dit artikel uit Hardelands woordenboek, dat hij blijkbaar tot vermeerdering der ethnologische kennis, die hij gedurende zijn vierjarig verblijf op Borneo (1859–1863) verkregen had, ijverig doorzocht en bestudeerd heeft, met zijne eigen herinneringen in verband brengend, heeft op de aangehaalde plaats van zijn „Borneo van Zuid naar Noord”, misschien met wat al te veel verzekerdheid, de bij hem opgekomen gissing omtrent den oorsprong van den naam Dajak in deze woorden uitgesproken: „Dajak is een verkorting van het woord „dadajak”, dat in de taal des lands beteekent: „wankelend loopen”. De benaming _Dajak_ is dus een scheldnaam, die ook zoo opgenomen en alleen door de Europeanen gebezigd wordt. De bewoners van de benedenlanden hebben allen, op zeer weinig uitzonderingen na, kromme onderdanen en als gevolg daarvan een waggelenden gang. De oorzaak van dit gebrek is daarin gelegen, dat zij het grootste gedeelte van hun leven, met gekruiste beenen zittende, in hunne prauwen doorbrengen. Daarentegen is door het vele en aanhoudende roeien hun bovenlijf zoodanig ontwikkeld, dat het van de meesten wel tot model voor een beeldhouwer kon dienen”.