Uit den Kunstschat der Bakongos
Part 3
De Gazelle zegde hem zoo: Gisteren, toen gij weggingt, hebt gij omgekeken; ga weer terug en hang uw kruiken er aan, en niets zult gij hebben; 't toovermiddel is immers gestorven.
Maar de Luipaard wist 't verstand niet van de Gazelle om palmwijn te trekken.
Kizinga.
DE GAZELLE DIE VEEL VERSTAND HEEFT
De Gazelle was in vijandschap met den Luipaard. Hij, de Luipaard, hij vervolgde en vervolgde de Gazelle; de Luipaard wilde de Gazelle dooden; maar de Gazelle, zij vluchtte en vluchtte den Luipaard.
Op zekeren dag was de Gazelle in haar dorp teruggekomen: zij had haar werk begonnen; zij vervaardigde hare fuiken; zij legde ze in 't water dicht bij haar dorp. De regen was gevallen; de Gazelle ging uit om middernacht: zij ledigde de visschen uit hare fuiken, en zij kwam terug en legde de visschen in al hare fuiken. De zon was opgestaan, 't was klaar geworden. De Luipaard kwam in 't dorp van de Gazelle; hij zag de Gazelle, die bezig was hare visschen te tellen.
De Luipaard sprak, alzoo: He, Gazelle, die visschen, waar gaat gij ze halen?
Moeder Gazelle toonde een fuik onder een banaanplant; kwam, ledigde die fuik, en schudde ze uit, en zag groote visschen. De Luipaard zegde, zoo: He, Gazelle, geef mij ook dat toovermiddel.
De Gazelle, alzoo: Waar gij gaat, kijk niet om!
De Luipaard ging; de Gazelle volgde den Luipaard, zij schudde met 't hooge gras. En de Luipaard vergat 't verbod dat de Gazelle hem had voorgeschreven: hij zag om bij vergissing, en hij dacht: Ach! De Gazelle heeft het mij verboden.
En hij zegde: 't Is niets.
Hij ging; hij deed, gelijk de Gazelle het hem bevolen had. De regen viel, hij ging waar hij de fuiken had gespannen; hij ledigde ze, maar er was niets in; hij wist niet hoe de Gazelle deed met haar verstand; hij kwam terug bij de Gazelle, en hij zegde: He, Gazelle, ik heb niets gevangen.
Zij antwoordde: Gij hebt omgekeken.
De Luipaard alzoo: 't Is waar.
De Gazelle had gelijk; maar hij, de Luipaard wist niet hoe de Gazelle haar verstand toonde. Want zij de Gazelle bedrogen, zij had hem ook bedrogen.
Kinlau.
LOOZE STREEK VAN DE GAZELLE
De Luipaard had tien kinderen gebaard. Wandelen, hij wandelde om eten te zoeken voor zijne kinderen. Toen kwam de Gazelle in 't dorp van den Luipaard aan; zij, toen zij hare oogen richtte vóór 't huis, zag een jonge maagd van den Luipaard, die de kinderen verzorgde. De Gazelle ging 't huis binnen, waar de kinderen van den Luipaard waren, en zij zegde tot de jonge maagd van den Luipaard, alzoo: Neem dezen sprinkhaan, en bereid hem mij boven 't vuur.
En de jonge maagd nam hem aan, en legde hem boven 't vuur. Maar zij, de Gazelle, zegde zoo: Mijn sprinkhaan, dat hij niet verbrande!
En zij gingen zich neerzetten, zij vielen aan 't vertellen. En zij vertelden en vertelden. Zij, de jonge maagd, wien men den sprinkhaan bevolen had, toen zij ging zien naar 't vuur, de sprinkhaan was verbrand. Zij zegde, zoo: He, Gazelle, de sprinkhaan is verbrand.
De Gazelle antwoordde: Ik heb het u gezegd; mijn sprinkhaan, dat hij niet verbrande! Maar geef een kind van den Luipaard, dat wij het opeten!
De jonge maagd, toen zij dat hoorde, nam een kind.
De Gazelle zegde zoo: Bereid het boven 't vuur, wij eten het op.
Zij bereidden het voor, en zij aten het. De Gazelle ging naar haar dorp terug.
De Luipaard, toen hij kwam, vroeg aan de jonge maagd: Tel mijne kinderen.
