Uit den Kunstschat der Bakongos

Part 4

Chapter 44,246 wordsPublic domain

En hij ging. Toen hij daar aankwam, begon hij eenige kleinen te slaan; maar de anderen, alzoo: He, grijsaard [63], slaat ons niet voor niet; kom zelf en luister, vermits gij gekomen zijt.

En hij nam een kapmes en hij sloeg, alzoo: Te!

De boom spreken begon te spreken en hief een lied aan, alzoo: He, kleinen! Wij verblijven in 't bosch.

De Luipaard, als hij het lied hoorde, viel aan 't dansen met al de kleinen te zamen, en sprak alzoo: He, mijn kind Kiteba, maak de plaats schoon, en laat ons wel dansen. Dat vijf kleinen naar 't dorp terugtrekken. Haalt de vijf baaltjes stof, die wij om 't lijk mijner moeder gedaan hebben. Deze boom vraagt dit alzoo, omdat mijne moeder misschien in den boom is binnengedrongen; zij wil misschien niet dat men haar begrave.

De kleinen gingen de vijf balen stof halen, en zij kwamen. De Luipaard deed al de stof rond den boom. Al wat hij bezat, was er rond, en niets meer bleef er over om feest te houden. Hij dwaalde overal rond. Iets om zijne moeder te begraven, niets.

't Was avond geworden, en men trok terug naar 't dorp.

De Gazelle, toen zij zag, dat men vertrokken was, kwam uit den boom; zij verzamelde al de balen, trok op en ging ze verbergen. Daarna ging zij terug naar haar dorp.

Men sliep; 't weder was klaar geworden. De Luipaard beval aan de slaven, alzoo: Welaan gaat zien, waar wij de balen stof gelaten hebben.

Maar er bleef niets meer over. Alles was verdwenen.

De Luipaard dwalen hij dwaalde, en hij had hoegenaamd niets om zijne moeder te begraven.

En de Gazelle bracht hem drie balen stof, men bond ze om het lijk, en men begroef het.

En de vreemdelingen, die de Luipaard had uitgenoodigd om den doodendans zijner moeder te dansen, hij had niets om hun te geven. Toen de Gazelle dat zag, ging zij een verken slachten, en zij verdeelde het aan de vreemdelingen.

En eenieder trok terug naar zijn dorp. Maar de Luipaard was vol schaamte.

Kivwanza.

DE WRAAK VAN DE GAZELLE

Zij hadden beiden hun boonenland bewerkt; zij hadden de boonen geplant; zij waren rijp. Toen zij rijp waren, den dag van den Nkandu [64], zegden zij alzoo: Kom, wij gaan de boonen op de markt verkoopen.

En zij gingen, zij verkochten hunne boonen. De Luipaard ontving twaalf frank, de Gazelle zes frank. En zij kwamen terug, en zij zegden zoo: Laat ons 't geld tellen.

Toen zij telden, had de Luipaard 't meeste. Hij, alzoo: Ik, moeder, de zakken vol boonen heb ik tot op de markt gedragen, daarom heb ik die twaalf frank.

En zij kwamen tot in hun dorp.

Op een anderen dag, alzoo: Kom, wij gaan boonen trekken.

En zij trokken boonen en vulden de zakken.

De dag van den Nkandu was weer aangebroken; de Luipaard kreeg zes frank, de Gazelle maar drie.

Maar er kwam nijd in het hart van de Gazelle. En de vriendschap stierf uit; zij beminden malkander niet meer. De Gazelle, veranderde zich in een schoone jonkvrouw, en zij kwam den Luipaard afwachten aan den doorgang eener rivier. De Luipaard vroeg, alzoo: Gij, van waar zijt gij gekomen?

Zij, alzoo: Dwalen, ik dwaal in deze streek. Ik ben nog een jeugdige maagd. Ik ben hier aan 't dwalen en dwalen, ik alleen.

Dan vroeg de Luipaard, alzoo: Wie heeft u getrouwd?

Zij, alzoo: Ik, ik heb geen man.

Hij, alzoo: Uw dorp waar is 't?

Zij, alzoo: Mijn dorp is Kipasa.

Hij, alzoo: Toekomenden Nkandu, kom hier aan den doorgang, dan zien wij malkander.

