Uit den Kunstschat der Bakongos
Part 6
Zij, 't kind zong weer 't lied, gelijk zij de andere dagen zong.
Hij, de vader viel op den grond, en aan 't kruipen en 't kruipen tot dicht bij haar. Maar zij, toen zij 't zag, zij ging heen. En hij de vader aan 't volgen en volgen; 't kind aan 't gaan en de vader aan 't volgen. Toen zij gingen en gingen, toen zij ver weg waren, zij Nkumina begon te loopen. De zon was ondergegaan, en de avond begon te vallen.
Zij, die in 't dorp gebleven waren, spraken, alzoo: Onze oude is verloren, van dezen morgend vroeg is hij weggegaan. Waar hij gegaan is, misschien heeft men hem gedood.
Maar hij, hij vervolgde het kind, waar het ging. Toen hij haar inhaalde, toen hij haar naderde en naderde, hij legde zijn geweer aan waar zijn kind was, alzoo: Vermits gij wegvlucht, zijt gij dood.
't Kind bleef dan staan en 't kwam geloopen naar zijn vader en 't viel in zijn armen, alzoo: Zij, de moeder, toen ik nog niet geboren was, ging de drie kleinen van den Luipaard stelen, maar de Luipaard wilde haar verscheuren. Zij, de moeder, alzoo: Laat mij los, ik ben zwanger, ik zal baren. Indien het een meisje is, 't is uwe vrouw; indien het een jongen is, hij draagt uwen naam.
En de Luipaard ging heen. De moeder, toen zij mij gebaard had, de Luipaard vernam 't nieuws en hij sprak alzoo: Mijn schoonmoeder heeft gebaard.
En hij kocht vleesch en palmwijn, en hij kwam, en hij kwam den palmwijn uitschenken aan de moeder, alzoo: Gij hebt het mij beloofd, indien gij een meisje baart, 't is mijne vrouw. Indien het een jongen is, mijn naam draagt hij.
De moeder, toen zij den palmwijn gedronken had, zegde aan den Luipaard, alzoo: Wel, ga, verberg u.
En zij riep mij, alzoo: Vat de kruik, ga water putten, kindlief!
Ik antwoordde, alzoo: Ik wil niet!
En zij, alzoo: Wel, ga, mijn kind, o moeder van smarten.
Ik, toen ik dit hoorde, ik kon niet weerstaan, en ik ging, ik putte water. Een kruik was vol, ik legde haar in 't hooge gras. Ik putte een andere vol water, ik legde haar in den korf, ik wilde weggaan; maar ik voelde iets op mijn armen, alzoo: Vo [96]. 't Was de Luipaard. Hij nam mij mede, en ik vroeg hem, alzoo: Wel, gij, waar leidt gij mij henen?
Hij, alzoo: Uwe moeder heeft u verkocht.
En wij gingen tot in zijn dorp. En ik verbleef daar, maar ik dacht verstand uit, alzoo: He, Luipaard, beste vader, den maniok, dien ik geplant heb in mijn dorp, ga ik uitdoen. Hij, alzoo: Vooruit, ik ga mede. Maar ik, ik hield hem tegen, alzoo: Blijf, gij, hier. En ik kwam maniok uitdoen, en ik kwam mijne moeien hier tegen. Zij riepen mij; maar ik kwam niet, omdat de schaamte mij gevat had.
De Vader was verheugd en verheugd, omdat hij zijn kind had teruggevonden. En zij kwamen en kwamen tot in hun dorp.
Toen zij in de nabijheid van hun dorp kwamen, riep de vader. En 't heele dorp kwam af, om 't opperhoofd met vreugde te ontvangen. En zij zagen hem met zijn kind. En zij omringden hem, en zij vroegen hem uit, alzoo: Nkumina, waar is zij geweest?
En alzoo kwamen zij tot in 't dorp.
Maar de avond viel, en zij sliepen. Den volgenden dag 's morgens, deed de vader het nieuws verspreiden, en de trommels kwamen af, en men hield groot feest; 't feest weergalmde en weergalmde, en men danste de glorie van Nkumina; en men danste en danste wel eene maand lang, want 't kind, dat al zoolang verloren was, was vandaag teruggevonden.
Kimoa.
