Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden

Part 11

Chapter 113,480 wordsPublic domain

Desniettemin wordt door vele schrijvers _gingang_ (of _ginggang_) als een product der Aziatische weefgetouwen beschouwd. Van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” en Kramers en Bonte „Kunstwoordentolk”, toonen door hunne verwijzing naar een Maleisch of Javaansch woord _ginggang_, dat in die talen _gestreept_ zou beduiden, dat zij den oorsprong in den Indischen Archipel zoeken. Naar den vorm (reduplicatie met veranderden klinker) kan zeker _ginggang_ zeer wel een Javaansch of Maleisch woord zijn, ja het komt in het Javaansch voor met de beteekenis van _afwijken_, _uiteengaan_, waarvan men desnoods die van _gescheiden zijn_ of _uiteenstaan_, zooals strepen van zekere kleur die door een andere kleur gescheiden worden, zou kunnen afleiden. Evenwel wordt die wijziging der beteekenis van _ginggang_, zoover ik weet, door geen enkel woordenboek van de Javaansche en verwante talen bevestigd. In het „Jav. Handwdbk.” van Prof. Roorda wordt _ginggang_ genoemd: „een soort van gestreept of geruit Oostindisch lijnwaad, geen Javaansch fabrikaat”, terwijl in de jongste uitgaaf Prof. Vreede ten overvloede herinnert, dat de Javaansche gestreepte lijnwaden _loerik_ heeten. In het „Soendaasch Wdbk.” van den heer Oosting lezen wij op _ginggang_: „benaming van een soort van geruit of gestreept goed, _dat op Java wordt ingevoerd_.” In Klinkert's „Supplement op het Maleisch-Ned. Wdbk.” van Dr. Pijnappel lezen wij op _ginggang_: „geruit hessen- of kielengoed. Op Riouw _tjélé_, doch _ginggang_ wordt ook verstaan.” Dat men op Riouw, het centrum als het ware der Maleischsprekende bevolkingen van Insulinde, _ginggang_ ternauwernood verstaat, begunstigt stellig niet de meening dat het een echt Maleisch woord zou zijn.

Ik moet nog opmerken, dat de aangehaalde plaatsen volstrekt niet pleiten voor de bewering dat ginggang eigenlijk _gestreept goed_ zou wezen. Het wordt nu eens _gestreept of geruit_, dan eens bepaaldelijk _geruit_ goed genoemd. Hierbij mag evenwel aan den anderen kant niet verzwegen worden, dat in de katoennijverheid soms een onderscheid tusschen _ginggang_ of _gingham_ (den Engelschen vorm van het woord) en _tjélé_ wordt gemaakt, en dat, waar dit in acht wordt genomen, werkelijk ginggang de _gestreepte_ en tjélé de _geruite_ stof aanduidt. De heer Ekker (firma T. C. Stork te Hengelo) schrijft mij: „Voor Makassar en de Molukken wordt de stof steeds bij ons aangevraagd onder den naam _gingham_, wanneer zij _gestreept_, onder dien van _tjélee_ of _cotonnetten_, als zij _geruit_ moet zijn. De eigenlijke beteekenis van gingham zal dus naar mijn inzien _gestreept weefsel_ zijn. Ook voor Engelsch-Indië wordt bij ons _gestreept_ goed onder den naam van _gingham_ aangevraagd, _geruit_ daarentegen onder dien van _checks_.” Men begrijpt hieruit hoe de meening ontstaan is dat _ginggang_ bepaaldelijk _gestreept_ zou beteekenen. Inderdaad schijnen echter de woorden _ginggang_ en _tjélé_ synoniem te zijn en het onderscheid tusschen beide gemaakt slechts op een handelsusantie te berusten.

