Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
Part 14
Deze om haar heerlijke vruchten bekende plant, de _Ananassa sativa_, wordt in geheel Indië, zoo op het vasteland als op de eilanden, in talrijke verscheidenheden gekweekt. Algemeen wordt thans erkend dat deze plant uit Brazilië of Peru afkomstig is, ofschoon de ouderdom harer cultuur en hare verwildering op de eilanden van den Archipel Rumphius aan haren Amerikaanschen oorsprong deden twijfelen. Zoowel als de plant is ook haar naam uit Amerika afkomstig. Ik lees in „The Treasury of Botany” van Lindley en Moore, p. 60, dat deze plant het eerst aan de Europeanen bekend werd in Peru, dat zij daar te lande _nanas_ heet, en dat zij onder dezen naam in 1555 beschreven werd door den monnik André Thevet. Paludanus, in de aanteekeningen op v. Linschoten's „Itinerario”, schrijft (bl. 72) „Ananas, van die Canarijns _ananasa_ geheeten, van die Brasilianen _nana_ en van anderen in Hispaniola _iaiama_, van die Spangiaerden in Brasyl _pinas_, om eenighe ghelijkenisse die deze vrucht heeft met die pijnappel[33], is uyt die provincie van Sante Croce eerst in Brasiliën, vandaer in Spaensch-Indiën ende volgens in Oost-Indiën gebracht.” Piso, „de Indiae utriusque re naturali et medica”, zegt, p. 194, dat de plant bij de Brazilianen _nana_ en bij de Portugeezen _ananas_ heet, en het Portugeesch Woordenboek van da Costa e Sá zegt op _Ananas_: „fruto e planta do Brasil”. Ook S. de Vries, „Curieuse aenmerkinghen”, I, bl. 231, bevestigt dat _nana_ de Braziliaansche naam is. Wij mogen dus niet twijfelen of plant en naam beide zijn door de Portugeezen uit Amerika naar Oost-Indië overgebracht.
[33] Men herinnert zich dat _pineapple_ de gewone naam der ananas is in het Engelsch.
Het is duidelijk dat ook wij den naam dezer plant van de Portugeezen hebben overgenomen, terwijl in het Javaansche en Maleische _nanas_, op wat wijze dan ook, de oorspronkelijke Amerikaansche vorm van dien naam is bewaard of hersteld. Aan de volken van den Archipel moest het toeschijnen dat deze naam door reduplicatie, ontstaan was; vandaar dat hij in sommige talen (Bataksch, Dajaksch, Soendasch) de vormen _honas_, _kĕnas_, _kanas_, kon aannemen, waardoor hij meer bepaald tot nom. subst. is gestempeld. Merkwaardig is de Menangkabausche naam _pisang ănas_, die zich kwalijk met den aard der vrucht laat rijmen.
Ofschoon ik in de gelegenheid was, alvorens dit stukje ter perse ging, het (nog niet afgedrukte) art. _ananas_ in het Woordenboek van de Vries en te Winkel te raadplegen, heb ik gemeend niets aan dit artikel te moeten veranderen. Bij vergelijking zal bevonden worden dat beide elkander bevestigen en aanvullen.
Vanielje.
Ofschoon dit product, dat tot de orchideeën behoort, uit Amerika afkomstig is, moet de naam niet uit eenige Amerikaansche taal, maar uit het Spaansch worden verklaard. Hij luidt in die taal _vaynilla_, een verkleinvorm van _vayna_, het Latijnsche _vagina_. _Vayna_ beteekent in het algemeen eene _scheede_, en inzonderheid de scheede die het zaad van sommige planten bevat, de zaaddoos, peul of hauw. De vruchten der vanielje (_vanilla aromatica_) bestaan werkelijk uit kleine, lange hauwen, zoodat de reden van den naam geheel voor de hand ligt. De Mexicaansche naam der vanielje is Tlilxochitl. Zie Piso, „Mantissa aromatica”, p. 200.
Agar-agar.