Op dien dag van den Nkandu, toen de zon was opgekomen en 't klaar geworden was, hij de Luipaard, toen hij boonen had geplukt met zijn kind Kiteba en met de Gazelle, hij wist niet dat het een schijn was, die met hem ging wandelen. Hij dacht waarlijk: 't is zij, de Gazelle... En 't was maar een schijn. Hij aldus: Vooruit, naar de markt.

En zij gingen en zij verkochten de boonen op de markt; en hij bedroog zijn kind Kiteba, alzoo: Wel, ga langs hier den weg van Kimuingu; ik langs den weg van Kiduma ga ik.

En hij kwam langs den weg van Kiduma, tot aan den doorgang van 't water; en hij kwam bij de jonge maagd aan. En terwijl zij spraken en spraken, zij de jonkvrouw haalde maniokbrooden en twee kiekens te voorschijn, en zij gaf het aan den Luipaard. En de Luipaard liet haar drie frank, alzoo: Toekomenden Nkandu, den dezen niet, maar den volgenden, dan zien wij malkander weer.

De dag van den Nkandu, die gesteld was, was aangebroken, en hij ging de markt voorbij, en terwijl hij ging en ging, speelde hij zijn kisansi [65]. En hij speelde en speelde, en zong een lied tot hij kwam aan den doorgang van de rivier. En hij kwam, en hij kwam nader bij tot de Gazelle.

Zij, de Gazelle, sprak alzoo: Ik met u, Luipaard, wij gaan te zamen.

Hij, de Luipaard alzoo, toen hij dat hoorde: He, moeder, beste moeder, vooruit!

En zij gingen, en gingen, en de Luipaard speelde en speelde op zijn kisansi!... Hij had immers zijne vrouw gevonden. Zij, de Gazelle, gaf hem een anderen naam, alzoo: Ik, mijn naam is Nzekele.

Hij, de Luipaard, toen hij dat hoorde, en door de zotheid verblind, alzoo: He, Nzekele, mijn kind, sta op, en begin te dansen!

En zij aan 't dansen was zij. En zij danste en danste, en daarna trokken zij op naar hun dorp.

De avond was gevallen. Hij de Luipaard, alzoo: Kom nu 't huis binnen.

Zij, alzoo: Ik, voor dat ik in dit huis treed, trek al de nagels uwer vingers!

En hij trok de nagels zijner vingers uit.

Allen waren uitgetrokken, en hij aldus: Kom nu binnen.

Ik, eer ik in huis treed, doe al de teenen uwer voeten af.

En hij deed de teenen zijner voeten af; en hij alzoo: Kom nu binnen.

Ik, eer ik in huis treed, nu de vingers uwer armen.

En hij deed de vingers zijner armen af, en hij alzoo: Kom binnen in huis!

Zij, alzoo: Snijd uwe voeten af!

En hij sneed zijne voeten af, en hij alzoo: He, liefste, kom nu binnen.

Zij, alzoo: Snijd uwe armen af.

En hij sneed zijne armen af, en alzoo: Kom nu binnen.

Eerst en vooral dat men uw neus afsnijde!

En hij sneed zijn neus af.

En nu, eer ik binnenga, doe uwe tanden en oogen uit!

En hij deed zijne tanden en oogen uit, en alzoo: Nu, Nzekele, kom binnen!

Eer ik binnen kome, moet gij uw hart afsnijden!

En hij sneed zijn hart af, alzoo: Nu, kom binnen.

Eerst moet men u met een nagel doorboren!

En men doorboorde hem met een nagel. En de Luipaard stierf.

En de Luipaard, hij stierf, en de Gazelle sprak alzoo: Gij, kleine Kiteba, wie gaat u nu verzorgen? Ik ben de Gazelle. Ik ben de Gazelle van verstand, 't lievelingskind van mijne moeder!

En zij nam al 't geld en 't goed op, dat de Luipaard had achtergelaten; en Kiteba ging zij verkoopen aan den anderen kant der rivier.

Makanga.

APOLOGEN

HEER FUNGWA

Heer Fungwa was een schoon jongeling. Op zekeren dag, was hij gaan wandelen in een dorre streek; hij kwam een schoone jonkvrouw tegen, haar naam was Miese.

