Uit den Kunstschat der Bakongos

Part 17

Chapter 173,523 wordsPublic domain

Er zijn een en twintig kleine gasten bijeenvergaderd. Zij staan allen recht in de ronde; zij houden elkander bij de handen vast; zij plaatsen iemand in hun midden; hij beproeft of hij uit de ronde kan geraken.

De anderen zingen dan een lied, alzoo: Een jonkheid zoo teeder, kan hij eruit geraken?

En terwijl zij zingen en zingen, loopen zij rond; en hij, de kleine in 't midden, aan 't beproeven is hij, of hij er niet kan uitgeraken. Als hij er uit geraakt, dan zegt men hem, alzoo: Hij is heel sterk.

Kingombe.

HET ZIO SPEL

Zeventien kleine gasten zijn vereenigd op het plein van 't dorp: Wij kiezen er één uit; wij zetten hem in 't midden; wij blazen met den mond, terwijl wij de hand over den mond strijken, alzoo: Fua. Dien wij aangewezen hebben, dat hij ons vervolge! Indien hij iemand aanraakt, aan hem is de Zio [289] vastgehecht. Die moet weer een andere trachten aan te raken.

Dan was het heel plein van 't dorp in beweging en in beweging. Zij liepen tot op den hoek van 't dorp; zij kwamen terug, zij vluchtten dien jongen, die met den zio was. Indien die jongen hem gegeven had aan een anderen kleine, zoo hij niet heel sterk was in 't loopen, kon hij den zio niet meer kwijt geraken.

Toen de kinderen gespeeld en gespeeld hadden, riepen de moeders hunne kinderen. Ieder moeder riep haar kind. Dien kleine, die met den zio was, begonnen zij uit te lachen, alzoo: O, o, o, o; hij zit met den zio, dat is een stank in 't huis zijner moeder. O, o, o, o, morgen heeft hij hoofdpijn. O, o, o, o, hij heeft geen verstand.

Kiduma.

HET OPLOSSEN VAN RAADSELS

De zon was ondergegaan. De avond was gevallen.

De kleine jongens waren vereenigd: hunne bende te zamen; de meisjes ook hunne bende.

De jongens, aldus: Gij, meisjes, begint, dan zullen wij betalen.

Zij, de meisjes, alzoo: 't Is goed.

En zij begonnen de raadsels.

Het eerste meisje van den troep begon dus: Luistert wel! Ring.

Een jongen, de eerste van den troep, antwoordde, alzoo: Smeed hem.

Zij, 't meisje, alzoo: Een geheel dorp bouwen wij, ouden en ouden slechts, kleinen daar zijn er geen [290].

De jongens antwoordden, alzoo: Een huis.

Zij, de meisjes, alzoo: Wandelt maar, 't is dat niet, 't is geen huis.

En de jongens raadden en raadden, zij konden het niet.

't Meisje, die het raadsel had gezegd, alzoo: Noemt een dorp, dat wij het slaan.

Zij, de jongens, aldus: 't Is goed, zusterken.

Zij, alzoo: Neemt Kisantu.

Zij, de jongens, alzoo: 't Is wel, wij slaan en slaan; wij vermorzelen en vermorzelen.

Zij vroeg: Aan welke rivier gaat gij drinken?

Zij, de jongens, aldus: De rivier Nyanga.

Zij, 't meisje: Gij blijft rivierafwaarts; wij rivieropwaarts. Al de lijken, die wij gedood hebben, werpen wij in de Nyanga.

Zij vroeg weer, alzoo: Zijt gij verzadigd?

Zij, de jongens, alzoo: Ja.

't Meisje, die haar raadsel had gezegd, alzoo: Ik zoek de besten uit, in mijn zak. De heele slechten, in uw zak.

Wo! Wel, gij beste, gij hoort, aldus: Een geheel dorp hebben wij gebouwd, ouden en ouden slechts, kleinen daar zijn er geen. Wel, ga een stuk land maïs planten, laat de maïs groeien, en als hij groot en rijp geworden is, allen dragen een baard. Ziet gij een maïs, die geen baard heeft?