_Agar-agar_ is de gewone Maleische naam van de _Plocaria (Gracilaria) candida_, thans _Sphaerococcus lichenoïdes_, eene soort van eetbare zeewier, soms bij Nederlandsche schrijvers _zeedruiven_ genoemd, ofschoon ook bij hen _agar-agar_ de gebruikelijke naam is. Deze wier komt voor langs de stranden van meest alle eilanden van den Archipel en van Ceilon, en vormt een belangrijk artikel van uitvoer naar China. Om ze te eten kookt men ze tot eene gelei, die door de Chineezen ook als lijm of vernis wordt gebruikt. Te Singapore ziet men overal op de straten venters van water, groenten, vruchten, soep en agar-agar. Zie Wallace, „Insulinde”, I, bl. 39. Zie verder Filet, „Plantk. Wdbk.”, no. 20 en 21; v. d. Burg, „de Geneesheer in Indië”, D. III, bl. 79; Miquel, „Sumatra”, bl. 42.
Bamboes.
_Bamboes_ is in onze taal de naam van het botanisch geslacht _Bambusa_, dat, vooral in de soort _Bambusa vulgaris_, in een groot aantal verscheidenheden zoowel in Hindostan als in den Indischen Archipel voorkomt. Andere soorten vindt men in West-Indië en Midden-Afrika, en voor de bewoners der tropische gewesten is er geen andere plant, die het bamboesriet in nuttigheid evenaart. Om een denkbeeld te erlangen van het eindeloos verschillend gebruik dat van deze plant en al hare deelen gemaakt wordt, raadplege men b. v. Wallace's „Insulinde”, D. I, bl. 129–135.
Het woord _bamboes_, mv. _bamboezen_, dat ook in vele samenstellingen, b. v. _bamboesriet_, _bamboesstok_, _bamboeskoker_ enz. voorkomt, wordt in onze taal niet enkel van de geheele plant, maar soms ook van enkele harer deelen gebruikt. Zoo vindt men b. v. bij Gevers Deynoot, „Reis naar Oost-Indië”, op bl. 79 _bamboezen_ in de beteekenis van de door een knoop gescheiden leden der bamboesplant („de inlander die eenige gelden verzameld heeft begraaft deze in bamboezen onder den grond”), op bl. 105 in die van bamboesstokken („puntige bamboezen werden in het werk gesteld om den tijger en den karbouw met elkander te doen strijden”). Ook wordt van _bamboes_ het stoffelijk bijv. nw. _bamboezen_ gevormd, b.v. bamboezen huisjes, bamboezen kooi, bij denzelfden schrijver, bl. 78 en 105.
Ons woord _bamboes_ is door toevoeging eener _s_ gevormd van _bamboe_, aan welken laatsten vorm thans sommige schrijvers uit een streven naar nauwkeurigheid de voorkeur geven. In den Indischen Archipel is de naam _bamboe_ niet onbekend, maar hij is er door de vreemde, Aziatische of Europeesche, handelaars ingevoerd. De inlandsche naam van dit riet is _boeloeh_ (Maleisch) of _woeloeh_[34] (Javaansch). De naam _bamboe_, waarvoor men ook _mamboe_ zegt, stamt uit Hindostan. „Oock is”, zegt v. Linschoten „Itinerario” bl. 82, „op alle de custe van Malabar veel dick riet, en principaelijk aan de custe van Choromandel, welck riet wordt van de Indianen _mambu_ genaempt, en van de Portugesen _bambu_”. In de Portugeesche woordenboeken vind ik de vormen _bambu_, mv. _bambuz_, en _bambuz_, mv. _bambuzes_. Het kan nauwelijks aan twijfel onderhevig zijn of wij hebben ook dit woord van de Portugeezen overgenomen en ons _bamboes_ is naar _bambuz_ gevormd.
[34] _Woeloeh_ is de Jav. uitspraak van _boeloeh_, maar wordt volgens de woordenboeken slechts van eene bijzondere soort, de _Bambusa excelsa_, gebezigd. De algemeene Javaansche naam van de bamboes is _pring_, in de hooge taal _dĕling_.
Rotting.
