Uit den Kunstschat der Bakongos

Part 9

Chapter 94,355 wordsPublic domain

Hij, alzoo: Wel, de kinderen, waar zijn ze?

Zij: De kinderen, waar ze gegaan zijn, ik heb ze niet gezien.

Hij: De moeder blijft bij de kinderen. En nu de kinderen, gij zegt dat gij ze niet gezien hebt.

Zij, alzoo: Terwijl zij in 't dorp bleven, ik ben naar 't hooge gras gegaan. Toen ik terugkwam, de kinderen, zij waren hier niet.

Hij, alzoo: Mijn poederdoos, die in huis was, waar is zij henen?

Zij, alzoo: Dat weet ik niet.

Hij, alzoo: Zij, zij is weg met de kinderen, voorzeker! Maar de kinderen, weet gij niet waar zij henen zijn?

Zij, alzoo: Wel, ik, mijn man, ik ben naar 't hooge gras gegaan.

Hij, alzoo: Wel, ga het vragen aan uw familiestam.

Zij: Wacht! Morgen, zal ik gaan.

Den volgenden morgend, toen het klaar geworden was, vertelde zij het gebeurde aan hare zusters en broeders, alzoo: Mijn kinderen hadden de poederdoos van vader gebroken, en in 't hol van een nsengaboom had ik ze verborgen, zij zijn daar niet meer.

Zij, alzoo: Wel, gij waarom hebt gij ze verborgen?

Zij, de moeder: Hun vader, vermits hij vol gramschap is, zou ze misschien vermoord hebben, als hij terugkwam.

Zij, alzoo: Voorzeker heeft hun vader de kinderen verkocht.

Kubantu, waar hij gebleven was, herleefde weer.

Zijn strikken zette hij alle dagen, om patrijzen te vangen. Maar de patrijzen, hij doodde ze niet; hij kweekte ze op, gelijk men kiekens kweekt. En in 't hol van den nsenga ging hij slapen. Alle dagen spande hij zijn strikken, en ving patrijzen.

Op zekeren dag, toen hij naar zijn strikken was gaan zien, daar was een wouw in 't net gevangen. De wouw spartelde en spartelde in den strik. Hij vatte hem.

De wouw sprak, alzoo: Laat mij los, dood mij niet; ik geef u een toovermiddel.

Kubantu, alzoo: Dat toovermiddel, waarin bestaat het?

De wouw, alzoo: Indien uw broer of zuster verkocht is, met dit toovermiddel neemt gij ze weer.

En hij liet hem los. De wouw gaf hem het toovermiddel, alzoo: Verander in een arend.

En Kubantu werd in een arend veranderd.

De wouw, alzoo: Stijg nu in den hemel op.

En hij steeg hoog in den hemel op.

De wouw, alzoo: Val nu terug op den grond.

En hij viel terug op den grond, en de wouw alzoo: Indien men uwe zuster verkocht heeft, als gij ze ziet op de de markt, waar gij gekomen zijt, verander u in een vogel.

En de wouw vertrok.

Kubantu trok terug naar zijn schuilplaats.

Op zekeren dag, was de Nkenge verschenen. Hij, alzoo: Ik neem mijne patrijzen, ik ga ze verkoopen naar den Nkenge [157].

En hij ging tot op de markt, en hij verkocht zijne patrijzen. En hij ging tot bij een jonge maagd, alzoo: Neem de mitakos, verkoop mij een maniokbrood!

En hij, hij gaf de mitakos aan zijn eigene zuster.

Zij, alzoo: Wat! Gij, die zoo slordig zijt, ik zou u mijn maniokbrood verkoopen.

Hij, alzoo: Wel, zusterken [158], 't is voor mij, ik koop het.

De zuster van Kisinsu sprak, alzoo: Neem de mitakos aan, en verkoop hem een maniokbrood.

En zij nam de mitakos aan, en zij verkocht een maniokbrood.

Kinimbu, alzoo: Maar, die jongen, gelijk hij daar is, 't is juist onze Kubantu, dien wij bezitten. Waarlijk, zij gelijken goed op malkander.

En Kubantu ging terug tot in den omtrek van de markt; hij legde zijn maniokbrood in een stuk stof, en hij bond het vast aan zijnen paan.

