Uit den Kunstschat der Bakongos
Part 8
De doodenkamer weergalmde wel twee maanden van 't weenen en 't dansen en 't zingen: 't was de doodendans van Zwina.
Daarna was alles uiteengegaan. Maar haar vader wraak aan 't uitdenken, alzoo: De Bambata, als zij hier komen om 't doodsbericht te brengen [137], allen snijd ik ze dood, niet één uitgezonderd; geen man trekt terug.
Op den dag van heden was vader naar 't hooge gras gegaan. De moeder ging niet uit, den weduwestaat van haar kind had zij begonnen [138]. Een jongsken, 't kleinste, bleef thuis bij zijne moeder. Tegen den avond was het gaan wandelen, waar de meloenen stonden, alzoo: Ik ga naar de meloenen van mijne ouderen zien.
Toen hij ging, de stengel van de meloen van Zwina, die gestorven was, toen hij zag, de stengel herleefde. Toen hij hem raakte, een nieuwe scheut kwam uit op den stengel van de meloen, die gestorven was: Wacht, zegde hij, ik zal dat gaan zeggen aan Mama.
Toen hij hard liep, toen hij kwam, zegde hij: He, Mama, laat ons gaan en zien; de stengel van de meloen van Zwina is verrezen, is groen geworden.
De moeder, alzoo: He, gij, loop weg, hebben de toovenaars u geslagen [139], dat gij uw oudste zuster, die doodgegaan is, komt vervolgen?... Waarlijk, 't is zijne jonkheid, die hem dus doet spreken.
En hij, alzoo: Mama, 't is mijne jonkheid niet. Laat ons gaan en zien, de paddestoelen staan open [140], Mama; 't is geen leugen, 't is waarheid.
Maar de moeder: 't Is maar een klein kind, hij verstaat noch goed, noch kwaad.
Omdat haar hart dat herinnerde, kwam er droefheid in en zij weende en weende.
Eindelijk was vader gekomen. Hij, 't kind, toen hij vader zag, hij ging loopen daar waar zijn vader was, alzoo: He, vader, de stengel van de meloen van Zwina, die gestorven was, toen ik ging zien, hij stond recht, daar was een scheut uitgegroeid. Maar ik ging dat aan Mama zeggen, alzoo: Laat ons gaan, kom zien, Mama. En Mama, zij joeg mij weg, zij verwenschte mij. Nu is zij in huis, aan 't weenen weent zij.
De vader, alzoo: Welaan, ik ga zien.
Toen zij gingen, zag de vader, dat de stengel herleefde en een scheut was er geschoten op den stengel van de meloen van Zwina.
Dan riep hij zijne vrouw, alzoo: Wel, gij, dit kind, waarom verwenscht gij het, om welke reden?
Zij dus, alzoo: Omdat het oude zaken, die al lang en lang in 't hart vergeten zijn, weer ophaalt.
En hij, alzoo: Maar de stengel van de meloen van Zwina heeft een scheut geschoten. Ik heb hem gezien.
Zij, de vrouw, sprak: Ik ook, ik ga zien.
Toen zij kwamen, de scheut die kwam te voorschijn.
Alle beiden, vrouw en man, stonden verwonderd en verwonderd: Dit, wat is deze zaak? Wel, wat is 't? Ons kind is al lang gestorven, deze 't zijn nu vijf maanden al vervlogen. Wel, die stengel herleeft weer. Wij zullen zien dezer dagen.
En zij waren, zij waren, zij waren. Zwina in Mbata, al hare krachten waren teruggekomen. De stengel van de meloen had drie bladeren.
De vrouw sprak dus: Wel, gij, mijn man, gaat gij niet langs die wegen om te zien, gaat gij deze zaak niet klaar maken, hoe zij is? Misschien, ons kind verrijzen is verrezen.
De man sprak: Dezer dagen zal ik zien, verzamel eten. Dan zal ik gaan, ik zal eens gaan zien langs die wegen.
En de tijd verdween en verdween en verdween.
Op zekeren dag, omtrent den noen, had de moeder haar huis uitgekeerd. Zij legde de vuiligheid op een oud mandeken en zij riep haar kleinste kind, alzoo: Kom, neem dit veegsel, en werp het in den vuilput.
