Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
Part 12
Bij de vroeger gegeven verklaring van den sterrennaam _Rigel_ had ik ook gaarne die gevoegd van _Betelgeuze_, die in dezelfde daar aangehaalde verzen van Nieuwland als een door rooden gloed gekenmerkte ster in den schouder van Orion vermeld wordt. Maar ofschoon omtrent den Arabischen oorsprong van Betelgeuze geen twijfel kan bestaan, werd de verklaring gedrukt door eene zwarigheid, die ik niet kon oplossen. Ik wachtte met de behandeling van het woord tot wellicht een gelukkig toeval mij de oplossing zou aan de hand geven. Ware mij vroeger ingevallen den „Dictionnaire étymologique des mots d'origine orientale” van Devic, achter het Supplement van Littré te raadplegen, dan zou ik zijne zeer aannemelijke verklaring niet zoolang aan mijne lezers onthouden hebben.
Betelgeuze is de door de Europeesche schrijfwijze meer of min onkenbaar gemaakte samenstelling van twee Arabische woorden: _bait_ (of _bêt_), d. i. huis, ook in de astronomische beteekenis van de _huizen der zon_ of teekenen van den dierenriem, en van _djauzá_ (met het lidw. _al-djauzá_), den bekenden naam van het teeken der Tweelingen. Dus beteekent Betelgeuze „het huis der Tweelingen”, wat op zichzelf niet de geringste zwarigheid oplevert. Moeilijk is het echter te verklaren, hoe diezelfde naam kan gegeven zijn aan de schitterende roode ster in den schouder van Orion.
Uit de Arabische woordenboeken (b. v. Freytag, D. I, bl. 324b) blijkt, dat niet alleen de Tweelingen, maar ook het sterrenbeeld Orion _al-djauzá_ genoemd werd. Deze homonymie, zoowel als de eigenlijke, oorspronkelijke beteekenis van _djauzá_, laat Devic onverklaard. Misschien kunnen Ideler's „Untersuchungen über d. Sternnamen” daaromtrent eenig licht geven; doch dit boek heb ik niet ter hand. Verder leeren ons de woordenboeken (b. v. Freytag, D. IV, bl. 331a) dat de ster Betelgeuze in 't Arabisch _mankiboeʾl djauzá_, d. i. de schouder van Orion, heet, wat ons niet veel verder brengt. Maar aan Devic behoort de verdienste van in een Arabisch HS. te hebben opgespoord, dat _mankiboeʾl-djauzá_ ook door _jadoeʾl-djauzá_, d. i. de arm van Orion, vervangen wordt. In de niet zeldzame uitspraak _jèd-el-djauzá_ kon dit, zooals hij nog verder terecht schijnt op te merken, lichtelijk door hen, die de Arabische sterrenamen gebruikten zonder ze te verstaan, met _bêt-el-djauzá_ verward en verwisseld worden.[25]
[25] Het woord _jad_ of _jèd_ beteekent gewoonlijk _hand_, niet _arm_. Deze tegenwerping beantwoordt Devic met de opmerking: „dans le language scientifique _yed_ se dit de l'ensemble du bras, depuis l'épaule jusqu'au bout des doigts.”
Tijferen.
In werken over Ned.-Indië wordt niet zelden het woord _tijferen_ gebezigd in den zin van „palmwijn door insnijding uit een boom tappen.” Zie b. v. „Tijdschr. v. N.-Indië”, 1870, II, bl. 240: „de plaats waar de inlanders de saguweer _tijferen_.” Het zou zeer zeker eene vergeefsche poging zijn voor dit woord eene Germaansche afstamming te zoeken; maar uit welke taal is het dan afkomstig?
