Uit den Kunstschat der Bakongos
Part 5
Hij kwam terug in 't dorp, en zij gaven hem een besem. De Wind viel op den besem, en hij keerde één keren: Na kwâ [80]. Alles was rein. Het plein was gekeerd.
Hij kwam; en de bewoners, alzoo: Nu, kom en ga dat huis daar binnen.
En hij ging binnen, maar de Lijkworm was vooropgegaan en viel op een kist. Kongoniense vatte die kist op en zij vertrokken en hij kwam terug in zijn dorp. Hij hield groote feest, deed de kist open, en hij zag zijne moeder; zij leefde en zij was jonger geworden, heel schoon en schoon.
Kongopatakasa, die dat zag, hoe de moeder van Kongoniense verjongerd was, brak zijn huis af, de stortregen viel en de moeder van Kongopatakasa werd weggespoeld. Hij ging op weg, en hij zocht, hij zocht, hij zocht, zij was niet zichtbaar.
Gedurende den nacht, terwijl hij aan 't slapen was, had hij een droom, alzoo: Uw moeder is bij God den opperste, maar koop negen kruiken palmwijn en gij zult ze terugvinden.
En hij kocht negen kruiken palmwijn en hij ging op weg, en hij kwam den Egel tegen. De Egel, alzoo: Waar gaat gij henen?
En hij, alzoo: Als men u gras toont, gij eet het, daaraan weet men, dat gij egel zijt [81].
Hij ging en hij kwam den Lijkworm tegen, die hem vroeg: Waar gaat gij henen?
Hij, alzoo: Gij op uw vleesch dat rot is, daar leeft gij op en aldus kent men u.
En hij ging voort, en hij kwam den Houtworm tegen, die hem vroeg: Waar gaat gij henen?
Hij, alzoo: Gij, als men u zegt: Knaag uwe boomen, en zoo kan men u kennen.
En hij ging verder en hij kwam den Wind tegen, die hem vroeg: Waar gaat gij henen?
Hij, alzoo: Gij, als gij uwe boomen doet wiegelen, aldus kent men u.
Hij ging en ging en ging, de weg was verloren. Om te gaan, hij wist het niet. Hij kroop 't hooge gras binnen, en hij klom op boven op den berg, tot aan het dorp. Hij zag 't opperhoofd, die bezig was zijn palmnoten aan 't verbrijzelen. Hij, alzoo: De opperhoofden, die hier zijn, zijn slecht!
En hij ging tot in 't dorp en hij vroeg naar zijne moeder. De inwoners van 't dorp, toen zij hem een bosch gewezen hadden, alzoo: Indien gij in één kappen 't bosch afkapt, dan krijgt gij uwe moeder.
Hij ging, hij kapte één kappen op een boom, en de boom viel niet omver.
Hij kwam terug in 't dorp, aldus: Dien boom, dien kan ik niet.
En zij toonden hem het plein. En hij keerde en keerde, en hij kon het niet. 't Zweet liep over zijn lichaam.
De inwoners, alzoo: Wel, ga dat huis binnen, neem uw moeder.
Hij ging 't huis binnen. Toen hij de kist genomen had, vertrok hij naar zijn dorp. Hij noodigde de menschen uit, die in den omtrek waren, dat zij feest kwamen houden; zijne moeder was immers weergevonden.
De gestelde dag, toen hij verschenen was, nam hij de kist, sloeg ze open en... slangen kwamen er uit.
Allen die op 't feest waren, gingen loopen. Hij, Kongopatakasa nam ook de vlucht en hij ging sterven van verdriet.
Mvwila.
DE VERSTANDIGE ZOT
Een zot was met zijne moeder en zijn vader. Zij hadden vele geiten en verkens en kiekens.
Op zekeren dag was zijn vader de rivier overgestoken, om koophandel te drijven. De zot bleef bij zijne moeder.
De Luipaard kwam een geit stelen. De kleine kinderen van 't dorp, alzoo: Heer Zot, de geit van uwen vader, de Luipaard heeft ze gestolen.
Hij, aldus: Mijne moeder heeft mij gebaard en daarmee ben ik tevreden. Wat kan ik anders wenschen?
En zoo, den eenen keer na den anderen, had de Boa het verken gestolen; de Civetkat stal een kieken, en zijne moeder, toen zij naar de rivier ging met een kleinen jongen, had de Crocodil haar gevat. De kleine jongen was opgeklommen naar 't dorp, alzoo: Heer Zot, uwe moeder, de Crocodil heeft ze gevat.