Het kind, toen hij 't veegsel was komen halen, toen hij ging naar den vuilput, toen hij 't wegwierp, hij zag rond in den weg: en zijne zusters Zwina en Nkenge zag hij. Hij wierp 't oud versleten mandeken weg, en kwam geloopen naar 't huis van zijne moeder, alzoo: He Mama, Zwina en Nkenge, uwe kinderen, daar komen zij aan.
De moeder, dus: He gij, de slechte geesten hebben u betooverd, loop weg. Ik sla u dood. De goeden zijn doodgegaan en voor altijd. Heden, gij, een wangedrocht van een jongen. Wel, gij, kunt gij onzen familiestam doen herleven [141]?
Het kind, toen hij dit hoorde, zijn hart was geprangd, omdat hij waarlijk zijne zusters gezien had. Hij ging in allerhaast terug, daar waar hij zijne zusters gezien had. Zijne zusters, toen zij hem zagen, droegen hem, hij zat op hare heupen. Zij kwamen zoo 't dorp binnen.
De moeder, alzoo: He gij, die betooverd zijt door de slechte geesten, waar zijt gij geloopen, waar?
Toen zij buitenging, alzoo: Ik ga zien waar hij henen is.
En zij, zij zag in de ronde; 't kind was op de heupen van Zwina en Nkenge gezeten. De moeder ook ging loopen in allerhaast: Gij, mijn kind, waarlijk, gij hebt niet gelogen.
Terwijl zij liep, zij de moeder ook, zij kwamen te zamen dicht bij hun huis, zij kwamen allen tot op de koer. De moeder zette ze op haren schoot, een op een knie, een op een knie: He, moeder, mijne kinderen, die ik beweende en voor wie ik slordige kleeren droeg [142], zijn vandaag verschenen.
Toen riep zij haren man, die aan 't uiteinde van het gehucht was.
De man sprak dus: Ik zal gaan.
Toen hij kwam, toen hij aankwam op 't einde van 't dorp, zag hij op den schoot van zijne vrouw, twee maagden, die zich bijeen naderden op haren schoot. Dan bij het naderzien: Deze kinderen, van waar zijn zij gekomen?
Toen hij de oogen wijd opende, toen hij keek en keek, dan waren het zijne kinderen, alle twee. En hij liep in allerhaast met al de vreugde, die hij in zijn hart had, en hij kwam: He, moeder, mijne kinderen, moeder! Wat! Zij zijn teruggekomen!
Hij ging in zijn huis, deed twee groote kassen poeder te voorschijn komen: He, mijne neven, komt af met uwe geweren. Komt schieten, uwe vrouwen zijn gekomen [143].
De neven vroegen aldus: Welke vrouwen die gekomen zijn?
De oom zegde, alzoo: He, vooruit, mannen, komt gij?
De neven kwamen afgeloopen. Dan kwamen zij daar Zwina en Nkenge tegen. Toen schoten zij vuur. En 't vuur daverde en daverde.
't Einde van 't dorp, toen zij 't vuur hoorden, dat sprak, alzoo: Welaan, wij ook, wij gaan zien 't vuur, waarom men 't vuur schiet op 't einde van 't dorp.
Toen zij kwamen, vonden zij de twee, Zwina en Nkenge. 't Nieuws verspreidde zich door gansch het dorp.
Heel het dorp en vuur schieten en schieten en schieten. De avond viel. Hun vader sprak: Gaat, 't is genoeg, gaat het zeggen. Dat eenieder kome, en laat ons de kinderen vragen, waarmee zij gekomen zijn.
Toen allen vergaderd waren op het plein van hunnen vader, alzoo: Gij, Nkenge, gij, vertel wat gij ginder gezien hebt.
Nkenge, toen zij alles uitgelegd had, wat zij gezien had, van 't sterven harer zuster, enz. enz., hun vader sprak, alzoo: 't Is niets, wel dat gij u gered hebt, komt dichter bij.
Toen deden zij de trommels komen. En de trommels weergalmden en weergalmden. Zij dansten de glorie hunner kinderen, en zij dansten en dansten en dansten eene heele maand.
Toen deed de vader 't feest uiteengaan, alzoo: Wij zullen dien jongeling afwachten, of hij zal komen?
En de tijd verdween en verdween.
De echtgenoot, waar hij bleef, kwam met zijn jongsten broer overeen, alzoo: Hoe zouden wij aan de ouden vertellen?