Zij telde tien kinderen, bij het tellen waren zij er. Maar hij, de Luipaard, hij wist niet, of zijne kinderen er waren. Maar zij waren er allen niet.
Op een anderen dag kwam de Gazelle weer in 't dorp van den Luipaard, toen hij aan 't wandelen en wandelen was; zij kwam 't huis binnen waar de kinderen van den Luipaard waren. Zij beval weer aan de jonge maagd, een sprinkhaan voor te bereiden: Mijn sprinkhaan, dat hij niet verbrande!
En zij zaten neer, en zij vertelden en vertelden. Maar de sprinkhaan was verbrand, en de Gazelle zegde: Neem een kind van den Luipaard, wij eten het op!
En zij aten het op. En alzoo verdwenen al de kinderen van den Luipaard, alle tien.
De Luipaard, toen hij van 't wandelen terugkwam, kwam terug in zijn huis, en hij zegde: Tel mijne kinderen. En de jonge maagd telde zijne kinderen. En zijne kinderen waren er alle tien, maar slechts bij het tellen.
Toen hij weer gewandeld had, kwam hij in zijn dorp terug. Zijn huis stond wijd open. De Luipaard begon te weenen; de tranen vielen over zijne wangen; hij kwam buiten, hij zocht naar de jonge maagd; op den weg struikelde hij [38]! En in zijn hart kwam gramschap, vele gramschap op; hij kwam terug in zijn huis; hij vatte een hak, hij ging een stuk hout losmaken, hij vond zijn jonge maagd en hij doodde haar.
Alzoo waren al de kinderen van den Luipaard verdwenen.
Kinlau.
DE GAZELLE DIE LEEFT
De Gazelle, de Rat, de Luipaard en de Boa hadden vriendschap gesloten en 't akkoord gemaakt hun wild te verdeelen onder malkander. Op zekeren dag, toen zij gejaagd hadden, schoten zij veel wild; zij gingen het in stukken hakken.
Zij bevolen aan de Gazelle, alzoo: Kom, klim op dien palmboom, snijd een palmtak af, wij dragen ons vleesch.
Maar de Gazelle, alzoo: Ik kan dat niet, ik heb geen nagelen om er op te klimmen.
De Rat ging opklimmen, maar zij viel.
Wel, klim gij Luipaard, gij hebt sterke nagelen, snijd een palmtak af, wij dragen ons vleesch.
De Luipaard klom rap, rap op den boom; hij wilde zich aan een palmtak vasthouden, maar de palmtak was glad, zijn hand gleed uit, hij viel op den grond en bleef daar liggen, uitgestrekt in 't hooge gras.
Is hij daar niet dood? zoo vroeg de Gazelle.
Alle drie te zamen, riepen uit: Dood, hij is dood, wij eten ons vleesch op. Wij zijn verlost van den Luipaard.
De Gazelle, de Rat en de Boa hakten hun vleesch in stukken, om het te verdeelen. Maar er was geen vuur, om 't vleesch voor te bereiden.
In de velden, aan den anderen kant der rivier, zag men rook van vuur opstijgen in den hoogen hemel.
Zij bevolen aan de Gazelle, alzoo: Welaan, Gazelle, ga ons vuur halen.
De Gazelle ging. Maar zij verdween in 't hooge gras, en hield zich verborgen. Zij hield zich stil en ging dan terug, alzoo: Zij hebben mij weggejaagd; aan mijn groote lichaamsgestalte hebben zij mij herkend. Ga, gij Rat, gij zijt van kleiner gestalte.
De Rat ging. Maar toen zij dicht bij 't vuur kwam, hoorde zij een hond bassen. De Rat liep weg, kwam terug en zegde: Ik ook, 't vuur, ik kan het niet.
De Gazelle zegde dan: Zet u neer, Rat, wij sterven niet voor niet. Ga, gij Boa, gij glijdt en glijdt langs de aarde, gij kunt niet gezien worden.
Maar daar de Boa geen armen had, bond men hem droog gras aan den staart, en zij zegden, alzoo: Als gij vuur neemt en het aansteekt aan het droog gras, haast u dan, en kom hier terug.
De Boa ging, stak vuur aan 't gras, dat men aan zijnen staart gebonden had en hij kwam terug. Maar onderwegen 't vuur werd fel en deelde zich mede aan 't hooge gras en alzoo, langs de rivier, was er overal vuur en vuur; de vlammen stegen hoog op in den hemel.
