Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
Part 13
Zoo noemt men soms in Indië het fraai gevlamde hout van _Pterorarpus Indicus_, dat in de Molukken _Lingoa_ en in de Minahassa _Aga-aga_ heet. Zie Miquel, „Flora van N.-I.”, I, 1, bl. 135; Pijnappel, „Geographie van Ned.-I.”, bl. 29. Ik laat hier eene plaats volgen uit het „Amboinsch Kruydboek” van Rumphius, D. II, bl. 206, die schijnbaar de verklaring van dezen naam geeft. „Deze stukken [hout] zijn zomtijds zo schoon geadert, dat men een grooten brand, met een draayenden rook, daarin speculeeren kan, diergelyke de Maleyers en Macassaren zeer zoeken, om krisscheeden van te maken. Zij laten zig redelyk wel polysten, maar houden hare coraal-roode verwe niet lange, en besterven bruin-rood. Zulke stukken vind men ook omtrent de schorsse, daar de stam gescheurt is, en gestadig van de zon geraakt werd, dewelke de vettigheid na deze plekken trekt, dezelve van buiten swart en verbrand maakt, waaronder 't bruine, en daar na 't ligt-roode hout leid, doch overal zo vet, dat voornoemde oly aan 't vuur uitsweet. Ik heb diergelijke boomen op steenige en steile stranden gevonden, wiens voorste wortelen van 't zout water bespat, en met beurten door de heete zon gebrant wierden, maar de achterste of landelijkste geenzints, als zijnde met eenige ruigte bedekt, waaraan ik bemerkte, dat de eerste wortelen vet, schoon rood en welriekende waren, en daaruit besloot, dat de zonnehitte de vettigheid in dezen boom bij elkander vergaderde.”
Wie deze plaats met den naam zonne-hout vergelijkt, zou allicht geneigd zijn om dien naam te verklaren uit den invloed, dien de zon gezegd wordt op dit hout uit te oefenen. In waarheid echter is de naam _zonnehout_ niets anders dan eene verbastering van den Javaanschen naam van dit hout _kajoe sônô_. _Kajoe_ beteekent _hout_ en _sônô_ is het Sanskrietsche _sana_, dat _licht_, _glans_ beteekent (vgl. het Soend. _seuneuh_, vuur). Valentijn zegt III, 1, bl. 215, dat „sommige stukken van dit hout den heerlijken gloed van een brandend vuur vertoonen.”
Kajaten- of Kiatenhout.
Dit is van ouds de Nederlandsche, thans wel minder gebruikelijke, maar toch nog niet geheel verouderde naam van het beroemde Djatihout, het hout van _Tectona grandis_, een zwaren boom, die op Java in uitgestrekte bosschen, die als domein van het Gouvernement beheerd worden, voorkomt. De twee vormen, tusschen welke het moeilijk is te kiezen, laten zich beide, zooals straks blijken zal, evengoed verklaren. Daar evenwel het woord in de woordenboeken der Nederlandsche taal niet is opgenomen, wil ik in de eerste plaats zijn burgerrecht door eenige voorbeelden bewijzen. Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, III, bl. 34. „Naam. In 't Latijn _Jatus_. Op 't Duitsch _Kiatenhout_. Maleyts en Javaans _Jati_ en _Caju Jati_.” Verhuell, „Herinneringen van eene reis naar de Oost-Indiën”, II, bl. 89: „Wij kwamen door een groot bosch van Jati-boomen, bekend als timmerhout onder den naam van Cajaten.” J. W. H. Cordes, „de Djati-bosschen op Java”, bl. 2: „Rheede van Drakenstein beschreef hem met den naam van _Theca_ en de als Indische plantenkenner zoo beroemde Rumphius als _Jatus_ en in het Nederduitsch als Kiati-boom, het hout Cajujati of Kiatenhout.” Lang voor ik deze plaatsen kende, vond ik op den catalogus eener verkooping van meubelen „een cajatenhouten” kantoor-bureau vermeld. Ik vroeg mijn timmerman wat dit beteekende en vernam van hem dat onder dien naam bij timmerlieden en kastenmakers het _teak-hout_ van Britsch-Indië bekend is. Maar wij zullen zoo aanstonds zien dat _Teak_ de Britsch-Indische en Engelsche naam is van den boom die op Java _Djati_ heet. Dat hout, dat een der grootste schatten uitmaakt waarmede de Natuur ons Java heeft gezegend, is (hoe beschamend voor ons!), omdat men den moed mist om het naar Nederland uit te voeren, bij ons veel meer onder den Engelschen dan onder den Javaanschen naam bekend, en de oude Nederlandsche naam is bijna geheel vergeten.