Hij, de jongere broer, aldus: Gij, mijn oudste, wij zeggen, alzoo: 't Is nu al een beetje tijd, dat hier anderman's kind gestorven is, wel, laat ons de doodmare gaan dragen naar den familiestam. De leden van de familie, dat zij ons de doode komen begraven.
Zoo zullen wij aan de ouden zeggen. Wij zeggen niet, alzoo: Zwina, die gestorven was, is verrezen; noch, dat zij in 't huis was, dat wij haar verzorgden, dat zij weer was gelijk vroeger; noch dat ze is gaan vluchten. Zoo wij dit alzoo moesten vertellen aan de ouden, de ouden zouden ons berispen, en zoo zouden zij naar den familiestam niet willen gaan om de doodmare te dragen. Maar wij zullen slechts zeggen, de doodmare in de familie te dragen.
De avond was gevallen. De echtgenoot had palmwijn gekocht, kiekens geslacht, deed al de ouden komen. De ouden kwamen af en waren vergaderd bij zijne hut. Hij sprak dus: Ouden, die maniokbrooden eet gij, die kruiken drinkt gij, dan luistert naar hetgeen is in mijnen mond, dat ik spreke.
De ouden aten de maniokbrooden, dronken de kruiken, dan spraken zij, alzoo: Wat zaak is er met u? Wel, zeg het, wij luisteren.
Hij dan, alzoo: Gij, ouden, ziehier waarom ik u uitgenoodigd heb. 't Is al eenigen tijd dat mijne vrouw gestorven is, de vogel is aan 't rotten [144]. Wel, gij ouden, ziehier waarom ik u uitgenoodigd heb, laat ons gaan naar den familiestam van Zwina, wij regelen de zaak en wij dragen de doodmare. Al wat er ginder is, regelen wij.
De ouden zegden: Maar, jongen, gaan en gaan, 't is wel; maar een ding moeten wij inzien, ginder is het mes gescherpt [145]. Indien er iets moest voorvallen?
De echtgenoot, alzoo: Er is niets, geene zaak te vreezen, alleenlijk dat 't nieuws nog tot ginder niet toegekomen is: dit dat Zwina dood is.
De ouden antwoordden zoo: 't Is wel, wij zullen eten gereed maken. Toekomenden Nkandu, den dezen niet, maar den volgenden Nkandu, dan staan wij 's morgens vroeg op en wij vertrekken.
De Nkandu, die gesteld was, was aangebroken. Zij bonden heele dragerskorven eten vast, zij kwamen te zamen, wel twee honderd, en geweren en geweren en geweren, en potten poeder en potten poeder. Zij trokken op met cimbalen en klokjes en trommels. Zij gingen en gingen. Zij sliepen; de dag was aangebroken. Toen zij weer gingen en gingen en gingen, sliepen zij. Zij sliepen wel acht slapen op weg, den negensten kwamen zij aan. Degene, die de belletjes en klokjes konden spelen, begonnen: Ku nge, nge, nge, nge, nge. Ku nge, nge, nge, nge, nge... [146].
In 't dorp van Zwina, zegde men: A! Die de klokjes spelen, wie zijn 't? Ziet den hond daaronder [147].
Allen kwamen aangeloopen, zij kwamen zich vereenigen op de dorpsplaats, en de mare verspreidde zich: 't Is de echtgenoot van Zwina. Maar zwijgen, zwijgen, zwijgen, wij zullen hooren, wat hij komt zeggen.
De vader leerde Zwina en Nkenge, alzoo: Gij, komt niet buiten op den weg, blijft in huis, ik heb al de ouden van 't dorp doen vergaderen, alzoo: Komt; de schoonzoon die lang vergeten is, is in 't dorp gekomen; wij hooren wat nieuws hij komt brengen.
De Bambata kwamen ook af op het plein van den vader van Zwina. Zij vereenigden zich met hunne geweren. De ouden van 't dorp waren ook vereenigd.
Toen zij allen gezeten waren, sprak de echtgenoot, aldus: De voeten rusten, de mond, hij rust niet [148]. Ik, ik ben hierom gekomen: Ndona Zwina is gestorven, maar de doodmare komen wij brengen. Staat op, laat ons de doode begraven [149].
De vader van 't kind, aldus: He, ouden, hebt gij het gehoord?