De jongen, aldus: 't Is zoo, zusterken, uw raadsel.

De jongens, alzoo: Blijft stil, wij ook, wij stellen u ons raadsel.

Allen zwegen.

Een jongen sprak, aldus: Ring.

Zij, de meisjes, alzoo: Smeed hem.

Hij, alzoo: Vader heeft een dier geschoten, 't bloed verspreidt zich in heel de streek.

En de meisjes, zij dachten en dachten, zij dwaalden en dwaalden in hunne gedachten, zij konden het niet.

Die zijn raadsel gesteld had, alzoo: Noemt een dorp, gij zult het slaan.

Zij, de meisjes, alzoo: 't Is wel, broederkens, wij geven u Kipasa.

Zij, alzoo: 't Is wel, gaat slaan.

En de meisjes sloegen en sloegen.

De jongens vroegen, alzoo: Aan welke rivier drinkt gij?

Zij, alzoo: Wij drinken aan de Ngufu.

Hij, alzoo: Gij blijft rivierafwaarts, wij blijven rivieropwaarts. Al de lijken die wij gedood hebben, werpen wij in de Ngufu, opent uwen mond, slikt ze in.

Zij, alzoo: Wij hebben ze ingeslikt.

Hij, alzoo: Zijt gij verzadigd?

Zij, alzoo: Wij zijn verzadigd.

Hij, alzoo: Ik kies de besten uit, in mijn zak. De heele slechten, in uw zak. Wel, luistert wel, ik leg 't raadsel uit. Wel, zusterkens, gij hebt het gehoord, alzoo: Vader heeft een dier geschoten, 't bloed heeft zich verspreid in heel de streek. Wel, als men 't gras in brand steekt, 't verbrande gras, ziet gij het niet opstijgen, hoe het zich verspreidt in heel de streek.

De meisjes, alzoo: 't Is zoo, broerken, uw raadsel.

Terwijl zij daar bleven raadsels vertellen, hoorden zij de hanen, die kraaiden; 't weer was klaar geworden.

De meisjes, alzoo: Wij zijn gewonnen. Haalt een geweer, en schiet een schot om onze overwinning.

En zij schoten een schot.

De meisjes, alzoo: Haalt een banaanplant. Wij planten ze.

Zij gingen een banaanplant halen; en zij plantten ze.

Die banaanplant, als zij vruchten heeft, als de vruchten rijp zijn, snijden zij ze af en verdeelen ze onder malkander.

Mbengo.

V. GEZANGEN

I.

NKUNGA U VWOKA

E tala vwoka, tusisa beto. Yay'e! E mvuku magata utusukidi kueto! E, e! E, e! Bele. Yay'e! E tala yandi e! E, e!

In al de dorpen.

I.

LIED OVER DE VERLATEN DORPEN [291]

He, zie de dorpen, die wij verlaten hebben. He, oude! He, de vereeniging der dorpen heeft ons doen uitsterven! He, he! He, he! Zij zijn verdwenen. He, oude! He, zie ons verlaten dorp! He, he!

In al de dorpen.

II.

NKUNGA U BULA-MATARI

E mbembo Ya Bul'e, Mbari Ya boy e! Bio bivwete nsalaba Ya Bula-Matari e! Ya boy e!

In al de dorpen.

III.

NKUNGA U BIEYA

Na Nkanza kitambala mpamb'e! Ma Nsansi balenga niangi. Na Nkanza, kisiwu kilweke, Mbulu k'alenda yo ko. Ma Laba, kisiwu kilweke, Ta Nloko, mbulu k'alenda yo ko.

Kisantu.

II.

LIED OVER DEN STAAT

Het is ter oorzake van Heer Staat, He, mijn beste jongens! Dat men nu die stoffen van Heer Staat draagt! He, jongens!