_Rotting_ is, volgens Weiland, „eigenlijk een rietachtig plantgewas, dat bij de kruidkenners den naam van _rottang_ voert en verschillende soorten heeft, en in het gebruik een staf, van dat plantgewas genomen.” Deze verklaring is weder zeer gebrekkig; voor eene juiste zijn weinig meer woorden, maar wat meer zaakkennis noodig. Ons _rotting_ en het Engelsche _rattan_ zijn verbasteringen van het Maleische _rotan_, hetwelk de algemeene naam is van de rietpalmen, behoorende tot de botanische geslachten _Calamus_ en _Daemonorops_, en in een verbazend aantal soorten in de bosschen van den Indischen Archipel voorkomende. Over den oorsprong van het Maleische woord zelf uit te weiden ligt buiten mijn bestek; men zie daarover v. d. Tuuk, „Bataksch leesboek”, D. IV, bl. 119; maar wel is het van belang op te merken, dat reeds in onderscheidene dialecten van den Indischen Archipel zelven, in plaats van de finale _n_, in dit woord de neusklank _ng_ gehoord wordt, zooals in het Makassaarsche _raoekang_, het Bataksche _hotang_, het Daïrische _kĕtang_.[35] In de talen van Insulinde gaat de finale _n_ zeer licht in _ng_ over en meenen de Europeanen deze laatste letter dikwijls ook daar te hooren, waar de inboorlingen de enkele _n_ schrijven. Zoo b. v. in het gewone _kojang_ voor het Maleische _kojan_, in _orang oetang_ v. _o. oetan_. (zie op het woord), in _Bintang_, zooals de Europeanen den naam van het eiland _Bintan_ uitspreken enz. Vgl. ook op _Tang_. En zoo hebben de Europeanen van _rotan_ veelal _rotang_ gemaakt, b. v. in den botanischen soortnaam _Calamus rotang_.
[35] De Bataksche vormen doen echter de hier aangenomen afleiding van _raoet_, met _an_ als vormingslettergreep, in twijfel trekken en eer denken aan den grondklank _tang_, die het begrip van rekbaarheid en buigbaarheid schijnt uit te drukken. Mocht dit juist zijn, dan is de _ng_ oorspronkelijk.
Eene andere opmerking tot verklaring van het verbasterde _rotting_ is, dat de Europeanen, daarvoor grond vindende in de inlandsche uitspraak, geneigd zijn in Maleische en Javaansche woorden de tusschen twee vokalen, waarvan de voorafgaande betoond is, geplaatste medeklinkers te verdubbelen of tusschen de beide lettergrepen te verdeelen, zooals in dammer, pagger, passer, slokkan, dessa en andere. _Rotan_ werd dus _rottang_, en de toonlooze _a_ in de laatste lettergreep, door de versterking der voorlaatste nog meer verkort, ging in dammar, paggar, passar in ĕ, in rottang in de nagenoeg evenzoo luidende ĭ over.[36] Men schreef dus _rotting_, welke vorm reeds zeer oud is en o. a. voorkomt bij Baldaeus, „Ceilon”, bl. 88.
[36] Indien men _rotteng_ in plaats van _rotting_ schreef, zou de uitspraak niet wezenlijk verschillen.
Rotting is geheel een Nederlandsch woord geworden, zooals blijkt uit de vele daarmede gevormde samenstellingen, b.v. rottingknop, rottingband, rottingolie enz. In den handel onderscheidt men handrotting (zwaardere stukken op bepaalde maat gesneden voor wandelstokken) en bindrotting (lange, dunne stukken voor bindmiddel en vervaardiging van matten en meubelen gebruikt.)
Bataten.