De Boa om te vluchten, hij kon niet vluchten en hij verbrandde in zijn vuur.
De Gazelle en de Rat zagen het vuur en zij zegden alzoo: De Boa branden is verbrand; wij blijven over, wij twee, wij eten ons vleesch op.
Zij verdeelden het vleesch, aten het op en sliepen.
De Luipaard, toen hij van den palmboom viel, was in onmacht gevallen; maar in den nacht verrees hij, en hij trok terug naar zijn dorp. Hij kwam de Rat tegen, en hij vroeg haar, alzoo: He, mijn vriendin, waarom dooden hebt gij mij gedood?
De Rat antwoordde: Ik niet, de Gazelle heeft u gedood.
De Luipaard, alzoo: Wij zullen de Gazelle eens leeren.
Dan had de Luipaard zich met vademsstoffen omringd en hij ging liggen op den grond, gelijk een lijk ligt, en hij zegde: He, Rat, ga de Gazelle verwittigen, alzoo: Uw broeder is gestorven, kom, zing den doodenzang [39].
De Rat ging, en zij droeg de doodmare aan de Gazelle. Maar de Gazelle, toen zij dat hoorde, geloofde het niet. Zij kwam dicht bij het dorp. Om er bij te komen, zij kwam er niet bij; zij bleef zich verbergen in 't hooge gras, zij hief haren zang aan, alzoo: He, Gazelle, wees voorzichtig, 't is een groote ziekte, 't is de zaak van den tooveraar.
De vrouwen van den Luipaard noodigden de Gazelle uit, alzoo: Wel, kom, 't is geen leugen, hij is waarlijk dood.
De Gazelle geloofde 't niet, bleef zich verbergen dicht bij, in 't hooge gras. De Luipaard werd kwaad, stond op en ging de Gazelle in 't hooge gras najagen. Maar hij kon haar niet. De Gazelle vluchtte en ging in haar familiestam bouwen.
Op zekeren dag, toen de Gazelle naar den Nsona [40] ging, zag zij veel menschen, die geld uitleenden. De Nkayi [41], de Kimpiti[41], de Nsa[41], de Egel, de Civetkat waren daar vereenigd om hunnen koophandel.
De Gazelle beroemde zich, alzoo: Hier, als ik mijn zang zing, zou ik hem niet zingen?
Zij antwoordden haar: Zing maar.
De Gazelle hief den zang aan, alzoo: 't Vleesch van den Luipaard, wij eten het op, he Gazelle, die leeft! Wij, wij sterven niet.
De Luipaard, toen hij dit vernam, kwam de Gazelle tegen, hij van dezen kant der rivier, zij van genen kant, eene rivier in 't midden. En hij vroeg: Gij, Gazelle, waarom doodt gij mij?
De Gazelle antwoordde: Ik niet, de menschen, die op den Nsona zijn, die dooden u. Wel, laat ons toekomenden Nsona gaan of hun zang daar niet hoorbaar is. Als gij den zang hoort dien zij zingen, dan komen zij af om u te dooden.
De Nsona verscheen en de Luipaard ging naar de markt. De Gazelle ook ging langs een anderen weg naar de markt. Zij kwamen dicht bij den Nsona, bleven verscholen in 't gras, hij afzonderlijk, zij afzonderlijk.
Daar kwamen de menschen aan, die geld uitleenden: de Kimpiti, de Nsa, de Civetkat kwamen den Nsona op, om geld uit te leenen. Toen zeiden zij: Welaan, laat ons 't lied zingen, dat de Gazelle geleerd heeft.
Zij zongen het lied, alzoo: 't Vleesch van den Luipaard wij eten het op, he Gazelle, die leeft! Wij, wij sterven niet.
De Gazelle kwam nader tot bij den Luipaard en zij riep: He, Luipaard, hoort gij de menschen niet, die u komen dooden. Wel, ik toch niet.
De Luipaard werd kwaad, stond op en doodde deze menschen.
De Gazelle verdeelde 't vleesch met den Luipaard. Zij, zij stierven; maar zij, de Gazelle, zij leefde.
Kisantu.
WRAAK VAN DE GAZELLE
De Gazelle, alzoo: He, Luipaard, vat uwe moeder, wij dooden haar, wij drinken haar bloed.
