Uit den Kunstschat der Bakongos

Part 16

Chapter 164,226 wordsPublic domain

De verwantschap, als zij dit hooren, schreeuwen weer opnieuw: E yelelelele, e kuyelete ku tat'e!

Dan groet de vrouw den grooten groet aan haren echtgenoot [278].

En daarna begint de vrouw ook hare familienamen op te zeggen, met dezelfde omstandigheden en plechtigheden, gelijk de echtgenoot zijne namen gezegd heeft.

Als 't opzeggen der namen gedaan is, dan eet en drinkt men, en den volgenden dag, als de zon is opgekomen, na een groeten bij handgeklap, gaat de verwantschap terug naar hun dorp.

Waar de man en de vrouw gebleven zijn, doet men den toovenaar komen, die den naam draagt van Nganga Kesa.

De toovenaar doet man en vrouw op een biezenmat zitten, en hij besproeit ze met water, terwijl er in 't dorp wordt vuur geschoten.

En 't huwelijk is ingezegend. En nu mag de man in de hut, die hij voor zijn vrouw gebouwd heeft, binnentreden [279]!

De vrouw maakt het eten gereed, stampt den maniok in den stampersblok, gaat water scheppen en brandhout rapen.

Op het veld, gaan man en vrouw dikwijls te zamen werken. 't Bosch afkappen, om er maniok te planten, is 't werk van den man, gedurende het droog seizoen, alsook tabak planten.

Maniok en aardnoten en boonen planten, dit is vooral het werk der vrouw.

Indien de vrouw zwanger geworden is, komt de toovenaar met zijn toovermiddelen om de vrouw te zegenen. Hij legt ook het verbod op van eenige zaken niet te eten, zooals sprinkhanen en een soort van rat, die men nkusu noemt. Daarna trekt de toovenaar op met zijn toovergeld, negentig mitakos.

Als het kind geboren is, wordt dezelfde toovenaar, Nganga Kesa, weer uitgenoodigd. Hij komt met zijn toovermiddelen, hij geeft man en vrouw te eten en hij legt weer een ander verbod op, alzoo: Geiten dat zij in de hut niet binnenkomen, sprinkhanen mag men niet branden, het nieuwgeboren kind mag men in de zon niet toonen, de moeder mag op het veld niet gaan werken.

Men geeft den toovenaar negentig mitakos en een kieken en hij vertrekt. Waar hij gaat, moet men een handvol aarde werpen.

Als het kind eene maand oud is, dan komt een andere toovenaar om het in de zon te toonen [280]. De toovenaar komt de hut binnen, de vrouw moet een zijner vingers vastnemen, en alzoo komen toovenaar en vrouw, die haar kind op hare armen draagt, buiten en gaan driemaal om rond de hut. Vóór de hut, op het plein, maakt dan de toovenaar eene plaats schoon, teekent er een kruis op en legt het kind op het kruis, dat hij besproeit met water. De toovenaar vraagt gewoonlijk de waarde van twaalf frank voor al zijne moeite en voor zijne toovermiddelen.

Na deze plechtigheid is het de vrouw toegelaten haar werk op het veld te hernemen, terwijl het kind op haren rug is vastgebonden met een schouderriem. Eene moeder draagt gewoonlijk haar kind op hare heupen, bij middel van een draagband.

Zoolang eene vrouw de borst geeft aan haar kind, wat wel twee en drie jaar duurt, mag zij aan geen ander kind het leven geven. Zulk iets is ongeoorloofd: Het kind zou vermageren, zijn haar zou ros worden, het zou dikke kaken krijgen en de neus zou gedurig uitloopen.

Indien er hevige twist moest ontstaan tusschen man en vrouw, ofwel ook tusschen de broeders van de vrouw en den echtgenoot, dan zegt hij, alzoo: De verwantschap is niet goed. Het huwelijk is verbroken.

En de familie geeft het huwelijksgeld aan den echtgenoot terug. Zelfs, als de vrouw er hoegenaamd niet in toestemt, is de man vrij, hij vertrekt naar zijn dorp en hij trouwt met een andere vrouw. De vrouw doet hetzelfde.