Rumphius, t. a. p., bl. 35, zegt dat de echte Javaansche naam _djati_ is, zooals ook thans algemeen wordt geschreven, doch onze voorvaderen vervingen doorgaans de Javaansche _djô_ en Maleische _djîm_ door de _j_, b. v. ook in den naam Java zelven, die eigenlijk Djawa moet zijn (zie mijn „Java”, II, bl. 6). Men las nog in de eerste helft dezer eeuw in Hollandsche boeken doorgaans Jati.[29] Verder zegt Rumphius, dat _Djati_ eigenlijk _deugdzaam_, _durabel_ beteekent en ook van menschen gebruikt wordt,—„een bewijs dat djati-hout voor 't beste en durabelste onder alle timmerhouten in aanzien is”. En inderdaad, ofschoon _Djati_ ook op zichzelf het hout kan aanwijzen, plaatst men in het Javaansch en Maleisch daar dikwijls _kajoe_, d. i. hout, vóór, zoodat djati een adjectief schijnt te zijn en _kajoe djati_ de volledige uitdrukking, die door het _rechte, echte hout_, het _hout bij uitnemendheid_, moet vertaald worden. Uit _kajoe djati_ is ongetwijfeld door samentrekking _kajate_ ontstaan; maar daar in de eerste lettergreep _kajoe_, d. i. _hout_, reeds schuilt, is de gewone vorm _kajatenhout_ (een volkomen parallel van porte-brisée-deur) inderdaad als een belachelijk pleonasmus af te keuren. Ofschoon dit nu alleen hen hinderen kan, die met den oorsprong van het woord bekend zijn, ware het wellicht beter _hout_ en tevens de verbindende _n_ weg te laten en eenvoudig _kajate_ te schrijven.
[29] Dikwijls ook _Jatti_. Over zulke verdubbelingen van een consonant tusschen twee vokalen spreek ik nader in het artikel _rotting_. Het door Rumphius als Latijnsche naam gebruikte _jatus_ herinnert aan _djatos_, den hoog-Javaanschen of kråmåvorm van djati. Doch vgl. het art. _Klapper_.
In het Soendaasch, of de taal van West-Java, beantwoordt aan kajoe _kaï_, of bij samentrekking in samenstellingen _ki_. Men zegt dus _kidjati_, of naar de oude wijze van transscriptie _kijate_, waarin ook de _j_, die als overgang tusschen de klinkers _i_ en _a_ van zelf ontstaat, ongeschreven kan blijven. Hieruit is de vorm _kiatenhout_ ontstaan, die ongeveer evenveel recht van bestaan heeft als _kajatenhout_. Men zou echter een zekere voorkeur voor den Javaanschen vorm kunnen wettigen door de opmerking, dat de djatiboom, die in het eigenlijk Java uitgestrekte terreinen bedekt, in de Soendalanden slechts weinig voorkomt.