Er kan na al het gezegde weinig twijfel zijn, of _ginggang_ en _tjélé_ zijn in den Indischen Archipel oorspronkelijk uitheemsche namen voor uit den vreemde ingevoerde goederen. Wij zullen dus de meening moeten opgeven, dat ginggang eigenlijk een Maleisch of Javaansch woord is. Dit maakt echter de afkomst uit het Fransch wel waarschijnlijker, maar nog geenszins zeker. Wij zagen reeds dat de ontkenning dat ginggang een Javaansch fabrikaat is, niet buitensluit, dat het toch van Indischen oorsprong, namelijk van het vasteland van Indië (of van Ceilon) afkomstig kan zijn. En dit wordt zeer aanbevolen door de volgende door Littré aangehaalde plaats uit de „Histoire philosophique des Deux-Indes” van Raynal (het eerst in 1771 uitgegeven): „Une centaine de balles de mouchoirs, de pagnes et de _guingans_ d'un très-beau rouge, que les Malabares fabriquent à Gaffanapatnam[20], où ils sont établis depuis très-longtemps.”

[20] D. i. Jafnapatnam op Ceilon, door Malabaren van de kust van Hindostan gekoloniseerd.

Nauwkeurig bezien is zelfs deze plaats den aanspraken van Guingamp op de eerste productie der ginggangs en het geven van zijn naam aan die stof zeer vijandig. In den tijd waarin Raynal dit schreef werd nog Europa door de Engelsche en Nederlandsche O.-I. Comp. op groote schaal van de schoone voortbrengselen der Indische weefgetouwen voorzien, en begon de Europeesche katoennijverheid pas hare vleugelen uit te slaan. Ofschoon thans de namen van vele in Europa vervaardigde stoffen algemeen in Indië bekend zijn, is het moeilijk te gelooven, dat reeds vóór 1770 zulk een naam in de inlandsche talen aldaar het burgerrecht heeft erlangd.[21]

[21] Het zou mij niet verwonderen, dat bij opzettelijke nasporingen wel meer sporen van den hoogeren ouderdom van het woord _ginggang_ zouden gevonden worden. Het zijn toevallige vonden, geen vruchten van systematisch onderzoek, die ik in deze artikelen den lezer aanbied.

Toevallig vind ik een bewijs voor den hoogen ouderdom van het woord _ginggang_ in (P. van den Broeck): „Curieuse beschrijving van onderscheyde Oost-indische gewesten” (Rotterdam, 1677). Ik vind aldaar, bl. 121, onder de in Pegu verkochte lijnwaden _Bore Gingans_ genoemd. Wat _Bore_ beteekent weet ik niet, maar _gingans_ is toch zeker wel eene andere spelling voor _ginggangs_.

Ik geloof derhalve niet dat ginggang iets met _Guingamp_ te maken heeft, maar acht de overeenkomst der beide namen bloot toevallig. Littré zegt ook niet uitdrukkelijk, dat te Guingamp ginggans gemaakt worden, maar slechts in het algemeen dat er „fabriques de tissus” bestaan, en wanneer anderen nu daarvan bepaald ginggang-fabrieken maken, is het wellicht alleen een besluit uit den eenmaal aangenomen samenhang van ginggang en Guingamp getrokken.

Bepaald en duidelijk te zeggen wat eigenlijk ginggang is, of door welke kenmerken het zich onderscheidt, is zeer moeilijk. Alle voortbrengselen der nijverheid zijn aan gedurige wijziging, namaak in geringer qualiteit of vervalsching onderhevig, terwijl de naam alleen blijft. Dat alles wat men later ginggang heeft genoemd of nog dien naam draagt, volkomen aan het oorspronkelijk dus genoemde fabrikaat gelijk is, zal zeker niemand durven beweren. Volgens het „Nederlandsch Handelsmagazijn” (Amsterdam, Diederichs, 1843) zijn de gingans, ginggans of ginghams bontgestreepte of bontgeruite geweven stoffen, nu eens geheel uit linnen of katoenen garens, dan eens uit katoen gemengd hetzij met linnen, hetzij met zijde, hetzij met schors vervaardigd. Terwijl vroeger de ginggangs, zoo ik meen, steeds als zeer fijne weefsels genoemd werden, verzekert mij de heer Ekker dat zij thans geweven worden in verschillende, grove zoowel als fijne, qualiteiten. Zij schijnen zelfs gewoonlijk van grover qualiteit te zijn, want terwijl de heer Klinkert, zooals wij zagen, ze hessen- of kielengoed noemt, schrijft mij de heer Ekker, dat zij voornamelijk gebruikt worden voor arbeidersbroeken of -baadjes.