In Rumphius' „Amboinsch Kruydboek”, D. I, bl. 5, leest men daarover het volgende: „De personen die op het tappen van drank uit boomen afgericht zijn, noemt men hier te lande met een Portugeese naam _Tiffadoros_ en het werk zelfs _tiffar_, bij onze Duytsche _tyfferen_.” Op bl. 60 herhaalt hij dit in de volgende, in hoofdzaak alleen in de spelling verschillende woorden: „Het werk en de wetenschap om diergelijke dranken uit boomen te tappen, heet men hier met een Portugees woord _tifar_ en de personen die zulks doen _Tifadores_, waartoe wel de bequaemste en ervarenste zijn de Baleyers, die ook een bijzondere en van de Amboinsche verschillende manier van _teifferen_ hebben,” enz. Intusschen vind ik ook in de beste en volledigste Portugeesche woordenboeken van deze woorden _tifar_ of _tiffar_ en _tifador_ of _tiffador_ geene melding, en ofschoon men zeker op gezag van Rumphius mag aannemen, dat de Nederlanders in de Molukken het woord _tijferen_ van hunne voorgangers hebben overgenomen, is daarmede de oorsprong nog geenszins verklaard. Misschien is het door de Portugeezen ontleend aan een der dialecten van Timor of de Molukken, waarin, gelijk men weet, de letter _f_ voorkomt, die aan het Maleisch en Javaansch geheel en al vreemd is.
't Is zeker een curieuse bijdrage tot de kennis van 't gebruik van 't woord _tijferen_ in onze taal, dat in 1670, bij A. v. d. Burgh te Amsterdam, een bundel gedichten in 't licht werd gegeven door zekeren M. Cramer, onder den titel: „D'Indiaensche tijfferboom, uyt-tijfferende verscheyden heylsame rijmen”. Zoo men zulk een titel verstaan zou, moest het publiek, waarvoor men schreef, toch wat meer van Indië weten, dan het tegenwoordig geslacht. Thans zou dat niemand verstaan, en wanneer iemand de bestaande woordenboeken ging raadplegen om over de beteekenis van _tijferen_ te worden ingelicht, zouden ook de volledigste hem teleurstellen.
Tee, teeboei.
De gewone schrijfwijze _thee_ wil mij niet uit de pen vloeien, omdat er voor de _h_ noch in den oorsprong noch in de uitspraak van het woord eenige grond is. De letterverbinding _th_ wordt bij ons gebezigd in vele woorden van Griekschen oorsprong om de thêta aan te duiden, en in enkele andere vreemde woorden, b. v. Thaler, Thallium, enz. In echt Nederlandsche woorden komt ze slechts voor in _thuis_, _thans_, _althans_, omdat deze uit _te huis_, _te hands_, _al te hands_ zijn samengetrokken. De naam _tee_, zoowel als de plant (de _Thea Chinensis_ der botanici) is tot ons gekomen uit China. De echte Chineesche vorm is _tschā_, waaronder de Chinees eigenlijk het tee-aftreksel verstaat. Het blad noemt hij _tschā-yĕ_, teeblad. Rechtstreeks van het Chineesche woord stamt het Portugeesche _cha_, waarnevens echter thans ook _teha_ gebruikt wordt. In sommige Chineesche dialekten nadert de uitspraak wat meer tot den bij ons gebruikelijken vorm; maar vooral is dit het geval met het Javaansche _té_ of _hĕté_ en het Maleische _teh_, wat het vermoeden wekt dat wij wellicht ons _tee_ door tusschenkomst dezer talen hebben ontvangen. Onze oudere schrijvers (b. v. Baldaeus, „Beschrijvinge van Malabar ende Coromandel”, bl. 183), hebben dikwijls _tee_ zonder de _h_. Ook de Engelschen schrijven _tea_ zonder _h_, en spraken oudtijds, gelijk dit nog in Ierland geschiedt, dat woord juist zoo uit als wij ons _tee_, zooals blijkt uit de volgende regels van Pope's „Rape of the lock”:
„Here thou, great Anna, whom three realms obey, „Dost sometimes counsel take, and sometimes tea”.
