Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden
Part 10
Die sporen ontbreken echter niet in het Zweedsch en Deensch en wijzen in die talen op een geheel anderen oorsprong van _Tor_ dan hierboven werd aangegeven. In het Zweedsch heet een kever _Torbagge_, _Tordyfvel_ en _Skalbagge_. In het laatste schijnt _skal_ de schaal, het vleugelschild, het eigenaardig kenmerk der kevers of schildvleugelige insecten, te beteekenen. _Bagge_ houd ik voor hetzelfde woord als het Engelsche _bug_, dat thans wel-is-waar bijzonder de wantsen of halfvleugelige insecten aanduidt, maar vroeger wel niet zoo scherp begrensde beteekenis zal gehad hebben, daar vele hemiptera, met hunne halve dekschilden, niet in 't oog loopend van de torren verschillen.[13] Men moet zich altijd herinneren, dat dergelijke namen eeuwen lang gebruikt zijn, eer er entomologen opstonden die de klassen, geslachten en soorten nauwkeurig onderscheidden. Van dit _bagge_ en _bug_ schijnt mij ook het Nederlandsche _bok_ in _torbok_ niet wezenlijk te verschillen. Ik ken dit _torbok_ slechts uit de woordenboeken van Weiland en van Dale, en zag nooit een voorbeeld van het gebruik, maar het is mij onmogelijk met Weiland aan te nemen, dat het hetzelfde is als _boktor_. Boktorren zijn de _Cerambycidae_ of _Longicornia_, die zich door lange gebogen horens, als die van een _bok_, onderscheiden. Hoe onmogelijk het volgens ons taaleigen is, dat torbok, tenzij door later misverstand, hetzelfde zou beteekenen, daarvan kan men zich zonder geleerde beschouwingen gemakkelijk door een proef overtuigen. Geen Nederlander zal zich laten diets maken, dat een _snuitkever_ ook een _keversnuit_ of een _loopkever_ ook een _keverloop_ kan genoemd worden. In het Deensch heet een tor _Torbist_, _Skarnbasse_ of, met een vage benaming, zooals ons worm, ook somtijds _Bille_. In _Skarnbasse_ beteekent de eerste lettergreep _mest_, en bewijst dus dat die naam eigenlijk aan de mestkevers (_Geotrupes_) behoort. _Bist_ en _basse_ zullen wel met _bagge_, _bug_ en _bok_ verwant zijn.
[13] In Amerika wordt _bug_ dikwijls van kevers gebezigd. Zoo noemt men er b. v. den Colorado-kever _Potato-bug_.
Wij vinden nu in onderscheidene dezer namen als eerste lettergreep _tor_, en velen mijner lezers zullen wellicht vreemd opzien wanneer ik het waag uit te spreken, dat daarin de naam schuilt der door de Scandinaviërs het hoogst vereerde godheid, den Dondergod Thor. Gelijk aan de meeste andere godheden waren ook aan Thor verschillende diersoorten toegewijd, en daaronder ook de mestkever, misschien oorspronkelijk wegens het nut dat hij sticht door het verteren van onreine stoffen. Ook bij de oude Egyptenaren bestond, zooals ieder weet, een heilige mestkever, die zeer groot aanzien genoot, de _Scarabaeus_ (_Ateuchus Sacer_). Men leerde in Gothland dat wie zulk een heiligen mestkever op den grond zag liggen en weder op de pooten zette, daarmede zeven zonden uitdelgde, en zag hierin een herinnering van Thor's voorspraak bij Alvader.[14] Men noemde dus oorspronkelijk den mestkever, en later ook andere groote kevers of zelfs de kevers in het algemeen, bagge, bug, bok, bist (of welke andere vormen men ook bezigde), d. i. _kever_ van Thor, en toen men later, bij de invoering van het Christendom, diepen afkeer voor al zulk heidensch bijgeloof begon te koesteren, den _Thordjefvul_, d. i. de duivel van Thor, waaruit in het tegenwoordig Zweedsch als algemeene naam der kevers _Tordyfvel_ is ontstaan. Bij ons zeide men, zoo het schijnt, oorspronkelijk _Torbok_, dat later tot enkel _Tor_ is afgekort.