Hij, alzoo: Mijne moeder, zij heeft mij ten minste gebaard.
En de tijd vervloog en vervloog en vervloog. En hij maakte een toovermiddel en hij nam een kleine trommel, en hij ging naar 't hooge gras, dicht bij de rivier. Hij vlocht een langen dragerskorf, en hij legde hem daar neer, en hij begon te trommelen.
De Civetkat kwam te voorschijn, alzoo: He, Meester Zot, wat is er? Wat doet gij?
Heer Zot, alzoo: Die mijne hen gestolen heeft, ben ik bezig aan 't betooveren.
Zij, de Civetkat, alzoo: He, mijn beste, ik heb ze gepakt. Sedert ik ze gepakt heb, nog geen pluimken heb ik er van uitgetrokken. In mijn dorp is zij; zij heeft tien eiers gelegd.
Hij, alzoo: Ga, en breng ze mij.
En de Civetkat trok op en zij ging de hen halen en zij bracht ze.
Heer Zot, aldus: Gij, moeder Civetkat, leg de hen daar; en gij, blijf hier.
En hij legde de Civetkat in 't begin van den dragerskorf.
Toen hij de trommel weer speelde, kwam de Luipaard te voorschijn, en hij zegde: Wat doet gij, Heer Zot?
Heer Zot, aldus: Die mijne geit gestolen heeft, ben ik bezig aan 't betooveren.
En hij, de Luipaard, alzoo: He, mijn vriend, ik stal ze. In mijn dorp is zij; zij heeft tien jongeren gebaard.
En hij, alzoo: Ga en breng ze mij.
De Luipaard trok op en hij ging de geit halen met haar tien jongeren en bracht ze.
Heer Zot, aldus: Gij, Luipaard, laat de geit daar staan, en kom hier, waar de Civetkat is in den dragerskorf.
Toen hij weer trommelde, kwam de Boa te voorschijn en sprak, aldus: Wie is daar bezig en wat is er?
En hij, alzoo: Die mijn verken gestolen heeft, ben ik aan 't betooveren.
De Boa, aldus: Uw verken, ik heb het gestolen, in mijn dorp is het. Twintig jongeren heeft het gebaard.
Heer Zot, sprak aldus: Ga naar 't dorp en breng mijn verken met de jongskens.
De Boa ging en hij kwam aan.
Heer Zot, aldus: De verkens, bind ze daar vast, waar de geit is, en gij, kom hier bij den Luipaard.
Toen hij weer getrommeld had, kwam de Crocodil af en sprak, alzoo: Wat scheelt er, dat gij dat lied zingt?
Heer Zot, aldus: Die mijne moeder gevat heeft, ben ik aan 't betooveren.
De Crocodil, aldus: Sedert ik haar gevat heb, in 't dorp is zij en zij zit op een biezenmat; alle dagen bestrijkt zij haar met rood.
Heer Zot, sprak aldus: Ga en breng ze hier.
En de Crocodil trok op.
Wanneer de Crocodil gekomen was, zegde Heer Zot, alzoo: Laat mijne moeder daar staan, en gij, kom hier.
Toen hij ze allen in den dragerskorf geplaatst had en de Civetkat en den Luipaard en den Boa en de Crocodil, sneed hij banaanbladeren af; hij hield ze boven 't vuur om ze een weinig te verdrogen en hij bedekte den dragerskorf er mede en hij bond hem vast en hij trok met hevige kracht [82].
De Luipaard sprak alzoo: Wo! Wat doet gij, Heer Zot?
Hij, Heer Zot, alzoo: 't Is geen erg, blijf maar stil.
En hij maakte den dragerskorf vast.
Toen zegde hij aan zijne moeder, alzoo: Gij, ga voorop.
De geiten en de andere dieren volgden haar en hij sprak, alzoo: Ga langs dien weg naar huis.
Toen nam hij den dragerskorf op zijne schouders, en hij zwierde en zwaaide hem onderweg.
De Civetkat, alzoo: Waar wij henengaan, waar is 't ergens?
En hij alzoo: Het toovermiddel wil ik u kwijt geraken. Ik ook, toen ik het ontvangen heb, heeft men mij ook zoo behandeld.
Toen gingen zij de brug der rivier over, en in 't midden van de brug gekomen, wierp hij den dragerskorf in de rivier. En allen stierven, allen.