In Britsch-Indië komt de djati-boom vooral voor op de kust van Malabar en verder noordwaarts. Van de Javaansche soort, die ook zelve eenigszins variëert, verschilt de Indische ten hoogste als variëteit. De inlandsche naam is volgens Cordes Tayk of Doda-Thayka. Hiervan maakten de Portugeezen _Teca_, dat reeds voorkomt bij de Couto, (dec. 7, liv. 6, cap. 6), van Reede van Drakestein (in den „Hortus Malabaricus”, lib. IV, p. 57) _Theka_[30], de Engelschen _teak_, _teak-timber_, en waar de _Javaansche_ djatiboom bedoeld wordt, _Java-teak_, de Franschen _Tek_ of _Teck_, _bois de Tek_, _Tek des Indes_, de Duitschers _Teakholz_, _Tikholz_, _Thekholz_. Zelfs Nederlandsche schrijvers spreken van _Teakhout_, zonder eenig bewijs te leveren dat hun de Jav. naam _djati_ of de oud-Nederlandsche _kajatenhout_ bekend is. In van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” verm. uitgave door Manhave, vind ik een artikel Jatti-, Djatti- of Deak-hout, en een afzonderlijk art. Teakhout, zonder dat daarbij naar het andere wordt verwezen. Hoe de schrijver aan _Deakhout_ komt, kan ik niet nagaan; die vorm is mij nooit ergens anders voorgekomen.
[30] Vandaar bij Loureiro („Flora Cochinchinensis”, I, p. 169) _Tectona theca_, bij Lamarck _Theca grandis_. De naam _Tectona grandis_ is van Linnaeus fil.
Sedert Bontius is de Djati-boom dikwijls de _Indische eik_ genoemd. Dit is echter slechts te beschouwen als eene hulde aan de voortreffelijkheid van zijn hout, dat voor Indië de plaats van het eikenhout in Europa vervulde. Botanisch bestaat er tusschen den Djatiboom en den Eikeboom geene verwantschap.
Kajaput.
Dit woord komt schier alleen voor in de samenstellingen kajaputboom en kajaputolie, vooral in de laatste. Het is, behoudens de verminking door de Europeanen van een niet begrepen term, samengesteld uit de Maleische woorden _kajoe_, hout, en _poetih_, wit; kajaputboom is dus letterlijk _withoutboom_. Door de inlanders worden zoo genoemd verschillende boomen van de geslachten _Melaleuca_, _Leptospermum_, _Myrtus_, _Eucalyptus_, allen behoorende tot de familie der _Myrtaceae_ en door hunne vluchtige oliën gekenmerkt. Men zie Filet, „Plantkundig woordenboek”, no. 120, 1737, 1938, 2885, 3423; v. d. Burg, „de Geneesheer in Indië,” Dl. II, bl. 106, 317, 453, 611. De beroemde kajaputolie van den handel, de _minjak kajoe poetih_ der inlanders, wordt vooral gebruikt tot inwrijving bij pijnen van allerlei aard, alsook tot wering van insekten. De echte kajaputolie wordt verkregen door destillatie der takken en bladeren van _Melaleuca cajaputi_ Rexb., en vooral op het eiland Boeroe gestookt. De olie van _Melaleuca leucadendron_ wordt vaak onder denzelfden naam begrepen.
Cacao, Chocolade.
_Cacao_, ook wel _kakao_ geschreven, is de naam der zaden van den cacaoboom, _Theobroma cacao_, die uit tropisch Amerika afkomstig is, maar thans ook in andere tropische gewesten gekweekt wordt. De cacao is, gelijk ieder weet, het hoofdbestanddeel voor de bereiding van chocolade. De oorsprong van den naam is, evenals die van het gewas, Amerikaansch. Piso, „Mantissa Aromatica”, p. 198, zegt van deze zaden: „Hi sunt decantati illi ab indigenis _cacahuatl_, ab Hispanis corrupte _cacao_ nuncupati, quorum causa arbor tantopere expetita est, utpote chocolatae potionis caput”. Van de Spanjaarden en Portugeezen is het verbasterde cacao tot alle volken van Europa overgebracht.
Ook het woord _chocolade_ is van Amerikaanschen oorsprong en luidt in de taal van Mexico en aangrenzende landen, volgens Piso, „Mantissa aromatica”, p. 196, _chocolatl_, waarvan de Spanjaarden en Portugeezen, die den naam aan alle andere volken van Europa hebben medegedeeld, _chocolate_ gemaakt hebben. Men zegt dat wat de Mexicanen zoo noemden, een mengsel was van cacao en maïs, op eene ruwe wijze tusschen steenen onder elkander tot poeder gemalen en in water gekookt. Maar de Europeanen gaven den naam chocolade aan het mengsel van cacaoboonen en verschillende geurige zelfstandigheden, zooals vanielje, kaneel, piment enz., dat met suiker bereid en in melk of water gekookt, den bekenden heerlijken drank oplevert, die zich uit een Mexicaansch nonnenklooster over de geheele beschaafde wereld heeft verbreid. Zie de Sturler, „Handboek voor den landbouw in Nederlandsch O.-Indië”, bl. 266.