De ouden zegden: Welaan!
Zij stonden op, zij gingen zich vereenigen op het plein van 't opperhoofd. De vader van Zwina sprak, aldus: Gij, ouden, de toovenaars hebben 't lijk opgeëten [150], en nu zouden zij nog hier komen liegen, wij dus, wij zouden ze loslaten?
De jongsten onder hen antwoordden: Neen, vandaag, zijn zij allen dood.
't Opperhoofd van 't dorp sprak, alzoo: Wel, gij, onderdanen, als wij teruggaan bij hen, hoe zullen wij doen?
De vader van Zwina, alzoo: Als wij gaan met u, grijsaard [151], wij, wij regelen niets. Maar ik, als ik Zwina en Nkenge zal doen te voorschijn komen, als zij op de plaats zullen komen, waar wij en de Bambata vereenigd zijn, zij zullen alles vertellen. Wanneer zij zullen verteld hebben, wanneer zij gedaan hebben, op die plaats neem ik mijn kind terug. Wie mijn kind durft aanraken, doodt ze maar, allen. De toovenaars zijn afgekomen, zij komen 't zelf zeggen. En wij zouden ze loslaten?
Zij allen spraken: O neen! Wij vermoorden. Dus vooruit naar de plaats. Gij, ouden, als wij gaan, gij, vereenigt u te zamen dicht bij hen op de plaats. Wij, de jongelingen, wij allen om de Bambata, wij omringen ze.
Zij kwamen op de plaats. Zij waren allen gezeten. De vader van Zwina deed Zwina en Nkenge buiten komen. 't Was een donderslag in 't midden van de Bambata. Toen zij Zwina en Nkenge zagen, stonden zij allen recht op de plaats, allen verbaasd en verbaasd en verbaasd, alzoo: Wat is dat? Zwina is dood in 't dorp. En nu, Zwina is hier met Nkenge; dat, dat in 't dorp gebleven is, is maar een schijn. 't Zijn hier heksen [152].
De jongelingen, toen zij dat hoorden, schoten vol gramschap: Wie beschuldigt ons hier van heksen?
En zij vielen op de Bambata, en zij schoten ze dood. Slechts tien man konden er vluchten. Zij gingen 't nieuws dragen in hun dorp, alzoo: 't Dorp, waar wij uitkomen, is een dorp van heksen. Zwina, weet ge, is verrezen. In 't huis had men haar verborgen. Zij is juist gelijk zij was. Die toovenaars hadden zich onder malkander geregeld, 't nieuws zegden zij niet. Zwina hebben ze dan getoond en wij waren verbaasd en verbaasd en verbaasd. Zij zijn op ons gevallen, en zij hebben ons allen vermoord. Wij, wij zijn ontsnapt uit een land van toovenaars.
Hun dorp stierf uit. Al de ouden had men vermoord.
Maar de eenigen, die overgebleven waren, zegden, alzoo: Zij, de mannen van die streek, waar men onze ouden heeft vermoord, als zij hier den voet zetten, dood zijn ze, niet levend.
Mbengo.
DE GEBROKEN POEDERDOOS
Zij, zij werden geboren, alle drie te zamen; Kinimbu, Kisinsu: twee meisjes, en Kubantu: een jongen.
Op zekeren dag zegde hun vader tot Kubantu: Kubantu, moest er een twist ontstaan, mijn poederdoos [153] neem ze, en vlucht er mee.
Op een anderen dag, ging hun vader van den anderen kant der rivier; hij ging koophandel drijven.
En hij ging, en zij bleven bij hun moeder.
Hun moeder, op een morgend, toen de zon was opgestaan, zegde, alzoo: Ik ga naar 't hooge gras; gij, blijft hier, mijne kinderen, en stampt luku. Ik zal ginder eten. Gij, eet hier.
Waar zij bleven, nam Kinimbu maniokmeel en stampte het. Kisinsu nam meloenzaad, en bereidde het.
En zij aten alle drie. Toen zij geëten hadden, alzoo: He, Kinimbu, laat ons naar de rivier gaan, wij visschen er.
Kubantu, alzoo: Ik neem de poederdoos van vader mee.