De Luipaard nam zijne moeder. Zij gingen naar de rivier. Hij alzoo: Gij, Gazelle, blijf rivierafwaarts; als gij ziet dat 't water troebel wordt, dat het modderachtig is, doe uw mond weg en drink niet. Maar als gij ziet dat het water rood wordt, dan is 't bloed van moeder.
De Luipaard, rivieropwaarts, sneed zijne moeder de keel af. Maar de Gazelle had veel verstand. 't Water, zij dronk het niet. De Luipaard vroeg, alzoo: He, Gazelle, hebt ge genoeg gedronken?
Zij, alzoo: Ik heb genoeg, vader, laat ons gaan.
Hij, alzoo: He, Gazelle, vermits wij vandaag mijne moeder geëten hebben, de uwe zullen wij morgen eten.
En zij trokken op. De Gazelle ging naar haar huis. De Luipaard naar zijn huis. Zij sliepen. 't Weder, toen het klaar geworden was, sprak de Luipaard alzoo: He, Gazelle, vooruit waar wij gisteren geweest zijn.
Zij alzoo: Ik, ik ga langs denzelfden weg niet; gij, Luipaard, ga voorop rivierafwaarts, waar ik gisteren gedronken heb. Ik, rivieropwaarts.
De Gazelle, toen zij ging, nam een geitje, sneed het den hals af, alzoo: He, Luipaard, zie rivierafwaarts, 't bloed van moeder komt aan. De Luipaard, toen hij dronk en dronk en dronk, de Gazelle vroeg zoo: He, Luipaard, hebt ge genoeg gedronken?
Hij, alzoo: Ik heb genoeg, ik, uw oom [42], kom, laat ons gaan.
En zij waren, zij waren. De Gazelle ging om koophandel te drijven. Zij liet haar moeder in haar geheimkamer, alzoo: Als gij hoort dat ik het lied aangeheven heb: Ik, ik heb de moeder van den Luipaard gedood; de mijne kan hij niet; dan antwoord mij.
En zij deed de deur op slot; zij zette er stokken voor en 't huis was vast, heel vast in slot. En zij trok weg.
Maar de Luipaard had 't lied afgeluisterd van de Gazelle.
Op zekeren dag kwam hij af, hij schoot met vuur en hij schoot en hij schoot [43]. Dan hief hij den zang aan, dien de Gazelle gezongen had; maar de moeder geloofde het niet, want zij dacht alzoo: Mijn kind is nauwelijks vertrokken; om de dingen te verkoopen, kan hij zoo rap niet handelen.
De Luipaard vertrok.
Hij wachtte en wachtte, kocht alweer poeder en kwam tot op de plaats. Hij schoot weer en hij schoot en hij schoot, en hij hief den zang aan, dien hij van de Gazelle had afgeluisterd.
Zij, de moeder antwoordde. Maar toen hij beproefde, 't huis kon hij niet. Hij nam een bijl, hij sloeg de deur in stukken, hij ging binnen, hij nam een mes, hij sneed de moeder van de Gazelle in stukken. Hij nam een andere deur, hij hing ze in de plaats, sloot de deur dicht en kwam in zijn dorp terug.
De Gazelle, toen zij den koophandel had gedreven en hare goederen verkocht had, kwam in haar dorp terug.
Toen zij dicht bij 't dorp kwam, schoot zij kassen poeder en poeder en poeder, dan begon zij 't lied te zingen: Ik, ik heb de moeder van den Luipaard gedood, de mijne kan hij niet!
Maar zij hoorde niet dat hare moeder antwoordde. Zij kwam het huis opendoen; toen zij de deur vasthield, maakten de lijkwormen gerucht [44].
En zij sloeg in hare handen, alzoo: Vu [45]. Zij begon te weenen en te weenen en te weenen. Zij verzamelde de beenderen en bond ze bijeen. En zij begroef ze. En de tijd vervloog.
De Gazelle ging haar verstand uitdenken. Zij vervaardigde ringen, kleedde er wel zes aan en werd een schoone jonkvrouw. Zij bond een mandeken aardnoten vast en een bananenrist.
Toen de zon was ondergegaan, kwam zij aan, waar de Luipaard was. Zij, alzoo: Heer Luipaard is hij hier?
Hij, alzoo: Ik ben hier, Mama [46].