NKENGE'S VLUCHT
Eene vrouw, haar naam was Lutama, was in een dorp met hare zuster Ntumba. Deze was de jongste.
Op zekeren dag gingen zij wandelen en zij kwamen aan 't water. Daar kwamen zij een jongeling tegen, die hun vroeg, alzoo: Uw echtgenoot, wie is hij?
Zij, alzoo: Wij, wij hebben geen echtgenoot.
De Boa, alzoo: Trouwt mij, den Boa-ndongo; ik sterf in 't droog seizoen, ik verrijs in 't begin van 't regenseizoen [97].
Dan kwamen zij overeen, alzoo: Kom naar ons dorp en vraag het aan onze moeder.
Hij kwam het vragen aan hunne moeder, alzoo: Gij, moeder, uwe kinderen hebben geen echtgenoot.
Zij, de moeder, alzoo: Ja, 't is waar; zij hebben geen echtgenoot.
Wel, ik wil haar trouwen.
De moeder, alzoo: 't Is goed.
Zij dronken palmwijn, hij betaalde 't geld van 't huwelijk: drie stukken van vijf frank en twee frank en half.
Zij namen 't geld aan, en zij stelden eenen dag, waarop de vrouwen met den Boa zouden gaan. De Konso [98] was voorbij, met den volgenden zouden zij vertrekken.
Zij, zij wisten niet dat de Boa een mensch was geworden.
Dan nam hij zijne vrouwen en zij gingen.
Toen zij gingen, kwamen zij in 't dorp van den Boa aan. Wel twee jaar vervlogen er. Maar hij, de Boa stierf.
Toen hij gestorven was, toen zij sliepen 's nachts, kwam hij spreken, alzoo: Kitzakala, kitzakala [99]. Eet ik Nkenge de oudste ofwel Nkenge de jongste?
Zoo sprak hij alle dagen, toen hij kwam spreken in den nacht.
Den volgenden dag 's morgens vroeg, trokken zij op, alzoo: Vooruit naar ons dorp van waar wij gekomen zijn.
Als zij op den weg waren, was Lutama's draagband in de hut gebleven.
Ntumba ging terug. De Padden en de Serpenten waren vereenigd in 't huis om den Boa te beweenen. Terwijl zij weenden en weenden, nam Ntumba den draagband en kwam terug.
Lutama had alzoo tot Ntumba gezegd: Als gij komt op den weg, daar waar een lijn [100] is, volg dien niet; kom langs dien weg, waar geen lijn is.
Een geest, die aan 't water was, om zijne wonde te wasschen, toen hij hoorde hoe die mensch daar gesproken had, veegde de lijn uit en maakte er een, waar Lutama ging.
Ntumba, toen zij afkwam, toen zij de lijn zag; in den weg waar de lijn was, ging zij niet. Zij, toen zij den weg zonder lijn zag, alzoo: In dezen weg is zij gegaan.
Zij ging er in. En zij kwam tot aan den doorgang der rivier. De geest was bezig zijne wonde te wasschen. Zij Ntumba vroeg, alzoo: Mijn oudste, is zij langs hier gegaan?
Hij, de geest, hij bedroog haar, alzoo: Kom, ik zal u overzetten.
En hij kwam, hij droeg haar en hij zette haar over aan den anderen kant der rivier, alzoo: Wacht hier, dat ik mijne wonde wassche.
Toen hij zijne wonde had gewasschen, toen het gedaan was, alzoo: Vooruit nu, langs hier, Mama.
Ntumba Ma Luseke begon haar weesdom en begon te weenen. Zij kwamen in een dorp, aan een oud ingevallen huis, dat daar zoo eenzaam alleen stond. Hij was immers alleen, de geest met zijne twee kinderen.
Hij, de geest, toonde haar haar slaapkamer, alzoo: Slaap daar. Waar mijne kinderen zijn, slaap daar niet, omdat gij met uw lichaam, dat slecht is, mijne kinderen zoudt besmetten.
Hij toonde honderd zaken aan Ntumba, alzoo: He, Mama, als ik ga wandelen, daar is uw eten, eet dat. Het eten van mijn kinderen, eet dat niet.
