Uit den Kunstschat der Bakongos
Part 18
[184] Noten van den stinkboom.
[185] Weinig verstand.
[186] Veel verstand.
[187] Geest.
[188] Kongo = hier ben ik.
[189] Bisimbi = de watergeesten.
[190] Klank van de bel.
[191] Kawa = uitroeping om te beteekenen dat zij vol rood was.
[192] De negers gelooven, dat de geesten in het bosch wonen.
[193] Naam, dien de geesten aan de menschen geven.
[194] Volgens de negers, hebben de geesten ros haar, dat op hunne schouders hangt.
[195] Namen van ratten die de negers eten.
[196] Soort van muis, die zij niet eten.
[197] Kinkoto = slag op den kop met de kneukels.
[198] Naam zijner moeder.
[199] Vwoka = plaats, waar eertijds het dorp was; die plaats had men verlaten, omdat 't opperhoofd er gestorven was.
[200] Soort van pruim.
[201] Als een neger geëten heeft, zal hij de handen afslagen.
[202] Kleine muis, die een walgenden mond heeft en waaraan de negers niet zullen raken.
[203] Gerucht.
[204] Mboma-ndongo = boa.
[205] Soort van gras, dat de negers gewoonlijk gebruiken om hunne daken te dekken.
[206] Bijgeloof der zwarten. Zij denken dat de menschen in dieren kunnen veranderen.
[207] Gerucht van 't water dat plotste onder zijn voeten.
[208] Naam van een mensch.
[209] Uitroeping.
[210] Tooverbeeld, dat opzoekt wat verloren is.
[211] Spreekwoord: Alle beiden zijn gestorven.
[212] Iedere ziekte heeft zijn toovenaar.
[213] Dorp bij Nlemfu. Ook nog 't dorp, dat in 't midden ligt: Kongo di Kati.
[214] Tweede dag van de kongoleesche week.
[215] Namen van trommels en muziekinstrumenten.
[216] Naam van een mensch.
[217] Naam van den strijder.
[218] Gijzelaars.
[219] E, e = neen, neen.
[220] Yi = uitroeping.
[221] Naam van den kruisweg.
[222] De neger, die mij dit verhaalde, voegde er bij: Deze zaken, de missionarissen van Kisantu, Pater van Hencxthoven heeft ze geregeld. En nu mogen zij weer den voet zetten in de beide dorpen, en er bestaat geen twist meer.
[223] Oorlogsverklaring bij de negers.
[224] Luma: Oorlogskreet. Vooruit!
[225] Kimbwa: soort van zwarte rat, met korten staart.
[226] Mfumu = opperhoofd.
[227] Naam van den vader van den christene, die mij dit verhaald heeft.
[228] Het gesneden verken, dat de dorpen verwoest!
[229] Wanneer men iemand gekwetst heeft, moet men een boete betalen; in deze zaak vooral, omdat de ouden van beider dorpen ze niet hadden geregeld.
[230] De ouden zijn vereenigd op het plein van 't dorp en de kinderen lachen en spelen.
[231] De negers van Neder-Kongo denken dat de blanken van het Westen komen.
[232] Soort van paling.
[233] Na: Heer. 't Is een eeretitel.
[234] Naam van den familiestam der vrouw.
[235] Terwijl men betoovert, wrijft men zich het hoofd.
[236] Nkayi: reebok, met gespikkelde huid.
[237] De neger, die mij dit verhaal verteld heeft, zegt dat in zijn dorp deze familie nog altijd met de melaatschheid aangetast is. En de reden: Omdat een vrouw hunner familie water geweigerd had aan dien melaatsche.
[238] Stampersblok = Een uitgeholen stuk boom, waarin de zwarten maniok, rijst of boonen stampen.
[239] Uitroeping.
[240] Maniokbrood.
[241] Oudste; Eeretitel.
[242] In Kongo is 't een groote oneer, een lijk weer op te graven.
[243] Spreekwoord.
[244] Na = een eeretitel: Heer.
Moni Mambu = die veel zaken op den nek haalt.
[245] Ma = eeretitel: Mevrouw, maar ook Heer.
Kiula = naam van een mensch.
[246] Verwensching.
(Kifwanga ki) Mam'aku = (Wangedrocht van) uw moeder.
[247] Verwensching.
[248] Verwensching.
[249] Het vergift doet die banaanplanten verdrogen.
[250] In Kongo zijn vrije vrouwen en slavinnen.
[251] Nkasa = boom. Uit zijne schors perst men vergift.