Kokos, Klapper.
De over alle tropische gewesten verspreide en in ontelbare behoeften hunner bevolking voorziende _Cocos nucifera_ is aan ieder onder den naam van _Kokospalm_ bekend, maar wordt in Nederlandsch-Indië onder de Europeanen _Klapperboom_ genoemd. De eerste dezer namen is van de Portugeezen tot ons gekomen, de andere is eene verbastering van een der menigvuldige inlandsche namen. Over beide heb ik het een en ander te zeggen.
_Kokos_ is eigenlijk de naam van de noot, zoodat de boom terecht Kokosboom of Kokospalm geheeten wordt, terwijl kokosnoot strikt genomen een pleonasmus in zich sluit. Van Linschoten, „Itinerario”, bl. 78, zegt: „De Portugesen noemen deze vruchten _coquo_, om die drie gaetkens die daer in sijn, ghelijckheyt hebbende met een meerkattenkop.” Indien deze laatste woorden eene verklaring beoogen, zijn zij volkomen onverstaanbaar voor hem die in de Portugeesche taal geheel vreemdeling is; wie deze echter eenigszins kent, kan althans naar de beteekenis gissen. _Coco_ (de vorm _coquo_ is thans geheel verouderd) beteekent in het Spaansch en Portugeesch een momaangezicht of masker, waarmede men den kinderen vrees aanjaagt. Nu heeft de kokosnoot door de gaatjes of putjes die er in worden opgemerkt, eenige overeenkomst met een aangezicht,[31] inzonderheid, zooals van Linschoten opmerkt, met dat van een meerkat, en is dus niet ongeschikt om als middel te dienen om kinderen bang te maken. Bepaaldelijk wordt de oorsprong van den naam zoo voorgesteld door de Paiva: „Sermôes”, I, p. 232, waar hij, na de gedaante van de kokosnoot beschreven te hebben, dus voortgaat: „per razâo da qual figura,... os nossos lhe chamarâo _coco_, nome imposto pelas mulheres a qualquer cousa, com que querem fazer medo as crianças”, d. i. „om reden van welke gedaante de onzen haar _coco_ noemen, een naam die door de vrouwen gegeven wordt aan ieder voorwerp waarmede zij kleine kinderen willen bang maken.”
[31] Vgl. Baldaeus, „Afgoderye der Heydenen”, bl. 23, waar hij eene mythe verhaalt, waaruit verklaard wordt, „dat den Kokos een gedaante en aangezichte heeft als een mensch.”
Misschien zullen sommigen deze verklaring van den naam _kokos_ wat gezocht vinden, en liever aannemen dat het woord uit de eene of andere taal van tropisch Azië, Afrika of Amerika afstamt. Het ontbreekt echter zooveel ik weet geheel aan getuigenissen, die dat gevoelen zouden kunnen schragen.[32]
[32] De overeenkomst van _kokos_ met _koeki_ en _koïx_, namen voorkomende in de „Historia plantarum” van Theophrastus, is o. a. opgemerkt in Kramers-Bonte „Kunstwoordentolk”. _Koïx_ heeft zeker niets te maken met de _Coïx lacryma_ der hedendaagsche botanici, maar schijnt de _Hyphaene_ of Doempalm van Opper-Egypte aan te duiden. Zie Fraas, „Synopsis plantarum Florae classicae”, p. 278. Dit is althans een palm, en wel een palm welks vruchten door de arme bevolking gegeten worden; maar de overeenkomst met den kokosboom, dien de Grieken niet kenden, is zeer gering. Men heeft ook nog gewezen op de overeenkomst met het Gr. _kokkos_, de pit of kern eener vrucht, soms ook de geheele bes.