Indien zij kinderen gebaard hebben, zijn het jongens of meisjes, die behooren de moeder toe. De vader heeft er geen recht op.

Een man, die zijne vrouw schuldig weet van overspel, mag haar wegjagen, en hij trouwt een andere vrouw.

Eene vrouw, die twee of driemaal weduwe geworden is, kunnen onze zwarten felle pijnen doen uitstaan en uitschelden om haar te leeren, dat zij haren echtgenoot niet meer mag vermoorden.

Alzoo wordt ook een man behandeld, wiens vrouwen te rap sterven.

Kisantu.

HET NAAMGEVEN

In Kongo draagt ieder mensch den naam van zijn familiestam. Ieder familiestam heeft eenen naam. Men zal hem onthouden totdat de wereld vergaat.

Ziehier eenige namen van familiestammen:

Mbenza Ma Nkunku (familiestam in het dorp Kiduma).

Ngwanina Kongo (dorp Kipasa).

Mata Ma Kongo.

Vuzi Na Nku.

Kisila Ngombi (dorp Kingombe).

Mbamba Kalunga.

Kongo kapitau lembo kifikidi wembo (dorp Kimbambi).

Fula Mansako Kalunga (dorp Kisantu).

Eertijds in een groot dorp waren er wel van tien tot twintig familiestammen.

Maar sinds dat de blanken gekomen zijn, zijn de menschen uitgestorven; er blijven in een dorp, misschien slechts twee familiestammen, ofwel misschien één over. De menschen zijn doodgegaan door de slaapziekte en de pokken.

In een stam kan geen slaaf of slavin binnen, omdat men ze gekocht had. De bloedverwanten alleen behooren tot den familiestam.

In elk dorp zijn er kinderen van 't huis. Als men eene vrouw had gekocht, en men zette ze in huis, indien zij kinderen baarde, dat waren kinderen van 't huis.

Er zijn ook kinderen van den palmwijn van 't huwelijk. Dat zijn opperhoofden of vrije kinderen, mannen of vrouwen.

Indien een vrouw met een man van een ander dorp trouwt, en indien zij kinderen baren, dat zijn kinderen van den palmwijn van 't huwelijk. Als zij groot geworden zijn, gaan zij naar den familiestam hunner moeder; daar verblijven zij bij hunne bloedverwanten en hun moederlijken oom en hun grootvader. De kinderen behooren tot den familiestam hunner moeder.

In een familiestam zijn er ook twee deelen.

Het eerste deel bestaat uit de ouden.

Het tweede deel bestaat uit de kinderen.

De ouden zijn altijd in den familiestam geweest, zij zijn niet gekocht geweest.

Zij, de ouden, als zij eene vrouw gekocht hadden, en als die vrouw kinderen heeft gebaard, dan verdeelen zij den familiestam in twee: de vrije kinderen en de slaven.

Er mogen jaren voorbijgaan, en men zal de slaven altijd blijven kennen, ware het zelfs in het begin van den stam, als men die vrouw gekocht had.

Buiten den naam van den familiestam der moeder, heeft ieder nog zijnen naam.

Als eene moeder haar eerste kind baart, dan geeft de vader gewoonlijk den naam. Een kind (meisje), dat op de wereld komt, den derden dag van de kongoleesche week, Nkenge, noemt men dikwijls Nkenge. Zoo ook, den vierden dag, Nsona, dan is haar naam Nsona.

Als zij een tweede kind baren, is 't een jongen of een meisje, dan geeft de moeder den naam aan den nieuwgeborene.

Daarbij geeft men aan ieder kind nog den naam van een heilige [281]. Indien degene, die hem den naam geeft, Dombasi [282] heet, dan heet het kind ook Dombasi, ofwel Dompaolo, Dompetelo, Domanuele, enz. enz. Is het een meisje, dan geeft men den naam van Ndona Maria, Ndona Ngalasa [283], Ngudi mpasi, (Moeder van smarten) ofwel Moeder van 't leven, ofwel Moeder van den oorlog.