[14] Men vindt deze bijzonderheden ook vermeld in het pas verschenen tweede gedeelte van „De Dieren in het Germaansche volksgeloof en volksgebruik”, door mr. L. A. J. W. baron Sloet, bl. 389.
Ik ben het meeste wat ik hier heb medegedeeld verschuldigd aan Cowan's „Curious facts in the history of Insects” (Philadelphia, 1865), p. 28. Doch daar ik het werkje slechts uit de tweede hand ken, en in mijne aanteekeningen mijn eigen bijvoegselen en gevolgtrekkingen niet van die van den schrijver heb onderscheiden, kan ik niet meer met juistheid opgeven wat ik hem verplicht ben. De toepassing op het Ned. _tor_ en _torbok_ is in allen gevalle van mij, en zoo zij eene dwaling blijkt te zijn, komt die op mijne rekening.
Sporen van bijgeloof met betrekking tot de torren ontbreken ook in Duitschland niet. Scheffel, zeker een der uitstekendste kenners van de Germaansche oudheid, weet ons in zijn „Ekkehard” (bl. 242) veel van den eerbied des Duitschen volks voor den _Hornschröter_, ons _vliegend hert_, te verhalen. Een der namen van dezen schoonen kever, den grootsten van Europa, is de _Donnerkäfer_ (ook _Donnergugi_), en het blijkt dat hij werd beschouwd als het middel waarvan de toovenaars zich bedienden om donder te verwekken. Scheffel haalt daarbij de volgende woorden aan uit Grimm's „Mythologie” (3te Ausg., bl. 657; vgl. bl. 176): „Dem Schröter, den es mit Donner und Feuer in Bezug setzt, mag das Deutsche Volk besondere Ehre angethan haben.” De hier vermelde bijzonderheden voeren ons terug tot den Dondergod Thor.[15]
[15] In het bovenaangehaalde werk van baron Sloet, bl. 387, wordt gezegd dat het vliegend hert in verband met Thor staat, omdat het op den aan Thor gewijden eikeboom leeft, en dat het als drager van het hemelvuur als de oorzaak van brand wordt beschouwd.
Het vliegend hert is te zeer van den mestkever onderscheiden, om aan te nemen dat zij vereenzelvigd werden; maar het eerstgenoemde kon met hetzelfde recht als de laatste „Thor's kever” genoemd worden en dus medewerken om, toen men den zin voor de oude mythologie verloor, aan alle kevers zonder onderscheid den naam van _Thorbagge_, _Torbok_ of bij afkorting _Tor_ te doen geven.
De vraag doet zich mij voor of het woord _tor_, als waarschijnlijk niet werkelijk van vreemde afkomst, hier wel eene plaats had verdiend. Daar evenwel, door het verloren gaan van tusschenschakels, de ware verklaring van het woord in het Nederlandsch niet meer te vinden was, kon het slechts door de hulp van vreemde talen worden opgehelderd. Ook blijft de vraag of wij het niet inderdaad aan de invallen der Noormannen in ons land verschuldigd zijn.
Muskiet.
_Muskiet_, zeldzamer, ofschoon juister, _moskiet_ geschreven, is bij de Nederlanders in Oost- en West-Indië de algemeene naam voor alle stekende en den mensch aanvallende muggen, en is ook in het moederland gebruikelijk, wanneer van Oost- en Westindische muggen sprake is. Het is weder een woord dat wij in de koloniën van de Portugeezen of Spanjaarden hebben overgenomen. In de taal van beide volken is _mosquito_ een verkleinvorm van _mosca_, het Latijnsche _musca_, en beteekent eigenlijk _kleine vlieg_, maar toch ook _kleine mug_, daar het volk deze verwante diertjes, beide evenzeer tot de diptera of tweevleugelige insecten behoorend, niet altijd nauwkeurig onderscheidt.