En hij veranderde in een arend, en hij ging zitten op eenen kisoko-sokoboom, en hij slikte de granen er van in; daarna steeg hij hoog den hemel op, in den hoogen, hoogen hemel. Hij kwam neervallen op den wilden vijgenboom, die op de markt stond.

Zij, de menschen, alzoo: Daar een vogel, ziet, wat een vogel, he, een groote vogel!

De vogel was de nek aan 't waggelen, hij liet de granen vallen, en zij vielen op den grond.

De menschen, alzoo: Die vogel, die spuwt schoone en schoone parels. Alle man haastte zich, en voor die parels waren zij aan 't vechten, om ze op te rapen.

Eindelijk nog wiegelde hij met den nek, en Kinimbu en Kisinsu kwamen af, om de parels op te rapen.

De vogel, alzoo: Wo, wo, wo, wo, wo [159]! Hij vatte Kisinsu en Kinimbu, en hij steeg met haar in de lucht, en zij kwamen vallen, dicht bij hun dorp. En de arend veranderde in Kubantu. Te zamen alle drie kwamen zij in hun dorp aan, en zij kwamen zitten op den vuilnishoop, achter 't huis van hunne moeder.

De moeder had haar huis uitgekeerd, alzoo: Ik zal dit veegsel oprapen en het gaan werpen op den vuilnishoop. En zij ging het werpen, alzoo: Mfwa [160]!

De kinderen, alzoo: He, mama, gij!

De moeder, alzoo: A! Wat is het daar?

En waar zij het veegsel geworpen had, kwam zij naderbij zien, en zij zag hare drie kinderen. De moeder, alzoo: He, mijn besten, van waar zijt gij gekomen?

Zij, alzoo: Wij, vader had ons verkocht! En ziet ge, Kubantu is ons komen opvatten.

En zij gingen 't huis binnen, en de moeder vatte eene geit, zij slachtte ze, sneed ze in stukken, en spijsde hare kinderen.

's Morgens, toen de zon was opgestaan, nam zij hare kinderen en zij vertrok naar haren familiestam.

Haar man bleef alleen in 't dorp dwalen!

Songia.

MONI MAMBU [161]

Hij zag eene bende Bambata, die in 't dorp aankwam, en die ging slapen op de koer van 't dorp. Hij ook, daar sliep hij.

Maar in den nacht, toen de Bambata aan 't slapen waren, hij, hij stond op; hij sneed den gelubden beer van 't opperhoofd van 't dorp in stukken.

't Opperhoofd wilde er feest eener begrafenisse mede houden.

Hij, Moni Mambu, ging terug naar de Bambata; sneed 't vleesch in stukjes en legde het in de zakken van de Bambata.

Hij maakte ze wakker; zij stonden op. Hij zegde hun: De gelubde beer van 't opperhoofd van 't dorp is verloren; gij, hebt gij hem gestolen?

De Bambata: Wij toch niet; aan 't slapen waren wij.

Hij, dus: Schudt uwe zakken uit.

Toen zij hunne zakken uitschudden, kwam het vleesch te voorschijn.

Moni Mambu antwoordde: Hoort ge, gij niet; gij hebt 't vleesch niet gestolen!

De Bambata hadden veel verdriet, omdat die zaken op hunnen hals gevallen waren.

Moni Mambu ging 't opperhoofd van 't dorp verwittigen, alzoo: Wij nemen al 't geld van de Bambata af, omdat zij uw verken gestolen hebben.

Zij namen al 't geld van de Bambata af, en deze stonden daar nutteloos te weenen; zij trokken terug naar hun dorp, maar zonder geld.

Moni Mambu ging 't geld met 't opperhoofd van 't dorp verdeelen, toen hij zegde: Ik, ik heb de dieven gevonden; kom buiten met uw geld, wij verdeelen.

Zij verdeelden, en Moni Mambu trok op.

Waar hij ging, kwam hij weer een andere bende Bambata tegen, die kwamen ivoor koopen. Moni Mambu ging zitten bij 't vuur van de Bambata, hij groette ze; zij vertelden en vertelden, zij sliepen.

Toen zij aan 't slapen waren, ging Moni Mambu 't lijk van een opperhoofd, die gestorven was, halen; legde het neer in 't midden van de Bambata.