Daar nu de _h_ zuiver overtollig is, schijnt de latere schrijfwijze _thee_, enkel door de voorkeur voor een ingewikkelde spelling, misschien onder den invloed van het Fransche _thé_, te zijn voortgebracht. Onze oude taal heeft echter meer recht om hier de toongeefster te zijn dan het Fransch. Want ofschoon de tee aan vele oudere reizigers bekend was, staat het genoegzaam vast, dat deze drank het eerst door onze landgenooten over Europa verspreid is. Zie Schotel, „Letterkundige bijdragen tot de geschiedenis van den tabak, de koffij en de thee”, bl. 185 vv.
Onder de samenstellingen met _thee_ noemt Weiland o. a. _theeboe_, maar zonder dit woord te verklaren. Het is natuurlijk hetzelfde als het Fransche _thé bou_, waardoor in vroeger tijd de zwarte tee, in onderscheiding van de groene, werd aangeduid. Men meende namelijk dat de zwarte en groene tee van verschillende planten afkomstig waren, die de botanici door de namen van _thea viridis_ en _thea bohea_ onderscheidden, en het is van dit _bohea_ dat het Fransche _bohé_ of _bou_ afkomstig is. Ook in het Engelsch is _bohea_ (de _ea_ uitgesproken als tegenwoordig in _tea_) als de naam eener soort van tee bekend. Onze voorouders gebruikten dit woord evenzeer, maar spraken het _boei_ uit, zoodat ik niet recht weet hoe Weiland aan zijn _theeboe_ komt. _Theeboei_ leest men nog bij Schotel, t. a. p., bl. 205.
De oorsprong van _bohea_ (eig. _boe-ie-tschā_) is te zoeken in den geographischen naam van een gebergte in de Chineesche provincie Foekiën of Hokkiën, vanwaar men de dusgenoemde soort verkreeg, Woe-ie of Boe-ie. Voor het overige weet men thans, dat het onderscheid tusschen groene en zwarte tee meer van de wijze van bereiding dan van het soortverschil af hangt. Want, ofschoon in de teeplant talrijke verscheidenheden voorkomen, zooals met alle op groote schaal in ver uiteenliggende streken en onder verschillende omstandigheden gekweekte cultuurplanten het geval is, kan men, in het algemeen gesproken, van dezelfde verscheidenheid zoowel groene als zwarte tee bereiden, wat niet buitensluit dat men wellicht sommige verscheidenheden bij voorkeur voor het bereiden van groene tee verkiest.
Aan verschillende in den handel voorkomende teesoorten, waarvan het onderscheid nu eens op werkelijk verschil in de planten, dan eens op de sorteering in top-, fijn-, middel- en grofblad, dan weder op de wijze van behandeling schijnt te berusten, worden verschillende namen gegeven. De meest bekende zijn _Congo_ (eig. _koeng-foe_, d. i. _werk_), _Souchong_ (_siao-tschoeng_, d. i. _kleine soort_), _Hyson_ (_hi-tschoen_, d. i. _glanzende lente_), _Uxim_ (_You-tsiën_, d. i. _vóór de regens_), en _Pecco_ (_pih-koe_ of _pĕ-hao_, d. i. _wit haar_, ook _tee met witte puntjes_). In Engeland is, of was althans vóór korten tijd, ook de bohea nog in den handel bekend, maar de naam heeft zijne vroegere beteekenis van _zwarte_, in tegenstelling met _groene_ tee verloren en dient alleen nog om tee van de geringste hoedanigheid aan te duiden. Over de beste tee, Joosjes-tee geheeten, zie men het art. _Joosje_.
Joosje.
In Wilcock's Engelsche vertaling der Reizen van Stavorinus, D. I, bl. 173, vond ik de volgende curieuse aanteekening over dit woord, dat bij ons een der volksnamen van den duivel is. „The images which the Chinese worship, are called _joostje_ by the Dutch and _joss_ by the English seamen. The latter is evidently a corruption of the former, which, being a Dutch nickname for the devil, was probably given to these idols by the Dutch who first saw them, either for their hideous appearance, or from the principle that all idolatry is demonolatry. On no better ground than this the authors of the „Universal History” accuse the Chinese of worshipping the devil knowingly and de facto.”