_Bataten_ of _pataten_ (patatten) is de met de plant zelve uit Amerika afkomstige naam eener Convolvulacee, die door de botanici _Batatas edulis_ genoemd wordt, en wier eetbare, vleezige en zoet smakende knollen onder de voedingstoffen der tropische gewesten eene belangrijke plaats innemen. Volgens Nieremberg, „Hist. Nat.” l. XV, c. 90, aangehaald bij Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, D. V, bl. 369, zou het woord _batatta_ uit Haïti afkomstig zijn, hetgeen het door Rumphius eenigszins in twijfel getrokken gevoelen bevestigen zou, dat dit knolgewas door Spanjaarden en Portugeezen uit Amerika naar Manilla en vandaar naar de Molukken en andere gewesten van den Indischen Archipel is overgebracht. Het voorkomen der bataten in het wild, zelfs op eilanden waar nooit geregelde vestiging van Europeanen plaats had, is hiertegen, blijkens vele soortgelijke gevallen, geen afdoend bewijs. Ook Piso, „de Indiae utriusque re nat. et med.”, p. 254, beschrijft de _bataten_ als een Amerikaansch gewas, waarvan hij de Peruaansche en Braziliaansche namen opgeeft.
De naam _bataten_, Port. en Sp. _batáta_, is ongetwijfeld weder door de Spanjaarden en Portugeezen tegelijk met de plant zelve verspreid en door de Nederlanders in Indië, gelijk ook door de Maleiers (zie Rumphius, t. a. p., bl. 368) van hen overgenomen. Ook is hij in den vorm _Batatas_ de botanische naam geworden van het geslacht, waartoe deze plant behoort.
Men noemt de bataten dikwijls ook „zoete aardappelen” en inderdaad hebben zij met de gewone aardappelen, _Solanum tuberosum_, veel overeenkomst. Vanhier dat, toen de aardappelen, die in de bergen van Peru en Chili in het wild wassen, maar reeds in overoude tijden door cultuur over Amerika verspreid zijn, het eerst in Engeland bekend werden, zij daar, als uit Virginië ingevoerd, met den naam van _Batatas Virginiana_ bestempeld werden. Hieruit laat zich ook verklaren dat _potatoes_, eene verbastering van _batatas_, de gewone naam der aardappelen in het Engelsch is gebleven. Evenzoo heeten in het Zweedsch de aardappelen doorgaans _potates_ of _potäter_, en ook in andere talen wordt dit knolgewas nog wel eens _bataten_ of _pataten_ genoemd.
Van Dale, „Nieuw Ned. Woordenb.” verklaart _bataten_ door „groene aardappelen”. Ik denk dat dit eene verschrijving is voor „zoete aardappelen”, onder welken naam de bataten algemeen bekend zijn. Er bestaan zooveel ik weet geene andere groene aardappelen dan die welke, boven den grond groeiende en daardoor aan de lucht blootgesteld, eene groene kleur hebben aangenomen. Doch het is ondenkbaar dat men aan deze, die niets dan gewone aardappelen zijn, den naam zou gegeven hebben van eene plant, die tot eene geheel andere plantenfamilie en tot de voortbrengselen der tropische gewesten behoort.
Banaan.
Deze plant is aan Oost- en West-Indië, of, om juister te spreken, aan de tropische gewesten van Azië, Afrika en Amerika gemeen. Men heeft zelfs vroeger aangenomen dat zij, evenals de maïs en eenige andere planten, in beide halfronden oorspronkelijk was; doch zulke voorstellingen worden door de tegenwoordige wetenschap gewraakt. Wat de banaan betreft, gelooft men thans algemeen dat zij in de oude wereld te huis behoort, en vermoedt men dat zij in den allereersten tijd der ontdekkingsreizen van Portugeezen en Spanjaarden door hen naar de nieuwe wereld is overgebracht. En hiervoor pleit ook de getuigenis van Oviedus, „Hist. Indic.”, l. 8, c. 1, dat de _platano_ door de Spanjaarden en Portugeezen uit Groot-Kanarië het eerst naar de Nieuwe Wereld gebracht is en zich daar later vermenigvuldigd heeft.