En hij trok naar zijn dorp en hij deed eene geit dood en hij spijsde zijne moeder.
Toen zijn vader terugkwam, gaf hij hem ook een verken, alzoo: Ik, toen ik hier bleef, had men mij alles gestolen; vandaag heb ik alles teruggevonden. En hij hield groote feest.
Ndewa.
DE VERLOREN KRUIK
Eene moeder had twee kinderen gebaard, Nsamba, de oudste, Nkenge de jongste. Zij, de moeder was een stuk land aardnoten aan 't bewerken. Toen zij aan 't hakken waren, zij, de moeder beval aan Nkenge, alzoo: He, moeder, ga mij water putten!
Nkenge, toen zij de kalebas genomen had, toen zij water schepte, maar toen zij de kruik overhelde, de kruik ging aan 't verdwijnen. Zij, Nkenge, alzoo: Ia [83]! Waarom zie ik zoo? Water schep ik, de kruik is aan 't duiken.
En de kruik verdween in 't water.
Zij, alzoo: He, moeder, een andermans kruik, die van moeder is verdwenen in 't water. Als ik terugkom bij moeder zonder iets, zal zij mij slaan. Wacht, ik ook, ik val in 't water, ik volg een andermans kruik van moeder.
Zij, 't meisje, toen zij in 't water viel, zij verdween; zij, zij kwam niet meer boven op den oever. En zij ging tot aan de bende van de Ba Ngola [84], alzoo: He gij, mannen, wie heeft er mij de kruik gepakt?
Zij, de Ba Ngola, alzoo: Volg in de bende van de Ba Nzonzi [85], daar gaat een mensch, die heeft een kruik.
En zij ging bij de bende van de Ba Nzonzi, alzoo: He, gij mannen, wie heeft er mij de kruik gepakt?
Zij, de Ba Nzonzi, alzoo: He, moeder, jonge vrouw, volg de bende van de Makaki [86], daar gaat een mensch met een kruik.
Zij, toen zij ging bij de bende van de Makaki, alzoo: Haast u, volg daar die bende van de Binkolo[86].
En zij ging. De Binkolo, alzoo: Volg tot in 't dorp waar menschen zijn; daar is een jongeling, die de kruik genomen heeft.
Toen zij daar ging, vroeg zij, alzoo: He, gij, jongelingen, wie heeft mijn kruik?
Deze drie jongelingen, toen zij haar antwoordden, alzoo: Wacht hier. Wij zoeken den mensch, die uw kruik genomen heeft.
En de drie jongelingen, zij zochten en zochten en vonden de kruik.
Maar Nti nene Kuvwemba, de oudste, zegde alzoo: Hier zijn wij alle drie; zeg onze namen, dan zullen wij uwe kruik toonen?
Zij, Nkenge, aldus: Ik, ik ken u niet bij uwe namen, hoe zou ik uwe namen zeggen?
Zij, dus: Zoo gij onze namen niet zegt, de kruik, die krijgt gij ook niet.
Nkenge zegde, alzoo: 't Is niets; ik, ik blijf hier; dien dag dat ik de kruik van Moeder krijg, dan trek ik op.
Onder de drie jongelingen, sprak er een (Nkalu-nkalu Kilomba, was zijn naam): Wel, 't is goed, slaap hier; ga morgen naar onze landen van aardnoten, ga ons onze aardnoten uitdoen.
Nkenge, alzoo: Ik neem het aan.
Hij, Kinkalu-nkalu Kilomba, ging mee naar 't veld en toonde haar de aardnoten; hij kwam terug. Zij, Nkenge bleef daar, zij alleen.
Nti nene Kuvwemba, toen hij in een vogel veranderd was, kwam zitten op een boom, dicht bij 't aardnotenland, en hij zong in zijn lied, alzoo: Nkenge, hebt gij geene ooren? Een andermans vogel, Nti nene Kuvwemba. Een andermans vogel, Nzila nzadi, nzila Lemba. Een andermans vogel, Kinkalu-nkalu Kilomba. Maar als gij de rivier doorstapt, aan 't water kom er niet aan om te drinken.
Zij, Nkenge, zij ook zij zong dien zang, en zij kwam tot aan 't water; zij dronk water, en 't lied was vergeten. Toen zij kwam, toen zij de aardnoten aanbood, alzoo: He, mannen, neemt uwe aardnoten aan.