Vervolgens moet ik nog opmerken dat in den manufactuurhandel, de artikelen niet enkel genoemd en onderscheiden worden naar de grondstof, de kleur, het patroon, den aard en de fijnheid van het weefsel, maar ook nog naar de wijze van opmaken of verpakken. Saroengs, kain-pandjangs, slendangs, zijn, onafhankelijk van alle andere omstandigheden, in den manufactuurhandel lappen of doeken die op een bepaalde maat geweven zijn, en wel zoo dat ze juist de grootte en den vorm hebben die voor een saroeng, een kain-pandjang, een slendang vereischt wordt, terwijl ze verhandeld worden per _corge_[22], d. i. per pak dat 20 doeken bevat. Daarentegen behooren de ginggangs tot de zoogenoemde stukgoederen; zij zijn aan één stuk geweven tot eene lengte van 12 tot 24 yards, bij eene breedte van 24 tot 36 inches, waarvan men afsnijdt naarmate van de behoefte.

[22] De oorsprong van dit woord corge is te onzeker om er iets van te zeggen.

De Engelsche vorm _gingham_, waarvan men zich in den katoenhandel gewoonlijk bedient, zoowel als de gebruikelijke opgave van lengte en breedte in Engelsche maat, bewijzen dat onze inlandsche ginggang-fabrikatie, ofschoon een belangrijke tak van onze katoen-nijverheid, op Engelschen grondslag rust en zich naar Engelsche voorbeelden moet richten. Ik geloof echter dat, waar men niet door handelsusantiën gedwongen is, de schrijfwijze die in het Maleisch, Javaansch en Soendaasch wordt gebezigd, nam. _ginggang_, voor ons de beste is te achten.

Ofschoon dit artikel omtrent den oorsprong en de rechte schrijfwijze van den naam tot geene zekerheid leidt, mag ik het toch niet eindigen zonder mijn dank te betuigen aan de heeren F. Driessen te Leiden en H. J. Ekker te Hengelo voor de mij zoo welwillend verschafte inlichtingen.

Batikken.

Gevormd van het Javaansche _batik_, op de wijze die reeds in art. _Soebatten_ werd ter sprake gebracht. _Batik_ beteekent in het Javaansch met figuren beteekende of beschilderde (gebatikte) katoenen stof, in tegenstelling met de uit gekleurde draden in ruiten of strepen gewevene. De gebatikte stoffen nemen dus in de inlandsche katoen-industrie de plaats in onzer _gedrukte_ katoenen, maar de wijze waarop ze vervaardigd worden is oneindig veel omslachtiger en kostbaarder. Het geschiedt niet in fabrieken, maar behoort tot den huiselijken arbeid der Javaansche vrouwen. (Van Rees, „Herinneringen”, II, bl. 85: „Is dat werk verricht, dan zet zij zich nevens haar man, om uit te rusten, een oud kleed te herstellen of een nieuw te batikken.”) Elke gebatikte doek wordt afzonderlijk uit de hand bewerkt, door eerst de omtrekken van het patroon aan te geven, en daarna de verschillende kleuren ieder afzonderlijk op het doek te brengen, eenigermate op de wijze onzer chromolithographie. Gelijk bij deze de vereischte teekening wordt verkregen door achtereenvolgens afdrukken van even zoovele met kleuren beteekende steenen als er kleuren in de plaat moeten voorkomen, zoo geschiedt dit bij het batikken door achtereenvolgende indompeling van het weefsel in elk van de kleurstoffen, door wier samenstelling de voorgenomen teekening wordt gevormd. Natuurlijk moet gezorgd worden, dat bij elke dier indompelingen slechts die gedeelten van het doek met de verfstof in aanraking komen, die hare kleur moeten aannemen. Deze uitkomst wordt verkregen door vóór elke indompeling het doek in al die deelen, waarop de kleurstof die aan de beurt is niet mag inwerken, aan beide zijden met een mengsel van was en hars te bedekken. Deze bewerking, die schrijven of teekenen (_serat_) wordt genoemd, wordt verricht met een scheppertje met langen tuit, bevestigd in een bamboe, die als een schrijfpen in de hand wordt gehouden. Door dit tuitje laat de batikster het kokend mengsel op het doek vloeien dat vóór haar op een raam is uitgespannen. Daar deze bewerking voor iedere kleur moet herhaald worden, is het gemakkelijk na te gaan, hoeveel tijd en geduld voor het batikken, vooral bij meer samengestelde patronen, gevorderd wordt. Wie de bewerking, die ik hier slechts in vluchtige omtrekken mocht schetsen, meer in bijzonderheden wenscht te leeren kennen, kan zijn weetlust bevredigen door de raadpleging der geschriften van den heer van Musschenbroek, den grooten kenner der inlandsche nijverheid van Insulinde. Zie zijn werkje „Iets over de inlandsche wijze van katoenverwen op Midden-Java”, (Leiden 1878) en zijne inleiding op Groep II, 10e klasse, G. Nijverheid, in den Catalogus der Ned. Kol. Afd. van de Amst. Tentoonstelling 1883, bl. 228, v. v.