Hij toonde nog zijne koophandeldoos [101] aan Ntumba, alzoo: Ik, ik drijf koophandel op al de markten. Als gij niet ziet, Mama, wat gij eet, daar zijn maniokvelden, ga en trek maniok uit en bereid uwen maniok. Als gij maniok voorbereidt, dien van mijne kinderen, leg hem afzonderlijk; dien van u, leg hem ook afzonderlijk.
Toen de zon opgestaan was, trok hij naar de markt; al de markten die hij wilde, was het een Nkenge of een Nsona [102].
Zijne kinderen, waar zij bleven, beschimpten Ntumba.
Zij, toen zij dat hoorde, begon te weenen, en zij weende en weende.
Toen nam zij de koophandeldoos en zij trok op, langs den weg naar haar dorp van waar zij gekomen was, waar haar moeder en vader en broeders waren. En zij ging en ging en zij kwam aan den doorgang der rivier. Zij zegde, alzoo: He, Vader Nzonzi [103], wel, kom, kom mij overzetten aan den anderen kant der rivier.
Maar vluchten, hij vluchtte.
Toen zag zij Vader Nkaki[103], alzoo: Kom, zet mij over.
Maar vluchten, hij vluchtte.
Toen zag zij Vader Nkonkoto[103], alzoo: Kom, draag mij over.
Maar vluchten, hij vluchtte, hij droeg haar niet over.
Zij ging rivierafwaarts, en zij zag Vader Kikkervisch; maar vluchten, hij vluchtte.
Zij, alzoo: Over 't water, wie zal mij overzetten?
Toen zij rivieropwaarts keek, kwam er een Blad aan. En zij riep.
Het Blad bleef stil. Zij zegde zoo: He, Blad, zet mij over; he, schoon Blad, zet mij over.
Het Blad ging met haar tot op den oever, en zij was er over.
En zij ging en ging.
De geest, waar hij was, 't bloed bruischte hem op [104]. Hij werd met schrik bevangen. En hij ging terug naar zijn dorp, waar zijne kinderen waren, omdat hij overal waar hij ging, zijn bloed aan 't bruischen en bruischen was.
En hij kwam en hij zag Ntumba niet. Hij vroeg, alzoo: Ntumba, waar is zij?
De kinderen, alzoo: Ntumba, waar wij waren, zij had maniok voorbereid, zij kwam ons maar een klein stuksken maniok geven; wij vroegen haar: 't Is het uwe niet, Mama. Bezit gij het?
Ntumba, toen zij dat hoorde, begon te weenen en te weenen. Toen zij weende, nam zij de koophandeldoos en zij is opgetrokken, den weg naar de rivier.
De geest, toen hij dat hoorde, ging haar volgen. En hij kwam aan de rivier. Toen hij 't Blad zag, riep hij het en vroeg, alzoo: Ntumba, waar is zij gegaan?
Het Blad, alzoo: Ntumba is langs hier gegaan met de koophandeldoos.
Hij, alzoo: Zet mij over, dat ik haar volge.
Toen 't Blad hem had overgezet, volgde hij haar. En hij ging en ging en ging. Ntumba was ver vooruit. Toen hij in een dorp aankwam, vroeg hij, alzoo: Langs hier, gaat hier geen mensch?
Een mensch gaat langs hier, zij houdt iets in hare handen: zeker een koophandeldoos; maar zij kan toch zoo schoon zingen. Toen zij hier aan 't dansen was, hebben wij haar twee slaven en twee geiten gegeven.
Hij, alzoo: Dus vooruit, ik volg haar.
Toen hij verder aankwam, vroeg hij, alzoo: Langs hier gaat er geen mensch?
Ja, een mensch gaat langs hier, haar naam is Ntumba, maar zij kan toch zoo wel dansen. Twee verkens hebben wij haar gegeven en een geit.
Toen hij dit dorp verliet, alzoo: Mijn koophandeldoos heeft zij gestolen, en aldus heeft zij al mijn geld en goed.
De geest volgde en volgde haar, hij zag haar niet. Hij had grooten honger en om te eten, niets. Hij, alzoo: He, gij, jonge dochter, geef mij mijn koophandeldoos terug, mijn liefste.
Maar Ntumba was heengegaan. Hij, aan 't volgen en 't volgen, aan 't weenen was hij en hij stierf onderweg.
Toen hij stierf, was Ntumba in haar dorp aangekomen bij Vader en Moeder.
Makanga.