En zij kwam binnen, zat neer, groette hem bij handgeklap, alzoo: Neem dit mandeken aardnoten aan en deze bananenrist, die mijne moeder mij gegeven heeft.
De Luipaard groette bij handgeklap, alzoo: Ik bedank er u voor, Mama.
Toen zij koutten en koutten, de Gazelle, alzoo: Ik moet vertrekken.
De Luipaard, alzoo: Wacht een weinig, laat ons kouten, dan gaat gij weg.
De Gazelle, zij wilde niet. En zij ging, zij sliep. 't Weder was klaar geworden en de zon was opgestaan.
Zij doodde een kieken, kwam het dragen aan den Luipaard.
Zij bleef daar slapen. Maar hij, de Luipaard, hij wist niet dat het de Gazelle was; hij dacht alzoo: 't Is mijn verloofde.
Toen de zon was opgestaan, kocht hij een verkensbil, twee kleine vrouwenpanen en drie groote vadems stof; ieder vadem bestond uit twee stukken, die samen genaaid waren. Hij gaf het aan de jonkvrouw en zij trok terug naar haar dorp. En zij ging, zij sliep.
Den volgenden dag, toen de zon opgekomen was, ging zij naar 't hooge gras; zij ging er makwakwa [47] en mankundia [48] halen en rupsen van alle soorten, goede en slechte. Zij legde alles in een pot ondereen, en zij had het voorbereid.
's Avonds kwam zij in het dorp van den Luipaard aan. Zij spreidde het eten open. De Luipaard, toen hij het eten naar zich trok, vroeg alzoo: Gij, Nkenge [49], eet gij niet?
Zij, alzoo: Ik heb geëten in 't huis van mijne moeder. De Luipaard viel aan 't eten. En hij at, hij at, 't was klaar gemaakt. Toen voelde hij aan zijne keel, alzoo: De [50].
Hij, alzoo: Gij, mijn beste, dat kittelen aan mijn keel, wat is 't?
Zij, alzoo: Mijn Luipaard, mijn man, gij zijt aan 't lachen, he! Misschien de peper kittelen, zij kittelt.
Het kittelen verergerde, en hij, alzoo: He, Nkenge, krab aan mijn keel.
En hij hoestte en hoestte en hoestte en hij stierf.
De Gazelle nam den koker [51], ging op den weg en speelde: Ke, ke, ke [52]! Ik ben de Gazelle van verstand, ik ben de lieveling van mijn moeder.
Zij nam de kiekens, die de Luipaard achterliet en de geiten en zijne vrouwen. Zij brandde zijn huis af en zij ging naar haar dorp terug.
Kimoa.
BEDROG VAN DE GAZELLE
De Gazelle had zijne vrouw getrouwd. Dien dag was er maniok in overvloed. Hij zegde tot zijne vrouw, alzoo: Gisteren, den heelen dag hebben wij maniok gestampt; wij, wij hebben nog geenen maniok geëten; er is wel maniok, maar niet een stuksken vleesch noch visch. Wel, ga naar 't water, ga onze visschen vangen.
Zij de vrouw, alzoo: Vooruit met u!
Hij, de Gazelle, alzoo: 't Is wel, vooruit, mijn vrouw.
En zij gingen tot aan 't water. Toen zij schepten en schepten [53], kwam de Luipaard aan, hij was eene vrouw geworden, alzoo: He, Gazelle, wij zullen te zamen scheppen.
Hij, alzoo: 't Is goed, mijn vrouw. Ik de man, ik alleen. De vrouwen zijn nu twee.
Toen zij schepten en schepten, nam de Luipaard modder, mengelde het met peper, en wierp het de Gazelle in 't gezicht.
De Gazelle zijne oogen brandden en brandden. Op dien oogenblik stierven zijne oogen en hij zag niet meer.
De Luipaard nam de vrouw van de Gazelle en hij trok er mee op. De Gazelle, toen hij zijne oogen waschte en waschte, zij gingen open. Toen hij naar zijne vrouw zag, zij was er niet, alzoo: Wo [54]! De Luipaard heeft mij bedrogen. Ziet ge, hij heeft mijn vrouw genomen. Wacht! Ik zal hem volgen op zijn voetstappen met zijn moeder [55].
En de Gazelle volgde en volgde; maar de Luipaard bedroog de Gazelle weer. De Luipaard ging de vrouw verbergen en veranderde in een kleinen hond; hij kwam af waar de Gazelle was.