Zij, de mannen, alzoo: Zeg onze namen; dan eerst eten wij aardnoten. Zoo gij onze namen niet zegt, dan eten wij geen aardnoten. Dien dag dat gij onze namen zegt, dan zullen wij uwe kruik geven. Dien dag ook voeren wij u terug tot den vijver, waar wij u gevat hebben.
Zij, Nkenge, alzoo: Uwe namen, ik en weet ze niet, mannen, hoe zou ik ze zeggen?
En zij sliepen. 't Weder was klaar geworden. Zij, Nkenge ging dan naar de velden van aardnoten. Terwijl zij aan 't werken was, de vogel kwam weer af, alzoo: He, Nkenge, Nkenge, hebt gij geene ooren?
En hij zong de namen in zijn lied.
Toen zij kwam tot aan 't water, alzoo: Vandaag, drink ik geen water, omdat mijn lied verdwijnt, als ik water drink.
Toen kwam zij tot in 't dorp; zij, Nkenge was 't lied aan 't zingen.
Zij, de jongelingen, alzoo: Hoort nu Nkenge, wat lied komt zij zingen? De namen, wie heeft ze haar gezegd?
En zij kwam tot in 't dorp, zij bood de aardnoten aan, en zij gaf ze aan de jongelingen, alzoo: Wij, wij zullen aardnoten eten, als gij onze namen zegt.
Zij, Nkenge, alzoo: Gij, de oudste: Nti nene Kuvwemba. De volgende: Nzila nzadi, nzila Lemba. De jongste: Kinkalu-nkalu Kilomba.
De jongelingen, dan: 't Is wel, beste. Wie heeft u onze namen gezegd?
Zij, alzoo: Ik alleen, ik heb ze uitgedacht in mijn verstand.
Toen zij hare kruik deden te voorschijn komen, betaalde zij haar nog vadems stof en verkens en kiekens, alzoo: Nu vooruit, wij gaan u terugvoeren, daar waar uwe moeder is en uw vader.
En zij kwamen, en zij brachten Nkenge terug op den hoop waar men 't veegsel werpt. En zij verdwenen.
Zij, de moeder, toen zij haar huis uitkeerde, riep hare dochter Nsamba, alzoo: He, moeder, raap 't veegsel op, werp het op den vuilnishoop.
Zij, Nsamba wilde niet; hare hardnekkigheid toonde zij.
De moeder, alzoo: Kom, he, beste moeder, ngudi mpasi [87].
Zij, Nsamba, toen zij dat hoorde, zij nam 't veegsel op en zij wierp het weg. Toen zij 't veegsel wierp, zij, Nkenge sprak, alzoo: Wo! Wie komt hier 't veegsel in mijn gezicht werpen.
Zij, Nsamba, alzoo: He, moeder!
De moeder, alzoo: Wat is er?
Zij, alzoo: Hoor; die hier spreekt op den vuilnishoop, de stem juist van Nkenge.
Zij, de moeder, alzoo: Men heeft u betooverd, kind. Kom mij niet vervolgen? Nkenge is zij al niet lang doodgegaan?
Zij, Nsamba dan: Kom gij alleen, kom en luister.
Zij, de moeder, zij kwam; toen zij wierp, 't kind sprak.
Zij, dus: Kom er uit, moeder; kom bij mij, uwe moeder.
Zij, alzoo: Ik, hoe kom ik er uit, moeder, hebt gij alles vergeten?
Zij, de moeder, dus: 't Is wel, moeder, kom er uit. Ik heb alles vergeten.
Zij deed de trommels komen, om 't feest op te luisteren.
Omdat zij haar weduwestaat begonnen had, was heel haar aangezicht geworden, alzoo: Piu [88]. En zij werd weer gelijk zij was, en zij gaf haar kind eten.
En de trommels weergalmden en weergalmden, omdat haar kind, dat verloren was, was teruggevonden.
Mvwila.
DE WRAAK VAN MPINGIA [89]
Eene moeder had een kind gebaard; de naam van de moeder was Nsamba, de naam van het kind Nkenge. De moeder zegde zoo: Iedere jongeling, die dit kind trouwt, dat hij negen kokers blaze. Als hij die negen kokers kan blazen, dan neemt hij zijne vrouw.
Op zekeren dag kwam de Muscuskat af, en vroeg, alzoo: He, gij, Nkenge, wie heeft u getrouwd?
