Uit den Kunstschat der Bakongos

Part 7

Chapter 74,208 wordsPublic domain

Maar de man antwoordde: Toen ik 't ging koopen op de markt, veel verwijten hebt gij mij verweten, terwijl gij mij zegde, alzoo: He Zot, wangedrocht van een man, die 't geld gaat wegwerpen om een stuk hout te koopen! En nu, zouden wij verdeelen? Neen, ik wil niet.

In zijn dorp viel een vrouw ziek. Hij ging haar heelen met zijn tooverbeeld Mimbumbu, en zij genas. Alzoo werd zijn tooverbeeld overal vermaard.

Maar in zijn dorp werden eenige onder de ouden jaloersch, omdat hij, een zot, nu veel geld won.

De eenen zegden, alzoo: Wij vermoorden hem. Indien men hem niet kan vermoorden, dan geven wij hem slecht eten op.

Maar hij, toen hij dat hoorde, begon ze te betooveren met zijn toovermiddel; eenige namen een doodelijke ziekte op, en zij stierven.

Hij, hij zegde hun een spreekwoord: Meet den evennaaste op een schotel; als hij er niet op kan, misschien kunt gij er op [110]!

Zijn spreekwoord verspreidde zich langs de wegen: Zij hadden hem op den schotel gemeten, en zij konden er op.

Kiduma.

DE ZOT EN DE DOORNEN

In 't dorp was er een zot; hij had zijn vrouw getrouwd; in zijn huis niets om te eten, noch geen mitako. Zijn vrouw zegde hem, alzoo: Gij, hoort ge, zeg niets, antwoord niets; ga, leg muizenvallen; de muizenstrikken ook toonen veel verstand.

Hij ging zijn muizenvallen spannen; hij kreeg verstand; hij wist nu, hoe muizenvallen te spannen; hij pakte muizen, maar allen deelde hij ze uit en hij kwam terug in 't dorp, maar zonder één muis.

De vrouw vroeg hem, alzoo: De muizen, waar zijn ze?

Hij, aldus: Ik heb ze uitgedeeld.

De vrouw, alzoo: Gij, kunt gij u het voorhoofd niet binde [111]?

De man ging op een anderen dag, om de muizen uit de vallen te halen; hij haalde ze er uit, en daarna stak hij doornen in zijn voorhoofd.

De vrouwen, die hij tegenkwam, vroegen hem weer muizen.

Maar hij zeide zoo: Ziet gij het niet, hoe ik mijn voorhoofd gebonden heb?

Zij antwoordden, alzoo: En waarom hebt gij dat gedaan?

Hij antwoordde hun, alzoo: Mijn vrouw heeft mij bevolen, alzoo: Indien men u nog muizen vraagt, bind 't voorhoofd; waarom bindt gij 't voorhoofd niet? 't Is daarom dat ik 't voorhoofd gebonden heb.

Zij stonden hem uit te lachen.

Hij trok op naar zijn dorp bij zijn vrouw.

De vrouw bezag hem in 't gezicht, zag de doornen, en zij zegde: Waarom hebt gij dat zoo gedaan?

Wel, dat, hebt gij mij dat niet getoond? 't Voorhoofd, ik heb het gebonden [112]. Welnu, waarom vraagt gij dat?

De vrouw, alzoo: He moeder, zot van een man, he moeder [113]! Is 't zoo dat men 't voorhoofd bindt; hebt gij geen verstand?

Zij trok de doornen uit 't voorhoofd.

Maar hij werd ziek en ziek; zijn gezicht begon te zwellen. Hij stierf.

Kiduma.

DE ZOT EN DE WATERNIMF

In een dorp was er een mensch, die koophandel dreef; hij had veel verstand. Maar op zekeren dag, ging hij naar de markt om zijn zaken te verkoopen.

Toen hij verkocht had, 't was gedaan. 't Was zijn vertrekken.

Dien dag ook, 't was groote hitte en groote dorst naar water; de menschen, hunne kelen verdroogden en deden pijn. Veel pijn zagen zij af, omdat er geen water was. Hij haastte zich naar huis. Op den weg van zijn dorp, was er een rivier. Hij kwam aan de rivier, en hij dronk zijn water.

Maar toen hij zijn water gedronken had, wilde hij boven komen. Hij hoorde in 't midden van 't water, iets dat sprak, alzoo: Nwa mo, nwa mo [114]. Het was Kiwita [115], die sprak.