Deze plant, die bij verschillende volken eene belangrijke plaats onder de voedingstoffen inneemt, heeft ook een aantal zeer uiteenloopende namen. In het Arabisch heet zij _mauz_, waarvan de botanische geslachtsnaam _Musa_ afkomstig is. In den Indischen Archipel heeft zij bijna zooveel namen als er talen gesproken worden; ik noem slechts _pisang_ in het Maleisch en hoog-Javaansch, _gĕdang_ in het laag Javaansch, _tjaoe_ in het Soendaasch, _oenti_ in het Makassaarsch, als voorbeelden. Zonderling is de Spaansche naam _platano_ of _plantano_; want het eerste is in het Spaansch ook de naam van den _plataanboom_, die niet in het minst op de banaanplant gelijkt, en _plantano_ schijnt eer eene verbastering van _platano_, door de in den volksmond zoo vaak voorkomende inlassching der liquida (zie bij _amfioen_ en pampoesjes)[37], dan omgekeerd. Intusschen is van _plantano_ de gewone Engelsche naam _plantain_ gevormd. De meest verbreide naam dezer plant is echter _banaan_, zoo het schijnt door de Portugeezen in den vorm _banána_ tegelijk met de plant uit Afrika naar Brazilië overgebracht, zoodat Dapper, „Beschrijving van het Keizerrijk Sina”, bl. 221, terecht kon schrijven, dat _bananas_ de naam dezer vrucht is bij de Brazilianen. Evenwel worden door Piso, „de Indiae utriusque re nat. et medica”, p. 154, geheel andere namen als voor de pisangs in Brazilië gebruikelijk opgegeven, namelijk _pacobuçu_ en _pacobeté_. _Pacobuçu_ is de naam van de soort die de botanici _Musa sapientum_ noemen, en _pacobeté_ de naam van de _Musa paradisiaca_, die in Suriname _bakkove_ (elders _baccovo_, _pacoba_) wordt geheeten. Men beschouwt in die gewesten de _M. sapientum_ soms als de echte typische banaan, en stelt ze als zoodanig tegenover de _M. paradisiaca_, die kleiner en overvloediger vruchten draagt. Echter worden, als men algemeen spreekt, de bakkove's onder den naam van banaan begrepen. Zegt men dus, gelijk men zoo dikwijls leest, dat in West-Indië de banaan nevens de bakkeljauw het hoofdvoedsel van de negerslaven placht te wezen, dan is daarmede niet beslist of men Musa sapientum of Musa paradisiaca bedoelt; het was zelfs doorgaans de bakkove, die aan de negers verstrekt werd.
[37] Naar mijn inzien wordt de liquida eerder ingevoegd dan uitgestooten, waarom ik ook geneigd ben _laterna_ voor den oorspronkelijken, _lanterna_ (waarvan ons lantaarn) voor den verbasterden vorm te houden. Evenzoo is _taggerijn_ ouder dan _tangerijn_. Zie Dozy's „Oosterlingen” op dit woord, waar de vergelijking der uitspraak van de dubbele _g_ als _ng_ in het Grieksch mij minder gepast schijnt. Rumphius, „Amb. Kruydb.”, D. V, bl. 128, houdt in de beteekenis van „banaan” _plantano_ voor den waren vorm en wil dien afleiden van _planta_; maar hoe dan den uitgang _ano_ te verklaren?