De Europeesche nijverheid heeft door de gewone procédé's van het katoendrukken de gebatikte stoffen zoo goed mogelijk nagebootst, maar ofschoon het haar, wat de patronen betreft, gelukt is den inlandschen smaak vrij wel te bevredigen, baart de fabriekmatige bewerking eene stijfheid en hardheid der omtrekken, die den Javaan dadelijk den vreemden oorsprong doet erkennen en zijne voorkeur voor de lossere teekening en zachter uitvloeiende kleuren van het werk der inlandsche vrouwen in stand houdt. Alleen de geringe prijs heeft aan de _batik tiron_, de _nagemaakte batik_, ingang verschaft en zelfs de Javanen genoopt, op hunne beurt, pogingen aan te wenden om de Europeesche gedrukte stoffen met gebrekkige hulpmiddelen na te bootsen. Zie mijn „Java”, D. I, bl. 541.

Oorkrab.

Een merkwaardig Nederlandsch-Indisch woord, dat uit het Hollandsche _oor_ en het tot _krab_ afgekorte Maleische _kraboe_ is samengesteld. Men gebruikt ook den verkleinvorm _oorkrabbetje_. Het gewone oorsieraad der Maleische en Javaansche vrouwen, in laag-Javaansch of Ngoko _Soeweng_, in hoog-Jav. of Krômô _Sengkang_ geheeten, is geen ring noch aan een ring gehangen, maar bestaat uit een spil of schroef, die sluit in een vrij groot in de oorlel gemaakt gat, waarin aan de voorzijde de knop of schijf, die het eigenlijke pronkstuk vormt, wordt bevestigd, terwijl een plaatje of moer, aan de achterzijde aangebracht, het uitvallen verhindert.

Men onderscheidt vele soorten van oorkrabben, die in de inlandsche talen ieder haar eigen naam hebben. Zij verschillen in grootte, vorm, materiaal en versiering. De grootste worden gedragen op Sumatra, waar eene soort voorkomt waarvan de schijf dikwijls een middellijn heeft van elf centimeter en de wangen geheel bedekt. Zie wat de Sumatraansche oorsieraden betreft, „Midden-Sumatra”, III, Volksbeschrijving, bl. 8 v., 17 v. en Pl. XX–XXII van den Atlas. Van de Javaansche oorkrabben vindt men de nauwkeurigste beschrijving bij Poensen, „Iets over de kleeding der Javanen”, in „Mededeelingen van wege het Ned. Zendelinggenootschap”, D. XXI, bl. 15, waaraan ik de volgende plaats ontleen: „De oorkrabben kunnen soms vrij kostbare voorwerpen zijn; doch men ziet ze ook dragen, die van luttel waarde zijn. Men draagt ze van goud en zilver, met edelgesteenten, van been, hout, koper, enz. Het plaatje van goud enz. in den knop van een oorkrab, daar het rosetje van juweelen op vastgemaakt wordt, heet _djadam_; vandaar _soewĕng-djadam_, d. i. een oorkrab met een djadam.”