Heer Fungwa sprak alzoo met den mond: He gij daar, vrouw, geef mij water, dat ik drinke, want mijn hart brandt mij met een branden van den dorst om water.

Dan zei de jonkvrouw ook met den mond, alzoo: Drink maar, vader man [66], aan mijne kruik.

En heer Fungwa ook, vatte de kruik en hij dronk er aan.

Toen Heer Fungwa gedronken had, zegde hij deze zaak met den mond alzoo: O gij deze vrouw, wie is uw verloofde?

En de jonge vrouw met den mond, alzoo: Ik ben nog niet getrouwd, maar mijn vader is dood, hij. Maar toen hij dood ging, riep hij uit, alzoo: Vandaag, 't is mijn sterven, maar ieder man, die mijn dochter Miese trouwt, vraagt hem geen geld, maar alleenlijk dat hij den doodenzang kome aanheffen, en dat die zang zich verspreide in heel de omstreek, en hij, hij trouwt mijne dochter. Maar dien doodenzang, dat hij hem kome aanheffen, daar waar ik aan 't droogen lig [67], waar men mij beweent, ik haar vader.

Zoo uitte zich mijn vader aan mijne moeder en aan mijne ouden.

Heer Fungwa, toen hij dit hoorde, sprak met den mond alzoo: 't Is wel, ik zal dien doodenzang komen aanheffen waar men uw vader gelegd heeft.

Zij, de jonge dochter ook, wilde niet redetwisten, en zij sprak alzoo: 't Is zoo wel, ik verlang u; kom den doodenzang aanheffen waar mijn vader begraven ligt en dan word ik uw echtgenoote.

Heer Fungwa ging naar zijn dorp. En hij ging denken, en denken en denken op dien doodenzang, dien hij ging aanheffen bij zijne verwanten, maar hij kon dien hoegenaamd niet uitvinden.

Daarna ging hij Heer Ngundu Nkunga verwittigen, dat hij kome den doodenzang aanheffen, daar waar zijn schoonvader begraven lag.

En Heer Fungwa droeg palmwijn mede naar Heer Ngundu Nkunga, en hij zeide tot Heer Ngundu Nkunga, alzoo: He, mijn vriend Heer Ngundu Nkunga, ik smeek u, laat ons gaan, en hef voor mij den doodenzang aan bij mijn schoonvader, waar ik mijne vrouw trouw met den doodenzang immers, en niet met geld, toen zij zegden, alzoo: Als gij den doodenzang komt aanheffen, de vrouw, die den naam draagt van Miese, dan wordt zij uwe echtgenoote. Maar sedert men mij dit gezegd heeft, ik denk op dien doodenzang, en ik denk, ik denk, ik denk, en ik heb hem nog hoegenaamd niet gevonden. 't Is daarom, dat ik gekomen ben om u te vragen, maar ik ben niet ledig gekomen; daar, die kruik, heb ik voor u medegebracht.

En dan had Heer Ngundu Nkunga zijnen palmwijn lief, en zij dronken hem te zamen uit. En zij bepaalden den dag waarop zij tot hunne verwanten zouden gaan.

De dag, toen hij aangebroken was, brachten zij te zamen tien kruiken palmwijn, en vijf geiten en twee gesneden verkens en twintig kiekens. Zij vereenigden ook eene bende van hunne slaven. En zij gingen naar hun verwantschap. Toen zij daar aankwamen, zegden zij, alzoo: Wij, wij weenen in den dag niet, in den nacht alleen weenen wij.

De verwantschap ook, alzoo: 't Is wel.

Dan wees men hun een slaapvertrek aan. Daarna gaven zij ook al de zaken, die zij medegebracht hadden voor hun verwantschap.

Dan ging Heer Ngundu Nkunga, Heer Fungwa leeren, achter 't huis, alzoo: Maar gij, Heer Fungwa, als wij zullen binnengaan in 't doodenhuis om te weenen, daar waar uw schoonvader ligt, dan zult gij mij Ngundu Nkunga vatten, gij zult mij onder uwen mantel verbergen, alzoo kan men niet weten dat ik, Ngundu Nkunga, den doodenzang aanhef. Dit zullen zij alleenlijk denken, alzoo: Heer Fungwa, hij, hij zelf heeft den doodenzang aangeheven.