Toen hij de woorden van Kiwita hoorde, dronk hij nog water. Toen hij wilde boven komen, hoorde hij weer de woorden van Kiwita: Nwa mo, nwa mo; hij ging terug, en hij dronk en hij dronk.

Toen hij gedronken en gedronken had, zijn buik zwol hem op, en hij stierf. In zijn zotheid is hij gestorven.

Kiduma.

DE BAMBATA EN DE KIKVORSCH

Op zekeren dag, waren vele Bambata [116] bijeen vergaderd, alzoo: Laat ons gaan, wij gaan onze palmboommessen koopen in Neder-Kongo. Dan komen wij ze weer verkoopen op onze markten aan de palmwijntrekkers.

En zij gingen. Zij kochten hunne messen. Zij hadden ze ingebonden in een huid, alzoo: Nu, laat ons optrekken.

En zij vertrokken. Zij gingen, zij gingen, en zij kwamen aan den doorgang eener rivier, alzoo: 't Is heel warm, de harten branden, zij branden van dorst; wij leggen onze vrachten neer; wij rusten in 't water; wij drinken en wij nemen een bad. Dan trekken wij stillekens en stillekens, langzaam heel langzaam op.

Zij legden de vrachten neer; zij dronken water; zij namen een bad, alzoo: Nu, vooruit, laat ons onze vrachten dragen.

En zij trokken op.

Een kikvorsch sprak in 't midden van 't water, alzoo: Nkanku, nkanku [117]!

Zij, alzoo: A, ouden, waar gij gaat, komt terug en hoort wat hier spreekt in 't water, alzoo: Nkanku, nkanku!

De Ouden kwamen terug, alzoo: Laat ons dit te zamen regelen.

En zij spraken onder malkander, alzoo: Maakt de huiden, waar de messen inliggen, los.

Zij hadden alles in twee verdeeld. En zij wierpen de helft in de rivier, waar de kikvorsch sprak. De messen, die overgebleven waren, bonden zij weer vast.

Nu vooruit, mannen!

Maar de kikvorsch was weer aan 't spreken: Nkanku, nkanku!

Een Mumbata, alzoo: Waar gij gaat, a, luistert, hij vraagt weer; die wij gegeven hebben, 't is te weinig. Komt, laat ons geven, die nog overblijven.

Een andere Mumbata, alzoo: A, en als wij nog geven, die overblijven, dan zijn wij al ons geld voor niets kwijt. Wel, zouden wij dan naar ons dorp terugtrekken zonder iets?

Hij, de oudste van de Bambata, sprak: A! Zouden wij zoo niet doen. Dat spreekt, is het geen Kisimbi [118]? En wij zouden weigeren, als hij vraagt? Welaan, wij geven wat er nog overblijft! Geld hebben wij vandaag niet gezien!

En zij wierpen de palmboommessen in 't midden van 't water, waar de kikvorsch sprak. En zij, zij gingen.

Zij kwamen in hun dorp aan, en zij vertelden wat er voorgevallen was. Maar men lachte ze uit.

Zij, alzoo: De messen, zij zijn verloren, voor altijd verloren, nu zouden wij teruggaan, en ze nemen? Wij zijn met geen geld geboren.

Mbengo.

NOVELLEN

ZWINA

Een man had zijne echtgenoote. Hij was getrouwd, hij kende zijne vrouw, eindelijk baarde zij twee kinderen, Zwina en Nkenge: zij Zwina, de oudste, Nkenge, de jongste.

Maar deze kinderen, toen zij geboren werden, werden geboren terzelfdertijd met bladeren van meloenplanten.

Maar zij, Zwina, sedert hare geboorte, 't werken had zij nog niet gewerkt; alle dagen bestreek zij haar slechts met rood [119]. Zij, Zwina, was een schoone maagd. Vele jongelingen vochten om haar, Zwina, omdat zij uitscheen tusschen al de schoonste maagden. Vele jongelingen gingen daar, om haar te trouwen; maar zij konden haar niet, om haar te trouwen, Zwina.

Maar van Makela, een verafgelegen land, was een schoone jongeling gekomen; zijn wezen blonk van schoonheid, de palmolie [120] parelde op zijn aangezicht, een schoon jongeling, die gekomen was in 't huis van den vader van Zwina, om den koophandel.