De zon ging opstaan; Moni Mambu stond ook op en zegde: Staat op; een andermans lijk, dat van den ouden man [162] is verloren. Waar is het heengegaan?

De Bambata stonden op; zij weigerden, alzoo: Wij, wij toch niet!

Maar onder een biezenmat, zagen zij slaaplakens, die uitkwamen.

Moni Mambu zegde zoo: Maak dien man daar wakker, en vraagt het hem.

Zij maakten hem wakker en zij zagen: 't Was het lijk.

Zij stonden verwonderd en verwonderd. De Bambata zegden tot Moni Mambu: Wij zullen u een schoon geschenk geven.

Hij, alzoo: 't Is wel, ouden, geeft maar, ik zal 't zwijgen.

Zij gaven drie duizend mitakos.

Maar toen hij zijn geld had ontvangen, ging hij het wegsteken; hij kwam terug, ging 't nieuws vertellen aan 't opperhoofd van 't dorp, alzoo: Luister, 't lijk, dat gij aan 't zoeken zijt, de Bambata hebben het gestolen.

't Opperhoofd van 't dorp, alzoo: Wij binden al de Bambata vast.

Hij bond ze vast, stal al hun geld. Dan liet hij de Bambata los, die zonder een duit optrokken naar hun dorp.

Moni Mambu ging 't geld met het opperhoofd van 't dorp verdeelen; daarna ging hij zijn geld halen, dat hij weggestoken had.

Hij ging naar een ander dorp. Hij ontwaarde het lijk van een mensch, dien men gedood had, omdat de toovenaar hem als een slechte geest aangewezen had. Zijn lijk had men in 't hooge gras geworpen. Moni Mambu sneed er een been van af. Toen hij het laten drogen had, raapte hij het op en ging op weg. Hij kwam aan een land waar een vrouw aan 't hakken was; zij had haren draagkorf in de schaduwe van een boom gelegd. Moni Mambu, toen hij kwam, boog zich achter den korf en wierp er 't been in. Dan kwam hij tot bij de vrouw en hij vroeg: He, mama vrouw, geef mij water.

Mama, de vrouw, alzoo: Ga en drink, de kruik ligt in mijnen draagkorf.

Moni Mambu antwoordde, alzoo: Den draagkorf, ik bezit hem niet, mijn moeder. Mag ik er mijn arm insteken?

Zij, alzoo: Ga maar gerust, vader.

Hij ging naar den draagkorf. Hij wilde de kruik uit den korf nemen, hij zag 't been; hij riep de vrouw, alzoo: He, moeder!

De vrouw antwoordde: Hier ben ik, vader.

Zij kwam.

Moni Mambu zegde tot de vrouw, alzoo: Hoort ge, gij zijt geen heks! Maar, dit menschenbeen, waar hebt gij dat gehaald?

Zij, de vrouw, weigerde: Ik heb er geen been ingelegd, vader! Ik, de anderen betooveren mij.

Moni Mambu nam de vrouw bij den arm, alzoo: Vooruit naar 't dorp bij de ouden, wij gaan de zaak regelen.

Zij gingen naar 't dorp bij de ouden. Zij regelden de zaak. Moni Mambu, daar hij een deugniet was, begon eerst de zaak te regelen met de ouden, alzoo: Deze vrouw is een heks. Ziet! (En hij toonde 't been). Een lijk heeft zij opgeëten.

De vrouw wilde spreken, maar de ouden berispten haar, alzoo: Het teeken is hier, hoe kunt gij u verdedigen?

Zij doodden de vrouw, zij wierpen haar in 't gras. 't Been ook wierpen zij weg.

Moni Mambu ging 't been weer zoeken in 't hooge gras. En hij vertrok. Hij kwam weer een vrouw tegen, die haar land aan 't hakken was om er maniok te planten. Toen hij zich wilde verbergen, en bij den korf kwam, om er 't been in te werpen, maar de vrouw zag het: He, man, wat doet gij daar aan mijn korf?

Zij kwam toegeloopen en pakte hem vast, alzoo: Gisteren hebt gij een onschuldige vrouw doen vermoorden, en nu zoudt gij mij ook willen vermoorden!