Japon.
Van dit woord zegt Weiland: „de benaming is ontleend van Japan, een Rijk beoosten China, derhalve een kleed in navolging van de Japanners. Vanhier ook _japonsch_: een _japonsche_ rok, een _japonsche_, _japansche_ deken.” Zeker is het dat onze schrijvers ook wel _Japon_ en _Japonsch_ of _Japoensch_ schreven, gelijk men nog in het Fransch _le Japon_ zegt. Toch acht ik de hier gegeven verklaring van ons _japon_ geheel verwerpelijk. Ik betwist niet dat men oudtijds _japonsche rok_ zeide voor hetgeen men thans een Japanschen kabaai zou noemen; maar de verkorting van _japonsche rok_ tot enkel _japon_ is moeilijk te verklaren, en dat men eenvoudig den naam van een Aziatisch Keizerrijk aan een vrouwengewaad zou hebben toegekend, is nauw denkbaar. Maar wat meer weegt, er is een woord van Arabischen oorsprong, in verschillende vormen tot schier alle talen van Europa doorgedrongen, dat hetzelfde of een verwant kleedingstuk aanduidt, en waarvan het inderdaad zeer bevreemdend zou wezen, indien onze vaderen alleen den toegang daaraan geweigerd hadden, te meer dewijl dit woord vooral ook in het Fransch voorkomt, uit welke taal de namen van mode-artikelen van oudsher tot ons plachten over te waaien. Het woord dat ik bedoel is het Arabische _djobbah_, waardoor een groot, ruim kleed, doorgaans met wijde mouwen, veel gelijkende op onze kamerjaponnen, wordt aangeduid. Men zie daarover Dozy's „Dictionnaire détaillé des noms des vêtements chez les Arabes”, die o. a. opmerkt: „Du mot Arabe _djobbah_ les Espagnols ont fait: _aljuba_, _juba_, _chupa_, _jubon_, les Portugais _aljuba_, les Italiens _giuppa_, _giuppone_ et les Français _jupe_, _jupon_.” Maar hier is nog slechts een klein deel der talrijke nakomelingschap van het woord _djobbah_ genoemd. Bij Littré vond ik nog als Italiaansch _giubba_ en _giubbone_, als Portugeesch _gibâo_, als Provençaalsch _jupa_, _jupon_, _jupio_, als Normandisch _jupin_, als Bourgondisch _gipon_, als oud-Fransch _jupel_ en _jupeau_ genoemd. In het Hoogduitsch behooren tot deze familie _jupa_, _jope_, _juppe_, _juppel_, _joppel_ en misschien ook _schuba_, _schaube_, in het Engelsch _jippo_, in het Nederlandsch de bij Kiliaan voorkomende namen _jupe_ en _juype_. Tot deze laatste stond _japon_, als _jupon_ tot _jupe_, als _giuppone_ tot _giuppa_, namelijk als verkleinvorm, en daar door de aanhechting der verkleinende lettergreep, de _u_ in _jupe_ toonloos werd, kon ze gemakkelijk in een stomme _e_ of korte _a_ overgaan. Dat men _japon_ is gaan schrijven, kan misschien ook aan den invloed van bovengemelde verkeerde afleiding worden toegeschreven, die intusschen zooveel gezag heeft erlangd, dat ze ook door Franck is aangenomen, en de waarschijnlijke oorzaak is waarom Dozy in zijne „Oosterlingen” aan _Japon_ geene plaats heeft ingeruimd.
Sarong.