In al de dorpen.

III.

SPOTLIED

Heer Nkanza, hij heeft nog geen stuk vod! Zijn vrouw Nsansi gaat met hem wandelen, droevig en droevig. Heer Nkanza, 't droog seizoen komt aan [292]! Een beddedeken kan hij niet koopen. Mevrouw Laba, 't droog seizoen komt aan, Uw man Nloko kan nog geen beddedeken koopen.

Kisantu.

IV.

NKUNGA U BIEYA

Bo bayenda ku Kisantu, bana mfitu babaka. Ta Nyala mfitu k'abaki ko. Yay'e! Kitambala mpamb'e! Mba Ya Zwedi e!

Kinanga.

V.

NKUNGA U MBEMBO

E muana fwidi e! Mono isidi ye kinsiona muna gata. E ngwa, mono mam'e! E, e! E, e!

Toto-Lembolo.

IV.

SPOTLIED

Die naar Kisantu gaan werken, krijgen hun loon. Maar Heer Nyala, zijn loon, hij krijgt hem niet. He, oude! Nog geen stuk vod! He, zijn lieve vrouw Zwedi!

Kinanga.

V.

DOODENZANG

Ach, mijn kind is gestorven! Ik blijf nu een wees in 't dorp! He, moeder! Ik, zijn moeder! He, he! He, he!

Toto-Lembolo.

VI.

NKUNGA U NGANGA-NKISI

a) Ku Toto iyenda. Mbundu yandi bunganga.

Kisantu.

b) E mama! Mbundu kuna kiteko batekila masa! E mama! Muna kitadi kikumbanga.

Kilemfu.

VI.

LIED VAN DEN TOOVENAAR

a) Naar Toto ben ik gegaan. Zijn hart is in 't toovermiddel.

Kisantu.

b) He mama! Mijn hart is aan de bron, waar men water put! He mama! Waar het water aan 't bruischen is over de steenen.

Kilemfu.

VII.

NKUNGA U NSAKA

a) Mono k'isakana ko! Lunota kongo, dituka tija! Mono k'isakana ko!

Kisantu.

b) Bankwa nkele, lukala ye ngangu: Bana bele!

In alle dorpen van Neder-Kongo.

c) Yaba iyaba dia zanga, Ka dia ka disuki. Yaba, Yaya, Iyaba!

Boko di Kinkoni.

d) Kinza-nza-nza! E mbambi, yaya lukaya.

Mayidi.

VII.

LIED ONDER 'T SPEL

a) Ik, ik speel niet! Gij, danst en springt, dat het zweet u afloopt. Ik, ik speel niet!

Kisantu.

b) Gij, die een geweer hebt, weest verstandig: De kinderen zijn opgetrokken.

In alle dorpen van Neder-Kongo.

c) Ruimen, ik ruim dien vijver, Hij, hij wordt niet ledig. He, mijn beste, ruimen ik ruim!

Boko di Kinkoni.

d) Kinza-nza-nza! He toovermiddel, mijn beste blad!

Mayidi.

VIII.

NKUNGA U BIDILU

a) Kindengele, kindengele, kindengele! Ya Zwina! Kindengele, kindengele, kindengele! Mono bu ifwila Ya Zwina.

Mbengo.

b) E Nkandi yaya, Nkandi yiganga ngangu! Kilelele! E, e!

Kibangu.

VIII.

TREURLIED

a) Kindengele, kindengele, kindengele [293]! O beste Zwina! Kindengele, kindengele, kindengele! Ik ben aan Zwina gestorven.

Mbengo.

b) He, beste palmnoot, He, palmnoot, ik ben verstandig! Kilelele [294]! He, he!

Kibangu.

IX.

NKUNGA

Kutanga: Ikuenda kindimba-ndimba, ivutuka kindimba-ndimba; ibonga bana ba mbende bau batatu, bansisila Ntenda di Mputu.