KOMISCHE VERHALEN
DE ZOT MET HET ROLLEKEN
Die echtgenoot was een echte zot.
Op zekeren dag, toen hij wilde naar de markt gaan, nam hij zijn zaksken; hij zag niet of er een gat in was. Hij trok zoo op.
Hij kwam op de markt aan, hij kocht een rolleken darmen [105], stak het in zijn zaksken, kwam terug.
Maar bij 't terugkomen, 't rolleken viel er uit.
Hij, aldus: Ik heb een rolleken gekocht, ik raap dit op; nu heb ik er twee.
Maar in zijn zotheid, zag hij naar den zak niet. Zoo telde hij reeds drie keeren. Toen hij nog een rolleken op den grond zag, zegde hij: Ik heb er een gekocht, ik heb er reeds vier opgeraapt; nu zijn er vijf.
Toen hij in zijn dorp kwam, beval hij aan zijne vrouw den pot met water op te zetten, om 't vleesch te bereiden.
De vrouw zette den pot op 't vuur; toen de pot aan 't koken was, vroeg zij 't vleesch. De man schudde 't vleesch uit en 't rolleken was vol kleiaarde.
En hij loog aan zijne vrouw, alzoo: 't Vleesch is onder weg verloren.
Maar de vrouw, toen zij naar 't vleesch keek, dat vol kleiaarde was, sprak, alzoo: Mijn man is nu gansch zot geworden.
Zij zag naar den zak, en toonde 't gat aan haren man.
Hij, alzoo: De zak was niet sterk genoeg en 't vleesch is er uit gevallen.
Kisantu.
DE TWEE BROEDERS
Eene moeder had twee kinderen gebaard, Heer Zot, de oudste, Heer Verstand-om-te-Tellen, de jongste. Zij beiden, toen zij groot geworden waren, scheidden van malkander; de eene ging zijn dorp bouwen; de andere ook zijn dorp.
Heer Verstand-om-te-Tellen, als hij zijn oudsten broer tegenkwam, lachte zijnen oudste uit, alzoo: Gij, die Heer Zot zijt, gij hebt geen geiten, gij hebt geen verkens; heden zijn 't schatten van den mensch. Geiten ik, verkens ik.
Alle dagen lachte hij zoo zijnen oudste uit.
Hij, Heer Verstand-om-te-Tellen, ging zijne echtgenoote trouwen. Op zekeren dag ontving hij eene uitnoodiging van zijn schoonvader; hij aarzelde niet. Hij spoedde zich, ging, vroeg: He, schoonvader, een uitnoodiging heb ik gehoord, wat is 't?
Zijn schoonvader antwoordde, alzoo: He, Vader, dit, waarom ik u doen komen heb; maar als gij mijn geld zult nemen, koop mij een verken; maar wanneer gij het verken koopt, koop noch zeug, koop noch beer.
Zoo nam Heer Verstand-om-te-Tellen 't geld aan; hij vertrok naar zijn dorp. Hij ging naar de markt om het verken te koopen, dat zijn schoonvader bevolen had. Maar hoe zijn schoonvader het hem bevolen had: koop noch zeug, koop noch beer.
Hij ging naar alle markten, hij zag slechts zeugen en beeren. Hij werd een stuk vod [106] van zijn veel wandelen.
Dan dacht hij verstand. Hij vereenigde de ouden der menschen. Hij vertelde hun, alzoo: Ziet, gij ouden, indien gij het kunt oplossen. Schoonvader heeft mij bevolen, alzoo: Ga, koop mij een verken; maar koop noch zeug noch beer. Welnu, gij, ouden, ik, hoe moet ik doen?
De ouden ook dachten en dachten, toen zij zegden: Wij weten niet, hoe gij moet doen.
Maar er was een oude, die hem vroeg: Gij, hebt gij geen ouderen broer?
En hij zegde: Ja, ik ben met een ouderen broeder; maar 't is een zot.
Die oude zegde hem: He! Sta op, ga het hem vragen.
Heer Verstand-om-te-Tellen ging. Toen hij kwam aan 't dorp van Heer Zot, de kinderen van Heer Zot zagen hem, wijl zij vroegen: A! Wie is 't, die daar aankomt?