Ik deed reeds opmerken, dat de naam banaan door de Portugeezen uit Afrika naar Amerika werd overgebracht. Inderdaad schijnt _banaan_ oorspronkelijk Afrikaansch te zijn. Volgens Rumphius is banaan een naam die in Guinee te huis behoort; Th. Tromp, in zijne „Herinneringen”, bl. 50, zegt mede dat men in Afrika de pisangs _bananen_ noemt. Overigens hebben de Franschen en Duitschers algemeen den naam banaan aangenomen, en zelfs onder de Nederlanders, die in vroeger tijd met de minder afgelegene en meer door Europeanen gekoloniseerde Westindische bezittingen, veel meer dan met de door het monopolie der Compagnie voor den ondernemingsgeest der particulieren gesloten gewesten van Insulinde bekend waren, was de naam banaan veel meer dan die van pisang bekend. In de laatste jaren, nu men Insulinde zooveel meer heeft leeren kennen en waardeeren en zoovele familiën na veeljarig verblijf in Indië zich weder metterwoon in het moederland vestigen, wordt in den dagelijkschen omgang het woord _banaan_ meer en meer door pisang verdrongen, en is, zelfs _de ware pisang_ eene spreekwoordelijke uitdrukking geworden. Sommigen willen den _pisang_ van de _banaan_ onderscheiden. Daarin eene zoo wijd verspreide cultuurplant natuurlijk een verbazend aantal verscheidenheden ontstaan zijn, kan men met het verschil van namen ook lichtelijk het denkbeeld van eenig soortverschil verbinden; maar bepaalde verscheidenheden, waaraan men den naam van pisang in onderscheiding met dien van banaan zou kunnen toekennen, zijn niet aan te wijzen. Alle gekweekte variëteiten in Indië schijnen tot dezelfde beide soorten als de Amerikaansche: _Musa sapientum_ en _Musa paradisiaca_ te moeten gebracht worden. Zelfs in Afrika worden pisang en banaan hier en daar door elkander gebezigd. Zoo leest men b. v. in Mansvelt's „Kaapsch-Hollandsch Idioticon,” op het woord _Pisang_: „algemeene Kaapsche naam voor _de verschillende banaansoorten_”, terwijl de Marrée, in zijne „Beschrijving der Goudkust”, II, bl. 199, zelfs van _pisangboomen_ als een product dier kust gewaagt.
Naar aanleiding van dit woord _pisangboom_ merk ik hier ten slotte nog op, dat het niet zeer juist is de pisangplant een boom te noemen. De stam is geheel kruidachtig en wordt slechts door de vast om elkander gerolde bladscheeden gevormd.
Anemoon.
_Anemoon_ is de naam van een bekend geslacht van planten, met fraaie bloemen, behoorende tot de familie der Ranunculaceeën, en ook bij de botanici _Anemone_ geheeten.
Omtrent den oorsprong van den naam dezer bloem bestaat eene Arabische legende, die door Caussin de Perceval, „Essai sur l'histoire des Arabes”, II, p. 156, aldus verhaald wordt. „Une prairie voisine de Hira produisait beaucoup d'anemones. Le roi Nòman affectionnait, dit-on, cet endroit; il le prit sous sa protection, c'est à dire, qu'il en interdit l'approche au public. Les fleurs qui y naissaient, furent appellées pour cette raison chakaïk-an-Nòmân, fleurs de Nòmân.” Men gevoelt dat de bedoeling is anemoon van „an-Nòmân” af te leiden, en deze afleiding heeft o. a. bijval gevonden bij Engelmann, „Glossaire des mots Espagnols” enz. Zij is echter ongetwijfeld onjuist, gelijk Prof. Dozy in de tweede zeer vermeerderde uitgave van dit glossaire, p. 373, heeft aangetoond. _Anemoon_ is toch zonder eenigen twijfel het Grieksche _anemōné_, dat reeds bij Hippocrates voorkomt, terwijl Theophrastus en Dioskorides reeds de soorten onderscheiden die nu nog _Anemone coronaria_, _hortensis_, _Apennina_ genoemd worden. Zie Fraas, „Synopsis plantarum Florae classicae”, p. 130.
En toch is het volstrekt niet onmogelijk dat _anemoon_ in den grond van Semietischen oorsprong is, gelijk er in het Grieksch zoovele andere woorden zijn die van de Phoeniciërs en andere volken van het Oosten zijn overgenomen. Movers, „Phönizier,” I, p. 217, heeft reeds gegist dat anemōné het Hebr. of Phenicische _han-naäman_, d. i. de liefelijke, zou wezen, en met Prof. de Goeje, die daarop in zijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen” heeft opmerkzaam gemaakt, acht ik dit verre van onwaarschijnlijk.
Guttegom.
