Uit den Kunstschat der Bakongos

Part 2

Chapter 24,233 wordsPublic domain

Haar man, toen hij dit hoorde, nam zijn geweer, ging uit, ging zijn muizen schieten. Toen hij aan den palmboom kwam, zag hij de Palmboommuis; hij legde zijn geweer aan, hij schoot.

De Palmboommuis at zijn poeder op [9]. De palmnotenrist, die afgesneden was, rolde naar beneden; zij de Krabbe werd vergruisd. Alle beiden stierven.

Waar zij hun dood gezocht hadden, daar vonden zij hem.

Kisantu.

DE REIZENDE MIEREN EN DE KLEINE MIEREN [10]

De reizende Mieren waren aan 't twisten met de kleine Mieren, en zij zegden: Laat ons onze krachten beproeven. Wie kan er de huid van een mensch stelen, om ze op onze trommel te spannen?

De kleine Mieren namen het aan, en zij zegden: Laat ons 't beproeven. Wij kunnen het.

Daarna speelden de reizende Mieren de oorlogstrommel [11], vereenigden hunne bende, telden de soldaten, hunne tanden scherpten zij, om te gaan oorlog voeren met de menschen.

En zij gingen. Dicht bij 't bosch kwam er een heele bende menschen aan, die naar de markt gingen.

De reizende Mieren stonden recht, bleven zich vasthechten aan de voeten van de menschen, om er een huid van een mensch af te stroopen.

Maar de menschen begonnen met hunne voeten te stampen: stampten de reizende Mieren plat, traden er over met kracht, en gingen voorbij zonder eenig letsel. De reizende Mieren waren de pooten afgesneden, waren de keel af, gekneusd, gingen uiteen in 't hooge gras, en gingen alzoo terug naar hun dorp.

De kleine Mieren hadden hun verstand uitgedacht. Aan den oever eener rivier dicht bij zijn dorp, ging een mensch zijne wonde afwasschen.

De kleine Mieren gingen hem volgen; de huid van zijn wonde die hij liet liggen, namen zij op, droegen haar, en spande ze op hun trommel.

De groote Mieren, toen zij afkwamen, vol verwondering: Onze krachten zijn niet gelijk aan de krachten van de menschen.

Maar de kleine Mieren toonden hun trommel en zegden: Verstand is genoeg, wij zijn gewonnen.

Kisantu.

DE KRAB MET HAREN PLATTEN RUG

Moeder Krab en Moeder Palmboommuis hadden vriendschap gesloten; zij gingen hun eten zoeken. In 't bosch hadden zij hunnen palmnotentros gevonden.

Moeder Krab, alzoo: He, Moeder Palmboommuis, gij zijt de oudste, klim op, snijd den palmnotentros af, ik zal hem vatten.

Moeder Palmboommuis, toen zij opgeklommen was, toen zij afgesneden had, beval alzoo: Moeder Krab, vat den palmnotentros.

Moeder Krab, alzoo: Ik zal een kussentje [12] gaan halen op den berg.

En zij ging, zij zag Meester Boog, alzoo: He, Meester Boog, zoo gij Moeder Palmboommuis zaagt, die boven op den palmboom zit, zoudt gij haar schieten?

Hij, toen hij sprak, alzoo: Schieten, ik schiet haar.

Zij ging op een andere plaats; zij zag Moeder Witte mier, alzoo: He, Moeder Witte mier, zoo gij Meester Boog zaagt, zoudt gij hem aanaarden?

Moeder Witte mier, alzoo: Aanaarden, ik aard hem aan.

Zij ging weer elders, zij zag Meester Haan, alzo: Meester Haan, zoo gij Moeder Witte mier zaagt, zoudt gij ze pikken?

Meester Haan zegde zoo: Pikken, ik pik ze.

Zij ging elders, en ging zien naar Meester Steenmarter, alzoo: Meester Steenmarter, zoo gij Meester Haan zaagt, zoudt gij hem pakken?

Meester Steenmarter, alzoo: Pakken, ik pak hem.

Zij ging elders om Meester Hond te zien, alzoo: Meester Hond, zoo gij Meester Steenmarter zaagt, zoudt gij hem vatten?

Meester Hond, alzoo: Vatten, ik vat hem.