De naam _klapper_ heeft aanleiding gegeven tot eene zonderlinge verwarring, doordien hij ook aan de Nederlanders in Europa bekend is als naam voor een inheemschen boom en eene inlandsche olie. De Europeesche _klapperboom_ is volgens van Dale de _abeel_, volgens Heremans, „Ned.-Fr. Woordb.”, _le tremble_, welk woord hij in het Fr.-Ned. deel vertaalt door _ratelaar_, _ratelpopulier_, _trilpopulier_, _klaterabeel_. Deze namen, die allen klaarblijkelijk de _Populus tremula_ L. aanduiden en ontleend zijn aan hare lange, saamgedrukte, bij het minste zuchtje het blad in trillende beweging brengende bladstelen,—kunnen dus nog met _klapperboom_ vermeerderd worden. Van Dale's verklaring door _abeel_, indien men daardoor als gewoonlijk de _Populus alba_ verstaat, is niet volkomen juist. De Europeesche klapperolie is volgens van Dale en Heremans de papaverolie, de olie getrokken uit de klapper- of klaproos. Het maakt op hen die deze weinig gebruikelijke namen niet kennen, en daarentegen met de Indische beteekenis van klapperboom en klapperolie gemeenzaam zijn, een komischen indruk, wanneer zij bij Weiland onder de samenstellingen met _klapper_, _klapperen_: „_klapperboom_, _klapperman_, _klapperolie_, _klappertanden_”, door elkander zien aangevoerd. Ik houd mij overtuigd, dat Weiland, die klaarblijkelijk niets van Indië en Indische zaken wist, bij _klapperboom_ en _klapperolie_ alleen aan de _Populus tremula_ en aan de papaverolie gedacht heeft. Zijn hem die woorden al eens in de Indische beteekenis voorgekomen, dan heeft hij ze hoogstwaarschijnlijk niet verstaan of ter goeder trouw gemeend dat ook in Indië ratelpopulieren groeiden en papaverolie in algemeen gebruik was. Heeft hij zich werkelijk zoo vergist, dan is hij de eenige niet. In de „Annales de l'extrême Orient” gaf de heer Meyners d'Estrée een uittreksel van een artikel over het landschap Deli in het „Tijdschrift v. h. Aardr. Gen.”, waarin ik over de kultuur van klapperboomen sprak. De Fransche schrijver vertaalde dit met „la culture du tremble”.
De kokosnoot heet in laag Javaansch _kerambil_, in hoog Javaansch _kĕlôpô_ of _klôpô_. Dit laatste komt in den vorm _kĕlapa_ of _klapa_ ook voor in het Soendaasch, alsmede in het Maleisch, dat echter ook een eigen naam voor deze vrucht heeft, _njioer_ of _nioer_. Onze oude schrijvers maakten van kelapa of klapa, met een latiniseerenden uitgang, _calappus_ of _clappus_, evenals van _Jati_ soms _Jatus_ (zie op _Kajaten_). Voorbeelden van dit clappus (een enkele maal tot _clappes_ verbasterd) vindt men o. a. bij Baldaeus, „Malabar en Choromandel”, bl. 143, „Afgoderye der Heidenen”, bl. 136; Wouter Schouten (uitg. van 1875), I, bl. 190; Rumphius, „Amb. Kruydboek”, I, bl. 1; „Verh. v. h. Bat. Gen.”, V, bl. 3. Later is _klapper_, _klapperboom_, _klapperolie_ enz. in zwang gekomen, zonder twijfel als een uitvloeisel dierzelfde zucht om aan Indische zaken, onafhankelijk van de beteekenis, den Europeaan gemeenzame namen te geven, waarvan ik een aantal voorbeelden in het artikel _kaalkop_ heb bijeengesteld.
Areek.
_Areek_ heet dikwijls bij onze oude schrijvers de noot van den Pinangpalm (_Areca Catechu_) of zoogenaamde betelnoot, die door de bewoners van den Indischen Archipel en andere Indische volken met het betelblad gekauwd wordt. (Zie op _Betel_). Ik bepaal mij tot een paar voorbeelden. Baldaeus, „Afgoderije der Heydenen”, bl. 15: „daar is ook een zoort van Bramines, haar onthoudende van betel te eten, zijnde een groen blad met drooge areek ofte jonge genomen ende met kalk 'tzamen gemaakt.” Rijklof van Goens bij Valentijn, „Ceilon”, bl. 243: „Men bouwde op Coetsjin een schip, om met peper en areek na Porto Novo verzonden te worden”.