_Sarong_ (van het Mal. en Jav. _Saroeng_) noemen wij gewoonlijk den op Java en elders in Nederlandsch-Indië bij de inlanders gebruikelijken rok, welke ook bij ons te lande door vele dames, die vroeger in Indië hebben gewoond, als huisgewaad wordt gedragen, en welke in onze vaderlandsche katoenfabrieken op groote schaal ten behoeve van Indië wordt vervaardigd. Evenwel wordt aan het woord, in dien algemeenen zin gebruikt, eene ruimere beteekenis gegeven, dan het oorspronkelijk bezit. Wat in den strikten zin een sarong is, zal ik hier kortelijk uiteenzetten.
Het woord _saroeng_ beteekent eigenlijk _scheede_ of _koker_, en inderdaad bestaat de sarong uit een lap katoen op de bepaalde grootte geweven, waarvan de beide einden zijn aaneengenaaid, zoodat men er de beenen door moet steken. Een sarong is dus strikt genomen overgesteld aan een _kain pandjang_ of _kain lepas_, d. i. een _lange doek_ of _losse doek_, waarvan de einden niet aaneen zijn gehecht, en die om het lichaam gewonden en ingestoken wordt. Zulk een lange doek heet in het Javaansch in de lage taal _djarik_ (in den mond des volks veelal verbasterd tot _djarit_) en in de hooge taal _siendjang_. Zoowel de sarong als de kain pandjang worden op het smalle inlandsche weefgetouw slechts op de halve breedte geweven, zoodat twee banen in de lengte worden aaneengezet. De Europeesche industrie weeft ze echter op de volle breedte. Beide worden door beide seksen gedragen. De saroeng, ook _samping_ geheeten, is meer in West-Java of de Soendalanden, de _djarik_, die als kleed der mannen _bĕbĕd_, als vrouwenrok _tapih_ heet, in het eigenlijk Java te huis. Op de volle breedte wordt voor de sarong een lap van ten hoogste twee meter, voor een djarik van ten hoogste 2½ meter vereischt. Beide worden meestal om den middel bevestigd door een gordel, die door een gesp wordt vastgehouden.
Zoowel de sarong als de djarik kunnen bestaan uit doeken die wit geweven en later effen geverfd of gebatikt (met figuren beschilderd) worden, en uit doeken die van vooraf geverfde draden in ruiten of strepen worden geweven. De gebatikte stoffen komen met onze gedrukte katoenen, de geruite en gestreepte met onze gekleurde weefgoederen overeen. Geruite katoenen (_kain polèng_) zijn, nevens effen gekleurde, meer in trek in West-Java; gestreepte katoenen (_kain loerik_) genieten, nevens de gebatikte stoffen, in Midden- en Oost-Java de voorkeur. Voor de gebatikte is de inlandsche nijverheid het meest door de Europeesche verdrongen.
In de inlandsche gebruiken en drachten is veel aan vaste regelen onderworpen, waarin een willekeurig ingrijpen van luim of mode niet gaarne wordt gezien. De sarong, die zich als een meer afgewerkt en afgerond geheel voordoet, moet met de beide aaneengenaaide einden volkomen aaneensluiten. Aan beide einden van het doek wordt een zoogenaamd hoofd (kapala) gemaakt. De beide vereenigde hoofden, die te zamen ongeveer een vierde van het geheele doek uitmaken, verschillen geheel van het grondpatroon. Bij de in kleuren gewevene hebben deze vereenigde hoofden een effen grondkleur, met een aantal evenwijdige, verschillend gekleurde strepen, bij de gebatikte vormen de kapala's altijd twee reeksen van met de punt naar elkander gekeerde spitsen of zoogenaamde torens. De djarik mist in den regel de kapala's; slechts Chineesche vrouwen ziet men wel eens djariks met kapala's dragen.