Hij, de Gazelle, alzoo: Ik zal mijn kleinen hond nemen, ik zal hem verzorgen.
En zij gingen tot in 't dorp. Toen hij de hond neerzette op het plein, de hond aan 't wandelen wandelde op het plein. Een kleine slaaf van de Gazelle sprak alzoo: He, Gazelle, die hond doet niets dan wandelen op het plein, wat is 't?
Wel, neem hem op en kom, ik zal hem maniok geven. En hij, toen hij eten gaf, de hond beet in den neus van de Gazelle. En hij werd weer Luipaard, en hij liep weg.
Hij, de Gazelle, alzoo: Wacht, ik zal hem ook vatten. En hij werd een schoone jonge maagd. Hij, de Luipaard kwam af, alzoo: He, vrouw, wie heeft u getrouwd?
Zij, de maagd, alzoo: Ik heb geen man.
En hij, alzoo: Wilt gij dat ik u trouwe?
Zij, de jonge maagd, alzoo: Indien gij wilt, 't is uwe zaak.
Hij, de Luipaard alzoo: Ik wil u.
Zij, de maagd, alzoo: 't Is wel!
En zij gingen tot in 't dorp. Hij, de Luipaard, alzoo: Ga water scheppen, wij zullen maniok gereed maken.
Zij, de maagd, alzoo: Wel, ga, gij man, ga water halen.
En hij nam de kruik op, en ging. Toen hij kwam, alzoo: Wel, neem de maniokbollen, stamp ze in den stampersblok.
Zij, de maagd, alzoo: Stamp ze, gij, beste man.
Hij, de Luipaard, alzoo: Is het de vrouw niet, die maniok stampt? En gij, alzoo: Gij beste man, stamp den maniok.
Zij, de vrouw, alzoo: 't Is niets, stamp gij maar.
En hij stampte maniok.
Toen 't gedaan was, hij de Luipaard, alzoo: Wel, nu, neem den pot, zet hem op 't vuur.
Zij, de vrouw, alzoo: Zet gij hem op!
Hij, de Luipaard, alzoo: Wo! En die maniokbollen ook, ik heb ze gestampt. 't Water, ik heb het geschept, en nu den maniok moet ik gereedmaken. Spoed u, dat gij weg zijt, ga weg. Indien ik u niet getrouwd heb, 't is niets. De vrouwen, zijn zij mij niet aan 't zoeken en zoeken?
Zij, de maagd, alzoo: 't Is wel. Ik trek er van onder.
Zij, de maagd, toen zij een bijl vatte, om den Luipaard te dooden. En zij ging de Luipaard op 't hoofd slaan, alzoo: Te [56].
En 't hoofd dwarrelde en dwarrelde.
Hij, de Luipaard, alzoo: Wo! Zijt gij het, Gazelle, die mij komt bedriegen? 't Is wel, blijf hier met uwe moeder [57]. En hij vervolgde en vervolgde. De Gazelle ging in een hol van een boom vluchten, en ging zich veranderen in een kinonia [58] en hield zich verscholen in 't hol.
Hij, de Luipaard, toen hij ronddwaalde en dwaalde, hij zag ze niet, alzoo: De Gazelle is waarlijk in 't hol binnengedrongen, en nu is zij niet meer zichtbaar. A! dat zij een beetje wachte! Ik ga vuur in 't hol aansteken; als de rook haar zal vatten, zal zij er wel uitkomen.
En hij stak vuur aan, en vuur en vuur. De rook vervulde het hol. En zij de Gazelle hoesten, was aan 't hoesten omdat er zooveel rook was, terwijl zij zegde: He, Heer Luipaard, laat mij gerust, uw zuster ben ik!
De Luipaard, alzoo: Waarom hebt gij mij met 't bijl geslagen? Mijn hoofd, ziet ge, hoe het gekloven is. Kom er uit, en betaal mij, om mijn bloed, dat gij uit mijn hoofd hebt doen springen.
De Gazelle gaf hem twintig stukken van vijf frank.
Hij, alzoo: Wij maken weer vriendschap, moeder.
En zij sloten vriendschap. En op denzelfden weg gingen zij wandelen.
Kinkoko.