Dit woord schijnt van Malabaarschen oorsprong te zijn, maar is van de Malabaren overgegaan tot de Portugeezen, en van de Portugeezen tot ons, ofschoon men thans in Indië, ook onder Europeanen, de betelnoot gewoonlijk met den Maleischen naam _pinang_ noemt. In de botanie is _Areca_ de naam geworden van het geheele geslacht palmen waartoe de pinangpalm behoort. Bij Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, D. I, bl. 28, lezen wij over dezen naam het volgende: „In Guseratten en Decan heet de betelnoot _Suppari_, te Goa en overal daar de Portugeesche taal gebruikt werd, heet ze, zoowel de groene als de drooge, _Arequa_ of _Areca_ en den boom _Arequero_... Ik zelfs heb ze van de Mallabaren horen noemen, de jonge en groene _Paynga_, de oude _Areec_ en _Pac_.”
Dat de naam _Areek_ ook nu nog niet geheel verouderd is, zien wij uit de vermelding van areek-noten in Ritter's „Indische herinneringen”, bl. 262.
Betel.
Deze bij de Europeanen gewone naam voor de _sirih_ der Maleiers, d. i. voor het geurige, roodsappige en bittere blad, dat zij gewoon zijn met een stukje pinangnoot en een weinig fijne kalk, dikwijls ook met een gambirkoekje, te kauwen, zou, volgens Bontius, in het aanhangsel op Piso, „de Indiae utriusque re naturali et medica”, p. 90, Javaansch zijn. Maar hoe vreemd ons zulk eene dwaling in een te Batavia gevestigd geneesheer ook schijnen moge, het is zeker dat hij zich vergist, daar de betel in het Javaansch in de lage taal _soeroeh_, in de hooge taal _sĕdah_ heet. Vandaar ook de naam der residentie _Pasoeroehhan_ of _Pasoeroewan_, in de hooge taal _Pasĕdahhan_, die _beteltuin_ beteekent.
Toen ik in „de Gids” voor Maart 1876 mijne aankondiging van Prof. Dozy's „Oosterlingen” schreef, was de oorsprong van het woord _betel_ mij niet bekend; maar onze beroemde linguist Neubronner van der Tuuk schreef mij daarover het volgende: „_Betel_ is door 't Portugeesch heen tot ons gekomen uit het Tamiel, waar het wettilei is (zie Röttger's Wdbk., bl. 236, r. 1.). Het wordt in het Tamiel _werrilei_ gespeld, maar twee r's worden als _t_ uitgesproken”. Ik vind in de Portugeesche woordenboeken de vormen _betele_, _betelle_, _betel_, _bethel_ en _betre_. Van Linschoten „Itinerario”, bl. 84, schrijft _bettele_ of _bethre_. Bontius gebruikt den vorm _betele_, die ook het naast komt aan dien gebezigd in _Chavica betle_, den botanischen naam der plant. De Portugeezen hebben zeker het betel-kauwen het eerst leeren kennen op de kust van Malabar, waar het Tamiel te huis behoort. Daarom zegt ook Moraes Silva in zijn Portugeesch Woordenboek, art. _betele_: „Herva trepadeira aromatica, que os Malabares mascâo ordinariamente,” d. i. „eene geurige klimplant, die de Malabaren gewoonlijk kauwen.”
Onder de veelvuldige samenstellingen, zooals _betelblad_, _beteldoos_, _betelpeper_, _betelpruim_ enz., verdient _betelnoot_ opmerking, omdat daardoor niet de vrucht van de sirih- of betelplant, maar de met het betelblad gekauwde pinangnoot of areek wordt aangeduid. Zie op _Areek_.
Zuurzak.