Indien men het gebruik van het woord sarong door de Europeanen, niet slechts in het moederland, maar ook in Indië, aan de hier opgegeven eischen van eene echte sarong toetst, zal men waarschijnlijk bevinden, dat het zeer dikwijls verkeerd aangewend wordt. Ook in mijn werk over Java zijn in de beschrijving van _sarong_ en _djarik_ (D. I, bl. 601–603) eenige misstellingen ingeslopen, die ik hier volgens de mededeelingen van den heer van Musschenbroek over de inlandsche katoennijverheid en volgens de aanteekeningen op mijn werk van wijlen Tjondro Negoro, den Regent van Brebes, heb verbeterd.
Baadje.
_Baadje_, d. i. buis, wambuis, niet _buisje_, zooals van Dale zegt, want _baadje_ is geen verkleinwoord. Afgaande op een, mijns inziens, geheel verkeerde etymologie, schreven Weiland, de „Woordenlijst” van de Vries en te Winkel en de eerste uitgaven van het „Nieuw Woordenboek der Ned. taal” van van Dale allen _baaitje_. Vreemder nog is het dat Franck de goede spelling met de slechte afleiding verbindt. „_Baadje_”, schrijft hij, „minder juist voor _baatje_, een door syncope der _i_ gewijzigden vorm van _baaitje_, wambuis van baai of andere grove stof, het verkleinwoord van _baai_ (wollen stof); vgl. _katoentje_ van _katoen_”. In Manhave's nieuwe uitgave van van Dale leest men terecht: „_Baadje_. Vroeger schreef men verkeerdelijk _baaitje_. Het woord komt niet van _baai_, zooals men vroeger meende, maar is aan het Maleisch ontleend”. Ik heb dezelfde meening reeds voorgestaan in mijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen” in „de Gids” en ben er sedert steeds meer in bevestigd. Ja ik zou durven verklaren, dat indien er één woord in onze taal is waarvan de afkomst uit het Maleisch zeker is te achten, dat wel _baadje_ moet zijn, en dat dit aan onze lexicographen bij eenige meerdere bekendheid met den Maleischen taalstam en met de literatuur over Ned.-Indië zeker niet zou zijn ontgaan. Zij zouden dan geweten hebben, dat bij de volken van Insulinde algemeen een kleedingstuk in gebruik is, dat in het Javaansch, Maleisch, Makassaarsch[16], Bataksch en Dajaksch den naam van _badjoe_ draagt; dat dit bestaat uit een wijd, loshangend, tot op de heupen reikend buis, om den hals sluitend met een opstaanden kraag, en met ruime mouwen die slechts tot even over den elboog reiken; dat er echter eenige verscheidenheden in den vorm voorkomen, die zich door bijzondere namen onderscheiden; dat de stof doorgaans wit of blauw gestreept katoen, in sommige gevallen ook laken, fluweel of zijde is; en dat de naam van dit kleedingstuk ook bij de Nederlanders in Indië algemeen in gebruik is, en door hen _baadje_ of _baatje_ wordt uitgesproken. Bij oudere schrijvers vindt men nog wel den oorspronkelijken vorm _badjoe_ (b. v. Valentijn, VI, 1, bl. 54: „die wat meer van staat zijn dragen wel een zijde of ander fraai wambuis of badjoe”); maar die vorm is allengs in _baadje_ overgegaan (b. v. van Rees, „Toontje Poland”, I, bl. 19: „slavenmeiden met korte en halfopen _baadjes_”). En daar de _dj_ (eigenlijk eene enkele letter, die aan de _djim_ of _djô_ van het Maleisch-Javaansche alfabet beantwoordt) door ons in d–j wordt opgelost, de _d_ dus sluitletter eener lettergreep wordt, en als zoodanig in het Hollandsch (dat b. v. laadje, naadje evenzoo uitspreekt als maatje, staatje) de waarde van _t_ krijgt, wordt dit _baadje_ ook dikwijls door _baatje_ vervangen (zooals bij Gevers Deynoot, „Herinneringen”, bl. 57: „mannen en vrouwen... in ligtkleurige katoenen _baatjes_”). Ja zelfs den vorm _baaitje_ vindt men bij sommige onzer oudere Indische schrijvers, b. v. Canter Visscher, „Malabaarsche brieven”, bl. 46: „daarover hebben zij een _baaitje_ van fijn lijnwaad”. Maar dat het woord ook in deze schrijfwijze in geen verband met _baai_ staat, wat gelijk ieder weet een wollen stof is, blijkt reeds daaruit, dat alsdan een _baaitje_ van _lijnwaad_ een _contradictio in terminis_ zou wezen. Dit _baaitje_ wijst, zooals het mij toeschijnt, slechts op eene zekere eigenaardigheid van uitspraak, zooals men ook wel _laaitje_[17] hoort, en is verder van geen gewicht.