Zij, alzoo: Mijne moeder heeft mij gezegd, alzoo: Als gij wilt om mij te trouwen, blaas negen kokers.
De Muscuskat zegde zoo: Het dik gras, dat ik eet, doet veel pijn en dan zoudt gij zeggen dat ik deze dingen van kokers niet kan blazen?
Hij blies twee kokers; maar zijn mond scheurde en hij ging rap loopen.
Daarna kwam de Aap en hij vroeg, alzoo: He, gij Nkenge, wie heeft u getrouwd?
Mijne moeder heeft mij gezegd, alzoo: Als gij wilt om mij te trouwen, blaas negen kokers.
De Aap zegde zoo: Maïs en caoutchoucvruchten, die heel hard zijn, ik slaag erin om ze op te eten en dan zoudt gij zeggen dat ik deze dingen van kokers niet kan blazen.
Toen hij acht kokers geblazen had, scheurde zijn mond en hij ging loopen.
Daarna kwam de Mpingia en hij zegde zoo: He, gij, Nkenge, wie heeft u getrouwd?
Mijne moeder heeft mij gezegd, alzoo: Als gij wilt om mij te trouwen, blaas negen kokers. De Muscuskat en de Aap, die u voorafgegaan zijn, zijn gaan loopen en gij, gij zoudt dat kunnen?
De Mpingia, alzoo: Gij, kent gij mijn spreekwoord niet? Ik ben de Mpingia, ik toon den Ngoni [90].
Nkenge sprak dus: 't Is wel, blaas de kokers, en trouw mij.
De Mpingia blies de kokers. 't Was gedaan.
De moeder deed drie geiten slachten en zond de vrouw naar Ma [91] Mpingia. Maar toen zij op weg waren, zegde de Muscuskat, alzoo: Ik, ik heb mij den mond gescheurd om deze vrouw te trouwen, en gij, Mpingia, een klein kind, gij zoudt eene vrouw doen gehoorzamen?
Ma Mpingia zocht Ma Nsombi [92], om de zaak te regelen. Maar Ma Nsombi, toen hij kwam, toen hij deze schoone vrouw zag, nam ze van Mpingia af.
Ma Mpingia ging bij de tooveraars en zegde: Ziet gij, ouden, ik heb mijne echtgenoote getrouwd. Welnu, Ma Nsombi heeft mijne vrouw afgenomen.
De tooveraars, alzoo: Geef ons eene geit, wij zullen u leeren hoe gij doet.
Ma Mpingia gaf eene geit; een oude tooveraar gaf een tooverbeeld en hij zegde alzoo: Begraaf het in het dorp van Ma Nsombi [93].
Ma Mpingia begroef het tooverbeeld in 't dorp van Ma Nsombi. Toen hij wegging, werd het weder donker. En gedurende twee lange jaren, de dag, hij verscheen niet meer, altijd nacht en nacht en nacht [94]. Vele menschen waren daarover verwonderd, en zij zeiden, alzoo: Onze dag verscheen altijd, en nu is het nacht, en nacht.
Maar toen hoorden zij 't nieuws, alzoo: Ma Nsombi heeft de vrouw van Ma Mpingia afgenomen, en 't is daarom dat de dag niet meer verschijnt.
De ouden vereenigden zich in dien nacht; zij gingen naar Ma Nsombi, en zij zegden, alzoo: Geef de vrouw van Ma Mpingia terug, dat zij een andermans dag doe verschijnen; de menschen sterven van honger, omdat het altijd donkere nacht is en men niet werken kan.
Maar Ma Nsombi, als hij deze schoone vrouw zag, wilde ze niet teruggeven, en hij ging vluchten naar een verafgelegen land.
Toen hij vluchtte, was de regen gevallen. De vrouwen gingen naar 't water in 't midden van dien nacht, en zij zagen de voetstappen van Ma Nsombi; en zij zegden, alzoo: Wij hebben de voetstappen van Ma Nsombi gezien, die vluchtte met een andermans vrouw.
De ouden toen zij dit hoorden, speelden de klokjes, vereenigden de geweren, gingen hem volgen. Toen zij hem vonden, waar hij sliep, wilden zij hem dooden; maar toen hij de geweren zag, beven en beefde hij; en hij zegde, alzoo: Vat mij stillekens; de vrouw, zij is immers hier.