Alizari.

Dit woord was door Engelmann opgenomen in de eerste uitgave van het „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérivés de l'Arabe”, maar zonder andere verklaring dan: „espèce de guarance, rubia seca”, en voorts met een vraagteeken er achter, omdat hij den oorsprong niet kende. Prof. Dozy voegde hieraan in de tweede uitgave niets toe, maar nam in zijn „Oosterlingen” _Alizariwortel_ op, met de opmerking dat ook hem de oorsprong van _alizari_ onbekend was; dat het woord er wel-is-waar Arabisch uitzag, maar dat in het Arabisch de meekrap andere namen heeft. Prof. Land slaat in den „Nederl. Spectator”, 1867, voor, _alizari_ te beschouwen als samengesteld uit het Arabisch lidwoord _al_ en eene verbastering van het Grieksche _isatis_, welk woord wel-is-waar niet de beteekenis had van _meekrap_, maar de _wouw_ (_isatis tinctoria_ L.) aanduidde, doch, zegt hij, lichtelijk bij vergissing op eene andere verfplant kan zijn overgedragen, zooals dat meermalen met oud-Grieksche plantennamen is gebeurd. Zeer aannemelijk is die verklaring zeker niet. Al wil men over het verschil in beteekenis en de verbinding van een Grieksch naamwoord met het Arabisch lidwoord heenstappen, dan blijft nog als grootste struikelblok de verwisseling van _t_ met _r_ over, die zelfs als verbastering bezwaarlijk kan worden aangenomen. Veel waarschijnlijker is de verklaring van Marcel Devic in zijn „Dictionnaire étymologique des mots d'origine orientale”, geplaatst achter het Supplement op den „Dictionnaire de la langue Française” van Littré. Volgens dien schrijver is _alizari_ samengesteld uit het Arab. lidw. en het eveneens Arabische _ʾaçárah_ [waarschijnlijk ook wel _ʾiçarah_ uitgesproken], welk woord, van den wortel _ʾaçara_, persen, afgeleid, alle uitgeperste plantensappen aanduidt (vgl. de Sacy, „Chrestomatie Arabe”, 2e ed., T. III, p. 451). Devic geeft een voorbeeld, waarin het gebruikt wordt van de kleurstof der pastel of weede, en toont ook aan dat in den handel de Levantsche meekrap _azala_ of _izari_ (d. i. dus _alizari_ zonder het lidw.) genoemd werd. De letter _çad_ van het Arabische alfabet gaat in de talen van Zuid-Europa gewoonlijk in _z_ over. (Zie Engelmann en Dozy, „Glossaire”, p. 18). Het is zeer denkbaar dat het handelsgebruik een woord met de algemeene beteekenis van uitgeperst plantensap allengs, bij wijze van verkorte uitdrukking, tot een bijzonder gewichtig artikel van dien aard beperkt heeft.[23]

[23] Het schijnt mij toe, dat op soortgelijke wijze heulsap in onze taal een synoniem voor opium is geworden, ofschoon het oorspronkelijk elk sap beteekende, waarbij men heul, verzachting van smart en pijnen, vond. Ofschoon deze gissing geheel van het gewone gevoelen afwijkt, bleek mij uit een brief van den heer van der Tuuk, waarin hij ook de _hasjîsj_ of _bang_ een _heulsap_ noemt, dat ik in dit gevoelen niet alleen sta.