Nkunga: Ntenda di Mputu uzonzika tembila tadi. Tembila tadi, mpakasa kadumbi mu nkoko. Kadumbi mu nkoko, beno lukuenda ku gata. Lukuenda ku gata, lunsamununa Mbala zi Mbata! Mbala zi Mbata katwadila wandu muna tutu. Wandu muna tutu igana ku banganga bakumbuka. Ba nganga bakumbuka, bankatuele nsongo muna nitu. Nsongo muna nitu usambukidi bana bangani. Bana bangani batetila nkandi kuna kosi. Io!

Kisantu.

IX.

LIED

Proza: Ik ga langs een kleine vallei, ik trek terug langs een kleine vallei; ik neem drie kleine muizen op, die Ntenda di Mputu [295] daar gelaten heeft.

Lied: Ntenda di Mputu was bezig een steen aan 't scherpen. Terwijl hij een steen scherpte, wierp een buffel hem in de [rivier. De buffel wierp hem in de rivier; gij, haast u naar het dorp. Haast u naar het dorp, en verwittigt Mbala zi Mbata [295]. Mbala zi Mbata, dat hij boonen in eene flesch brenge! De boonen, die in de flesch zijn, zal ik aan de toovenaars [geven om mij te heelen. De toovenaars zullen mij heelen en de ziekte van mijn lichaam [afnemen. De ziekte, die op mijn lichaam lag, heeft andermans kinderen [aangetast. Andermans kinderen hebben de kern van de palmnoot op hunnen [nek in stukken geslagen. Io! [296]

Kisantu.

EINDE

Leuven, op Palmzondag, 1908

Ivo Struyf, S.J.

AANTEEKENINGEN

[1] Bantoe beteekent menschen.

[2] Schuld doen eten = geld leenen.

[3] Zij had gedaan met haar hart = zij had er genoeg van.

[4] In 't droog seizoen steken de negers het gras in brand. Boven 't vuur komen de roofvogels zwieren om muizen te vangen.

[5] Letterlijk Moeder Kameleon en Moeder Muis.

[6] Nsona, vierde dag van de kongoleesche week, en ook de naam van de markt, die op dien dag valt.

[7] 's Morgens vroeg zijn er nog geen menschen op de markt te zien. Daarom kon de Muis de markt niet vinden.

[8] De negers zullen geen maniok eten, zonder een stukje vleesch of visch; makaya, noemen zij dat.

[9] Werd getroffen.

[10] Nsalafwa = groote en zwarte mieren. Een heele bende.--Er zijn gendarmen bij, die niets dragen. Zij zijn de bewakers langs den weg, zij staan recht om den vijand aan te vallen; intusschentijd gaan de andere mieren door, met 't eten geladen.

Binonia = kleine mieren.

[11] Mondo, oorlogstrommel, die akelig weerklinkt.

[12] Een kussentje leggen zij boven den kop, om eene vracht te dragen.

[13] Schoon en sterk hout, dat op onzen eik trekt.

[14] Madiadia = soort van dik en lang gras, groeit gewoonlijk in de valleien en wordt soms wel vijf meters hoog.

[15] Eeretitel.

[16] Egel = soort van knagend dier; in Kongo heeft het geen stekels.

[17] In Kongo dient de hond alleen om 't wild te jagen.

[18] Ngumbi = Patrijs met roode pooten.

Nkusu = de kongoleesche papegaai is grauwachtig met rooden staart.

[19] Op een vwoka (verlaten dorp) staan vele palmboomen.

[20] De palmnoten, als zij rijp zijn, zijn rood.

[21] Eeretitel.

[22] Soto = val, gelijk de vogels vallen op den grond.

[23] Uitroepingen van verwondering.

[24] Te = gerucht van iets dat botst.

[25] Eeretitel.

[26] Inheemsche trommel.

[27] Bij maneschijn danst men in alle dorpen. De inheemsche trommels weergalmen soms uren wijd, vooral als men ze boven 't vuur verwarmt.

[28] Eeretitel.