Dan toen zij allen te zamen gekomen waren, Meester Hond vatte Meester Steenmarter; Meester Steenmarter pakte Meester Haan; Meester Haan pikte Moeder Witte mier; Moeder Witte mier werd kwaad, aardde Meester Boog aan; Meester Boog werd kwaad, liet den pijl los; de pijl trof Moeder Palmboommuis, die den palmentros liet vallen, die viel Moeder Krab op den rug, en alzoo had Moeder Krab haren rug plat.

Zoo zij niet was gaan zien naar de menschen, dat zij kwamen om Moeder Palmboommuis te schieten, dan zou zij haren rug niet plat gehad hebben.

Kimpako.

DE HOND DIE DEN EGEL MISPRIJST

Meester Hond en Meester Egel en Moeder Pad en Meester Patrijs en Meester Papegaai, toen zij vereenigd waren, om koophandel te drijven, alzoo: Vooruit, wij gaan koophandel drijven.

Zij verzamelden een langen dragerskorf eten. En zij trokken op. Maar het land waar zij gingen handel drijven, was ver. Zij waren gekomen op halven afstand; 't eten, dat zij medegedragen hadden, was op. Toen kwamen zij aan een verlaten dorp. Meester Papegaai, toen hij een nog niet rijpen palmnotenrist op een palmboom zag, zegde zoo: Wij allen, wij wachten hier tot dat die palmnotenrist op die palmboom rijp is, ik zal de palmnoten eten en dan vervolgen wij onzen weg.

Zij kwamen allen te zamen, zij bleven daar drie maanden. Die palmnotenrist, toen hij rijp was, at Meester Papegaai hem op en dan: Laat ons optrekken.

Zij gingen weg. En zij gingen, zij gingen, zij gingen; zij kwamen een beetje verder dan halfweg.

Meester Patrijs zegde zoo: Voor mij, steekt dit groot stuk gras in brand; met den eersten regen, die er opvalt, zal het jonge gras opschieten, ik eet. En dan zullen wij weggaan.

Zij staken 't gras in brand, de eerste regen viel, 't jonge gras schoot op en Meester Patrijs die at.

Zij gingen weg, en zij gingen, zij gingen, zij gingen.

Moeder Pad, alzoo: Voor mij ook, kapt die nkambaboom [13] af. Als hij rot geworden is, zullen de witte mieren hem aanaarden en ik eet de witte mieren op. En dan zullen wij weggaan.

Toen zij den nkambaboom hadden afgehakt, toen hij was verrot, aardden de witte mieren hem aan. En Meester Pad, die at de witte mieren op, en sprak zoo: Laat ons optrekken.

En zij gingen weg, en zij gingen, zij gingen. Toen zij heel wijd aankwamen, Meester Egel alzoo: Voor mij ook, verbrandt dit stuk gras. De madiadia [14] schieten weer op, en ik eet. Toen staken zij 't gras in brand, de madiadia schoten op, en Meester Egel toen hij gegeten had, sprak alzoo: Nu vooruit!

Zij stonden op, gingen weg, en gingen; zij waren heel ver.

Meester Hond, alzoo: En voor mij, gaat hout rapen, gij allen. Ik droog mijn neus boven 't vuur; als hij gedroogd is, dan gaan wij weg. Zoo zijn wij allen gelijk.

Zij, alzoo: 't Is goed. Blijf gij hier, Meester Hond, wij gaan om hout.

Meester Patrijs en Meester Papegaai: He, wij twee, wij rapen afzonderlijk.

Meester Egel en Moeder Pad langs hunnen weg gingen hout rapen. Toen zij mutsaarden hout geraapt hadden, toen zij kwamen, maakten zij een groot vuur, het vuur knetterde en knetterde.

Zij alzoo: A! Meester Hond, nu kom af, kom, droog uw neus.

Meester Hond, kwam af, zat op zijn hurken dicht bij het vuur, en zij maar altijd hout aan 't in werpen; de neus, hij wilde drogen; maar zij, wanneer zij ergens anders keken, lekte Meester Hond zijn neus, en hij was weer aan 't loopen, aan 't loopen.

Maar zij, aan 't hout werpen, waren zij bezig. De neus van Meester Hond droogde en hij droogde niet.

Zij alzoo: Nu en langen tijd geleden, zijn wij begonnen, den neus van Meester Hond drogen wij, hij is bijna droog, en toch hij droogt niet, loopen doet hij; onze koppen doen zeer; altijd hout in werpen, en hout in werpen.