Hij antwoordde, alzoo: Ik, Heer Verstand-om-te-Tellen; ik tel den hemel, ik tel de aarde. Terwijl gij, Heer Zot, gij hebt geen geiten, gij hebt geen verkens, heden zijn 't de schatten van den mensch. Geiten ik, verkens ik.
Hij kwam 't dorp van Heer Zot binnen. Heer Zot was bezig zijn banaanplanten aan 't hakken. Heer Verstand-om-te-Tellen kwam op het plein, vroeg aan de kinderen: He, uw vader, waar is hij?
De kinderen antwoordden: Vader is daar zijne banaanplanten aan 't hakken.
Hij beval hem te verwittigen, dat hij kome. Zij gingen Heer Zot roepen; hij kwam. Zij groetten malkander bij handgeklap. Heer Verstand-om-te-Tellen bracht Palmwijn te voorschijn, gaf een goeden dag aan zijn oudere, terwijl hij sprak: Dit kruiksken, u heb ik het medegebracht, iets ben ik komen vragen.
Heer Zot weigerde niet, zij dronken den palmwijn.
Heer Verstand-om-te-Tellen zegde 't geen hij kwam vragen, alzoo: Ziehier waarom ik gekomen ben. Schoonvader heeft mij bevolen, alzoo: Kom, neem geld, koop mij een verken. Maar als gij een verken koopt, koop noch zeug, koop noch beer. De markten ging ik af, om zulk een verken te zoeken. Verkens waren daar, zeugen en beeren. Maar 'k zag 't verken niet, dat ik koopen moest. Toen ik in mijn dorp terugkwam, vereenigde al de ouden; ik legde deze zaak uit, zij wisten niet. Maar er was een oude, toen hij mij vroeg: Gij, hebt gij geen ouderen broer, sta op, ga het hem vragen. 't Is daarom dat ik gekomen ben. Hoe moet ik doen?
Hij, Heer Zot, antwoordde hem: Breng mij een geit in 't jaar geboren, 't eenigste jongsken van haar moeder en negen kruiken palmwijn. Dan zal ik het u zeggen, hoe gij doet? Ik ben een zot, gij lachte mij altijd uit, als wij malkander tegenkwamen. Ik, uw oudste broer, heb medelijden met u. Ga, trek naar uw dorp terug.
Hij ging terug, hij zocht die geit en negen kruiken palmwijn.
Hij is gekomen. De kinderen vroegen hem weer: A! Wie komt daar aan?
Hij sprak: Ik, de broer van Heer Zot.
Hij beval den ouden man [107], Heer Zot, te gaan zeggen, alzoo: Uw broer is gekomen.
En hij kwam. Hij nam de geit en den palmwijn, toen hij zegde, alzoo: Mijn broerken, 't is niets, ik zal u wel toonen hoe gij zegt aan uw schoonvader. Alzoo zal hij u niets kunnen antwoorden. En ik, uw oudste, ik heb medelijden met u. Dus, beveel iemand, dat hij naar uw schoonvader ga, dat hij zegge, alzoo: Uw verken heb ik gekocht, maar als gij komt, kom in den nacht niet, kom in den dag niet.
Zoo gezegd, zoo gedaan. Iemand vertrok naar schoonvader, die zegde: Uw verken heeft hij gekocht, maar kom het halen; maar als gij komt, kom in den nacht niet, kom in den dag niet.
De schoonvader werd bedroefd. Hoe kan ik gaan? Terwijl hij zegde: Mijn schoonzoon heeft verstand.
En hij ging naar zijn schoonzoon in den dag, om daar vóór den avond aan te komen. Hij was halfweg. De zon was ondergegaan en de avond begon te vallen. Hij dacht, alzoo: Hij, heeft hij niet bevolen: Kom in den dag niet, kom in den nacht niet. Hoe ga ik?
En hij trok terug naar zijn dorp. Hij zond iemand naar zijn schoonzoon, alzoo: 't Verken dat hij het opete, vader.
Kianika.
DE ZOT EN HET TOOVERBEELD
In 't dorp zijn er veel menschen; er is ook een lichtzinnige man, die een schoone vrouw getrouwd heeft. Eindelijk werd zij zwanger en baarde hem een meisje, maar slechts een meisje; een jongen, dat konden zij niet.