Het zwakke punt in de redeneering van Wilcock is, dat hij onverklaard laat, _waarom_ Joostje in het Hollandsch een bijnaam van den duivel is,—eene vraag die, als ze in ernst gedaan werd, zeer moeilijk te beantwoorden zou zijn; want _Joostje_, zooals Wilcock het woord spelt, is een deminutief van _Joost_, en Joost is een mansnaam, die afstamt van het Latijnsch _Justus_, dat _rechtvaardig_ beteekent, en zeer ongeschikt is voor een naam van den vorst der duisternis. In enkele gevallen wordt _Joost_ ook gebruikt voor personen die _Jozua_ gedoopt zijn; maar Jozua zou als naam van den duivel even onverklaarbaar wezen.
Dat, door de gelijkheid in vorm bedrogen, vele Nederlanders werkelijk meenen dat Joosje als naam van den Duivel van den eigennaam Joost afstamt, blijkt genoegzaam uit de spreekwijze „Joost haal' mij” en andere dergelijke; maar onze oude schrijvers geven ons ook hier het noodige licht, daar zij het ons duidelijk maken, dat Joosje oorspronkelijk een Chineesch woord is, dat het gewone voorwerp van de dagelijksche vereering der Chineezen aanduidt, hetwelk door de Europeanen van ouds als de Duivel beschouwd werd. Zoo lezen wij bij Wouter Schouten, „Reistogt naar en door Oost-Indiën” (uitgave van 1780), D. I, bl. 23, dat de Chineezen te Batavia in hunne donkere woningen waskaarsen ontsteken ter eere van den Vorst der hel, dien zij als hunnen God aanbidden. „Den Schepper,” zegt Schouten, „vreezen zij niet, wijl van Hem alles goeds komt; maar de Duivel, dien zij gemeenlijk _Joosje_ noemen, is, zeggen zij, een machtig en geweldig vorst der wereld, die de menschen met duizenden van plagen kan bezoeken en gantschelijk verderven.” Deze voorstelling aangaande de vereering des duivels door de Chineezen vindt men bij verschillende schrijvers en zelfs nog in de „Mededeelingen over de Chineezen op Java” door Aquasi Boachi[26], in „Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Ned.-Indië”, Dl. IV, bl. 283. Het is wel ontwijfelbaar dat die vereenzelviging van Joosje, als het voorwerp der vereering van de Chineezen, met den Duivel, tot het gebruik van Joost of Joostje in onze volkstaal als naam van den Duivel aanleiding heeft gegeven. Dat de voorstelling aangaande eene vereering des Duivels door de Chineezen geheel verkeerd is, zooals Prof. Hoffmann in zijne aanteekeningen op het stuk van Aquasi Boachi, bl. 279, aantoont, doet hier niets ter zake; het is ter verklaring van den bedoelden naam des Duivels genoeg te weten, dat zij vroeger algemeen was.
[26] Aquasi Boachi is een Ashantijnsche prins, dien de Generaal Verveer van de kust van Guinea naar Nederland bracht, om daar eene beschaafde opvoeding te ontvangen, en die, aan de Delftsche Akademie opgeleid, een tijd lang als ingenieur bij het mijnwezen werkzaam was, doch zich later op Java aan landbouwondernemingen wijdde.
Den naam _Joosje_ voor het voorwerp van vereering der Chineezen vindt men met eenige wijziging ook in het Engelsche _Joss_ en in de samenstellingen _josshouse_, zooals de kleine Chineesche huistempels, en _josssticks_, zooals de Chineesche offerstokjes genoemd worden. Bij latere Nederlandsche schrijvers vindt men dit _Joosje_ vervangen door _Djoesie_, dat waarschijnlijk de echte Chineesche uitspraak meer nabij komt. Zie W. L. Ritter, „Java, tooneelen uit het leven, karakterschetsen en kleederdrachten van Java's bewoners”, bl. 134; de Hollander, „Land- en Volkenk. van Ned.-Ind.”, 3e uitg., D. I, bl. 470.