De kooplieden vroegen aan den vader van Zwina: Zijn er misschien in uw dorp geene maagden, om er mee te kouten?

De vader van Zwina, alzoo: Ik zal gaan, ik ga mijne twee kinderen verwittigen, dat zij komen, dat zij met u komen spreken.

Die jongeling van Makela, toen hij de twee meisjes zag aankomen, sprak alzoo: Ik, Zwina.

Een andere: Ik, Nkenge.

Zij traden in huis, kwamen dichter bij elkander en begonnen te vertellen. Hij, de jongeling van Makela, zegde, alzoo: Gij, Zwina, ik trouw u.

Zij, Zwina, alzoo: Ik, vele jongelieden hebben mij verlaten. Mij konden zij niet.

Hij, aldus: Ik alleen, ik trouw u.

Zij gingen 't vragen aan vader en moeder. Hij, de vader, nam het aan, alzoo: Wij trouwen haar met dien schoonen jongeling.

De moeder, alzoo: 't Is goed, gelijk gij, haar vader, gezegd hebt. Ik, moeder, zou ik weigeren?

De vader, dus: 't Is goed, wij zullen haar dus trouwen. In een verafgelegen land baart men kinderen.

Zij trouwden Zwina; Nkenge, zij niet.

De huwelijksbrief werd afgesneden [121], alzoo: Gij, die Zwina trouwt, betaal 't geld, dat wij snijden [122], op eenen dag, omdat zij, Zwina, vele jongelingen hebben voor haar gevochten, zij konden haar niet. Maar gij hebt u aan haar vastgehecht. 't Is goed; maar betaal 't geld op eenen dag.

Die inwoner van Makela, alzoo: Ik, ik ben immers hier, betalen zal ik zeker. Laat ons buitengaan, stelt eerst 't familiegeld.

Zij gingen buiten. De vader zegde: Ik heb het kind gebaard, (geef mij daarom) mijn slaaplaken; en daarenboven drie levende geiten.

Haar oom kwam buiten, alzoo: Ik, al mijn geld hebben zij opgeëten; maar (geef mij) mijn draagmes alleen.

Toen zij dat afgesneden hadden, hij de inwoner van Makela, alzoo: Zoo is 't goed voor mij, maar nu snijd den huwelijksbrief.

Zij sneden den huwelijksbrief; hij besloot zes duizend mitakos.

Hij, de inwoner van Makela, alzoo: 't Is wel. Betalen zal ik, al wat gij mij afgesneden hebt.

Hij oordeelde deze zes duizend mitakos goed; hij beval aan zijne slaven, alzoo: Gaat mijn geld en kleedingsstoffen halen.

Zij gingen en zij kwamen. Zij haalden drie groote stukken roode stof te voorschijn, betaalden ze drie duizend mitakos; toonden weer een grijze stof, betaalden haar duizend; toonden weer een beddedeken, betaalden het vijfhonderd; een heel stuk blauw goed van acht vadems, betaalden het duizend vijf honderd.

Al het geld was op, en hij sprak alzoo: Welaan! Kleed mijne vrouw aan.

Die inwoner van Makela, door zijnen koophandel, was rijk en gaf haar veel glans en luister. Hij ging een parelen halssnoer halen, gaf het aan zijne vrouw; ging weer acht ringen [123] halen voor de voeten, en sprak: Doet ze vast aan de voeten.

En zij deden ze vast aan de voeten van zijne vrouw; hij ging weer tien armbanden halen, en gaf ze aan zijne vrouw.

Vader en de oomen hadden dat gaarne. Zij zegden: Al zijne zaken heeft hij gegeven, maar waarom houden wij zijne vrouw?

De vader ging binnen in huis, beval aan de slaven, alzoo: Gaat verkens halen en doodt ze.

De slaven gingen, bonden de verkens vast, doodden ze.

Hij beval weer, alzoo: Slaat tien kiekens dood.

De slaven grepen tien kiekens en zij hadden ze gedood.

De moeder maakte tien groote maniokbrooden gereed, alzoo: Zwina, 't is haar vertrek. Maar gij, echtgenoot, kom nader; wij zullen 't akkoord maken tusschen u en uwe vrouw.

De echtgenoot kwam.