Zij riep de mannen, die in 't dorp gebleven waren. Zij kwamen. Zij bonden Moni Mambu vast, en zij leidden hem tot in 't dorp. Zij kapten een hoogen staak af, maakten een kooi, en zij deden er Moni Mambu in vast. Zij gingen tot aan een kruisweg; plantten den staak in den grond, plaatsten de kooi boven op den staak, en daar boven was Moni Mambu aan 't weenen: He, broeders, doet mij er af, ik zal zoo niet meer handelen.

Maar zij spotten met hem, alzoo: Gij, een ontaarde zoon van uw moeder! Vandaag hebt gij immers wat gij gezocht hebt.

Moni Mambu zag een bende Bambata afkomen; hij hield zich stil en vroeg aan de Bambata: He, gij, Bambata, wilt gij den hoed niet opzetten [163]?

Zij, de Bambata, alzoo: Wij willen den hoed niet opzetten.

Zij gingen weg. Maar hij zag een andere bende, die volgde. Daar was 't opperhoofd der Bambata bij. Hij vroeg hem: He, oude mensch, kom, kom waar ik ben.

Hij weigerde niet, hij kwam tot bij den staak; hij vroeg: Wel, wat zegt gij?

Moni Mambu zegde hem, alzoo: Wilt gij den hoed opzetten, die met veel geld is?

Hij, alzoo: Hoe zet men hem op?

Moni Mambu, alzoo; Kom, klim op den staak.

En hij klom.

Doe de slingerplanten los.

Hij deed ze los. Moni Mambu kroop er uit. Nu, gij, kruip er in!

't Opperhoofd der Bambata kroop er in. Moni Mambu sloot de opening van de kooi, en daalde naar beneden. Hij ging. 't Opperhoofd was daar boven gevangen.

Maar Moni Mambu, toen hij aan een land aankwam, waar een vrouw haar aardnoten aan 't oogsten was, alzoo: Geef mij water, mama, goede vrouw.

De vrouw, alzoo: Hier, ik heb er geen, vader. Neem daar aardnoten, brand ze eerst. Eet ze met mijn kind.

Moni Mambu brandde het kind, at aardnoten op en 't kind. De moeder wist het niet; zij was aardnoten aan 't oogsten.

Hij, alzoo: Wel, geef mij nu water. Ik heb aardnoten geëten met uw kind.

De vrouw kwam, alzoo: Geef 't kind, dat ik het wassche.

Moni Mambu antwoordde, alzoo: Hebt gij niet bevolen, alzoo: Brand aardnoten, eet ze met ons kind. Het kind heb ik opgeëten met aardnoten. Waarom vraagt gij het nu mij?

De moeder aan 't weenen en weenen; zij ging hare hak halen, om er Moni Mambu mee dood te slaan. Zij kwam met hare hak, waar Moni Mambu was. Maar Moni Mambu sprak, alzoo: Vooruit, naar 't dorp bij de ouden, wij gaan de zaak regelen.

Zij gingen naar 't dorp. Zij regelden de zaak. Moni Mambu had gelijk; zij betaalden een slaaf aan Moni Mambu. Hij nam zijn slaaf, en hij ging. Toen zij op den weg kwamen, zag Moni Mambu op een palmboom een palmnotenrist hangen; hij klom erop; hij was aan 't snijden; zijn slaaf bleef onder den boom staan; hij sneed den palmnotenrist af, en deze viel den man op den kop. Hij stierf. Moni Mambu daalde beneden, zag naar zijn slaaf; hij was dood. Hij liet zijn palmnotenrist liggen, nam zijn slaaf op, en hij trok er mee op. Hij kwam aan een dorp, waar men aan 't dansen was, 't was feest. Hij trok een huis binnen, legde 't lijk neer onder een biezenmat. Hij kwam er uit.

De jongelingen kwamen 't huis binnen om te spelen op de biezenmat, waar 't lijk onder lag. Moni Mambu kwam toegeloopen en sprak: Loop weg uit 't huis, mijn slaaf ligt daar.

En hij kwam zien: Wo! Mijn slaaf hebben zij gedood.

Zij, alzoo: Wij hebben hem niet gedood.

Zij vereenigden de ouden van 't dorp, zij regelden de zaak. Moni Mambu had gelijk. Zij betaalden hem een slaaf. En hij ging weg.