Meester Patrijs en Meester Papegaai kwamen met malkander in akkoord. Meester Papegaai, alzoo: Gij, Meester Patrijs, wij vluchten; laat ons het zeggen aan Meester Egel en Moeder Pad. Indien zij naar ons niet luisteren, wij, wij vluchten.

Meester Pad en Moeder Egel, toen zij kwamen, allen waren vereenigd.

Meester Patrijs zegde hun alzoo: Gij, Ouden [15], de neus van Meester Hond, wij drogen, wij drogen. Vandaag, 't is nu twee maanden. Hij, zoo gij ziet, hij droogt niet. Wel, blijven wij hier dus? Wij gaan vluchten, grooten honger, 't eten is op.

Meester Egel, alzoo: Laat ons gaan, om het aan Meester Hond te vragen; wel vooruit. Indien hij iets tegenwerpt dan vluchten wij.

Zij alzoo: 't Is wel, vooruit naar Meester Hond.

Toen kwamen zij en zegden aan Meester Hond, alzoo: Meester Hond, laat dit lastig werk varen.

Meester Hond alzoo: A, en waarom? Wij allen, toen wij op weg gekomen zijn, was het geen lastig werk, dat gij gevraagd hebt? Gij, Meester Papegaai, gij hebt uwe palmnoten gegeten; gij, Meester Patrijs, gij hebt uw jong gras gegeten; gij, Meester Pad, hebt den nkambaboom doen kappen; toen hij rot was, at gij de witte mieren; gij, Meester Egel, hebt dat stuk gras in brand gestoken, die felle struiken van gras; de madiadia, toen zij weer geschoten waren, gij at ze op. En nu willen wij vertrekken. Maar ik? Droogt mijn neus, dat hij droog worde. Dan zullen wij vertrekken. Indien hij niet droog wordt, geen mensch mag hier weggaan.

Meester Patrijs en Meester Papegaai, alzoo: He Meester Egel, he Moeder Pad, wij hadden eten, 't is op. En wij zouden hier blijven! Eenieder, die hier blijft, ziet, hoe wij optrekken. Als hij ons vat, dat hij ons ete.

Meester Patrijs en Meester Papegaai stegen naar boven op.

Moeder Pad en Meester Egel vluchtten langs den grond weg.

Meester Hond, alzoo: Gij allen, die geëten hebt, wel, ik doe mijnen neus verdrogen, en nu volhardt gij daar niet in. Gij zijt weggeloopen. Ik zal volgen waar Meester Patrijs en Meester Papegaai gevlucht zijn.

Toen hij ze volgde, langs den hemel gingen zij.

Meester Hond, alzoo: Die niet, neen. Indien ik volhoud ze te volgen, ik lijd voor niet; 't is niets gekort, en ik kom er af als een zot. Ik trek er van onder; ik volg waar Meester Egel en Moeder Pad vluchten.

Toen hij aan de deur van Moeder Pad kwam, wilde hij Moeder Pad vastgrijpen; maar zij had schelpen op den rug.

Meester Hond sprak: He, den dood zou ik zoeken voor niet.

En hij liet Moeder Pad daar.

Dus volg ik Meester Egel tot aan zijn deur.

En hij volgde, hij volgde; hij greep Meester Egel [16] vast, hij doodde hem. En hij at hem op. Meester Hond sprak deze wet uit, alzoo: Gansch onze hondenstam, jagen en jagen [17]. Als wij de familie van de boschdieren tegenkomen ofwel de familie der egels, ofwel de familie van andere dieren, wij volgen maar, van 't begin van 't jaar, tot op 't einde van 't jaar. Zoo zijn wij met hen.

Spreekwoord van Meester Hond: Wild der bosschen jagen!

Sedert dien dag is Meester Hond in twist met Meester Egel. Tot op dezer dagen nog, hebben zij geen vriendschap meer gesloten.

Een egel, die een hond tegenkomt, is dood, niet levend.

Mbengo.

DE PATRIJS EN DE PAPEGAAI [18]

De Patrijs en de Papegaai, alle twee sloten vriendschap. Op zekeren dag sprak de Papegaai, alzoo: He, Patrijs, laat ons gaan wandelen in 't verlaten dorp [19], misschien zien wij er onze palmnoten [20].