Dan ook viel de nacht. Alle man, en de menschen van 't dorp en zij de vreemdelingen gingen de doodenkamer binnen.

Heer Fungwa ook nam Heer Ngundu Nkunga, stak hem onder zijnen mantel. Heer Ngundu Nkunga zeide tot Heer Fungwa, alzoo: Als gij een klop slaat onder den mantel waar ik ben, dan weet ik, dat ik den doodenzang moet aanheffen.

Dan waren zij allen binnengetreden. Heer Fungwa ook kwam binnen en ging zitten aan den kant van de voeten van zijn schoonvader.

En Heer Fungwa had een klop geslagen onder den mantel, waar Heer Ngundu Nkunga zat. Dan hief Heer Ngundu Nkunga den doodenzang aan, alzoo: E Nkandi yaya nkandi yiganga ngangu, kilelele! E, e!

En al de menschen zongen dien doodenzang en hij verspreidde zich in gansch de omstreek.

Vijf dagen bleven zij daar, maar Heer Fungwa gaf Heer Ngundu Nkunga geen eten, en hij verborg hem onder zijn mantel. En Heer Ngundu Nkunga vermagerde.

En gedurende die dagen had men eetwaren verzameld om Heer Fungwa te spijzen, en om zijne vrouw weg te zenden met hem; en zij slachtten dertig kiekens, en twintig geiten en tien gesneden verkens en honderd maniokbrooden. Dan gaf men hem zijne vrouw en zij ging met hem.

En zij gingen, zij gingen, zij gingen, en zij kwamen aan 't groote woud van hun dorp. Heer Fungwa haalde toen Heer Ngundu Nkunga uit. Maar Heer Ngundu Nkunga was vermagerd.

Dan sprak Heer Ngundu Nkunga met den mond, alzoo: Zie, ik Ngundu Nkunga, waarlijk ik ben zoo vermagerd, om welke reden hebt gij, Heer Fungwa, mij niets gegeven dat ik ete bij uw verwantschap? Ik ook ik heb u den doodenzang aangeheven, waarmede gij uw echtgenoote getrouwd hebt. Maar 't is niets. Maar geef mijne belooning, ik ga naar mijn dorp.

En hij, Heer Fungwa, alzoo: He, broeder, vandaag heb ik geen geld om u te betalen. Maar vandaag vier dagen [68] kom bij mij terug en ik zal u betalen.

Heer Ngundu Nkunga, alzoo: Dat, dat is niets, ik ben gegaan.

De dag, toen hij verscheen, kwam Heer Ngundu Nkunga terug bij Heer Fungwa om zijn belooning te ontvangen, maar Heer Fungwa brak zich 't hoofd en hij had hoegenaamd niets om Heer Ngundu Nkunga te betalen.

En Heer Ngundu Nkunga ging weenen op den weg tot aan zijn dorp.

En in 't seizoen dat de gevleugelde mieren uit den grond komen, Heer Ngundu Nkunga ging Heer Vogelvanger verwittigen, dat hij kome en dat hij hem Heer Fungwa snappe in 't net van vliegende mieren.

Dan ging Heer Vogelvanger 't net van vliegende mieren spannen in 't woud van Heer Fungwa.

En Heer Fungwa, toen hij 's avonds wilde wandelen in den omtrek van zijn dorp, kwam hij die vliegende mier tegen, die hare vleugelen aan 't zwieren was, en hij zegde alzoo: Ik zal die gevleugelde mier, die daar op den boom zit, gaan snappen.

Toen hij ze gepikt had, het net ook viel toe en Heer Fungwa was gevangen in den strop en Heer Vogelvanger trof hem aan in zijn net. Hij zegde, alzoo: He Fungwa, vandaag gaat ge in mijne soep.

Heer Fungwa ving aan Heer Vogelvanger te smeeken, alzoo: Laat mij los, ik zal u een schoone belooning geven.

Maar Heer Vogelvanger, alzoo: Indien gij Heer Ngundu Nkunga bedrogen hebt met zijne belooning, zoo zoudt gij mij ook niet bedriegen?