Hij ging weer naar 't dorp, waar men hem een slaaf betaald had, die onder den palmnotenrist gestorven was. Daar danste men met trommelslag en handgeklap. Hij kwam 't dorp binnen. Hij ging tot bij de trommels. Toen zij hem zagen, alzoo: Wo! Gij, hier hebben wij u niet gebonden. Wie heeft u losgemaakt? Van waar zijt gij gekomen?

Moni Mambu antwoordde, alzoo: Uit 't water ben ik gekomen van uit 't dorp uwer ouden!

Zij vroegen hem: Waar zijn ze, man?

Hij, alzoo: Onder 't water zijn ze; 't is een groot dorp.

Maar hij bedroog ze alzoo.

Zij, alzoo: Vooruit, ga het ons toonen.

Moni Mambu, alzoo: Gaan, wij gaan. Maar vervaardigt eerst groote fuiken.

Zij vervaardigden de fuiken. Zij droegen ze tot bij het water.

Hij, alzoo: Kruipt er in, gij allen.

Zij kropen er in; hij maakte ze vast. Maar een vrouw weigerde, en zegde: Ik wacht, totdat zij bovenkomen.

Moni Mambu stoot deze fuiken vol menschen in 't water. Zij verdronken allen. Hij wilde deze vrouw vastpakken en in 't water werpen. Maar de vrouw was vol kracht en leven. De vrouw hield hem vast en riep zoo hard dat zij kon: He, la, la, la, la. He, mannen, spoedt u! Ik heb den slechten geest vast.

De mannen kwamen af, grepen Moni Mambu vast, en vermoordden hem.

Mbengo.

NA MAKUMBA [164]

Een echtgenoot had zijne kinderen gebaard; maar als hij ze baarde, ze waren niet zooals hij gewenscht had.

De vrouw, die hij getrouwd had, baarde hem een tweeling. Al de menschen, die deze kinderen zagen, waren verwonderd en verwonderd, omdat zij zulke groote navels hadden.

Hij, de echtgenoot, sprak dan, alzoo: Die heb ik niet gebaard!

En vol gramschap zegde hij tot zijn vrouw, alzoo: Wel! Ga deze kinderen wegwerpen, omdat zij niet schoon zijn.

Zijn vrouw, alzoo: Zij zijn nu geboren, en nu moet ik ze weer wegwerpen?

Maar de man luisterde niet en hij zegde, alzoo: Ga ze wegwerpen!

Toen de vrouw ze wegwierp, werden zij geworpen langs het maniokveld. En de regen viel, een stortregen; en als hij aankwam, dreef hij de kinderen naar 't water tot aan de rivier. En zij vielen op een zandbank en zij aten zand.

En zij groeiden en groeiden; zij begonnen te gaan: een jongen en een meisje. De jongen, die veel verstand had, alzoo: Laat ons opklimmen naar 't hooge gras.

En zij kwamen tot in 't hooge gras. Op zekeren dag, ging de jongen tot aan een maniokveld. Toen hij daar aankwam, zag hij maniok, dien men uitgetrokken had.

Hij, alzoo: Misschien eet men dat?

En hij proefde, en hij ging het dragen aan zijn zuster. En zij aten, alle twee.

Op een anderen dag, kwam hij terug en hij zag muizenstrikken, die men gespannen had. Maar, toen hij naderbij keek, zag hij muizen, die den maniok in 't midden hadden opgeëten. En hij kwam en hij zag een muis, die gestorven was. Hij haalde ze uit de muizenval, en hij kwam ze toonen aan zijne zuster.

Zij, de zuster, alzoo: Ia [165]! Gij, mijn broerken van een jongen, gij hebt veel verstand en gij weet den naam daarvan niet? Ik ben maar een meisje en ik heb geen verstand.

Hij, hij dacht, alzoo: 't Is niets, ik leg dat daar neer.

Op een anderen dag trok hij terug, en hij zag weer de muizenstrikken; hij ledigde ze, en hij ging terug bij zijne zuster.

's Morgens vroeg, toen zij wakker werden, ging hij weer, en veel muizen waren in de strikken gevangen.

Verwonderd en verwonderd zegde hij, alzoo: Ziet ge, die zaken, dezelfde lagen er gisteren; maar wij weten den naam niet. 't Is niets.