Kinimbu, alzoo: Wat! Gij, de poederdoos van vader, de Bangala [154] zullen ze afnemen. Gij, als gij die poederdoos meedraagt, indien zij gebroken is, zij is weg voor altijd; en vader, als hij terugkomt, zal ons straffen en ons verkoopen.
Kubantu zag er niet naar om; hij droeg de poederdoos mede. En zij gingen naar de rivier. Kisinsu, de oudste, ging voorop om te visschen. En zij gingen en gingen, alzoo: Kubantu, opgepast hier, dien steen in 't water.
Kubantu, toen hij aankwam, de steen was glibberig en glibberig.
Voorzeker breekt de poederdoos van vader hier. Ziet ge wel, gij, wij hebben het u gezegd, laat de poederdoos van vader thuis; maar gij, gij wildet niet.
En Kubantu ging over den glibberigen steen en hij viel. De poederdoos ook viel in stukken.
't Water werd zwart en zwart. Hij, alzoo: A, he, moeder, de poederdoos van vader?
Zij, alzoo: Wat is er, jongen?
Hij, alzoo: De poederdoos van vader is in stukken.
Zij: He, gij, wij hebben het u gezegd, alzoo: Laat de poederdoos thuis; gij, gij wildet niet. Maar, waar wij gaan, zeg het gebeurde aan mama niet. Hoe zullen wij doen? Laat mama afkomen; wanneer wij geëten hebben, dan zullen wij alles vertellen.
Hij, alzoo: Als gij het zoo zult zeggen, zal mama ons slaan.
En zij kwamen terug in hun dorp. En zij maakten de visschen gereed, alzoo: Hang ze daar aan 't vlechtsel. Als moeder komt, zullen wij 't gebeurde vertellen.
En zij bleven wachten en wachten, vol angst en tranen.
Hun moeder kwam terug, alzoo: He, Kisinsu, geef mij water, mama; 't is stikkend heet, en ik heb grooten dorst.
En zij dronk water, en zij namen maniok, alzoo: Neem luku, mama!
Zij, de moeder, alzoo: De kruiderijen, wat zijn 't?
Zij, alzoo: Vischjes!
En zij nam ze aan, en zij begon te eten.
Kisinsu, alzoo: He, mama!
Zij, alzoo: Wat is er, mijn kind!
Kisinsu, alzoo: Neen, moeder; wees gerust, mama, er is niets.
Zij, de moeder, alzoo: Zeg het mij; uw moeder, haar bloed bruischen het bruischt slechts.
Een onder hen, alzoo: Eet maar, mama, er is niets.
En de moeder at en at, 't was gedaan.
Kisinsu, alzoo: He, mama, de poederdoos van vader, Kubantu heeft ze in de rivier gebroken.
Zij, de moeder, alzoo: He, mijn beste, de poederdoos van vader! Wat, gij hebt de poederdoos van vader gebroken; wacht, morgen ga ik u verbergen!
Wanneer het klaar geworden was, stampte moeder luku, nam vier kiekens, gaf ze aan Kubantu. Hij doodde ze en men maakte ze gereed.
Zij, de moeder, alzoo: Vooruit, ik ga u verbergen. Uw vader, als hij komt, zal u aldus niet verkoopen.
En zij gingen in het uitgestrekte woud, en zij gingen binnen en binnen in 't woud; zij vonden een hol in een nsengaboom [155]. En de moeder keerde 't hol uit, alzoo: Ga hier binnen.
En zij gingen binnen, alle drie.
Ik, die u hier geplaatst heb, als ik kom met maniokbrooden en ik zing: He, Kubantu, aan de bron van den nsengaboom! Als gij dat hoort, dat lied, komt er dan uit, want dan is uw moeder gekomen met eten.
En zij, de moeder, zij trok terug naar 't dorp. Zij, de kinderen, zij bleven in 't hol van den nsengaboom.
De moeder, 's morgens toen de zon was opgestaan, vatte vier kiekens, gaf ze aan de kleine slaven, alzoo: He, mijn kleine slaven, ziehier, neemt deze kiekens en doodt ze mij.
Zij, alzoo: Geef ze, moeder, wij zullen ze u dooden.
En zij doodden de kiekens. Moeder bereidde ze, stampte luku, nam hare hak, droeg haren korf luku op den kop, en ging, waar zij hare kinderen gelaten had.
Toen zij aankwam, waar haar kinderen waren, dicht bij 't hol van den nsengaboom, hief zij 't lied aan: He, Kubantu, aan de bron van den nsengaboom!