Hij, alzoo: Ik zal u niet bedriegen, gelijk ik Heer Ngundu Nkunga bedrogen heb. Maar Heer Vogelvanger luisterde naar zijne woorden niet, en hij sloeg slechts met den steel van zijn mes op den kop van Fungwa en hij droeg hem naar Heer Ngundu Nkunga.

Heer Ngundu Nkunga was gansch verheugd, en hij ging zijne vrouw Miese nemen en zij werd dus de vrouw van Heer Ngundu Nkunga om zijne belooning, die hij niet gekregen had van Heer Fungwa.

Het vertelsel gaat recht, heel recht op den kop van wien?

Op dien kop van Fungwa [69].

Kisantu.

VERHAAL VAN DEN PALMWIJNTREKKER

Op zekeren dag kwam de Kakkerlak palmwijn bestellen bij den Palmwijntrekker, alzoo: Toekomenden Nkandu [70], de palmwijn die gij aftrekt 't is de mijne.

De Palmwijntrekker, alzoo: 't Is goed.

De Haan ook, alzoo: Toekomenden Nkandu, de palmwijn, 't is de mijne.

De Palmwijntrekker, alzoo: 't Is goed.

De Steenmarter ging daar ook, alzoo: Toekomenden Nkandu, de palmwijn, 't is de mijne.

De Palmwijntrekker, alzoo: 't Is goed.

De Hond ging daar, alzoo: Toekomenden Nkandu, de palmwijn, 't is de mijne.

De Palmwijntrekker, alzoo: Al tien kruiken palmwijn moet ik aftrekken; maar 't is goed.

De Boa ging daar ook, alzoo: Toekomenden Nkandu, de palmwijn, 't is de mijne.

De Palmwijntrekker, alzoo: 't Is goed.

De Kleine Muis [71] ging daar ook, alzoo: Toekomenden Nkandu, de palmwijn, 't is de mijne.

De Palmwijntrekker, alzoo: 't Is goed.

De dag van den Nkandu was verschenen.

De Kakkerlak kwam de eerste aan, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den palmwijn.

De Palmwijntrekker alzoo: Zit neer, kom, eet luku [72] en muizen.

En hij at, 't was gedaan.

De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.

De Haan kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den palmwijn.

De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.

En hij at, 't was gedaan.

De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.

De Steenmarter kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den palmwijn.

De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.

En hij at, 't was gedaan.

De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.

De Hond kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den Palmwijn.

De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.

En hij at, 't was gedaan.

De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.

De Boa kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den palmwijn.

De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.

En hij at, 't was gedaan.

De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.

De Kleine Muis kwam ook, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij den palmwijn.

De Palmwijntrekker, alzoo: Zit neer, kom, eet luku en muizen.

En hij at, 't was gedaan.

De Palmwijntrekker, alzoo: Kom binnen in de geheimkamer.

De Palmwijntrekker deed ze allen buitenkomen, alzoo: Komt buiten, komt uwen palmwijn nemen.

Zij kwamen uit de kamer. Hij schonk eene kruik uit, alzoo: Deze kruik drinkt gij. Toekomenden Nkandu, komt dan terug.

En hij schonk een kopje uit, alzoo: Neem aan.

En hij gaf het aan de Kakkerlak, die dronk.

Hij schonk er weer een uit, en hij gaf het aan den Haan.

De Haan, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij een toemaatje.

De Palmwijntrekker, alzoo: Ik, ik heb geen toemaatje; al wat gij ziet, vat het en eet.

De Haan wilde den Kakkerlak pikken.

De Steenmarter, alzoo: Wo! [73] Ziet ge, gij Heer Haan, als de Kakkerlak gedronken had, hij vroeg geen toemaatje. En gij, als gij drinkt, gij vraagt alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij een toemaatje.

De Steenmarter voegde er bij, alzoo: Dat ding hebt gij uitgevonden.

De Haan slikte de Kakkerlak in.

De Steenmarter, alzoo: Vader Palmwijntrekker, geef mij den pot, dat ik volge.

De Palmwijntrekker schonk den pot vol, en hij gaf dezen aan den Steenmarter.

Als hij gedronken had, alzoo: Vader Palmwijntrekker, geef mij een toemaatje.