Volgens Prof. Hoffmann, t. a. p., bl. 282, zou Joosje of Joss eigenlijk niet het door de Chineezen vereerde beeld zijn, maar hun tabernakel, een kistje waarin een houten beeldje van Boeddha of een of anderen boeddhistischen heilige geplaatst is. Deze kleine tabernakels of Boeddha-huisjes heeten namelijk gewoonlijk _Tschoe tszé_, Japansch _Dsoe-si_. Hiervan zal dan Djoe-si afkomstig zijn.
Minder waarschijnlijk dunkt mij de gissing, die Joosje of Joss voor eene verbastering van het Port. _Deos_, Sp. _Dios_ (d. i. God) houdt. Men zou daaruit desnoods nog het Eng. Joss, maar bezwaarlijk het Hollandsche Joosje kunnen verklaren.
Naar alle waarschijnlijkheid staat ook nog met het behandelde _Joosje_ de naam in verband van joosjes-tee, dien de Nederlanders gewoon zijn te geven aan eene zeer fijne soort van tee, tot zeer kleine balletjes gekneed, waarom zij ook buskruid- of parel-tee wordt geheeten. Zie de Sturler, „Handboek voor den Landbouw in Ned.-Indië”, bl. 392; Jacobson, „Handboek voor de cultuur en fabricatie van thee”, I, bl. 101. De samenhang is echter niet volkomen duidelijk. Ik waag het daaromtrent het volgende te gissen.
De godsdienstoefening waarbij de Djoesi behoort, is geen openbare, maar een huiselijke. Elke Chinees heeft in zijne woning een huisaltaar met eene tafel, waarop het boven beschreven kistje staat. Op deze tafel worden dagelijks vruchten, reukwerk en andere voorwerpen geofferd. Zou het nu niet kunnen zijn, dat tot deze offergaven ook de bovenvermelde balletjes van de fijnste tee behooren en deze daaraan den naam van joosjes-tee te danken hebben? Dat tee werkelijk onder de gewone Chineesche offergaven voorkomt, blijkt uit „Bijdragen voor de taal-, land- en volkenk. van Ned.-Ind.”, D. II, bl. 325.
Beiram.
_Beiram_ of _Bairam_ is een Turksch woord, dat _feest_ beteekent. Het ontbreekt in de „Oosterlingen” van Dozy; maar onze oude schrijvers gebruiken het doorgaans tot aanduiding der beide groote feesten van den Islam, het feest bij het einde van de vasten, en het offerfeest, dat op den 10den der laatste maand door de bedevaartgangers te Mekka, maar ook elders in de Mohammedaansche wereld, ter herinnering, zegt men, van Abrahams offerande[27], met offermalen gevierd wordt. Zoo lezen wij in C. de Bruyn's „Reizen”, I, bl. 118: „Eer wij dit hoofdstuk eindigen, moeten wij ook yts van den Bairam of Paaschfeest zeggen”, en ald. bl. 119: „Behalve dezen Bairam, die de groote of de Bairam des Ramadans geheeten wordt, hebben de Turken noch den kleinen, of den Bairam der Adgi's [Hadji's] of Pelgrims van Mecha”.
[27] Zie hierover mijn „Java”, I, bl. 397.
De bijv. naamwoorden _groot_ en _klein_ zijn hier door de Bruyn verkeerd gebruikt; want inderdaad is volgens de leer van den Islam het Mekkaansche offerfeest het groote, en het feest bij het einde van de vasten het kleine; maar hij is daarbij in overeenstemming met de zienswijze der Turken, die het offerfeest het kleine, en het feest na de vasten het groote noemen, omdat het laatste met veel grooter vreugdebedrijven gevierd wordt. Even verkeerd is het in den grond, wanneer de Bruyn het feest na de vasten het Paaschfeest noemt, maar ook hier is hij in overeenstemming met der Turken spraakgebruik. Inderdaad staat het offerfeest in nauwer historischen samenhang en heeft meer punten van aanraking met het Israëlietische Paschen, dan het feest dat zoo dikwijls het „Turksche Paschen” genoemd wordt.