Zij, de moeder, alzoo: Wel, gij, man, waar gij gaat met Zwina, zij, zij put geen water, zij, zij raapt geen hout op, zij, zij werkt niet. Mijn kind, alle dagen sinds dat zij geboren is, weet niet wat werken is, noch hoe men water put, zij weet dat niet.

Hij, de man, alzoo: 't Is goed, daar waar zij gaat, wie haar water beveelt of hout, niemand.

De moeder sprak, alzoo: 't Is zoo, vader. Waar gij gaat, verzorg goed uwe echtgenoote.

Zij gingen kiekens en verkens slachten en voorbereiden; zij kwamen den inwoner van Makela en zijn volk spijzen. Zij aten alles; zij groetten malkander met handgeklap. De vader van Zwina ging tien kruiken palmwijn halen, hij kwam en ging ze laten drinken.

En zij dronken, zij dansten, zij sliepen.

A! de zon was opgegaan, 't was klaar geworden.

Hij, de jongeling van Makela, kwam buiten, alzoo: Geef mij mijne vrouw; 't is mijn vertrek. Geef mij mijne vrouw.

Zij, de moeder, zegde zoo: Wacht, dat zij al haar dingen vastgebonden heeft.

Zwina had al hare glorie vergaderd, legde het in haren korf en gaf dezen aan hare zuster Nkenge.

Zij, Nkenge, zou met hare oudste zuster medegaan.

Hij, de jongeling sprak zoo: Zwina mag niets dragen.

Dan begon het vuur te spreken [124], om zijne vrouw Zwina te vereeren. Zij gingen weg. Van gehucht tot gehucht, 't vuur was aan 't weergalmen. Hij, de man van Zwina, zegde zoo: Draagt mijne vrouw.

Zij droegen zijne vrouw.

En zij gingen, zij gingen, zij gingen. Zij kwamen in hun dorp aan. Zij schoten weer met 't vuur. Heel het dorp kwam kijken naar haar, Zwina. Zij zat neer op haar bed. Hij, de man, beval eene geit te dooden, hij kwam en spijsde zijne vrouw.

Zij, de vrouw, in 't begin at maar een broksken, zij at niet veel. Hij, de man, alzoo: Toe, eet maar!

Zij sprak: Ik volstrekt, ik eet langzaam.

Haar zuster, Nkenge, sprak ook: Kom aan, eet, wat zijt gij beschaamd!

En zij waren, zij waren, bijna drie maanden verliepen.

Hij, de man, alzoo: Verder de streek in, ga ik koophandel drijven, waarschijnlijk binnen vijf maanden kom ik hier terug!

Hij liet zijne vrouw aan zijn jongsten broeder te bewaken, alzoo; He, broer, sla goed mijne vrouw en mijne schoonzuster gade, totdat ik terugkom.

Hij, de oudste broeder, ging dus naar Zombo [125].

Waar zij bleven, ging de tijd voorbij, ging de tijd voorbij.

De jongste broeder zegde, alzoo: Blijft hier, ik ga mijn geld halen aan den anderen kant van de rivier; de dag is gesteld.

De schoonmoeder van Zwina en Nkenge bleef in 't dorp. De schoonmoeder zegde, alzoo: Vandaag, gij Zwina en Nkenge, wij gaan maniok uitdoen, laat daar uw maagddom.

Maar Zwina begon te weenen, alzoo: Ik, Vader en Moeder hebben mij verboden, alzoo: Gij moogt niet werken. En vandaag dus: Laat ons maniok uitdoen. 't Is wel vooruit!

Maar hare zuster Nkenge sprak dus: Mijn oudste, dat zij blijve: ik ga mee om maniok uit te doen.

Zij gingen, zij deden drie korven uit; zij legden hem in 't water, opdat hij rotte, en zij kwamen terug in 't dorp.

De jongste broeder was teruggekomen, hij kwam 't huis binnen. Toen hij Zwina zag, die weende, vroeg hij aan Nkenge, alzoo: Zij, Zwina, wat weent zij?

En zij antwoordde: Uwe moeder heeft met haar twist gemaakt, dat zij ging om maniok uit te doen.

De schoonbroer nam 't geweer: Gij, vrouw, gij zoekt twist met Zwina; gij zijt een wangedrocht van uwe moeder, ik schiet u dood.