En hij ledigde de muizenstrikken, en hij ging tot op den grooten weg. En hij ging zich verbergen in 't hooge gras.

Toen zag hij menschen, die naar de markt gingen; maar hij kwam uit 't hooge gras niet uit; hij bleef wachten tot dat die bende menschen voorbij was.

Hij zag een mensch, die gansch alleen aankwam. Die mensch was bezig zijn kisansi [166] aan 't spelen, terwijl zijn lippen beefden; want een lied zong hij.

De jongen sprak, alzoo: Wat gij ziet, wat is het?

En hij toonde de muizen.

Maar die oude had het niet goed gehoord. En hij luisterde.

Toen sprak de kleine weer, alzoo: Wat ik zal geven, zie, wat het is?

Hij, de oude, hij ging tot bij den kleine. En hij bezag den kleine, die gansch naakt stond. Hij was geheel en al verwonderd, alzoo: Van waar zijt gij gekomen, gij?

Maar de kleine antwoordde, alzoo: Wij, wij zijn kinderen, die men weggeworpen heeft. Weggeworpen, zij hebben ons weggeworpen.

Hij, de oude, vroeg, alzoo: En waar verblijft gij?

De kleine, alzoo: Een is ginder gebleven; maar ik, ik ben gekomen om deze zaken te toonen, om te weten wat voor zaken dit zijn.

De oude zegde hem, alzoo: 't Zijn muizen, eten men eet ze.

Hij, de kleine, alzoo: Hoe eet men ze?

Hij, de oude, alzoo: Als gij vuur aansteekt, dan brandt gij ze, en daarna eet gij ze op met luku.

De kleine, alzoo: 't Vuur, hoe is het?

Hij, de oude: 't Vuur, ziehier.

En hij toonde hem: Als gij wrijft, alzoo: Tsi [167], steek het dan aan 't hout aan. En dan kunt gij muizen branden. Als de muizen gereed zijn, eet ze dan met luku.

De kleine, alzoo: Luku, wat is dat?

De oude, alzoo: Luku, ziehier.

En hij toonde hem luku, alzoo: Als gij de muizen brandt, als zij gereed zijn, eet ze dan met luku, dien gij in brokken breekt.

De kleine nam deze zaken aan en hij ging. De oude gaf hem ook een paan, en hij kleedde hem aan om de lenden van den kleine. En de kleine trok op, waar zijne zuster was.

Toen hij bij zijne zuster aankwam, was deze verwonderd en verwonderd, alzoo: Wat is dat, Yaya?

Hij, alzoo: Die zaken gegeven, zij hebben ze mij gegeven. Maar die zaken, die wij wegwierpen, men eet ze op. De naam dier zaken: muizen. Toen ik ze ging toonen, hij, die mij tegengekomen is, heeft mij alzoo gezegd: Die zaken eet men. Ik, ik vroeg, alzoo: Hoe eet men ze? En hij, hij toonde mij, hoe men ze at. Hij gaf mij ook deze andere zaken. En dien paan, dien ik aangekleed heb, en dien luku en dat vuur, dat heeft hij mij gegeven.

Aldus vertelde hij aan zijne zuster.

Maar die man heeft mij nog gezegd, alzoo: Als gij drie dagen zult slapen, dan den vierden dag kom hier op dezelfde plaats. Ik moet hem muizen brengen en hij zal ze verkoopen op de markt. Wat wij alle dagen hooren, waar de menschen spreken, dat is de naam daarvan. Al de menschen kleeden er een paan aan.

Zij, de zuster, alzoo: Hoe zijn die panen?

Hij, alzoo: Zij zijn, gelijk den paan, dien hij mij gegeven heeft.

De vier dagen, die hij gesteld had, verschenen en hij ging; hij bracht de muizen tot op de plaats, die men aangeduid had.

De uur van de markt verscheen en de menschen gingen voorbij en gingen voorbij. De oude volgde van achter.

En hij keek naar den kleine, alzoo: Ik ben gekomen, breng uwe muizen.

En hij bracht kleine muizen en groote, alzoo: Gij, gij kent ze. Hoor je, men eet ze; draag ze naar de markt om ze te verkoopen.

De oude nam ze aan, alzoo: Wacht mij hier, totdat wij terugkomen van de markt.