Die vrouw ook was rijk, en zij zegde zoo: Gij, man, leg daar vijf duizend mitakos; ik, de vrouw, ik leg er ook vijf duizend, ga ons een klein jongsken koopen.
De man redetwistte met haar niet. Den dag van den Nsona ging hij naar de markt. De man zegde tot de vrouw, alzoo: Maak maniokbrooden gereed; de kleine, als hij komt, dat hij ete.
De vrouw antwoordde: Ja, ga maar!
En de man ging.
De vrouw, waar zij gebleven was, was maniok aan 't stampen.
De man, toen hij op de markt gekomen was, zocht en zocht en hij zag geen kleine. Hij ging zoeken in 't omliggende van de markt, hij zag niets; hij ging op een andere plaats, en hij zag een stuk hout, dat men gesneden had gelijk een mensch, waaraan men den naam gegeven had van Mimbumbu [108].
Hij, toen hij dat zag, zijn bloed bruischte, en hij vroeg: Wie heeft dien kleine daar gezet?
De man, die dat stuk hout daar gezet had, kwam te voorschijn, toen hij zegde: Ik bezit hem!
Hij vroeg, alzoo: Verkoop hem mij!
De bezitter van dien kleine stelde hem den prijs: Twintig duizend mitakos.
Maar hij vervolgde: Neen, ik wil niet. Neem er tien duizend aan.
't Was aangenomen. De verkooper nam zijn geld aan. Toen hij zijn geld genomen had, trok hij heel rap op naar zijn dorp! De man, in zijn zotheid, hij, hij vroeg niets aan den kleine, dien hij gekocht had. Hij kwam op de markt terug, hij kocht vleesch en maniokbrood; hij kwam terug, hij sprak zijn kleine aan: Vooruit! Wij trekken op.
Maar de kleine antwoordde hem niet; hij, hij sprak niet; hij, hij uitte niet een woord. Hij bleef zwijgen.
De zot droeg hem, en zij trokken op; zij kwamen aan een rivier, en hij vroeg: Drinkt gij geen water?
De kleine, dien hij gekocht had, bleef zwijgen; hij zette hem neer op den grond. Maar om neer te zitten, hij wist het niet; hij zette hem recht, schepte water in een flesch, en gaf het hem. Hij, hij sprak niet. Hij gaf hem te drinken, maar 't water liep van zijn mond af.
Hij werd kwaad, toen hij zegde: Vooruit, jongen, maak u niet kwaad! Waar gij gaat, zult gij niet eten? Uwe moeder heeft maniokbrooden gereed gemaakt.
Maar de kleine, hij trok niet op.
Hij droeg hem, kwam thuis en ging hem binnenleiden in zijn geheimkamer, legde hem neer op 't bed, en kwam er uit; legde het vleesch dat hij gekocht had op een teenen vlechtsel. Eindelijk kwam zijn vrouw.
De vrouw vroeg hem: Wel! Hebt gij den kleine gekocht?
De man antwoordde: Bereid eerst uw maniok, dan zal ik den kleine halen. Indien gij geen eten voorbereidt, dan toon ik hem niet. Hij op de markt, hij heeft niets geëten, en toen wij op den weg waren, at hij ook niet. Veel schaamte is met hem. Misschien bij u, moeder, zal hij eten. Hij met mij, hij is vol schaamte.
De vrouw stampte maniok; bereidde hem voor; 't was klaar.
Zij doodden een kieken, bereidden het; 't was gedaan.
De vrouw zegde, alzoo: Wel, ga hem halen, dat hij kome eten.
De man ging, maakte hem wakker: Sta op!
Maar hij, hij zegde niets.
De vrouw, alzoo: Draag hem, misschien is hij in slaap.
En hij droeg hem, en hij plaatste hem in de kamer, waar de vrouw was. Om hem recht te zetten, hij kon niet recht.
De vrouw sloeg in hare handen: He moeder, man van een zot, gij koopt een stuk hout; de gasten hebben u bedrogen, gij zijt een tooverbeeld gaan koopen. De gasten hebben uw geld gestolen. He, mijn man, wist gij dat niet? Binnen vier dagen, met den Nsona, ga dat tooverbeeld terugdragen; neem ons geld terug.
Maar de man wilde niet.
Op zekeren dag in 't dorp had een vrouw een geit verloren. Zij kwam tot bij den zot, alzoo: Laat ons gaan, vader, mijn geit is verloren; betoover dengene, die ze gestolen heeft!