Verscheidene kinderen dragen ook spotnamen. Indien iemand veel kan eten, en niets laat voorbijgaan, dan zegt men: Gij, dat kind, veel vreugde is met u. Gij zijt een fuik, er gaat geen blad door. En het kind wordt FUIK geheeten.

Dan zijn er nog namen van toovermiddelen, als men door den eenen of den anderen toovenaar geheeld wordt.

Mbengo.

EEN LIJKFEEST

Het is langen tijd geleden; de ouden van 't dorp Kongo waren aan twee lijken gestorven, en zij zegden: Deze lijken, wij dansen den doodendans.

Al de ouden waren overeen gekomen, alzoo: Eerst en vooral gaan wij naar de vallei, om er 't werk te werken; alzoo winnen wij geld, om verkens te koopen, die wij zullen verdeelen onder de dorpen, die den doodendans komen dansen.

Zij gingen naar de vallei, kapten er 't bosch af, en plantten er tabak. Toen de tabak uitkwam en groeide, besproeide men hem met water. Toen hij rijp was, alzoo: Laat ons onzen tabak inoogsten.

En zij oogstten hunnen tabak in. Zij droegen hem naar 't dorp, en staken hem op palmlatten. In de hutten werd hij gedroogd.

Toen hij droog was, alzoo: Laat ons dien tabak verkoopen. De lijken, zij zijn al lang gestorven, en zij, zij zijn nog niet begraven.

Zij gingen, zij verkochten den tabak, zij ontvingen veel geld, en kochten de verkens.

Toen gingen zij op de markt, zij speelden de klokjes: Ku nge, nge, nge, nge, nge [284]! En zij riepen, alzoo: Toekomenden Nkandu, den dezen niet, maar den volgenden, die de trommels slaan, dat zij afkomen met hunne trommels; die 't muziek spelen, dat zij afkomen met hunne muziekinstrumenten! Dat allen tegenwoordig zijn!

A! De dag van glorie was opgestaan. Al de menschen hadden zich met rood en palmolie ingestreken. De maagden hadden hun haar laten snijden, de jongelingen deden hun haar vlechten.

Eindelijk kwamen de trommels en de muziekinstrumenten af. Die de trommels slaan, hadden ze boven 't vuur verwarmd, en zij begonnen te trommelen. En men danste en danste, dat er geen einde aan kwam.

Daarna kwamen zij af, die de muziekinstrumenten speelden, en zij vervangden de trommelaars.

't Opperhoofd der trommelaars beval, alzoo: Neemt uwe instrumenten, en komt u in orde schikken achter de trommels. En hij sloeg in zijne handen, en de muziekinstrumenten begonnen te weergalmen.

En de kokers en de muziekinstrumenten weerklonken in den hemel, en zij weerklonken en weerklonken, en gingen en gingen tot in den hoogen hemel. En van dal tot dal, van bosch tot bosch, weergalmden zij over de omliggende dorpen, om de menschen, die gestorven waren, te vereeren. Dagen en dagen weerklonken de trommels en de muziekinstrumenten en in 't dorp Kongo was het groote feest. 't Was de doodendans hunner lijken.

Kongo.

III. TOOVENAARS en TOOVERMIDDELS

TOOVERMIDDEL VOOR HOOFDPIJN

Indien iemand hoofdpijn heeft, doet men den toovenaar roepen. Als de toovenaar komt, neemt hij een palmnoot van een palmnotenrist; hij haalt er den palmsteen uit; hij neemt roode verf, en een soort van gras: dinsusu; hij slaat den palmsteen in stukken, en op de kern strijkt hij roode verf, hij legt haar in een band, en hij bindt het vóór het aangezicht; daarna perst hij de palmnoot uit, hij bestrijkt er 't hoofd van den zieke mede; en hij bestrijkt drie keeren, terwijl hij het verbod zegt, alzoo: Palmsteenen, dat hij ze niet in stukken sla!

De toovenaar vraagt negen mitakos; zij geven ze hem en hij trekt op.

Indien de zieke genezen is, komt de toovenaar terug om 't verbod af te nemen. Hij vraagt drie keeren negen mitakos; hij ontvangt ze; en dan doet hij den zieke een palmsteen in stukken slaan op een steen.