Maar Nkenge belette den schoonbroeder, alzoo: Och, man, laat los, ik smeek u, dat zij ons zullen verwijten en haten, alzoo: Gij eet ons dorp op [126].

Vier dagen waren vervlogen, sedert men maniok in 't water gelegd had. De schoonbroeder vertrok daar, waar men den dag gesteld had om zijn geld te ontvangen, want hij had nog niets ontvangen. En hij was gegaan.

De schoonmoeder liep dan rond in huis en sprak, alzoo: Vandaag, gij Mevrouw [127] Zwina, kom buiten, wij gaan naar 't water, om den maniok af te schillen.

Nkenge sprak dus: Gij, moeder, aan mijn oudste zuster heeft Vader en Moeder dat verboden, en gij dus, gij vervolgt altijd mijne zuster om maniok af te schillen.

Zwina ook werd boos, alzoo: Welaan, laat ons maniok afschillen.

En zij gingen, zij haalden maniok uit 't water, zij pelden hem af.

Zij, de schoonmoeder, sprak: Gij, Nkenge, ga naar 't hooge gras om varenkruid te halen, wij doen het eerst onder in den korf, zoo bederft onzen maniok niet. Ik ook, ik ga de rivier op, ik zal gaan bladeren van bananen halen. Zij, Zwina, dat zij hier blijve.

Zij, de schoonmoeder, ging dus rivieropwaarts en veranderde in een boa [128]. Zij kwam de rivier af, waar zij Zwina gelaten had. Zwina, toen zij het zag, schreeuwde en huilde: He, Nkenge, mijn jongste zuster, haast u, ik sterf door de boa.

Maar Nkenge, toen zij kwam toegeloopen, de boa had zich reeds rondgeslingerd om 't lichaam van Zwina. Nkenge liep naar 't dorp, begon te roepen: He, la, la, la, la [129]! He, mannen, haast u, mijn oudste zuster, een boa heeft haar gegrepen.

De mannen kwamen toegeloopen; maar de boa had haar man reeds ingeslikt; zij schoten die boa.

En de boa veranderde in de moeder van den man van Zwina.

Men stond verbaasd. Vol verbazing en verbazing, alzoo: Wat! Die moeder is nu de vrouw van 't kind geworden.

De jongste broer zegde, alzoo: Wat kan men er aan doen? Nu is 't toch te laat. Alle beiden zijn doodgegaan.

Zij deden de moeder open, en haalde Zwina er uit; alle beiden, bond me ze in kleedingsstukken.

De moeder, legde men op eene plaats; Zwina, legde men op een andere plaats.

En de tijd ging voorbij, en de tijd ging voorbij.

De echtgenoot van Zwina kwam terug. Toen men 't gebeurde vertelde, hij, alzoo: He, moeder, ik vader [130]! Hoe ben ik gevaren? Daar waar ik mijne vrouw gaan halen heb, die haar bezitten zullen zich over mij wreken, vermits mijne moeder schuldig is. Och arme, mij! Hoe zal ik zeggen?

Zij deden vijf kassen poeder brengen, en zij schoten en schoten, en 't vuur weergalmde over de dalen en bergen tot in den hoogen hemel [131].

En de tijd vervloog, en hij vervloog, en hij vervloog.

Op zekeren middag was de man op 't einde van 't dorp gaan wandelen. Nkenge was haar mandeken aan 't vervaardigen, den weduwestaat van hare zuster had zij begonnen. En zij was droevig en sprak: Ik neem mijne lier [132], weenen, ik ga weenen.

Toen hief zij eenen zang aan, alzoo: Kindengele, kindengele, kindengele Ya Zwina! Ik ben reeds aan Zwina gestorven!

En daar, zij hoorde iets in de verandah, een lied ook: Ik weet, dat gij mij beweent op uwe lier!

Nkenge liet hare lier vallen, luisterde nog naar de verandah, alzoo: Ik ga stillekens buiten, dat ik zie!

En zij ging heel stillekens, stillekens op hare teenen. Toen zij buiten kwam, en zij rondkeek, niemand zag zij. Nkenge sprak in haar eigen: He, Bambata [133], waarom vervolgt gij mij? He, gij allen gij, hebt gij niets gezien?

En zij sliepen. 's Morgens, toen het klaar geworden was, was de man gaan wandelen. 't Was middag geworden. Nkenge zegde, alzoo: Ik zal mijne lier nemen, dat ik weene.