De Patrijs, alzoo: 't Is wel mijne moeder [21], vooruit!

Toen gingen zij naar 't verlaten dorp. De Patrijs zag een palmnotenrist op een grooten palmboom. Hij was rijp.

De Patrijs, alzoo: He, Meester Papegaai, welaan, klim op dien palmboom; ga palmnoten aftrekken, dat wij eten!

De Papegaai zegde, zoo: Laat ons gaan, moeder. Gij, blijf hier staan aan den stam van den boom.

En zij gingen. De Papegaai, toen hij op den palmboom geklommen was, trok palmnoten af. Hij, terwijl hij at, wierp er naar de Patrijs, die op den grond was. En zij at ook.

De Patrijs, alzoo: He, Meester Papegaai, doe er nog een palmnoot bij. Die kleine versukkelde, versukkelde werpt gij mij. De groote palmnoten eet gij op.

De Papegaai, alzoo: Dus kom dichter bij den stam, kom vatten die ik werp.

De Patrijs, toen zij dicht bij den stam van den palmboom gekomen was, sprak, alzoo: Wel, Meester Papegaai, werp mij een palmnoot; ik ben nu gekomen.

De Papegaai, toen hij er eene afgetrokken had, mikte waar de Patrijs nader was gekomen en met de palmnoot trof hij haar op de voeten: de voeten van de Patrijs werden rood.

De Patrijs, alzoo: Wel! Gij, ziet gij, Meester Papegaai, ik hoe gij mij gemaakt hebt, mijn voeten zijn rood. Gij, gij zijt schuldig.

De Papegaai, alzoo: Mijne moeder, ik ben hier boven, ik weet het niet. Werpen zonder inzicht heb ik de palmnoot geworpen; ik heb u niet bedoeld, mijne moeder.

De Patrijs zegde zoo in haar zelven: Indien ik niet verstandig ben, zou ik mij daarover niet wreken? Wacht! Ik zal een palmnoot verbergen in mijn zaksken van mijn paan.

Daarna sprak zij: He, Meester Papegaai, kom af, laat ons gaan, mijne moeder.

De Papegaai, alzoo: Ik kom af, ik daal beneden.

Toen kwam hij. Toen hij kwam op den grond, alzoo: Soto [22], kwam de Patrijs hem vastpakken.

Dan vochten zij en vochten en vochten; de Patrijs nam een stok en sloeg hem op den kop van den Papegaai.

De stok ging recht tot op den bek van den Papegaai. En de bek werd krom; hij keek omlaag.

De Papegaai, alzoo: E ngwa mono tata! He, moeder ik vader [23]! Gij hebt mij mismaakt. Mijn mond was recht en nu is mijn mond krom. Vandaag zeker gij en ik, hier sterven wij.

En zij vochten en vochten en vochten. De Patrijs tastte in haar zaksken en zij nam de palmnoot. Toen begon de Papegaai te vluchten.

De Patrijs mikte de palmnoot waar de Papegaai ging loopen tot op zijn staart, alzoo: Te [24]. De staart van den Papegaai werd rood. En zij verwijderden zich.

De Patrijs, alzoo: Gij, Meester Papegaai, vermits gij mijn pooten rood gemaakt hebt, wij wandelen niet meer met u op een zelfden weg.

De Papegaai sprak ook, alzoo: Ik, vermits gij mijn staart hebt rood gemaakt en gij mijn mond gekromd hebt den dood sterven wij, gij en ik. Gij, gij eet afzonderlijk; ik, ik zal afzonderlijk eten.

Sedert dien tijd hebben de Papegaai en de Patrijs hun oude vriendschap verbroken; zij wandelen een zelfden weg niet meer.

Mbengo.

DE PALING EN HET WATER

Een mensch had zijn vischfuik geplaatst en de Paling werd er in gevangen. De Paling sprak, alzoo: He, Water, ik ben gevangen.

Het Water, alzoo: Gelief zoo droevig niet te huilen, want eens komen wij weer te zamen.

En men vatte den Paling. En hij sprak weer, alzoo: He, beste Vader Water, ik ben gegaan!

Het Water, alzoo: Waarom spreekt gij alzoo, Vader Paling? Wij komen immers weer te zamen.