Songia.

TOOVERMIDDEL VOOR LONGONTSTEKING

Indien iemand een longontsteking heeft, komt de toovenaar, die de longontsteking heeft. Hij neemt een verkensribbe; hij bindt ze vast aan een band; hij neemt een palmnoot en een soort van gras: dinsusu. Daarna slaat hij de palmnoot in stukken, hij legt gras op de palmnoot en bestrijkt er de ribben van den zieke mede. Als hij bestreken heeft, dan legt hij alles op de borst van den zieke, en hij spreekt 't verbod uit: Verkensribben mag hij niet eten, noch verkensvleesch.

Dan geeft men zeven en twintig mitakos. En hij, de toovenaar, trekt op.

Als de zieke genezen is, dan komt de toovenaar terug, om 't verbod af te nemen. Hij doet 't vleesch eten dat hij verboden had, en hij ontvangt negentig mitakos en een kieken.

Daarna trekt hij op.

Songia.

TOOVERMIDDEL VOOR VERSTOPPING

Indien iemand aan eene verstopping lijdt, gaat de toovenaar een soort van plant halen, dat men ngewo noemt. Hij legt het in een flesch; hij doet er palmwijn in en hij laat den zieke dezen drinken.

Als hij gedronken heeft, dan begint de buik te loopen en te loopen. Als het over is, dan neemt men een ei, men maakt het gereed, men haalt een stokje in den vorm van een kruis, waarop men drie kleine maniokbrooden legt, en men spijst den zieke.

Dan geeft men zeven en twintig mitakos aan den toovenaar.

En hij trekt op.

Songia.

TOOVERMIDDEL VOOR OORZIEKTE

Indien iemand aan de ooren lijdt, maakt de toovenaar een papieren zak, waarin hij twee soorten van gras legt: dinsusu en nta-nkengele. Daarna giet hij water in den papieren zak en laat het loopen in de ooren van den zieke.

Als men hem negen mitakos gegeven heeft, vertrekt de toovenaar.

Indien de zieke genezen is, komt hij 't verbod afnemen dat hij opgelegd had van koppen van sprinkhanen niet te eten.

Songia.

TOOVERMIDDEL VOOR TANDPIJN

Indien iemand tandpijn heeft, of indien het tandvleesch gezwollen is, gaat de toovenaar een steen halen in de rivier; dan giet hij palmwijn op dezen steen, en hij neemt negen aardnoten, die hij vastbindt in een stuk vod. Alles hangt hij aan de keel van den zieke. Daarna geeft hij den palmwijn te drinken die over den steen geloopen is, en hij zegt het verbod, alzoo: Aardnoten, dat hij ze niet ete, noch vleesch, noch nsomfi, noch makaki [285].

Dan regelt men het toovergeld. Men geeft hem drie keeren negen mitakos en een jong kieken. En de toovenaar trekt op, als men dit alles gegeven heeft.

Indien de zieke genezen is, doet men weer den toovenaar komen. Men moet de zaken halen van 't verbod. Men geeft ze aan den toovenaar, en hij spijst den zieke, maar heel weinig. Al wat er overblijft is voor den toovenaar, en men geeft hem negentig mitakos.

Songia.

TOOVERMIDDEL VOOR DE VALLENDE ZIEKTE

Als iemand de vallende ziekte heeft, doet men den toovenaar komen. Hij opent zijn zak toovermiddelen, terwijl men hem drie keeren negen mitakos geeft.

Men gaat een kieken halen, men snijdt het den hals af, en hij doet het bloed op het toovermiddel loopen. Hij beveelt het hart van 't kieken in te slikken. Als de zieke 't hart heeft ingeslikt, neemt de toovenaar een flesch palmwijn, en hij geeft den zieke te drinken. Daarna laat hij 't toovermiddel aan den zieke rieken.