[29] Verhaal, waarmede de ouden schrik inboezemen aan de jongeren om de tooverbeelden te eerbiedigen, en tevens om niet te stelen.

[30] Namen van muizen.

[31] Nsona = vierde dag van de kongoleesche week.

[32] Luku = maniokbrood.

[33] Slecht en bedorven maniokbrood.

[34] Geschreeuw van de Patrijs.

[35] Middel, om te weten wie schuldig is.

[36] Soort van rat.

[37] Gerucht van iets dat ledig is.

[38] Struikelen op den weg is een teeken dat er iets slecht gebeurd is.

[39] Als er iemand sterft, zal men den doodenzang komen zingen.

[40] Naam van een markt.

[41] Namen van antilopen.

[42] Eeretitel.

[43] Als een neger van een lange reis terugkomt, zal er veel poeder geschoten worden.

[44] Het lijk wemelde van wormen.

[45] Vu = Klanknabootsing van iemand die in de handen slaat.

[46] Mama = Moeder. 't Is een eeretitel.

[47] Makwakwa = een soort van distels die veel pijn veroorzaken.

[48] Mankundia = wilde boonen, die met haar bedekt zijn.

[49] Nkenge = Naam van een vrouw, waaronder de Gazelle zich verscholen had.

[50] De = Uitroeping van smart.

[51] Koker = inheemsch muziekinstrument. Horen van een antilope.

[52] Klank van den koker.

[53] Als men visschen vangt in de vijvers en moerassen, dan zal men eenen dijk maken, en alzoo 't water uitscheppen.

[54] Uitroeping.

[55] Mam'ani = zijn moeder. 't Is een scheldwoord.

[56] Klank van den slag.

[57] Mam'aku = uwe moeder. Scheldwoord.

Gewoonlijk kifwanga ki mam'aku = wangedrocht van uwe moeder.

[58] Kleine mier.

[59] Als er iemand sterft, dan komt men den doode in zijn hut beweenen, terwijl er in 't dorp veel geschoten wordt.

[60] 't Is een groote schaamte iemand te begraven, zonder kleedingsstoffen.

[61] Klanknabootsing.

[62] Verwensching of eed.

[63] Eeretitel.

[64] Eerste dag van de kongoleesche week.

[65] Kisansi: inheemsch muziekinstrument; klein speeltuig, waaruit de negers vreemd-schoone noten weten te trekken.

[66] Vader man: eeretitel.

[67] Het lijk wordt in de hut boven een put gelegd, daar om wordt vuur gestoken en alzoo droogt het lijk.

[68] De kongoleesche week telt slechts vier dagen.

[69] Fungwa = Vogel.

Miese = Vogel.

Ngundu Nkunga = De schoonste zanger onder de vogelen van Kongo. Hij kan de trommels en de dansliederen der negers opperbest nadoen.

[70] Eerste dag van de kongoleesche week.

[71] Niungi = kleine muis die de zwarten niet zullen aanraken om haren stank.

[72] Maniokbrood.

[73] Wo = Hoe!

[74] Den Boa zullen de negers van Lager-Kongo niet aanraken.

[75] Namen van menschen.

[76] Dit beteekent, dat zijne moeder gestorven is.

[77] 't Is eene groote schande bij de negers, iemand niet te begraven.

[78] Langs de wegen zal men dikwijls een dikken steen aantreffen, waarop de negers de palmnoten verbrijzelen om er de kern uit te halen.

[79] De groote kongoleesche groet.

[80] Uitroeping, om te beteekenen dat het plein fijn gekeerd was.

[81] Aldus spotte hij met den egel.

[82] Echte kongoleesche gewoonte van dragers.

[83] Uitroeping.

[84] Soort van paling. Ba duidt het meervoud aan.

[85] Namen van visschen.

[86] Soorten van visschen.

[87] Ngudi mpasi = moeder van smarten. Doopnaam van de heidensche vrouwen. 't Is een overblijfsel van vroeger christendom.