Zij vatten Ma Nsombi en de vrouw, voerden ze terug naar Ma Mpingia. Ma Mpingia, toen hij zijne vrouw zag, zegde zoo: Waarom zijt gij niet gevlucht uit het huis van Ma Nsombi, om bij mij te komen? Ik gaf u geld.
Maar de vrouw zegde zoo: Ma Nsombi verborg mij.
De opperhoofden zegden zoo: Wel, Ma Mpingia, nu dat gij uwe vrouw ziet, doe een andermans dag opklaren.
Maar Ma Mpingia, alzoo: Doodt eerst Ma Nsombi, dan zal ik den dag doen opklaren.
Wanneer zij Ma Nsombi gedood hadden, nam hij zijne vrouw, en hij zegde, alzoo: Leert wel uwe dochter; als zij een anderen jongeling ziet, dat zij er niet mede koute. Indien ik stierf van droefheid, zoudt gij niet berispt worden en niet moeten betalen?
De moeder die 't meisje bezat, kwam naderbij en zegde zoo: Ziet gij, te veel jeugdige streken, Mama, hebt gij getoond; uwe broeders zijn van den honger gestorven, omdat Ma Mpingia 't weder heeft duister gemaakt. 't Is al nacht, twee jaren lang. Wandelen, wij wandelen niet. Vandaag zweer het ons, maak geen vriendschap meer met jongelieden; ken uwen man, die u geld zal geven.
De moeder van het kind deed eene geit slachten, deelde ze uit aan de opperhoofden, die de zaak van Ma Mpingia geregeld hadden.
Dan deed Ma Mpingia 't weder weer opklaren.
Ware 't niet geweest, dat de opperhoofden van de streek naar Ma Nsombi gezocht hadden, dan zou de dag nu nog niet klaar geworden zijn.
He, jongeling, en jonge dochter, zweert den eed, gaat niet meer langs die wegen, die slecht zijn. Wat God gebonden heeft, maakt het niet los.
Kindingi.
NKUMINA
Eene vrouw ging hout rapen. Toen zij ging, zag zij de kleinen van eenen Luipaard in 't hol van eenen boom. Zij nam er eenen, en zij kwam in 't dorp. Toen zij hem voorbereid had, at zij hem op. Op een anderen dag ging zij terug, en zij nam de twee andere kinderen van den Luipaard. Maar toen zij op den weg was, kwam de Luipaard aan.
Hij, alzoo: Wat voor zaken liggen daar in uw korf?
Zij, alzoo: Vader, mijn maniok ligt daarin.
En hij, alzoo: Zet uwen korf op den grond neer.
En zij legde den korf neer en de Luipaard, toen hij keek, zag zijn twee kinderen: He, he! Moeder, ik verscheur u. Ik vat u. Wat! Gij, mijne kinderen zijt gij komen stelen!
En zij, alzoo: Vader, laat mij gaan, ik ben zwanger. Wanneer ik gebaard heb, indien het een meisje is, 't is uwe vrouw; indien het een jongen is, uw naam draagt hij.
De tijd vervloog, de vrouw had gebaard. 't Was een meisje. De Luipaard, toen hij 't nieuws hoorde, alzoo: Uwe schoonmoeder heeft gebaard, 't is een meisje.
En hij kocht vleesch en parels, en drie kruiken palmwijn.
En hij kwam tot bij de vrouw, en hij schonk haar den palmwijn uit, alzoo: Gij, gij hebt het mij beloofd; om mijne vrouw ben ik gekomen.
En zij dronk den palmwijn; toen hij uit was, alzoo: Vader, wel, blijf daar staan in den omtrek, ik zal 't meisje naar 't water sturen.
De Luipaard ging zich verbergen. Zij, de moeder, zij riep haar kind, alzoo: Nkumin'e! Nkumin'e!
Zij, alzoo: Hier ben ik.
Zij, de moeder, alzoo: Kom hier, moeder, ga water scheppen.
Zij nam twee kruiken op, zij legde ze in haar korf. En zij ging naar 't water, en zij schepte; de kruik legde zij in 't hooge gras. Zij schepte weer water met de andere kruik. Toen de kruik vol was, legde zij ze in haren korf. Zij wilde vertrekken, maar de Luipaard had haar gevat.
In 't dorp waar vader en moeder waren, had men den weduwestaat van hun verloren kind begonnen.