En men ging naar 't dorp, en men braadde den Paling.

Hij, alzoo: He moeder, men braadt mij.

Het Water, alzoo: He, Vader Paling, waarom zegt gij dat. Zeg dat niet meer; het sterven, hebt gij het alleen niet gezocht?

En men braadde den Paling.

De Paling sprak weer, alzoo: He, Water, ik ben op een palmlat gestoken, vader.

En hij huilde en huilde, alzoo: He, moeder, ik ben dood; he, moeder, ik ben op een palmlat gestoken.

Het Water, alzoo: Zeg dat niet meer; waar gij gaat, zullen wij malkander tegenkomen.

De Paling verdroogde op de palmlat.

En men legde den Paling in 't water, om hem te doen opzwellen, en daarna om hem op te eten.

Maar de Paling sprak, alzoo: He, moeder, men heeft mij in 't water gelegd om mij te doen opzwellen.

Het Water sprak in de kruik: Zeg dat niet; en gij en ik wij zijn te zamen.

Men at den Paling. Maar de Paling sprak, alzoo: He, moeder, ik ga er in.

En men at den Paling. Daarna dronk men water.

Naar binnen was de Paling gegaan. En het Water en de Paling kwamen te zamen, en zij zagen malkander.

Ndanda.

DE RAT EN DE GAZELLE

Zij hadden hun dorp gebouwd, alle beiden. Veel geiten en verkens en kiekens hadden zij.

Op zekeren dag, toen zij alle twee naar de markt waren, in hun dorp waren twee maagden toegekomen. Zij waren hunne vriendinnen.

De Rat en de Gazelle, toen zij dat hoorden, kwamen af, en kwamen hunne vriendinnen tegen in hun dorp. Zij verdeelden onder malkander eten, en zij stelden den dag, wanneer zij weer zouden terugkomen.

De maagden, zij gingen.

De Gazelle, alzoo: He, Moeder Rat, laat ons eten.

De Rat, alzoo: 's Avonds eten wij; dezen avond eten wij, mijne moeder [25]!

De Gazelle, alzoo: 't Is wel.

De avond, toen hij gevallen was, in een ander dorp had men den ngoma [26] boven 't vuur verwarmd, en hij weergalmde en weergalmde [27].

De Rat, alzoo: He Gazelle, laat ons gaan, wij dansen, de trommel weergalmt. Als wij terug komen, dan zullen wij eten.

De Gazelle wist 't verstand van de Rat niet. Zij gingen naar den dans. En zij dansten en dansten en dansten. De dans was uiteengegaan. En zij trokken terug naar hun dorp.

Maar toen zij aan de rivier kwamen, de Rat, alzoo: He, Gazelle, eten en een bad nemen, 't eerste was is 't? Wat moet men eerst doen? De Gazelle, alzoo: Alle twee, 't zelfde.

De Rat, alzoo: Wel, Gazelle, eerst en vooral neem een bad, gij eerst.

De Gazelle liet zich drie keeren in 't water vallen.

Daarna viel de Rat ook; maar hij boorde een weg onder de aarde tot aan hun huis. En daar gekomen at zij al 't eten op, dat de maagden gegeven hadden.

En de Gazelle bleef daar staan op den boord van de rivier, en dien avond aan 't roepen en roepen op de Rat.

Maar de Rat, zij was niet te zien. Eindelijk kwam de Rat aan.

De Gazelle vroeg haar: Waar zijt gij zoolang geweest, waar is 't?

De Rat, alzoo: Wees gerust, Gazelle, mijn moeder; onder een steen lag ik. En nu vooruit, laat ons nu gaan eten.

Zij gingen; zij maakten hun huis los; zij staken vuur aan; zij zagen naar 't eten, 't was er niet. Zij sliepen.

De Gazelle, toen zij ging denken op hare dingen, die verloren waren, dacht ook verstand uit. Zij ging een tooverbeeld halen bij den tooveraar. Men zegde haar, alzoo: Plaats het aan den dorpel. Ieder dief, die iets wil stelen, het tooverbeeld zal hem vastgrijpen.

De gestelde dag was aangebroken. De maagden ook kwamen af en zij brachten hunne geschenken. De Gazelle en de Rat hadden alles aangenomen. Zij zonden de maagden terug.