En de zot, hij ging.
Toen hij betooverd had, hechtte het toovermiddel zich vast aan den man, die de geit genomen had.
De ouden, die hun kind bezaten, gingen onderzoeken, waarom het ziek was. 't Tooverbeeld werd gevonden; hun kind was ziek, omdat het betooverd was door 't tooverbeeld, dat men Mimbumbu noemt.
Zij gingen den man opzoeken, die dit tooverbeeld bezat. Zij vonden hem en hij kwam. Hij vroeg twee palmnoten en een soort van kruid, dat men dinsusu noemt. Hij bestreek hem; daarna vroeg hij een kieken om het te dooden; zij vatten een kieken, hij sneed het in stukken, en het bloed liet hij loopen op 't tooverbeeld. Hij bereidde het kieken, dat de zieke ete. De toovenaar beval dan: Als hij zijn eten voorbereidt, de menschen, dat zij het niet zien. Bananen, dat hij ze niet aanneme, noch aardnoten, noch hanen.
Maar de ouden kochten dat verbod van geen hanen te eten af, want zij zegden: Veel wandelen wandelen wij op al de wegen. Misschien zal men ons met hanen spijzen. Wie zou dan ander vleesch zoeken?
De toovenaar zegde dan: 't Is wel, koopt dit verbod af. Zij gaven hem negen mitakos. Dit verbod was nu afgekocht en daarmee mocht hij hanen eten.
En de toovenaar ging heen.
Hij, de man, waar hij gebleven was, genas. De toovenaar vroeg: Mijn kikumbi [109] is hij gezond?
Zij antwoordden: Hij is gezond!
De ouden, die hun kind bezaten, deden den toovenaar komen om hun jongen van 't tooverbeeld te verlossen, en om 't verbod te heffen.
De toovenaar kwam; maar de jongen was nog niet verlost.
De toovenaar, hij bleef wachten dicht bij 't dorp. Hij zong een lied met zijn slaven. De ouden, die hun kind bezaten, kwamen af. De toovenaar vroeg: Brengt zeven en twintig mitakos en een bananenrist en een korfje aardnoten en een kieken en een kruik palmwijn.
Zij brachten alles en zij kwamen; zij legden al die zaken vóór hem. De toovenaar vroeg een haan. Zij brachten hem; en hij zegde zoo: Ik steek 't vuur in brand. Wij zullen nu 't toovenaarsgeld bespreken.
Al de ouden kwamen af.
Hij, de toovenaar, overdreef: Vijf duizend mitakos.
Die hun kind bezaten: I, te veel, te veel! Wat zijt gij vandaag tegengekomen?
De kleinen zegden dat, om met hem te spotten.
Maar de ouden antwoordden: Stil, jongens, zegt dat niet. Indien hij gezegd had, wel zeven duizend, zoudt gij het niet betalen, wilt gij u hooger zetten dan den toovenaar?
De ouden stelden drie duizend. De toovenaar antwoordde: Indien ik afbied, ik bied niet meer af; wel vier duizend.
De ouden antwoordden: 't Is wel! Onze kleine is genezen. Armen heeft hij. Zij zijn niet dood. Hij kan werken.
De toovenaar stak 't vuur aan; hij vroeg een beetje poeder, hij vroeg ook een weinig palmwijn. De zieke vroeg een biezenmat; zij plaatsten den zieke op de mat.
De toovenaar heelde den zieke; hij liep rond 't vuur, drie rondloopen. Hij kwam weer terug op de mat; hij heelde weer.
Toen 't heelen gedaan was, vroeg hij zeven en twintig mitakos; hij nam 't verbod weg, en men betaalde hem om zijn toovenaarskunst.
De toovenaar antwoordde: Indien gij wilt, dat uw kind geneze, betaalt wat hij gestolen heeft.
Zij, de ouden, antwoordden: 't Is wel.
En zij gaven andermans geit terug. En de jongen was geheel en al genezen.
De toovenaar kwam terug in zijn dorp. En zijn vrouw, toen zij 't geld zag, dat hij bij zijn toovermiddel had gewonnen, werd jaloersch, en zegde, alzoo: De winst van uw toovermiddel zullen wij verdeelen!