De verwarring in de benamingen van deze feesten is reeds aangewezen in eene noot van onzen beroemden Reland op zijn werkje: „de Religione Mohammedica”, ed. alt., p. 109.
Efendi.
_Efendi_ of _Effendi_ is een Turksch woord, dat _heer_, _meester_ beteekent en als titel geplaatst wordt achter namen van personen en van waardigheden, als in: Ja'koeb Efendi, de heer Jakob; Raïes Efendi, titel van den Minister van Buitenlandsche Zaken. Men beweert dat Efendi oorspronkelijk Grieksch is en verbasterd uit _authentis_, in hedendaagsche uitspraak _afthendis_.
Dozy heeft het woord niet in de „Oosterlingen” opgenomen, ofschoon hij er over spreekt bij _Aga_, dat nagenoeg hetzelfde beteekent. Het onderscheid bestaat daarin, zegt hij, dat Aga wordt gebruikt wanneer men van een militair opperhoofd, en Efendi, wanneer men van een burgerlijk ambtenaar spreekt. Ook aan _Efendi_ had een afzonderlijk artikel moeten gegeven worden, dat uit een eenvoudige verwijzing naar _Aga_ had kunnen bestaan. Dat dit niet is geschied, zal wel een bloot toevallig verzuim zijn.
Balkon.
Omtrent den oorsprong van dit woord bestaan twee gevoelens; volgens het eene komt het uit het Perzisch, volgens het andere is het Germaansch, maar gewijzigd door doorgang door het Italiaansch. Door het woord niet op te nemen in de „Oosterlingen”, heeft Prof. Dozy getoond aan de afleiding uit het Perzisch geen waarde te hechten. Maar in zijne aankondiging van dat werkje in den „Ned. Spectator”, 1867, zegt Prof. de Goeje: „Ik moet bekennen dat de afleiding van balkon van het Perzische _bâlâkhâneh_ (opperkamer, 't bovenste van 't huis) mij althans even waarschijnlijk voorkomt, als die van het oud-Hoogduitsche _balcho_ (balk).” Inderdaad verzet zich noch de woordvorm, noch de beteekenis bepaaldelijk tegen die afleiding. _Bâlâkhâneh_ is samengesteld uit _bâlâ_ boven, en _khâneh_, woning, en beteekent dus _bovenhuis_. De overgang tot de beteekenis van balkon is niet zeer bezwaarlijk, zooals blijkt uit de volgende verklaring van bâlâkhâneh in Stocqueler, „Oriental Interpreter”: „Persian, Balcony, an upper-room, open in front, and generally overlooking another and lower apartment”. Nochtans blijft voor mij deze afleiding van balkon onwaarschijnlijk, zoolang niet is aangetoond hoe en langs welken weg zulk een woord uit Perzië naar Europa kon worden overgebracht; want het is veel te oud in de Europeesche talen om over Britsch-Indië tot ons te zijn gekomen. Bovendien heeft de beteekenis toch een veel moeilijker sprong gemaakt, dan bij de afleiding van het Germaansche, ook in onze taal voorkomende _balk_, terwijl de vorm geheel duidelijk wordt door de tusschenkomst van het Italiaansch, waarin woorden van Germaanschen oorsprong zoo menigvuldig zijn, en waaruit zoo menig woord van dien aard tot de Germaansche volken in gewijzigden vorm is teruggekeerd. Mij dunkt de verklaring in Grimm's „Deutsches Wörterbuch”: „Balkenvorsprung, auf dem man eines Standes im Freien zur Aussicht geniesst, nach dem Italienischen _balcone_, das selbst aus unserem _Balke_ entlehnt wurde”, laat weinig te wenschen overig.
Veranda.