De moeder noemde haar kind bij haar doopnaam, om haar te doen gehoorzamen.

[88] Piu = zoo zwart en zwart.

[89] Mpingia = kleinste muis van Kongo.

[90] Ngoni = schoone muis, waarop de zwarten verlekkerd zijn.

[91] Ma is een eeretitel.

[92] Een soort van antilope.

[93] Als men een tooverbeeld in een dorp begraaft, dan grijpen er alle soorten van rampen plaats. Zoo denken de negers.

[94] Dat is zeker een herinnering aan een lang geleden zonsverduistering. Dat natuurverschijnsel moet immers fel op den geest der negers gewerkt hebben.

[95] Opgeëten = verkocht. Als men een kind verkoopt, wordt 't geld opgeëten.

[96] Het voelen van een greep.

[97] Spreekwoord van den boa, volgens de negers.

Een boa verteert zijn eten in 't droog seizoen. Dan gaat hij liggen in 't hooge gras, aan den boord der rivier. Met de eerste regens, gaat hij weer op zoek.

[98] Tweede dag van de kongoleesche week.

[99] Gerucht van den boa.

[100] Een karavaan negers zullen een teeken maken met hun draagstok in 't begin der wegen, die men niet mag volgen.

Degene die achteraan komen zullen alzoo weten, welke de goede weg is.

[101] In de koophandeldoos lag al zijn geld en goed.

[102] De namen van de kongoleesche week worden ook gegeven aan de markten.--Als er een markt op den Nsona valt, dan wordt die markt Nsona geheeten.

[103] Namen van kleine visschen.

[104] 't Is een teeken bij de negers, dat er iets voorgevallen is.

[105] Ingewanden van 't verken of de geit.

[106] Zijn kleederen (paan) versleten, hingen aan flarden.

[107] Eeretitel.

[108] Mimbumbu = tooverbeeld.

[109] Naam dien men geeft aan een mensch, die door den toovenaar behandeld wordt.

[110] Hij valt zelf in den put, dien hij voor den evennaaste gegraven heeft.

[111] Figuurlijk gezegd: u kwaad maken.

[112] Kanga mbunsu: letterlijk vertaald = 't voorhoofd binden.

Kanga mbunsu: figuurlijk vertaald = zich kwaad maken.

[113] Uitroeping van verwondering.

[114] Drink maar, drink maar.

[115] Kiwita = waterjuffertje. De negers denken dat het een watergeest is.

[116] Naam van een volksstam, op de grenzen van den Kongostaat gevestigd.

[117] Nkanku = Palmboommes.

[118] Kisimbi = watergeest.

[119] Nkula: soort van roode aarde, waarmede de Kongoleezen zich bestrijken om zich schoon te maken.

[120] Met palmolie bestrijken zij zich ook.

[121] Het huwelijkskontrakt werd geregeld: vader en schoonzoon breken samen een stokje.

[122] 't Geld snijden = den prijs stellen.

[123] Koperen ringen, die zeer zwaar wegen. Iedere ring weegt somtijds twee kilo.

[124] Het vuur spreekt = er werd geschoten.

[125] Zombo: streek van Portugeeschen Kongo.

[126] De ouden van 't dorp zouden Zwina en Nkenge beschuldigd hebben den dood van een der dorpelingen te hebben veroorzaakt: wat zeer erg is.

[127] In 't kongoleesch Ndona, van 't Portugeesch Dona.

[128] Bijgeloof der zwarten.--Anderen nog, volgens hen, veranderen in een luipaard (ngo-nkitu); of in een krokodil (ngandu-nkitu).

[129] Zoo roept men als men in gevaar verkeert, terwijl men met de hand op den mond slaat.

[130] Uitroepingen!

[131] Gewoonten, als er iemand sterft, zoowel als bij trouwfeesten.

[132] Inheemsch muziekinstrument (nsambi).

[133] Naam van den volksstam.