De avond was gevallen. De trommel weergalmde weer en zij trokken op om te dansen. 't Dansen was gedaan, en zij gingen terug naar hun dorp. Zij namen weer een bad, en de Rat volgde haren weg tot in hun huis. Toen zij wilde maniok eten, een jongeling riep haar, alzoo: Hum, hum, hum.

Zij, zij zag om en vroeg: Wie zijt gij?

En hij: Kom, laat ons eten.

De Rat dacht een mensch. Zij wist niet dat het een tooverbeeld was. De Rat, toen zij hem vastpakte, het tooverbeeld sprak.

De Rat gaf 't tooverbeeld een slag op de kaak. Maar hare hand bleef zich vasthechten aan 't lijf van 't tooverbeeld.

De Rat werd kwaad: Laat mijn hand los, ofwel ik sla u met die, die overblijft.

Het tooverbeeld antwoordde: Wel, sla maar, hoort ge!

En zij sloeg weer! En hare hand bleef zich vasthechten en vasthechten.

Laat mijne hand los, of ik geef u een schop.

Wel, sla maar!

En zij sloeg, en haar voet bleef vastgehecht.

Alzoo bleef heel haar lichaam vast aan 't lijf van 't tooverbeeld. En de Rat viel in 't vuur, en zij werd zwart en zwart verbrand. En zij stierf.

Toen de Gazelle opklom naar boven, want aan 't water wachtte zij en wachtte. Toen zij er genoeg van had, kwam zij naar haar dorp. Zij kwam 't huis binnen en zij zag de Rat, die gestorven was, en haar lijf aan 't tooverbeeld vastgehecht.

Het tooverbeeld, alzoo: He, vader [28], spoed u, ik heb ze vast, de diefegge!

Toen de Gazelle kwam, had 't tooverbeeld zich rondgeslingerd om 't lijf van de Rat, en de Rat was gestorven [29].

De Gazelle stond op; vertrok met al hare zaken, en ging een ander dorp bouwen.

Kibangu.

DE PAD EN DE PATRIJS

De Patrijs trouwde zijne vrouwen; hij trouwde eerst Ngoni, Mbendi, Nkusu, Kiebu, Nkankala, Kimbwa, Tonga, Nketinsala, Kitaya [30], op 't laatste trouwde hij de Pad. En hij stelde den dag, alzoo: Toekomenden Nsona [31], komt allen af.

De Nsona was gekomen; allen hadden kiekens voorbereid, anderen verkensvleesch en anderen geitenvleesch. De Pad had maniokbladeren en luku [32] gereed gemaakt, en de luku was gansch zwart [33].

En zij gingen naar de plaats, die de Patrijs aangeduid had. Eerst en vooral hief de Ngoni haar lied aan, alzoo: He, Meester Patrijs, Meester Patrijs, ik, de Ngoni, uw beminde vrouw, ik roep u, antwoord mij: Ke, ke [34], antwoord mij, Patrijs.

Zoo ieder op zijne beurt, zongen al de vrouwen.

De Pad zong ook haar lied.

Dat bleef duren alzoo, zes dagen lang.

Den zevenden dag, sprak de Patrijs, alzoo: He, mijne vrouw Pad, snijd mijn haar.

De Pad nam 't mes, sneed zijn haar, alzoo: Hef uwe keel omhoog. En zij sneed Meester Patrijs den hals af. De Patrijs viel daar.

Maar de Pad ging hem verbergen in 't hooge gras, en zij trok op.

Den volgenden Nsona, kwamen al de vrouwen weer bijeen op dezelfde plaats.

Eerst en vooral, sprak de Ngoni, alzoo: He, Meester Patrijs, Meester Patrijs, ik, de Ngoni, uwe beminde vrouw, ik roep u, antwoord mij: Ke, ke, antwoord mij, Patrijs.

Allen op hunne beurt hadden geroepen.

Maar de Patrijs antwoordde niet. En zij aan 't weenen en weenen.

Dan sprak een klein vogel van boven op een boom, alzoo: Wat zijt gij aan 't weenen? Daar, achter dien boom, daar ligt uw echtgenoot.

Zij allen, zij vielen aan 't zoeken naar hunnen echtgenoot.

Zij vonden hem onder 't hooge gras.

Allen dan aan 't huilen, zij huilden, alzoo: Vooruit wij allen naar den stroom, wij gaan vergift innemen [35]. Vereenigt uwe familie. Ieder mensch met zijne familie.