[16] 't Boegineesch heeft _wadjoe_.
[17] _Laaitje_ is eigenlijk het deminutief van _laai_, een nieuwen vorm uit _lade_ ontstaan, door de verweeking der _d_ tot _j_ (als in goeje of goeije voor goede, dooien of dooijen voor dooden enz.), evenals _kaai_ uit _kade_. _Baaitje_ verkeert dus niet in geheel hetzelfde geval als _laaitje_ en _kaaitje_; mijne meening is slechts dat het door analogie met deze vormen ontstaan is.
Schippers en matrozen dragen niet zelden een baadje, en het is zeer mogelijk dat door hen vooral zoowel de snit als de naam van dit kleedingstuk uit Indië is overgebracht. De meeste Maleische woorden in onze taal danken wij aan de zeelieden. Maar ik geloof, dat men zich vergist, wanneer men meent dat het matrozenbaadje gewoonlijk van baai is gemaakt. Bedrieg ik mij niet, dan geldt dit veel meer van den boezeroen, waarover het baadje vaak wordt aangeschoten. Is dit juist, dan vervalt zelfs de mogelijkheid om baadje van baai af te leiden. Ook heeft men de opmerking gemaakt, dat, indien baadje eigenlijk een verkleinvorm van _baai_ was, men in die Nederlandsche gewesten die het verkleinwoord met _ke_ vormen, _baaike_ zou moeten zeggen, welke vorm echter geheel onbekend schijnt.
Pampoesjes.
_Pampoesjes_ zijn onder onze varensgasten eene soort van schoenen van zeildoek, die men b. v. te Amsterdam in de winkels van scheepsbehoeften ziet uitgestald. Dit woord doet ons denken aan het Jav. _pampoes_, schoenen zonder hakken of met lage hakken, vervaardigd van stof of zacht leer. Volgens eene lijst van vreemde woorden in het Maleisch der Minahassa, door den heer de Clercq, voorkomende in het „Tijdschr. voor Ned.-Indië”, Jg. 1870, D. I, bl. 364, beteekent _pampoes_ in de Minahassa pantoffels of damesschoenen.
Het _pampoesjes_ onzer varensgasten, waarmede men ook nog het Eng. _pumps_ voor _dansschoenen_ kan vergelijken, kan zeer wel aan het Javaansche _pampoes_, waarmede het de _m_ vóór de _p_ gemeen heeft, ontleend zijn, maar stellig is dit _pampoes_ afkomstig van het Perzische _papoesj_, door de Arabieren _baboesj_ uitgesproken, en waarvan de Franschen _babouche_ hebben gemaakt. De ingevoegde _m_ is van denzelfden aard als die in _Amfioen_. Zie op dat woord.