Behalve in de toch ook niet zeer gewone samenstelling _alizariwortel_, is _alizari_ in onze taal niet gebruikelijk, maar des te meer in den laatsten tijd het daarvan afgeleide _alizarine_. Terwijl alizari een handelsnaam van de meekrap is, verstaat men door alizarine de kleurstof die de scheikunde uit de meekrap trekt, maar die in de laatste jaren ook verkregen wordt uit steenkolenteer, eene uitvinding die aan de meekrapteelt veel afbreuk heeft gedaan. Ook wordt eene inktsoort, waarin meekrap als bestanddeel voorkomt, en die blauwgroen van kleur is, maar op het papier donkerzwart wordt, _alizarine-inkt_ genoemd.

Henna, Alkanna.

_Henna_, soms met het Arabische lidwoord _alhenna_ geschreven, is eigenlijk hetzelfde woord als _kanna_ of _alkanna_, dat voornamelijk in den laatsten vorm gebruikelijk is. Het zijn verschillende wijzen van uitspraak van het Arabische woord _henná_ of _hinná_, den naam van het roodachtig gele of donker oranjekleurige sap, geperst uit de bladeren eener altijd groene struik, die de botanici _Lawsonia inermis_ of _Lawsonia alba_ noemen. Maar ofschoon _henna_ en _alkanna_ in den grond hetzelfde woord zijn, verschilt het gebruik, daar het laatste slechts van een surrogaat der echte _henna_ wordt gebezigd. De henna wordt in het Oosten algemeen door de vrouwen aangewend om de nagels en eenige andere deelen van handen en voeten te beschilderen. De wijze dezer bewerking kan men het best leeren kennen door de uitvoerige beschrijving en afbeelding in Lane's „Modern Egyptians”, 5th edit., p. 38. Hetzelfde gebruik komt ook voor in den Indischen Archipel, althans op Sumatra, waar de henna (in het Maleisch) _ínei_ heet. Miquel, „Sumatra”, bl. 100: „Met het uitgekookte sap van de bladen van de inei of henna kleuren de inlanders de nagels van handen en voeten rood.” (Vgl. ook Filet, „Plantkundig Woordenboek”, 2e uitg., no. 1747).

Onder _Alkanna_ (Eng. _Alkanet_) verstaat men de plant, eertijds _Anchiusa tinctoria_ en _Lithospermum tinctorium_, thans gewoonlijk _Alkanna tinctoria_ geheeten, en hier en daar in Midden- en Zuid-Europa gekweekt. De bruinroode kleur die zij oplevert wordt door de apothekers tot het kleuren van zalven en tincturen, door de ververs tot het nabootsen der kleuren en vlammen van rozenhout (d. i. het hout van _Dalbergia nigra_) en andere Zuidamerikaansche boomen, eindelijk door de wijnhandelaars als kleurmiddel bij het vervalschen van portwijn gebruikt.

Manna.