Allen waren vereenigd op den boord van den stroom. Eerst en vooral zong de Ngoni haar lied, alzoo: Zoo ik, Moeder Ngoni, Meester Patrijs heb gedood, dat ik in 't water duike en onderga, en dat de stroom mij verdelge!

En de Ngoni zwom den stroom over.

Al de andere zwommen er ook over.

Maar de Pad, toen het hare beurt was om te zingen, toen zij gezongen had, en de rivier wou overzwemmen, duikte zij onder 't water en kwam niet meer boven.

Al de vrouwen waren dus gered, zij waren niet schuldig; 't was zij alleen de Pad.

De Pad ging rivierafwaarts en werd gevangen in de vischfuik van Nsiesa [36]. Meester Nsiesa, toen hij ging naar 't water, toen hij de fuik ledigde, vond de Pad erin. Hij droeg haar naar zijn dorp, deed hare schelpen van haar lijf; kleedde haar aan met een vrouwspaan, en nam haar als zijne vrouw aan. En hij deed haar in zijn huis binnen.

Nsiesa, wanneer hij ging wandelen, zij de Pad, waar zij bleef, ging waar de jongelingen waren; zij hief daar haar lied aan, alzoo: Ik, ik trouw de Rat Nsiesa niet, zijne voeten zijn te mager.

Alle dagen was het alzoo.

Op zekeren dag, ging een kleine van Nsiesa zich verbergen achter de verandah van 't huis, waar de Pad kwam bij de jongelingen. Deze hief weer haar lied aan. Maar Nsiesa, toen hij terugkwam, de kleine vertelde hem alles.

En Nsiesa, toen hij dit hoorde, werd kwaad; nam de schelpen terug en legde ze weer op 't lichaam van de Pad en droeg haar terug naar den stroom, van waar zij gekomen was.

Boko.

DE GAZELLE EN DE LUIPAARD

De Gazelle had haar dorp gebouwd, afzonderlijk; de Luipaard ook afzonderlijk. Maar zij bleven een heelen tijd zonder werk.

De Gazelle had haar werk weer herbegonnen, om palmwijn te trekken; zij maakte de palmboomen schoon, wel twintig, en hing aan hare palmboomen kalebassen.

De Luipaard, toen hij hoorde dat de Gazelle haren palmwijn aftrok, sprak aldus: Morgen ga ik naar 't dorp van Moeder Gazelle.

De dag was klaar geworden. Hij kwam in 't dorp van de Gazelle, om te zien hoe zij palmwijn trok.

Maar de Gazelle vond verstand uit: zij deed al hare kruiken van de palmboomen af, en hing ze aan de bananenplanten.

De Luipaard vroeg: He, Gazelle, de palmwijn, dien gij drinkt, is 't daar dat hij uitkomt?

De Gazelle antwoordde: Een toovermiddel heb ik om palmwijn te trekken.

De Luipaard zegde: Geef mij dat, ik ook, ik zou willen palmwijn trekken, Moeder.

De Gazelle zegde zoo: Als gij dat neemt, waar gij gaat, kijk toch niet om. Indien gij omziet, uw toovermiddel sterft.

De Luipaard ontving dat toovermiddel, en hij ging naar zijn dorp. Terwijl hij ging, achtervolgde hem de Gazelle met hoesten; hij keek om; zij zei alzoo: Een kruiksken palmwijn zult gij betalen voor mijn toovermiddel, niet waar!

Hij: Ja, ja; en hij ging en ging naar zijn dorp. Hij maakte bananenplanten schoon, hij hing zijne kruiken er aan.

's Morgens vroeg, den volgenden dag, ging hij zijne kruiken afdoen; hij klom op de banaanplant; hij schudde met de kruiken; zij spraken: Tsaka, tsaka [37]!

Hij, de Luipaard was verwonderd, en hij zegde: Zij, de Gazelle, bedrogen, zij heeft mij bedrogen.

Hij ging waar de Gazelle was, wijl hij zegde: He, Gazelle, gij, bedrogen hebt gij mij, moeder; ik heb de bananenplanten schoon gemaakt; 'k heb er mijn kruiken aan vastgehecht; maar niet een lekske palmwijn, ik heb het niet gezien.