En zij zong en zong haar lied, tot zij aan den boom kwam, en zij riep: He, Kinimbu!
Kinimbu, alzoo: Hier ben ik!
He, Kisinsu!
Kisinsu, alzoo: Hier ben ik!
He, Kubantu!
Kubantu, alzoo: Hier ben ik!
Zij, de moeder, alzoo: Wel, komt, komt buiten.
Zij kwamen er uit, alle drie. Zij nam de kiekens en de luku uit haar mandeken, en gaf alles aan haar kinderen, alzoo: Als gij luku eet, en gij mijne stem hoort, die heel fijn is, komt dan uit 't hol. Maar indien het een grove stem is, komt er niet uit.
En zij trok terug naar haar dorp; op haar gelaat was droefheid, maar in haar hart toch vreugde, omdat zij hare kinderen nog bezat.
Op zekeren dag, toen de zon was opgestaan, sprak een visschenvanger, alzoo: Ik zal gaan, ik ga mijn fuiken spannen. En hij was rivieropwaarts gegaan, en hij kwam nu af, rivierafwaarts. En hij ging en ging, en hij hoorde waar hij ging, iemand die een lied kwam zingen, alzoo: He, Kubantu, aan de bron van den nsengaboom!
Haar kinderen, hunne namen was zij aan 't opzeggen.
Hij, alzoo: Wat, die vrouw, wat zegt zij? Zij komt hier in haar eigen zoo spreken.
En de vrouw wist niet, dat men haar afluisterde.
Hij, hij hoorde, dat zij aankwam, en zij kwam tot aan de opening van den nsengaboom, alzoo: He, Kinimbu?
En iemand antwoordde: Hier ben ik!
He, Kisinsu?
Hier ben ik!
He, Kubantu?
Hier ben ik!
En zij kwamen er uit, alle drie. De moeder, alzoo: Neemt uw luku aan. Maar gij, spreekt niet te hard. Als gij hoort dat ik kom 't lied zingen, mijn stem, onthoudt ze wel. En nu welaan, gaat terug!
Zij gingen terug in hunne schuilplaats. De moeder vertrok ook.
De visschenvanger klom ook op naar 't dorp, alzoo: Die vrouw, wat! Zij is daar haar kinderen gaan verbergen.
Dien dag ook, hij, de echtgenoot, was teruggekomen van den koophandel. Hij kwam tot aan zijn huis, en toen hij binnenging, zijn vrouw was er niet, noch zijn kinderen.
In 't dorp waren er twee menschen naar 't hooge gras gegaan. Hij hoorden op den hoek van 't dorp, iemand die kemp aan 't rooken was. Hij zegde, zoo: Wacht, ik ga mijn kemp rooken.
En hij ging tot aan 't huis van den visschenvanger.
De visschenvanger, alzoo: Ik groet u!
Hij antwoordde: Ja, opperhoofd!
De visschenvanger, alzoo: Waar gij geweest zijt, waar is 't?
Hij, alzoo: Langs den anderen kant van de rivier ben ik geweest, broeder. Maar toen ik hoorde, dat gij kemp aan 't rooken waart, ik zegde zoo in mijn eigen: Ik zal gaan, hij zal mij kemp geven en ik rook ook.
De visschenvanger stak de pijp kemp aan, en zij vielen aan 't rooken.
Hij, alzoo: Mijn vrouw, waar is zij gegaan?
De visschenvanger, alzoo: Ik, dezen morgend vroeg, ben ik hier opgestaan, ik ben ze niet tegengekomen.
Toen hij dat gezegd had, vielen zij weer hun kemp aan 't rooken.
De visschenvanger vervolgde: Langs den anderen kant der rivier zijt gij geweest, hebt gij geenen kemp gekocht?
Hij, alzoo: Zeven bussels heb ik gekocht, broeder.
De visschenvanger, alzoo: Wel, ga, haal er, en verkoop mij kemp.
Hij, alzoo: Als ik er u verkoop, ziet ge, die muizen daar, zult gij mij verkoopen.
De visschenvanger, alzoo: Ik, als gij mij kemp verkoopt, misschien heb ik een zaak te vertellen.
Hij, alzoo: Welke zaak?
De visschenvanger, alzoo: Gij, wel, ga, haal kemp.