Nadat zij haren zang had aangeheven: Kindengele, kindengele, kindengele, Ya Zwina! Ik ben reeds aan Zwina gestorven! Zij hoorde in de verandah 't lied weer, alzoo: Ik weet wel dat gij mij op uwe lier beweent.

Nkenge liet daar haar weenen: Wacht, ik kijk.

Toen zij buiten ging, zij, zij zag niemand. Zij liet alles stil, zij zegde geen woord aan niemand. Tegen den avond, toen de zon was ondergegaan, kwam de man terug; zij vertelde hem 't gebeurde, alzoo: O man, dit dorp, men vervolgt mij hier!

De man, alzoo: Hoe?

Wel, gisteren, tegen den noen, was ik aan 't weenen. Toen hoorde ik iemand in de verandah, die zegde, alzoo: Ik weet dat gij mij op de lier beweent. Toen ik buitenging, toen ik rondkeek, ik zag niemand.

De man, alzoo: Is 't waarheid, dat gij zegt, of leugen?

Nkenge sprak: Zoo waar dat ik eene zuster had, 't is geen leugen. Morgen noen, blijf hier in huis, ik zal weenen.

Toen zij sliepen, de dag was aangebroken, 't was middag, alzoo: Man, blijf in huis, ik zal weenen, dan zult gij den zang hooren, dien men in de verandah zingt, waar men Yaya [134], mijn oudste zuster, begraven heeft.

Nkenge nam hare lier; terwijl zij begon te weenen, hief zij haar lied aan: Kindengele, kindengele, kindengele Ya Zwina! Ik ben aan Zwina gestorven. Zij hoorde in de verandah 't lied weer, alzo: Ik weet dat gij mij op uwe lier beweent.

Wel, man, nu, kom, luister. Hoor je, bedrogen heb ik u?

De man, toen hij gekomen was, toen hij luisterde, 't was immers zoo. Hij sprak in zijn hart, alzoo: Toen zij geweend had, ik kwam nader, ik zag rond, om te zien, wie ons kwam vervolgen; waarschijnlijk, die jonge lui van Bambata, ik zou ze doodschieten.

Maar toen hij naderde, en naderde, hij luisterde daar in het graf, waar men Zwina gelegd had, daar kwam de zang uit. Toen riep hij op Nkenge: He, Nkenge, wel, kom!

Toen zij kwam, die zang kwam daar uit. Hij sprak: Wo! zoo wij 't lijk weer uithaalden?

Nkenge, alzoo: Ja, 't is goed; wij doen 't graf open, wij zien; doch dat er geen menschen zijn, die het zouden zien en rondstrooien, hoort ge [135]!

Toen zij het graf opengedaan hadden, alzoo: Laat ons dit lijk uit de stoffen doen, om te zien.

Toen zij 't losmaakten, hoorden zij Zwina, die sprak, alzoo: Doet mij stillekens los!

Toen zij al de stoffen hadden losgemaakt, deden zij de stoffen weer in 't graf. Zij maakten het effen, gelijk het was, alzoo: De menschen, als zij komen zien, zullen alzoo zeggen: Het lijk is er, daar is 't begraven.

En 't graf toch was ledig.

Hij sprak: Nkenge, neem eene kalebas, ik neem eene kruik. Laat ons water gaan putten, om haar te wasschen.

Toen zij water geput hadden, waschten zij haar goed, namen roode verf en palmolie, en bestreken haar goed, zij spreidden schoon-dooreengevlochten biezenmatten open, in de schoonste plaats van de strooien hut, alzoo: Hier, hier komen geene menschen binnen, dat zij haar niet zien. Om haar te spijzen, doet men noch geit, noch verken dood. Alle dagen, maar wasschen en wasschen, bestrijken en bestrijken, inwrijven en inwrijven.

Twee maanden waren vervlogen. Zwina was weer goed gekomen, gelijk zij was. Al hare krachten waren haar teruggekomen.

De man sprak zoo: Gij, Nkenge, en gij, mijn jongste broer, waar gij blijft, Zwina, zij, toont haar niet aan de menschen. Ik ga terug naar Zombo, ik ga mijne kassen poeder halen, die ik daar gelaten heb. Dien dag, dat ik Zwina aan de menschen van 't dorp zal toonen, dan moogt gij al die kassen poeder afschieten.