[134] Yaya = Eeretitel, dien men aan zijnen oudste geeft.

[135] 't Is heel streng verboden, een lijk uit 't graf te halen.

[136] Mbata: Streek waar Zwina getrouwd was.

[137] Kongoleesche gewoonte.--Als er iemand sterft, moet men de doodmare in de familie brengen.

[138] Een moeder, als haar kind gestorven is, mag haar niet meer wasschen; hare haren laat ze groeien, en zij bestrijkt zich met rood.

[139] Verwenschingen.

[140] Kongoleesche eed.

[141] De kinderen, uit een kongoleesch huwelijk gesproten, behooren tot den familiestam der moeder.

[142] Als kinderen gestorven zijn, moet de moeder vuile kleeren dragen.

[143] Als een kind na langen tijd in zijn dorp terugkomt, dan, onder andere vreugdeteekens, wordt er geschoten.

De negers vroegen mij, toen ik naar België terugtrok: Wel, Pater, als gij in uw geboortedorp aankomt, zal men dan ook schieten en schieten?

[144] Spreekwoord, dat men zegt, als er iemand gestorven is.

[145] Ander spreekwoord: Men denkt wraak uit.

[146] Gerucht van de klokjes.

[147] Spreekwoord: Weest voorzichtig.

[148] Spreekwoord: Wij zijn afgemat; maar wij willen seffens zeggen waarom wij gekomen zijn.

[149] 't Is eene kongoleesche gewoonte, dat de familiestam hare kinderen begraaft.

[150] De toovenaars hebben Zwina vermoord.

[151] Eeretitel.

[152] Heksen: Scheldwoord. Ndoki, in 't kongoleesch.

Het zijn de ndoki, die ziekten en sterfgevallen veroorzaken, volgens de kongoleezen. Als de toovenaar ze door zijn toovermiddelen heeft aangewezen, worden ze verbrand of in de rivier geworpen.

[153] De poederdoozen zijn gemaakt van kleiaarde ofwel van gedroogde pompoenvruchten. Die poederdoozen hangen de negers aan hunne zijde, als zij gaan jagen; of in andere omstandigheden zoo b.v. bij begrafenissen.

[154] Bangala = Naam van een volksstam van Boven-Kongo. Onder dezen volksstam koos de Staat zijn eerste soldaten uit.

[155] Nsenga: Het hout van dien boom is heel licht en wit.

[156] Pidi = Alles was stil. Geen antwoord.

[157] Naam van een markt.

[158] Eeretitel.

[159] Geschreeuw van den arend.

[160] Gerucht van iets dat men wegwerpt.

[161] Die veel zaken op zijnen rug heeft.

[162] Eeretitel.

[163] Regeeren.

[164] Die naam beteekent Heer Navel.

[165] Uitroeping.

[166] Kisansi = muziekinstrument.

[167] Tsi = Gerucht van 't vuur, dat uit den steen springt.

[168] Eeretitel.

[169] Teeken bij de negers om de waarheid te bevestigen.

[170] Naam van de markt.

[171] Centiemen.

[172] Ngola = soort van paling.

[173] Zij hadden er genoeg van.

[174] Bijgeloof der zwarten. De geesten vergelijken de menschen bij verkens.

[175] Yaya = Oudste; een eeretitel.

[176] Binnen twaalf dagen. De kongoleesche week telt vier dagen: Nkandu, Konso, Nkenge, Nsona.

[177] Dombasi = Dom Sebastiaan. Doopnaam der heidenen.

[178] Omtrent den noen. Tot den middag.

[179] Schoon jongeling.

[180] Lukaya = gegroet! Dit is de echte kongoleesche groet. Terwijl de negers malkander alzoo groeten, slagen zij in hunne handen. Mbote = Goeden dag. Dien groet hebben de blanken ingebracht; mbote beteekent slechts goed.

[181] Naam van een mensch.

[182] Haast u.

[183] Kiteba was er peter van, zooals wij zouden zeggen.