De Palmwijntrekker, alzoo: Ik, ik heb geen toemaatjes. Gij, toemaatjes vraagt gij mij, waar zou ik ze halen? Ten minste gaat gij malkander opeten. Al wat gij ziet, vat het en eet.

De Steenmarter slikte den Haan in.

De Hond, alzoo: Ziet ge, Meester Steenmarter, hoe gij gehandeld hebt? Wel schenk in, Vader Palmwijntrekker, geef mij een kopje, dat ik drinke.

De Palmwijntrekker schonk in en gaf het.

De Hond, alzoo: He, Vader Palmwijntrekker, geef mij een toemaatje.

De Palmwijntrekker, alzoo: Ik, ik heb geene toemaatjes.

De Boa, toen hij dat hoorde, alzoo: Wo! Dat toemaatje, dat gij vraagt, wie gaat gij opeten?

De Hond, alzoo: Dengene dien ik zie, slik ik binnen.

En hij vatte den Steenmarter, en hij slikte hem in.

De Boa, alzoo: A, ziet ge, vermits gij geëten hebt. Wel, Vader Palmwijntrekker, geef mij een kopje palmwijn, dat ik ook drinke. Wij eten malkander op, 't is niets.

Vader Palmwijntrekker gaf hem een en hij dronk, alzoo: Wel, geef mij een toemaatje.

De Palmwijntrekker, alzoo: Ik, ik heb geen toemaatjes Al wat gij ziet, vat het en eet.

En de Boa vatte den Hond en slikte hem in.

De Kleine Muis, alzoo: Wo! Wij twee, wij blijven over. Wij zullen onze krachten meten, wie de sterkste is.

De Boa, alzoo: Gij, wie kent u niet? Gij hebt eenen mond die overgeeft.

De Kleine Muis, alzoo: 't Is niets. Maar, gij, Vader Palmwijntrekker, geef mij palmwijn dat ik ook drinke.

De Palmwijntrekker gaf haar een kopje, en zij, toen zij gedronken had, alzoo: Geef mij ook een toemaatje.

De Boa, alzoo: Gij, wie gaat gij inslikken, vermits gij een toemaatje vraagt? Ben ik het misschien die gij gaat inslikken? Hoe kunt gij mij? Hebt gij mij aangeduid? 't Is goed. Vandaag ik en gij, wij gaan malkander beproeven.

De Kleine Muis, alzoo: Ik ga den koker blazen.

De Boa, alzoo: Wat! Gij zult den koker niet blazen. Indien gij blaast, dan zult gij afzien.

De Kleine Muis: Ik, blazen ik blaas.

De Boa, alzoo: Blaas niet.

De Kleine Muis, alzoo: Ik zal blazen.

De Boa, alzoo: Wel nu, als gij blaast, dan zal ik u slaan.

De Kleine Muis blies den koker, en zij sneed met hare tanden den Boa in negen stukken, en de Kleine Muis begon in te slikken. Maar de negen kon zij niet. De buik was te klein. Maar zij sprak alzoo: Wij, de Kleine Muizen, die men Niungi heet, luistert wel. Al de muizen zal men eten, maar mij zal men vluchten om den stank, dat ik den Boa [74] opgeëten heb.

En zij vroeg aan den Palmwijntrekker, alzoo: Geef mij een kopje palmwijn, Vader, dat ik drinke. Mijn hart brandt van den dorst, dat ik het lave.

De Palmwijntrekker gaf haar een kopje, en zij dronk alzoo: Geef mij den palmwijn, ik vertrek. 't Is gedaan met ons op te eten.

En hij gaf een volle kruik palmwijn, en zij vertrok en zij ging zich beroemen, alzoo: Ik heb den Boa ingeslikt. Vandaag als er iemand met mij twist, die zal pijn afzien.

Sedert dien tijd komt men aan geen Niungi aan, omdat zij van den Boa geëten had.

Ndembo.

KONGONIENSE EN KONGOPATAKASA [75]

Beiden hadden nog hun moeder. En zij maakten hun dorp. Kongoniense bouwde zijn huis; Kongopatakasa zijn huis. Kongopatakasa werkte heel rap; Kongoniense heel langzaam. Op zekeren dag viel er een hevige stortregen. Daar 't huis van Kongoniense niet afgemaakt was, was zijne moeder weggespoeld. Kongoniense ging op weg, en hij zocht, en hij zocht, en hij zocht; zij was niet zichtbaar.