Men bereidt 't kieken in een pot boven 't vuur. Hij vervaardigt een kruis met twee stokjes, en met dit kruis neemt hij een stuk maniokbrood, en hij geeft den zieke te eten. Als hij drie keeren geëten heeft, dan verdeelt men 't kieken onder de aanwezigen. Men geeft den toovenaar een jong kieken, waarmee hij dan zieke bestrijkt. Daarna regelt men het toovergeld: drie keeren negentig mitakos. Als hij deze drie keeren negentig mitakos gekregen heeft, dan zegt hij het verbod: Kiekens, dat hij ze niet ete. Vogels, die in de lucht opstijgen, dat hij ze niet ete. Sprinkhanen, dat hij ze niet in zijn huis doe, waar hij slaapt. Geitenvleesch, dat hij het niet ete. Als men hem 's nachts roept, dat hij niet antwoorde.

Daarna vertrekt de toovenaar.

Als de zieke een stukje geitenvleesch eet, dan komt de ziekte terug. Men gaat den toovenaar verwittigen, dat hij het verbod weer komt zeggen. Als hij komt, moet men boete betalen, omdat de zieke het verbod overtreden heeft. Men geeft den toovenaar palmwijn, en driemaal negen mitakos.

Dan heelt hij den zieke weer. Dan zegt hij het verbod: Dat hij geen geitenvleesch ete, en al de zaken, die ik de eerste maal heb verboden.

En de toovenaar vertrekt.

Indien de zieke genezen is, doet men den toovenaar komen. Men haalt een kieken, en al de zaken die hij gezegd had in 't verbod. Men geeft alles aan den toovenaar. Hij bereidt alles, en dan spijst hij den zieke en de aanwezigen.

Hij stelt het toovergeld, en men geeft hem drie of vier frank. Als hij het geld ontvangen heeft, dan legt hij een beetje assche op de tong van den zieke, die het moet inslikken.

Daarna is 't heelen gedaan en de toovenaar gaat terug naar zijn dorp.

Songia.

HET AANLEEREN VAN EEN TOOVERMIDDEL

Als iemand een toovermiddel wil leeren van den toovenaar, dan gaan zij te zamen naar het inheemsch kerkhof, zij dragen een kieken in de handen. De toovenaar heeft zijn zak toovermiddelen, hij hangt hem op de schouders en zij trekken op.

In den nacht alleen, gaan zij daar. Hij, die wil toovenaar worden, gaat op een hoek van 't kerkhof staan, en de toovenaar op een anderen hoek. Dan beginnen zij op den grond met hun handen te kloppen.

De toovenaar spreekt, alzoo: Sta op, sta op! Zijt gij doof?

Dan neemt hij palmwijn, besproeit het graf, waarop hij staat, en besproeit ook de andere graven.

Hij neemt aarde in 't midden van het graf, bestrijkt er een tooverbeeld mede, neemt palmwijn, giet hem op het graf, neemt weer roode aarde, bestrijkt er de borst van 't tooverbeeld mede, en daarna bestrijkt hij het gezicht van 't tooverbeeld met kalkaarde.

En alzoo komen zij terug naar 't dorp. De toovenaar, als hij in 't begin van 't dorp gekomen is, begraaft het tooverbeeld, alzoo: Laat ons gaan, uw meester ik.

En zij komen tot in 't dorp, zij nemen een haan, die kraait; zij snijden hem den kop af, en 't bloed laat hij loopen op de toovermiddelen. Hij neemt een weinig bloed, en hij doet het aflekken door dengene, die de toovermiddelen wil ontvangen.

Daarna zegt de toovenaar, alzoo: Wel nu, kom, wij regelen het toovergeld dat gij mij moet betalen. Mijne toovermiddelen kosten tien stukken van vijf frank.

De jongeling, alzoo: Neem er twee.

De toovenaar, alzoo: Geef er vijf.

De jongeling: Neem er drie.

En de toovenaar neemt dit aan, en hij zegt: Wel, ga een haan halen die kraait, die gaat met mij mee en eene geit.

De jongeling haalt den haan en de geit, en hij geeft ze aan den toovenaar. Indien hij ze niet bezit, dan stelt hij den dag, waarop hij zal betalen.

Dan neemt hij het toovermiddel, en hij geeft het aan den jongeling. En met dit toovermiddel kan de jongeling ook een soort van ziekte heelen.

Want voor iedere ziekte is er een ander toovermiddel.