_Veranda_ is eene open galerij aan de buitenzijde eener woning, zooals in de laatste jaren meer en meer aan villa's en op tuinen uitziende vertrekken in zwang komen. De naam zoowel als de zaak is ons uit Indië aangebracht. In Britsch-Indië zijn namelijk veranda's, uit een lichten steenen buitenmuur en jalousiën bestaande, en bestemd om de warmte en het licht in de vertrekken te temperen, van oudsher in algemeen gebruik geweest. Zoowel de Portugeezen, die _varanda_, als de Engelschen die meestal _verandah_ schrijven, hebben het gebruik dezer aanbouwsels nagevolgd, en in hunne koloniën zoowel als in het moederland en verder over Europa verspreid. Ook in Nederlandsch-Indië zijn zij in zwang gekomen, en de naam veranda is in den vorm _bĕranda_ in het Maleisch opgenomen. Bij ons schrijft men meestal in navolging der Engelschen _verandah_; maar beter is het de _h_, voor welker gebruik geen reden bestaat, weg te laten. Het woord is ontleend aan het Sanskriet of liever Prakriet, waarin het _waranda_ luidt, dat ons tevens aan een ander van ouds gebruikelijk Nederlandsch woord, _warande_, doet denken. Vondel schreef reeds eene verzameling fabelen onder den naam van „Warande der dieren”, en nog in onze dagen gaf de heer J. Alberdingk Thijm een aan kunst en letteren gewijd tijdschrift onder den titel van „de Dietsche Warande” in het licht.
In den laatsten tijd vindt men in onze dagbladen van tijd tot tijd _veranda_ door het oude _warande_ vervangen, waarbij de schrijvers ongetwijfeld ten doel hebben den uit Engeland ingedrongen vorm weder door een oud Nederlandschen te vervangen. Er is trouwens geen twijfel aan of _veranda_ en _warande_ hangen etymologisch ten nauwste samen, en gaan beide terug tot denzelfden wortel _war_ (vanwaar _waren_, _bewaren_). Maar dat is nog geen voldoende reden om de beide woorden met elkander te vereenzelvigen. Zij zijn langs geheel verschillende wegen tot ons gekomen en drukken voor ons iets geheel anders uit. Kiliaan, die _waerande_ schrijft, verklaart dit door: „Roborarium, vivarium, cunicularium, leporarium, theriotrophium; locus septus ubi ferae inclusae custodiuntur et asservantur”, en vergelijkt het Fransche _garenne_ en het Engelsche _warren_. Hieruit blijkt dus dat de eigenlijke beteekenis van warande is „bewaarplaats voor levende dieren, diergaarde, dierenpark”. Daar echter zulke dierenparken doorgaans ook fraai beplant waren, werd de warande ook een lustoord, een wandelpark. Zoo zegt Vondel in de Inleiding tot de Warande der dieren:
„Opdat wy onzen geest gins in die groen waerande, „Een vorstelycke plaats, ververschen in de schaeuw”;
terwijl bij eenige regels verder, in het vers:
„Wy naerdren meer en meer, de _lust-plaets_ loopt ons teghen”,
het woord warande door _lustplaats_ vervangt. Men kan dus onze tegenwoordige diergaarden of zoölogische tuinen in volmaakt goed en teekenend[28] Nederlandsch _waranden_ noemen; maar juist daarom klinkt het zeer vreemd, ja ongerijmd, wanneer men leest, „dat in de Rotterdamsche diergaarde belangrijke uitgaven zijn gedaan voor het aanbrengen van warande's”. Ik acht het dus verkieslijk voor de open galerij den vorm _veranda_ te behouden, maar geschreven zonder de overtollige _h_.
[28] Ik vrees dat men dit woord on-Nederlandsch zal vinden; doch wanneer men van het water kan zeggen, dat het teekent, wanneer bij zijn val een vochtig merk aanduidt tot hoe hoog het gewassen was, of van een paard dat het niet meer teekent, wanneer zijn tanden niet langer zijn ouderdom aanwijzen, dan mag men zeker ook van een woord wel zeggen, dat het teekent, wanneer het juist en scherp aanwijst wat men uitdrukken wil.
Zonnehout.