Gedurende den nacht, terwijl hij aan 't slapen was, had hij een droom, alzoo: Uw moeder is bij God den opperste [76]; maar koop negen kruiken palmwijn en gij zult ze terugvinden.

En hij kocht negen kruiken palmwijn en hij ging op weg [77]; en hij kwam den Wind tegen en den Lijkworm en den Egel en den Houtworm.

Zij vroegen hem, alzoo: Waar gaat gij henen?

Hij, alzoo: Mijn moeder volg ik naar God den opperste.

Zij, alzoo: In uw dorp zijn er dus geene kinderen, dat gij negen kruiken palmwijn draagt, gij alleen?

Hij, alzoo: Ik alleen.

De Egel en de anderen spraken, alzoo: Geef hier, wij zullen u helpen dragen.

En hij gaf er, en hij droeg twee kruiken palmwijn.

Zij gingen, zij gingen, zij gingen hunnen weg, en de weg was verloren.

Kongoniense, alzoo: Waar zullen wij henengaan, de weg is verloren.

De Egel, alzoo: Wij, wij eten lang gras, ik zal u een weg banen. Blijft hier!

En hij trok vooruit en hij was bezig eenen weg aan 't banen, tot boven op den berg. Maar toen zij wilden opklimmen op den berg, om op te klimmen zij konden het niet.

De Wind, dus: Wij, wij keren de pleinen en de pleinen. Zijt gij daarom aan 't twisten?

En de Wind droeg ze tot boven op den berg en hij zat ze neer, dicht bij 't dorp. 't Opperhoofd van 't dorp was palmnoten aan 't slaan met een steen [78].

De Lijkworm, sprak, alzoo: Blijft hier, gij allen, ik zal gaan tot in het dorp.

Hij ging naar de moeder van Kongoniense vragen.

De menschen van het dorp spraken, alzoo: Hij, Kongoniense komt zijne moeder halen, wel, 't is goed! Maar, als wij hem zullen een bosch aanwijzen, en hij, als hij op een boom één kappen kapt, en als 't heel bosch omvervalt, dan neemt hij zijne moeder terug; maar eerst zullen wij hem nog 't plein van 't dorp toonen, en als hij één keren keert en het plein is gekeerd, dan krijgt hij zijne moeder terug. Daarna laten wij hem binnenkomen in een huis, en hij kiest tusschen de kisten, de kist waar zijne moeder inligt!

De Lijkworm, toen hij deze zaken hoorde, vertrok waar de anderen gebleven waren. De Lijkworm vertelde hun de voorwaarden, gelijk de menschen van 't dorp ze hem gesteld hadden, hoe Kongoniense zijne moeder zou terugkrijgen. Daarna vervolgde hij: Gij, Kongoniense, eer dat gij het huis binnentreedt, ik, ik ga voorop en de kist waarop ik val, die neemt gij op. Maar aan den ingang van 't dorp is 't opperhoofd bezig met palmnoten aan 't verbrijzelen met een steen; als wij daar aankomen, dan vallen wij op ons knieën en wij groeten hem bij handgeklap [79].

Zij vertrokken en zij kwamen waar 't opperhoofd was, en zij groeten bij handgeklap: Gegroet, opperhoofd!

Zij kwamen in 't dorp en zij werden er goed ontvangen, en men deed veel kiekens voor hen dood.

De avond viel, alles was stil in 't dorp. Dien nacht had de Houtworm al de boomen van 't bosch doorknaagd. Toen de zon opgegaan was en het klaar geworden was, gaven de menschen van 't dorp een bijl aan Kongoniense, alzoo: Als gij 't bosch afkapt in één kappen, dan neemt gij uwe moeder.

Kongoniense nam 't bijl en hij ging en hij kapte één kappen op een wilden katoenboom en de Wind kwam op en heel 't bosch viel met een hevig gedruisch en lag omver. De inwoners van 't dorp, toen zij hoorden dat gansch het bosch omver viel, spraken alzoo: Zijn moeder zal hij terughebben.