Songia.

IV. SPELEN

DE NEGEN AARDNOTEN

De kleine gasten waren vereenigd op 't land van de aardnoten. Een kleine, die verstand had in zijn spel van aardnoten, riep zijnen vriend, alzoo: Drie aardnoten, als wij ze uit hunne peulen doen, dan zijn er negen gepelde aardnoten; die negen kunt gij niet opeten.

Hij, alzoo: Ye [286]! Die negen gepelde aardnoten, ik zou ze niet kunnen opeten!

Hij, alzoo: Gij kunt ze niet opeten.

Wel, 't is goed. Ik ga drie aardnoten nemen in den korf van mama; ik zal ze u brengen en gij zult ze pellen. Dan zal ik ze opeten, hoor je, ik kan ze niet.

En hij liep heel rap naar den korf van zijne moeder.

Hij, die zijn spel kende, bleef daar wachten. En hij riep, alzoo: Breng ook een weinig assche van 't vuur mede.

Hij, waar hij bleef, schudde zijn zaksken uit, nam rijpe peper, verbrijzelde de peper op zijn hand, en hij bestreek met het sap zijne twee vingeren: den duim en den wijsvinger, en hij wierp 't groen weg.

Toen riep hij, alzoo: Wel, maar breng nu de aardnoten, hoor je. Drie aardnoten, die gij gaan zoeken zijt, moet gij ze nog uitdoen?

Hij, de kleine, antwoordde, alzoo: Ik kom aan, wacht, ik ga een beetje assche nemen.

En hij nam een beetje assche, en hij kwam.

En alzoo: Wel nu, pel uwe aardnoten, gij?

En hij pelde zijne drie aardnoten, en hij legde op zijne hand negen gepelde aardnoten.

Hij, die zijn spel kende, alzoo: Als gij eene aardnoot opeet, ik, ik steek mijne twee vingers in de assche, ik duw ze onder uwe oogen. Als gij de negen aardnoten opeet, ik wrijf u negen wrijven in uwe oogen.

Hij, de kleine, alzoo: 't Is wel. Toon uwe handen, dat ik zie.

Hij, alzoo: Mijne handen, wel, zie, zie maar. Wat ziet gij er aan? Zij zijn toch niet vuil.

Hij, de onnoozele kleine, nam een aardnoot, wierp ze in den mond, hij kauwde, en slikte haar in.

Hij, die zijn spel kende, stak zijne twee vingeren in de assche, en wreef ze hem in de oogen; 't peper begon niet rap te steken.

De kleine at weer een tweede aardnoot, en hij, hij nam een weinig assche en stak ze hem in de oogen. De oogen begonnen stillekens aan te jeuken.

Maar hij, de kleine, dacht, alzoo: 't Is uit oorzaak van de assche.

En hij nam een derde aardnoot, en hij wierp ze in den mond, en hij at ze.

De deugniet nam weer assche, wreef ze hem in de oogen; 't was nu 't derde wrijven. En de peper had hem gevat. Hij wilde zijn oogen opendoen; maar hij kon niet om ze open te doen, 't peper had hem vast, de tranen aan 't uitloopen waren zij. 't Was een gekerm en gehuil. Hij schreeuwde en schreeuwde, hij liet zich op den grond vallen.

Zijn moeder beval aan hare dochter, die met haar op 't land aardnoten aan 't uitdoen was, alzoo: Welaan, mama, ga ons kind nazien. Hoor je niet, hoe hij aan 't kermen is met veel tranen, wat is er?

De dochter, alzoo: Ik, ik ga niet. Hij, wat is hij ginder gaan verrichten, wat is 't?

Zij, de moeder, alzoo: Wel, ga, beste mama, moeder van smarten, ga zien naar den graver van ons graf [287].

Zij, de dochter, toen zij dit hoorde, haar lichaam was gebroken. En zij ging.

Toen zij ging, toen zij aankwam, lag haar broerken aan 't huilen en kermen op den grond.

Wel, gij, wat is er, welk is de reden? Wel, gij, spreek rap, of ik ga weg!