[252] E ngwa! He, moeder! Uitroeping.
[253] Die aardigheid, menschen in een kist te leggen, ben ik nog meermalen in hunne verhalen tegengekomen.
[254] Spreekwoord.
[255] In Kongo zijn er vijf groote seizoenen.
Nsungi mvula: het regenseizoen (van Oktober tot in Mei).
Kiansu: het klein droog seizoen (Januari-Februari).
Kintombo: het groot regenseizoen (April-Midden Mei).
Kisiwu: het droog seizoen (van Mei tot in Augustus).
Mbangala: het warm seizoen, vóór de terugkomst van den regen (Augustus-September).
[256] In het droog seizoen, 's morgens, is er veel nevel. En in de valleien, langs de rivieren, stijgt de dauw op. Tegen acht uren en nog later komt er de zon door.
[257] Vele negers tellen het jaar bij regenseizoens.
Een jaar is voor hen een regenseizoen.
[258] Alle jaren kappen de negers een deel van 't bosch af. Na vijftien, zestien jaar, is het bosch weer opgeschoten gelijk het was. Na twintig jaar, plant men opnieuw op dezelfde plaats.
[259] Soort van pruim.
[260] Na zestien of achttien maanden is de maniok rijp.
[261] Disuki = naam van slingerplant, die de beste caoutchouc geeft.
[262] Rond den noen.
[263] Dinkalanga = ook goede caoutchouc; maar van minder waarde.
De negers van Neder-Kongo mengelen altijd die twee soorten van caoutchouc te zamen, omdat dit minder last vraagt.
[264] 't Is aan de mannelijke bloemen van den palmboom, dat de neger zijne kalebassen hangt.
[265] Gerucht van ledige kruiken.
[266] Kleine en jonge palmboom.
[267] Schoone en groote palmboom.
[268] Eerste dag van de kongoleesche week.
[269] De markt is altijd op een zekeren afstand van het dorp, aan een kruisweg, gelegen. De markt is vrij voor iedereen, zelfs ten tijde van oorlog.
[270] Alles is nu opgeslagen, sinds de blanken in 't land zijn.
[271] In Neder-Kongo verdwijnt dat geld. Bij de Bambata, een volksstam aan de Portugeesche bezittingen gevestigd, zijn de parels nog geldig en alleenlijk de parels.
[272] Eertijds was er weinig zout. Men ging het halen aan de Portugeesche kusten. Eenieder vocht op de markt om zout te koopen. Op die plaats was er veel lawaai en gerucht. Daarom is 't dat men het zout gerucht van de markt noemde: Mazu ma zandu.
[273] Een goeden dag.
[274] Het huwelijksgeld regelen.
[275] Als men eene vrouw trouwt, dan vraagt men zooveel geld niet, als wanneer men eenen slaaf koopt. 't Is daarom dat zij hier uitroepen of zij het meisje verkoopen.
Voor eene slavin vraagt men wel 60 tot 80 frank. Voor eene vrije vrouw betaalt men 30 tot 40 frank.
[276] De bok.
[277] Gerucht van de groeten.
[278] De vrouw zit op de knieën: driemaal bestrijkt zij haar voorhoofd met een beetje aarde, en daarna groet zij bij handgeklap.
[279] Heeft een neger vijf vrouwen, dan moet hij zes hutten maken; eene voor hem, en eene voor elke vrouw, is het een slavin of een vrije vrouw.
[280] Deze plechtigheid is juist gelijk een kerkgang bij ons.
[281] Dat zijn overblijfsels van vroegere beschaving.
[282] Dombasi = Don Sebastiaan.
[283] Dona Gratia, in 't Portugeesch.
[284] Klank der klokjes, soort van belletjes.
[285] Soorten van visschen.
[286] Uitroeping.
[287] De graver van ons graf: De mannen immers graven 't graf, als er iemand sterft.
[288] Eeretitel.
[289] Aanraking.
[290] Zoo luidt het raadsel.
[291] De Staat had bevolen, dat al de gehuchten van een dorp zich zouden vereenigen op een plaats. De inboorlingen hadden dat volbracht. Maar dan stierven er velen aan de slaapziekte. In die omstandigheden werd dit lied aangeheven, dat heel droevig luidt.
[292] In 't droog seizoen zijn de nachten koud en eenieder tracht dan een goed beddedeken te koopen.
[293] Klank van het kisansi (inheemsch muziekinstrument).
[294] Uitroepingen.
[295] Namen van menschen.
[296] Gerucht van den slag.