De _papoesjes_ der Oosterlingen worden in de „Reizen van Cornelis de Bruyn door de voornaamste deelen van Klein-Asia”, enz., bl. 95, aldus beschreven: „Als een goed Musulman aan de reinigingen voldaan heeft, moet hij met nedergeslagen gezicht tempelwaarts gaan, en, gedenkende wat eerbiedigheid hij aan die plaats schuldig is, zijne schoenen aan de deur uittrekken, weshalven de Oosterlingen, dewijl zij er zoo menigmaal daags toe gehouden zijn, een zoort van schoenen hebben uitgevonden, bekwaam om 'er zonder het lighaam eens te buigen of 'er het behulp der handen toe van nooden te hebben, met gemak te kunnen uittreden. Zij noemen ze _Pabouches_[18] en [deze] mogen eer voor een slag van pantoffels of muilen, als voor schoenen te boek gesteld worden. De kleur is verscheiden, geel, rood, paars, swart, enz. De Turken en Franken draagen ze gemeenlijk geel, d'Armeniërs rood, de Grieken paars en de Jooden swart, maar niemand van alle deze natiën vermag ze, zolang als ze in het gebied van den Grooten Heer woonen, groen te draagen, gelijk al de wereld in Perziën mag doen. 't Zou een Christen, die in Turkije woonde, tot een misdaad gerekend worden, een koleur aan de voeten te draagen, welke bij de Mahometaanen door de genegentheid welke hun Propheet tot deselve had, voor heilig werd gehouden.” Elders, bl. 131, voegt de Bruyn er nog bij, dat de Pabouches „bijna van maaksel als muilen zijn, de hiel met het overige der zool gelijk, doch beslagen met een halfrond ijzertje van gedaante als een hoefijzer.”
[18] Deze spelling is blijkens het voorgaande onnauwkeurig; maar juist zoo wordt ook het woord geschreven door Sir Walter Scott, „St. Ronans well,” chapt. XXX.
Dozy, „Dict. détaillé des noms des vêtements”, etc. heeft een aantal plaatsen van reizigers in het Oosten over de baboesjes bijeengebracht, maar de beschrijving bij de Bruyn is hem ontgaan.
Slendang.
„_Slendangs_”, zegt van Dale „Nieuw Ned. Woordenb.” op het woord, „zekere geweven stof”. Klaarblijkelijk kent hij het woord slechts van prijscouranten van fabrieken of dergelijke stukken, en kon dus voor eene bijzondere stof houden wat eigenlijk een bijzondere soort van kleedingstuk is. Men zou meenen dat de _slendang_ of _selendang_ genoeg bekend is door het gebruik dat onze uit Indië gekomen dames en hare bedienden er maken, en door de veelvuldige vermelding in alle geschriften uit en over Ned.-Indië, om althans eene juiste opgave der beteekenis te waarborgen. De inlandsche vrouwen dragen den slendang als sieraad (of ook om er een kind of iets anders in meê te voeren) over hunne overige kleedingstukken. Het is een lange, smal opgevouwen, veelal gebatikte[19] doek, die, dubbel toegeslagen, zoo over de schouders wordt gelegd, dat aan de rechterzijde de beide slippen lang van voren afhangen. Soms wordt ook de slendang over het hoofd gedragen. Het woord is aan het Maleisch en Javaansch gemeen.
[19] Zie op _batikken_.
Ginggang.
Guingamp, eene kleine Fransche stad in Bretagne (Dep. Côtes du Nord), is sedert lang bekend door hare weverijen. In het Aardrijkskundig Woordenboek van Kramers lezen wij, dat zij fabrieken heeft van _gingang_, linnen en garen, en volgens den „Dictionnaire” van Littré, is de oorsprong van het woord _gingang_ (_ginggang_), in het Fransch _guingan_ geschreven, in den naam dezer stad te zoeken. Hier is op taalkundige gronden niets tegen in te brengen. Bekend is het dat vele fabrikaten, door verkorte spreekwijze, eenvoudig den naam dragen van de plaatsen, waarvan zij afkomstig zijn. Zoo spreekt men van Manchester, Oxford, Florence, Orleans, Valenciennes, Nankin enz., om de van die plaatsen afkomstige stoffen aan te duiden.