Met dezen naam noemt men thans in Nederlandsch-Indië algemeen de _nangka_, de vrucht van _Artocarpus integrifolia_. Dat hij echter zeer ongepast is, kan blijken uit iedere goede beschrijving der vrucht, b.v. uit de volgende bij Valentijn, III, 1, bl. 160: „Deze vrugt is van groote en dikte als een lange watermeloen, zijnde omtrent anderhalve voet en ook wel langer, en wel zoo dik als een man boven aan zijn dije is... Zij smaken zeer _zoet_, ten deele als zoete limoenen en ook wel wat na honig.” Heeft dus al de vorm van de vrucht eenige overeenkomst met een zak, er is geen enkele reden om haar _zuur_zak te noemen.
Doch bij onze oude schrijvers leest men ook niet _Zuurzak_, maar _Soorsak_, en wij schijnen hier wederom een voorbeeld te hebben van die verbastering van vreemde woorden, om ze een meer Nederlandsch voorkomen te geven, waaraan wij _klapper_ voor _kalapa_ en een aantal dergelijke (zie op _kaalkop_) verschuldigd zijn. Valentijn, t. a. p., bl. 159, noemt de _Artocarpus integrifolia_ den _Soorsakboom_, schrijft _soorsak_ cursief als een vreemd woord, noemt als soorten de _Biloelang-soorsak_ en de _Brij-soorsak_ (de laatste dus genoemd omdat zij papachtig is), en geeft niet de minste aanleiding om te denken, dat hij _soorsak_ voor een Ned. woord houdt. Anders echter Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, Dl. I, bl. 105, die van deze vrucht sprekende zegt: „Naam, in 't Latijn, _Saccus arboreus major_, bij onze Duitsche _soorzak_ of _schorzakken_, omdat ze wel een schorre of ruige zak gelijken.” Doch in deze verklaring schijnt Rumphius mij der taal in twee opzichten geweld aan te doen; vooreerst door _soor_, zonder opheldering, met _schor_ te verwisselen; ten andere door aan _schor_ in het algemeen de beteekenis van _ruw_, _ruig_, toe te kennen, terwijl het, voor zoover ik weet, alleen in de uitdrukking _schorre_ (d. i. ruwe, kale, steile) _kusten_, een zeemansterm, in het dagelijksch leven onbekend, eene beteekenis heeft die daarnaar zweemt. _Soorsak_ heeft een geheel on-Nederlandsch aanzien, en daar alle pogingen om het woord in eenige taal of dialect van Insulinde weêr te vinden, tot hiertoe vruchteloos zijn gebleven, ligt het voor de hand te gissen, dat de naam uit Hindostan zal afkomstig zijn. De Malabaarsche naam dezer vrucht is echter _Jaka_ of _Jakka_, waarvan het Engelsche _Jack_, _jackfruit_. Ook deze naam _Jaka_ komt bij onze oude schrijvers voor, b. v. bij v. Linschoten, „Itinerario”, bl. 73 (die _Iaqua_ of _Iaacca_ schrijft); Nieuhoff, „Gezandschap aan den grooten Tatarischen Khan”, D. II, bl. 146; „Batavia in derzelver gelegenheid”, D. IV, bl. 39.
Het verdient uit dien hoofde opmerking, dat de Engelschen de uit West-Indië afkomstige Anona's, die sedert lang naar Oost-Indië zijn overgebracht, onderscheiden in custard-apple (_Anona squamosa_), sweet-sop (_Anona reticulata_), en sour-sop (_Anona muricata_). Zie Drury, „Useful plants of India”, p. 44. Als eenigszins overeenkomende met de inlandsche Nangka, maar door de Hollanders ingevoerd, noemt men de _Anona muricata_ in Indië _Nangka welanda_ of _hollanda_ (Hollandsche nangka). De naam _soursop_, verbasterd tot _soorsak_, en vervolgens tot _zuurzak_, schijnt door Rumphius, Valentijn en hunne opvolgers op de ware inlandsche Nangka te zijn overgebracht. De vrucht van _Anona muricata_ heeft werkelijk een zuursappig, verfrisschend vleesch. Zie Bisschop Grevelink, „Planten van Ned.-Indië”, bl. 28.
Ananas.