Hij, de kleine jongen, alzoo: Haast u, draag mij, ik, uw broerken, ga mij wasschen in 't water. Die deugniet van een jongen heeft mij met zijn peper bestreken. Toen hij zag dat ik aan 't huilen ging, is hij weggeloopen.

Zij, de zuster, terwijl zij hem droeg, riep op hare moeder: He, mama, ik ben naar 't water gegaan. Ons jongentje ga ik in 't water wasschen. Die deugnieten hebben hem vol peper bestreken.

En zij ging, en zij waschte hem. Toen zij terugkwamen op 't veld, waar zij hunne moeder gelaten hadden, zij, de moeder, alzoo: Wel, wat is er geweest?

Hij, 't jongentje, alzoo: Die deugniet heeft mij bedrogen, alzoo: Drie groote aardnoten, waar negen gepelde aardnoten in zijn, gij kunt ze niet opeten. En ik, ik was aan 't redetwisten met hem, ziet ge; hij beval mij, alzoo: Wel, ga drie groote aardnoten halen, kom dan waar ik ben, met een weinig assche. En ik kwam af. En hij, alzoo: Als gij een aardnoot eet, elken keer, als er één op is, dan steek ik mijne twee vingeren in de assche, en ik bestrijk u onder de oogen.

Ik at een aardnoot en hij nam assche tusschen zijne twee vingeren, en hij stak ze in mijn oogen, en ziet, mijn oogen deden pijn en pijn, en ik viel op den grond; de aardnoten, ik heb ze niet opgeëten. En hij is weggeloopen. Ware mijn oudste niet gekomen om mij te dragen, ik was er gestorven, mama!

Zij, de moeder, alzoo: Gij, wat gaat gij daar doen, wat is 't? Gij sterft nog vroeg of laat door de slechte geesten. Waarlijk, indien gij met zulke vrienden nog volhardt, op zekeren dag, dood zijt gij zeker, dood. Gij, gij hier groot worden! Neen, neen! De oogen, indien ik ze niet opendeed, gij zoudt niet groot worden. Zulke makkers zullen u wel eens beet hebben. Speel niet meer, vader [288]. Hoor je het, niet waar!

Hij, alzoo: Ja, mama, ik zal niet meer spelen.

Mbengo.

DE KLEINE MIER DIE DE TROMMEL SLAAT

Drie kleinen waren vereenigd. Een jongen, die veel verstand had, groef een putje in den grond, ging een banaanblad halen, verwarmde het boven 't vuur, en legde het boven den put. Hij nam water, goot het in 't blad, nam een kleine mier, legde ze boven 't water, waar zij zwom en zwom.

Dan riep hij de andere kleinen, alzoo: He, vrienden, welaan, komt, komt luisteren, de kleine mier slaat de trommel op 't water.

Zij, de onnoozelen, kwamen af. Hij beval, alzoo: Komt, zit om den put. Dat er een luistere!

Maar, die verstand hadden, alzoo: Neen, neen, bedriegen, gij zoudt ons hier bedriegen.

Een kleine, die niet veel verstand had, zegde zoo: maak plaats, ik luister naar de kleine mier, hoe zij de trommel slaat. En zij lieten hem door, terwijl zij zegden: Wel, ga door!

En hij ging door. Toen hij op zijn knieën zat, en zijn hoofd boog over 't water, de jongen, die zijn spel kende, duwde hem 't hoofd in 't water. 't Water kwam tot in zijn ooren, hij werd doornat. De anderen vielen aan 't lachen. Hij, zijn oogen, hij deed ze wijd open, hij wist niet wat zeggen. Eindelijk, tergde hem dat schaterlachen; hij wist niet wat antwoorden; hij trok met haast op. Hij ging 't huis van zijn moeder binnen, en hij ging daar zitten, zonder een woord te haperen.

Zijne broeders, alzoo: Ziet ge wel, die vreugde is nu eens uit. Toen wij u zegden: Blijf hier! Gij antwoorddet: Naar 't spel ga ik spelen. Ziet ge nu, wat er is in 't spelen! Dat zal u leeren luisteren, jongen.

Kiduma.

SPEL VAN BILA-BILA