Een bekende gele, harde en blinkende, als verfstof en als geneesmiddel gebruikte soort van gom of hars, die men verkrijgt van verschillende Indische boomen van de familie der Clusiaceeën. Ofschoon de guttegom thans meest van Ceilon wordt aangevoerd, waar ze doorgaans van _Stalagmites ovalifolius_ wordt verkregen, is echter de ware van oudsher bekende guttegomboom de _Garcinia Cambogia_ (_Cambogia gutta_ L.), die mede op Ceilon en, vandaar ingevoerd, op Java voorkomt. Doch de naam _Cambogia_ wijst op het gewest, dat men (waarschijnlijk niet te onrecht) voor het eigenlijk vaderland van dezen boom hield, namelijk Kambodja in Achter-Indië. De Engelsche naam der guttegom, _gamboge_, laat zich daaruit gereedelijk verklaren.
In het Spaansch en Portugeesch, uit welke talen wij de namen van zoovele Indische handelswaren hebben overgenomen, komen voor de guttegom de volgende namen voor:
1o. _Gomma rom_. Port. Hier is het tweede lid van den naam het Maleische _rong_, waarmede in die taal de guttegom wordt aangeduid.
2o. _Gomma gambo_. Sp. Hier is het tweede lid naar allen schijn een verbasterde of verminkte vorm van Kambodja of Gamboge.
3o. _Gomma gutta_. Sp. en Port. (ook in 't Fransch _gomme gutte_). Hier is _gutta_ het gewone Maleische woord voor gom, _gĕtah_, dat in denzelfden vorm ook in _gutta percha_ voorkomt. Zie het volg. art. Misschien heeft het Latijnsche _gutta_, droppel (de gom vloeit _droppels_gewijs uit de boomen), op de Europeesche schrijfwijze van dezen Maleischen naam invloed gehad. Hoe het zij, _gomma gutta_ beteekent gom-gom. Beide leden van den naam beduiden hetzelfde in verschillende talen. Toch is daaruit door eenvoudige omzetting ons _guttegom_ ontstaan, dat in ieder geval verkieslijk is boven _gittegom_, zooals soms wordt geschreven en uitgesproken.
Gutta-percha.
_Gutta-percha_ heet het in de lucht tot eene lederachtige stof verharde melksap van zekeren boom, die op het Maleisch Schiereiland, Sumatra, Borneo en andere eilanden van den Ind. Archipel veel voorkomt,—eene stof die, daar ze lucht- en waterdicht is, eene groote plaats in de hedendaagsche industrie inneemt en tot ontelbare doeleinden wordt aangewend. Voor de uitspraak van het woord is het van belang op te merken, dat wij het van de Engelschen hebben overgenomen, en dat dus de _ch_ in _percha_ moet worden uitgesproken als in het Eng. in _church_ of _charity_. Inderdaad vertegenwoordigt ze de _tja_ van het Maleische Alphabet. Beide bestanddeelen van _gutta-percha_ zijn Maleisch. _Gutta_ is, evenals in guttegom (zie op dat woord) het Maleische _gĕtah_, gom. _Percha_, in het Maleisch met een _h_ op het einde en dus naar onze gewone wijze van transscriptie _pertjah_ of _pertsjah_ te schrijven, is de naam van den boom die deze gom oplevert, de _Isonandra gutta_ der botanici, ofschoon deze wel de voornaamste, maar niet de eenige boom is, waarvan de in den handel gebrachte gutta-percha wordt verkregen.
_Pertja_ (doch zonder de _h_ op het einde) is in de verbinding _Poelo Pertja_ ook een Maleische naam van Sumatra of een deel van dat eiland. Wat in dien naam _pertja_ eigenlijk beteekent is onzeker. Ik voer hem hier alleen aan, omdat vele Europeanen _pertjah_ en _pertja_ verward hebben, en daarom gutta-percha door _gom van Sumatra_ verklaren. Zoo b. v. Kramers-Bonte in hun „Kunstwoordentolk”, en van Dale in het „Nieuw Ned. Wdbk.”, welke laatste niet heeft opgemerkt, dat hij met zijne eigen verklaring in strijd is, wanneer hij vervolgens van het verharde melksap van den _percha-boom_ spreekt. _Percha_ moet in _gutta-percha_ òf het eiland Sumatra, òf den pertjaboom, maar kan niet beide te gelijk beteekenen.
Gonje, Goeni.