De kleine bleef daar zitten. De oude kwam terug en hij gaf hem de zaken, die hij gekocht had, alzoo: Dit is een mes; dit is een vrouwenpaan, geef hem aan uwe zuster, dat zij niet meer naakt blijve; dit is luku en peper en zout.

En hij ging.

De jongen kwam waar zijne zuster was. Zij, toen zij die zaken zag, was verwonderd en verwonderd, alzoo: Al deze zaken, 't zijn dezelfde, waarvan gij mij over eenigen tijd gesproken hebt.

En zoo was het alle dagen. Hij, de kleine, ging muizen dragen, en de oude ging ze verkoopen.

De oude kocht hem een slaaf, en hij zegde, alzoo: Gij, ga en leer hem alles.

De kleine nam den slaaf aan en zij gingen te zamen.

Zij veranderden van plaats en gingen zich vestigen op den berg.

Die slaaf sprak, alzoo: He, vader, als wij hier blijven, bouwen wij dan geen huis?

Hij, alzoo: Ia! Dat huis, hoe is dat? Bouw maar, gij kent een huis.

Hij, de slaaf, alzoo: Gij, vermits gij zegt, alzoo: Een huis, hoe is het, kent gij het huis niet, waarin men slaapt?

Hij, alzoo: Neen, ik ken geen huis. Maar bouw er een.

De slaaf, alzoo: 't Is goed, ik zal er een bouwen.

En hij maakte eene plaats schoon, en hij zette een klein hutteken recht, alzoo: Ziet ge, gij vraagt het huis, hoe het is, gij weet het niet. Nu ziet gij het!

Die slaaf leerde hem alle werken, en de kleine kreeg verstand. Hij schoot veel wild, en de slaaf verkocht alles op de markt met den oude, zijn vriend. 't Geld kwam er bijeen gestroomd. Hij kocht weer twee andere slaven, een jongen en een meisje. En alzoo, na eenigen tijd, was het een groot dorp geworden. En men baarde kinderen, en 't dorp werd groot en groot. Geiten en verkens waren er in overvloed; men kon ze niet tellen.

En de slaven zegden, alzoo: He, vader, zoudt gij niet gaarne willen, dat wij onze trommel kochten?

Hij, de vader, alzoo: 't Is goed, koopt maar. Indien gij geen trommel koopt, is dit geen dorp?

Zij, de slaven, alzoo: In een groot dorp moeten de trommels weergalmen.

En zij kochten eene trommel. Maar toen zij een kochten, alzoo: Wij zullen beproeven of zij een goede stem heeft?

En zij trommelden, alzoo: De deze, zij is heel schoon.

Zij namen de trommel en zij legden ze in de hut.

Eenige dagen waren vervlogen, alzoo: Wij zullen beproeven of zij goed droog is.

De avond was gevallen en de maan verlichtte den hemel. Mannen en vrouwen hadden geëten, en men begon te roepen, alzoo: Komt af, wij dansen.

Allen kwamen af, men begon in de handen te slaan, men hief een lied aan, en men danste en danste.

Maar de menschen, die in den omtrek waren, hoorden de trommel weergalmen en zij waren verwonderd en verwonderd, alzoo: Die trommel, waar weergalmt zij? Wat! Hier in 't omliggende, wij kennen er geen dorp.

En zij dachten en dachten. Maar toen zij die trommel hoorden, die aan 't weergalmen was, bleef toch het dorp onzichtbaar, en men hoorde er menschen spreken.

Hunne harten branden zij brandden. En zij gingen langs de zijwegen en zij luisterden naar de plaats, waar men aan 't spreken was, en zij konden het niet vinden.

Maar er was een oude, een goede jager, die zegde: Morgen, ware het nacht en nacht, daar, waar die trommel aan 't spreken en weergalmen is, zal ik aankomen, daar ga ik jagen.

En men sliep.

Maar die oude, 's morgens vroeg, toen hij de hanen hoorde kraaien, nam zijn geweer en zijn zaksken, hing ze aan de schouders en hij vertrok.

En hij ging langs den grooten weg. En hij ging en ging.

Hij luisterde. 't Was langs daar niet. Hij, alzoo: 't Is langs hier, daar heb ik de trommel hooren weergalmen.