Het is eenigszins bevreemdend dat Prof. Dozy aan dit woord geene plaats heeft gegeven in zijne „Oosterlingen”, daar het stellig van Semietische afkomst is, en een bekend handelsartikel aanduidt. Het echte _manna_ is eene in kleine, gele, doorzichtige korrels voorkomende zelfstandigheid, verhard uit het taaie en zoete sap, dat uit een zekere in Arabië menigvuldig voorkomende struik, de _Tamarix mannifera_, vloeit, tengevolge van tallooze voor het bloote oog onzichtbare wondjes, door den steek van een insect, _Coccus manniparus_, teweeggebracht. Deze stof is, daargelaten het wonderbare gelegen in den verbazenden overvloed waarin ze zich voordeed tijdens de omzwervingen der Israëlieten in de woestijn van Arabia Petraea, en in de omstandigheden waaronder ze zich vertoonde, hoogstwaarschijnlijk niet verschillend van dat hemelsch brood, dat in Exodus XVI onder den naam van _man_ wordt vermeld. _Manna_ is daarvan de gewone vorm, gebezigd in het Arameesch dialect dat ten tijde van de opkomst des Christendoms in Palestina werd gesproken, en daarom ook, bij aanvoering van woorden in de landstaal, in het N. Testament wordt gebruikt (Joh. VI: 31, 49, 58; Hebr. IX: 4; Openb. II: 17). Het woord _man_ beteekent in het Arabisch een _geschenk_, eene _gave_, en wanneer de Arabische schrijvers het boven beschreven manna _mannoe's-samáï_, d. i. _gave des hemels_, noemen, dan schijnen ook zij aan een wonderbaren oorsprong te denken, hetzij alleen omdat de herkomst dezer stof ook voor hen in het duister school, hetzij omdat de kennis van de wonderbare spijziging der Israëlieten in de woestijn ook tot hen was doorgedrongen. Voor dit laatste pleit de overeenkomst met de uitdrukkingen _hemelsch brood_ en _hemelsch koorn_, die Ps. CV: 40 en LXXVIII: 24 worden aangetroffen. Bij de nauwe verwantschap tusschen de Hebreeuwsche en Arabische talen, is er volstrekt geen reden om bezwaar te maken, ook in het Hebreeuwsch de beteekenis van _gave_ aan het woord manna toe te kennen. En wanneer wij dan Exod. XVI: 15 lezen, dat de Israëlieten, het manna ziende, en niet wetende wat het was, tot elkander zeiden: „man hoe,” dan is er geen reden om dit anders dan met „dit is een gave” te verklaren. Vers 31 wil dan ook zeker slechts te kennen geven, dat _man_, d. i. gave, sedert de naam bleef van dit van den hemel nedergedaald geschenk. Er bestaat wel eene andere verklaring van die uitdrukking _man hoe_, aan de Grieksche vertaling der LXX ontleend, volgens welke die woorden op vragenden toon moeten worden uitgesproken en vertaald worden: _wat is dat?_ zoodat, tengevolge dier vraag, _Wat_ de naam der onbekende stof zou gebleven zijn. Maar _man_ als vragend voornaamwoord komt wel voor in de latere Aramaïseerende taal van Palestina, maar is in het echte Hebreeuwsch onbekend[24].

[24] Wie het hier gezegde vergelijken wil met mijn art. _Manna_ in 1855 in het „Bijbelsch Woordenboek” opgenomen, zal bemerken dat ik thans, na 33 jaren, eene andere meening ben toegedaan.

De naam _manna_ is later ook aan andere soortgelijke in den handel voorkomende stoffen gegeven, zooals aan het manna van _Fraxinus ornus_, welks uitvloeiing mede door den steek van een insect, _Cicada orni_, wordt bevorderd, of dat van _Hedysarum Alhagi_, eene struik op wier takken en bladeren zich korrels als gekristalliseerde suiker vormen, die men tegen het najaar op ieder uur van den dag kan inzamelen. Van deze gewassen komt het eerstgenoemde vooral in Italië, het andere, behalve in Perzië, ook in Arabië voor.

Farizeër.

In onderscheiding van andere soortgelijke aan den Bijbel ontleende uitdrukkingen, welker verklaring ik aan de bijbelsche woordenboeken overlaat, gun ik een plaatsje aan dit woord, omdat het in onze taal niet enkel de naam is der Joodsche sekte die het aanduidt, maar nog de algemeene beteekenis van _schijnheilige_ of _huichelaar_ heeft gekregen, en ook het adjectief _farizeesch_ (of _farizeeuwsch_) heeft voortgebracht. Men denke b.v. aan Vondels bekende regelen: (van Lennep's „Vondel”, V, blz 427):

„O! Farizeeusche grijns, met schijngeloof vernist, Die 't groote lyck vervolgt tot in zijn tweede kist”, enz.

In Vondels „Joannes de Boetgezant” leest men ook _farizeeusheyt_ voor _huichelarij_ (ald. X, bl. 74) Het Hebr. _farîsch_, waarvan de naam afkomstig is, beteekent _afgezonderde_, _afgescheidene_, iemand die zich door bijzonder vertoon van vroomheid van de menigte onderscheidt.

Betelgeuze.