Hij ging.

Waar zij bleven, de tijd om 't eten verdween, de tijd om te slapen verdween.

De jongste broer, wanneer hij wandelde in 't bosch, was Nkenge met haar oudste gebleven, alle beiden te zamen. 't Was middag geworden. Nkenge zegde zoo: Gij, Yaya, al uwe krachten, zijn zij teruggekomen?

Zwina, zoo: Ja, mijn jongste, mijn lichaam is teruggekomen, gelijk ik geboren was.

Nkenge, alzoo: Wel, gij, Yaya, vermits wij dit wonderteeken gezien hebben, ja, blijven wij nog hier?

Zwina sprak: Ja, kindlief; als wij hier niet blijven, ach, waar gaan wij henen? Dien weg van ons dorp, dien weten wij niet. Eén komen slechts, zijn wij hier gekomen. De weg, daar zijn vele zijwegen. Indien wij gaan en gaan, zouden wij niet verloren loopen? Misschien ook vatten zij ons terug.

Nkenge, dus: Neen, Yaya, toen wij hier gekomen zijn, ik ben altijd een weinig van achter gebleven; aan de zijwegen, heb ik teekens gezet.

Zwina, alzoo: A! Die teekens, die gij gezet hebt, wat zijn ze?

Nkenge, alzoo: A! Kleine putjes heb ik gegraven!

Zwina dus: Wel, wij vluchten. Wanneer, kindlief?

Nkenge, alzoo: Wij gaan vluchten, als zij slapen den eersten slaap. Van avond, zal ik maniok stampen, wij leggen hem in den korf. Ik zal u kiekens dooden, wel vijf. Wij maken ze gereed, wij leggen ze in den korf. Dan, de Bambata, als zij hunnen eersten slaap aan 't slapen zijn, wij gaan uit, wij vallen op den weg, wij gaan.

Zwina, alzoo: A! kindlief, als wij maar niet verloren loopen!

Nkenge, alzoo: Wat! Wij verloren loopen! Maar 't is maneschijn; de maan, die schijnt zoo fel met haar schijnen. De wegen zijn gelijk in den dag.

De zon was ondergegaan, de avond viel; de Bambata vielen aan 't eten, terwijl zij om 't vuur zaten, dat glinsterde in de hutten. Men koutte en koutte. 't Kouten was uiteengegaan, 't dorp werd stil. Zij sliepen.

Bij den eersten slaap, sprak Nkenge, alzoo: Yaya, neem uwen korf; de Bambata zijn aan 't slapen.

Zij, zij gingen weg. Zij gingen, zij gingen, zij gingen. Zij waren heel ver geraakt. De dag was aangebroken. Nkenge sprak: Yaya, wij gaan 't hooge gras in; waarschijnlijk zal de jonge broer, die thuis gebleven is, ons volgen.

Toen zij in 't hooge gras waren gekropen, zetten zij zich nevens malkander. En zij zaten. De zon was aan 't ondergaan.

Zwina sprak, alzoo: Mijn jongste, laat ons nu uitgaan tot op den weg. Wij zullen heel traagzaam, traagzaam vooruitgaan, tot de zon weer opkomt, dan zijn wij heel ver in 't gaan.

Waar zij uitgekomen waren, gingen zij, gingen zij. Zij hoorden de hanen, die kraaiden.

Nkenge, alzoo: Yaya, de voeten doen zeer. Laat ons een beetje rusten.

Zij kwamen dichtbij. De dag was aangebroken.

Nkenge, alzoo: Yaya, wij trekken van hier tot op den middag. Hier zijn wij halfweg; de Bambata kunnen ons niet meer volgen.

Van daar, maar gaan en gaan en gaan.

Den dag van den Nsona, kwamen zij 's avonds dicht bij hun dorp aan, in hun dorp waar zij Vader en Moeder gelaten hadden.

Zwina, toen zij gestorven was, de stengel van de meloen van Zwina was gestorven. De vader en de moeder, toen zij de stengels van de meloenen zagen, die van Nkenge was frisch, vol leven en groen, die van Zwina, verslenst en verdroogd.

Vader en moeder weenden en weenden dan. Zij maakten een groote doodenkamer: Ons kind Zwina is gestorven in Mbata [136].