Nkumina waar zij gegaan was, op zekeren dag, zegde zij tot den Luipaard, alzoo: Mijn maniok, die in mijn dorp gebleven is, ga ik in 't water leggen.
Hij, de Luipaard, alzoo: Ik ga u bewaken.
Zij, alzoo: Wel, gij, oude grijsaard, gij zijt oud, ik zou u moeten dragen tot aan 't maniokland. Gij, ga wild jagen.
Nkumina, toen zij afkwam, hadden de vrouwen, die in 't dorp gebleven waren, zich vereenigd, alzoo: Welaan, laat ons gaan, wij doen onze aardnoten uit.
En zij gingen naar 't veld. Zij, toen zij kwam, bleef staan op den kleigrond. En zij speelde den koker, alzoo: Ke, ke, ke! Zij, de moeien, alzoo: Luistert, wie komt daar den koker spelen?
Zij, Nkumina hief een lied aan, alzoo: Ik ben gegaan, ik de arme Nkumina. Weet ge, mama heeft mij opgeëten [95], en vader weet het niet.
En zij zong dat lied, en zij kwam het zingen tot aan het water.
De Luipaard, waar hij gebleven was, had twee wilde geiten gevat en twee egels ook. En hij kwam ze neerleggen, alzoo: Neem uw vleesch aan, bereid het.
Toen zij het voorbereid had, zij aten het, 't was klaar.
Zij, die op 't veld waren, toen zij in 't dorp kwamen waar de vader was, alzoo: Uw kind komt weenen op den kleigrond, alzoo: Ik ben gegaan, ik de arme Nkumina; weet gij, mama heeft mij opgeëten, en vader weet het niet.
Hij, de vader, alzoo: 't Is leugen, gij liegt.
Zij, alzoo: He, beste vader, 't is geen leugen. Op een anderen dag, kom, ga met ons mede, en gij zult het zelf hooren.
Zij, 't meisje, waar zij was, dacht, alzoo: Vandaag ga ik naar 't land, ik ga de andere maniokwortels, die er nog overblijven, uittrekken.
En zij kwam, zij kwam dichtbij, en zij bleef daar staan.
Zij, de vrouwen kwamen ook om aardnoten uit te doen. Zij, toen zij kwam en kwam en kwam, speelde weer den koker.
Een oude onder de vrouwen, sprak: He, gij, kinderen, houdt op met tateren; hoort gij den koker niet?
En zij hief weer 't lied aan: Ik ben gegaan, ik de arme Nkumina; weet gij, mama heeft mij opgeëten en vader weet het niet.
En 't lied weergalmde, en 't werd droevig en droeviger, en zij weende.
Zij, de vrouwen, alzoo: Moeder, kom terug; kom uwe aardnoten nemen.
Maar omdat zij vol schaamte was, dat zij uit haar dorp vertrokken was met den Luipaard, durfde zij niet meer bij hen komen. En zij ging en zij ging, zij kwam aan de rivier aan: Wacht, ik wasch mijn aangezicht af.
De Luipaard, waar hij gebleven was, had drie reebokken gevat en een antilope. Zij hakte 't vleesch in stukken, zij maakte het gereed, zij aten en 't was klaar.
De vrouwen toen zij in 't dorp kwamen, vertelden weer 't nieuws, alzoo: Gij, hoort gij, wij vertellen u 't gebeurde, en gij, gij maakt u slechts kwaad. Uw kind waarlijk is daar komen weenen op den kleigrond. Wanneer wij u roepen, dat gij komet, gij wilt niet. Maar vandaag, vooruit, neem uw kind terug.
En hij, hij nam zijn geweer, en zij gingen tot aan 't aardnotenland.
Zij, de vrouwen, alzoo: Neem uwe aardnoten aan en eet. Misschien zal zij niet rap komen, en uw hart zal honger lijden; dus neem uwe aardnoten en misschien zal zij daarna afkomen.
Hij, alzoo: Neen, ik wil niet, ik eet geene aardnoten, want dat hart van mijn kind is al lang verloren en verloren.
En zij toonden den kleigrond. En hij ging daar staan. En hij wachtte en wachtte, zijn hart had honger. En hij kwam. En zij, Nkumina, zijn kind, kwam hem daar vervangen. En men hoorde den koker, hij sprak.
De vrouwen, alzoo: Luister, hoort gij den koker niet, die daar aan 't weergalmen is, waar gij stondt. Wel, gij, man, hebt gij geen verstand?