DE BEDROGEN LUIPAARD
De Luipaard en de Gazelle gingen hun dorp bouwen, alle twee, en zij hadden nog alle twee hun moeder. De Luipaard had zijn kind Kiteba. De Gazelle, zij had geen kind.
De tijd vervloog en de tijd vervloog. De moeder van de Gazelle had een ziekte opgevat; zij was ziek en ziek en zij stierf.
De Gazelle weende en weende.
De Luipaard haastte zich niet om te komen weenen [59].
Dan had de Gazelle eenige kassen poeder losgemaakt, en zij schoot en schoot.
De Luipaard, als hij 't vuur hoorde, kwam af, alzoo: Ik zal gaan; ik ga vragen aan de Gazelle, dat vuur dat zij aan 't schieten is, wat het is?
En hij kwam, alzoo: Het vuur dat gij schiet, wat is 't?
Zij, alzoo: Ik, 't vuur dat ik schiet, mijn moeder is gestorven.
Maar de Luipaard, alzoo: Welaan, wij gaan ze u begraven.
De Gazelle, alzoo: Voor haar heb ik nog geen kleedingsstoffen gezocht om haar te begraven [60].
De Luipaard, alzoo: Wel, als wij kleedingsstoffen gaan zoeken, zal zij ze betalen, of zal zij verrijzen? Wij hebben geen kleedingsstoffen, die wij uitdeelen.
De Gazelle, alzoo: 't Is wel. Vooruit! Wij zullen ze begraven.
En zij gingen, zij begroeven 't lijk. En zij kwamen terug van de begrafenis.
En de tijd vervloog en de tijd vervloog. De moeder van den Luipaard had ook eene ziekte opgevat. En zij was ziek en ziek, en zij stierf.
De Luipaard, alzoo: He, mijn kind Kiteba, kom. Ga de Gazelle verwittigen, dat zij kome.
De Gazelle kwam, en zij bonden 't lijk in kleedingsstoffen.
De Luipaard, alzoo: Ik, vooraleer ik mijne moeder begraaf, ga ik feest houden.
De Gazelle, alzoo: 't Is wel.
En de Gazelle ging terug naar huis. En de tijd vervloog; wel eene maand was er vervlogen. De Luipaard had palmwijn uitgedeeld aan al de dorpen, die in den omtrek waren. En hij stelde den dag, waarop zij het lijk zouden begraven.
De dag was verschenen!
Die trommels hadden, kwamen af. En men danste en danste. De Luipaard beval aan zijne slaven, alzoo: Welaan, gaat sterke boomtakken afkappen, die niet vermolmd zijn, om de kleedingsstoffen er op te leggen.
De slaven gingen en zij gingen boomtakken afsnijden. Maar een jongen zag een schoone staak. Als hij die staak zag, alzoo: Ik zal dien afkappen. En hij sloeg met zijn kapmes, alzoo: Te [61]! Maar de Gazelle was eerst in dien boom gekropen en zij hief een lied aan, alzoo: He, kleinen, wij zijn in dit woud!...
Als hij dat hoorde, riep hij de anderen, alzoo: He, vrienden, komt hier, komt luisteren, deze boom is een lied aan 't zingen.
De kleinen kwamen af, en als zij kwamen, was de boom weer aan 't zingen. Zij wierpen de kapmessen op den grond, en allen waren aan 't dansen.
De Luipaard keek en keek, en hij zag de kleinen niet, alzoo: Hoe! De kleinen zijn reeds lang vertrokken om staken, en zij zijn nog niet teruggekomen.
En hij beval weer andere kleinen, alzoo: Gaat en verwittigt ze, dat zij aanstonds komen.
De kleine kwamen af, alzoo: Wel, gij, vader in 't dorp maakt zich kwaad op u, vertrekt spoedig.
Zij, alzoo: Wel, komt hier en luistert. De boom is bezig een lied aan 't zingen.
Maar de kleinen, die juist toegekomen waren, waren aan 't redetwisten, alzoo: Aan 't liegen zijt gij.
En zij kwamen naderbij, en de boom was aan 't spreken.
Allen, en degenen die eerst gekomen waren, en degenen die gevolgd hadden, vielen aan 't dansen.
De Luipaard, hij keek en keek; 't was 't zelfde; hij zag ze niet afkomen. En hij schoot vol gramschap. En hij ging hij zelf, alzoo: De kop van Moeder Luipaard [62]! Ik zal ze slaan, daar waar zij zijn.