En hij ging naar zijn huis, en hij nam kemp en hij kwam terug.
De visschenvanger: Wel, verkoop mij nu. Gij, 't kemp voor hoeveel verkoopt gij het?
Hij, alzoo: Zeg mij de zaak, waarvan gij gesproken hebt. 't Ligt op mijn hart en ik denk en denk, welke zaak?
De visschenvanger: Zal ik het voor niet zeggen? Wel, wat zult gij mij geven? Wat wij zullen afsnijden, wat is 't. Groote zaken zal ik u vertellen.
Hij, alzoo: Neem al mijn bussels kemp.
De visschenvanger: Bij den hoop twee duizend mitakos.
Hij, alzoo: Neem duizend aan.
De visschenvanger: Duizend en een geit wil ik.
Hij, alzoo: 't Is goed. En nu, vertel mij die zaak.
De visschenvanger, alzoo: In uw huis, gij, hebt gij niets gelaten?
Hij, alzoo: Ja, mijn poederdoos had ik gelaten in de handen van mijn jongen, Kubantu.
De visschenvanger: Wel uw poederdoos, hij is ze gaan breken in de rivier. Maar hun moeder heeft ze verborgen alle drie, de kinderen.
Hij, alzoo: Waar is zij ze gaan verbergen?
De visschenvanger: Wacht tot morgen, dan zullen wij gaan.
Den volgenden dag, 's morgens vroeg, toen de zon was opgestaan en 't klaar geworden was, hij alzoo: Wel, laat ons gaan.
De visschenvanger: Wacht, dat zij, de moeder, weg is, naar 't hooge gras. Neem maniokbrood in 't huis van hun moeder. Als wij gaan, gij, spreek niet, ik zal een lied zingen.
En zij gingen tot aan de rivier.
Zij kwamen dicht bij 't hol van den nsengaboom. De visschenvanger vong 't lied aan: He, Kubantu, aan de bron van den nsengaboom!
En zij kwamen tot aan den stam van den nsenga.
De visschenvanger veranderde zijn stem, zij werd fijn en fijn, alzoo: He Kinimbu?
Kinimbu, alzoo: Hier ben ik!
He, Kisinsu?
Kisinsu, alzoo: Hier ben ik!
He, Kubantu?
Kubantu, alzoo: Hier ben ik!
De kinderen kwamen er uit, en zij zegden: Gij, zijt gij onze moeder nu?
En hij de visschenvanger: Komt er uit, uw moeder heeft het mij bevolen.
En zij kwamen af, alle drie, en zij zagen daar hun vader. Hun vader nam Kinimbu en Kisinsu. Hij sloeg Kubantu dood, en hij hakte hem in stukken.
De vader trok op met zijn kinderen, alle twee en hij ging ze verkoopen.
Waar Kubantu gebleven was, heel de gezichteinder was zwart geworden; de wolken dreven in aller haast door; de donder ratelde en ratelde; de bliksem flikkerde; en de regen viel en viel.
Terwijl de regen viel en de wind waaide door de boomen van 't diepe woud, herleefde Kubantu!
De gehakte stukken van zijn lichaam kwamen bijeen, en hij herleefde; en hij trok terug in 't hol, waar hij verbleef; vóór eenigen tijd met zijne zusters, maar nu alleen!
Den volgenden morgend had hun moeder kiekens gedood, en zij ging waar zij haar kinderen gelaten had. Zij hief weer 't lied aan, gelijk zij het alle dagen aanhief: He, Kubantu, aan de bron van den nsengaboom!
En zij kwam tot aan den stam van den boom, alzoo: He, Kinimbu!--Pidi [156].
He, Kisinsu!--Pidi.
He, Kubantu!
Hij, alzoo: Hier ben ik.
Zij, de moeder, alzoo: Wel, uw zusters, zij antwoorden niet. Wel, kom er uit! Wel, waar zijn de anderen, waar zijn ze?
Hij, alzoo: Vader is ze komen halen!
De moeder, vol gramschap, nam Kubantu, sloeg hem dood en hakte hem in stukken.
Dan kwam zij weenen en weenen tot in 't dorp, waar haar man was, die in de hut was neergezeten.
Hij, alzoo: Van waar zijt gij gekomen?
Zij, alzoo: Van 't hooge gras.