Uit den Kunstschat der Bakongos
Part 15
Dan trekken zij terug naar 't dorp. Iedere vrouw heeft een kieken voorbereid, spijst haren echtgenoot, omdat hij zonder letsel, frisch en gezond, er van afgekomen is.
Als de eerste regens vallen, dan trekken de mannen en de vrouwen naar het verbrande bosch; zij hoopen er de aarde aan en planten maïs en maniok.
De maïs is na drie maanden rijp. Maar de maniok moet wel meer dan een regenseizoen blijven groeien en bloeien. Na zestien of achttien maanden is hij rijp.
Kianika.
DE MANIOKPLANTERIJEN IN 'T HOOGE GRAS
In het seizoen, dat men Kiansu noemt, als de nsafu [259] blauw worden, zeggen de vrouwen onder malkander, alzoo: Het seizoen is verschenen om een stuk land in 't hooge gras om te hakken.
Vandaag, welaan, wij kiezen ons stuk land uit. Hunne echtgenooten trekken ook op. Als de mannen in 't hooge gras aankomen, eene vrouw, alzoo: Ziet wel, ieder stuk grond dat veel maniok kan geven.
Een andere, alzoo: A! Dit, neem dit stuk land en begin.
Zij, alzoo: Neen, ik wil niet. 't Is lang geleden, die oude heeft hier gewerkt. Er was hier geen schoon maniok. Het waren versukkelde maniokwortels. Laat ons gaan tot op den hoek van 't hooge gras, daar zullen wij eenige goede plaatsen uitkiezen.
Zij gingen, en zij hadden hun stuk land gevonden.
Een vrouw werkte met haren man te zamen.
Hij, de man, alzoo: Maar, als wij hier hakken, gij, neemt gij uw stuk land. Ik, ik neem het mijne.
Een dag hakten zij te zamen, een anderen dag hakten zij afzonderlijk. En zij hakten en hakten.
Na verscheidene dagen, toen de zon was opgestaan, de man, alzoo: Gij, mijn vrouw, ga maniokwortels uittrekken, laat ze rotten in 't water. Ik, ik zal vleesch koopen, en wij gaan onze hoopers zoeken, om ons stuk land aan te hoopen.
Toen de maniokwortels, vier dagen in 't water gerot hadden, haalde de vrouw ze uit 't water, liet ze drogen op een teenen vlechtsel in 't hooge gras, en met dit maniokmeel stampte zij maniokbrooden. De man had vleesch gekocht.
De aanhoopers kwamen af, en hadden heel het stuk land aangehoopt. Dan gingen zij maniokstaken uittrekken op een oud maniokland, braken de takken af, en bonden ze in bussels.
Als er vele bussels gereed waren, dan trokken zij op naar het gehakte land, en daar sneden zij de manioktakken in stukken, en zij begonnen het heel stuk land te beplanten.
De takken wassen, schieten bladeren, en zij groeien en groeien. Als zij bloeien en vruchten dragen, dan zijn de maniokwortels, die in den grond zijn, rijp [260].
Ziehier eenige namen van maniokplanten: Dioko di kimungwa-mungwa, kula-kula, nkolwa, nsiangi.
Kianika.
HET PLUKKEN VAN DEN CAOUTCHOUC
Als men in 't bosch aankomt, als men een schoone slingerplant disuki [261] vindt, dan begint men er in te kerven. Men hangt er kleine potten onder, en het wit sap komt in den pot geloopen. Het sap lijmt aaneen.
Intusschentijd kerft men andere slingerplanten.
Anderen nog laten het sap op hun lijf loopen; en het sap, door de warmte van 't lichaam, lijmt aaneen vast. De negers verzamelen het, terwijl zij het te zamen rollen met hunne hand.
Als de zon boven den kop staat [262], dan begint men de bollen uit de potten te halen; men telt hoevele bollen er zijn, en men verbergt ze.
Als er dertig zijn, dan gaat men een andere slingerplant dinkalanga [263] inkerven terwijl een potje het sap inoogst. En men komt af met den pot. Men zet dien pot op 't vuur, en men doet er een weinig water bij. Als het water aan 't koken is, neemt men een bol, en men werpt dezen er in, en men draait hem om. En zoo doet men voor de dertig bollen.
Als men deze bollen heeft voorbereid, gaat men ze verkoopen. Men ontvangt er wel driehonderd mitakos voor. Al wat men wil, kan men koopen: vadems stoffen of kiekens.
Uit een schoone slingerplant, waarin men nog niet ingekorven heeft, kan men wel tien bollen trekken.
Mbengo.
HET PALMWIJNTREKKEN
In het dorp zijn palmwijntrekkers, misschien twee of drie. Die drie trekken den palmwijn uit de palmboomen. Daar zijn nog anderen; maar zij trekken niet. Een palmwijntrekker, die bemerkt heeft, dat men er veel geld kan van maken, zegt, alzoo: Ik zal ook gaan, ik ga mijn palmboommes laten smeden in de smidse.
Hij gaat, hij laat zijn palmboommes smeden. 't Is gedaan.
In de vallei, langs de rivier, heeft hij zijn palmboomslingerplant afgesneden. Hij geeft ze aan degenen, die hoepels kunnen maken. Zij maken hem een hoepel om op de palmboomen te klimmen, en hij betaalt er een kalebas palmwijn voor.
Daarna gaat hij kalebassen koopen en kruiken en flesschen. Hij koopt ook een klein mes om palmwijn te trekken: dat mes noemt men kela.
Dan denkt hij, alzoo: Mijne zaken zijn gereed.
't Is avond, 't weder is donker geworden, hij slaapt.
's Morgens, als de zon opgestaan is, 't weder ziet er lachend uit; dan neemt hij zijn palmboommes, hij scherpt het, hij neemt zijn ander klein mes, hij scherpt het ook; hij neemt zijn hoepel, en vertrekt naar het verlaten dorp. Hij komt er aan. Hij maakt den eersten palmboom schoon, wel twee mannelijke bloemen [264]; aan den tweeden palmboom misschien drie. En alzoo maakt hij de palmboomen schoon, snijdt er de palmtakken af, en hij werkt tot om den noen.
Daarna telt hij de palmboomen, die hij schoon gemaakt heeft, misschien wel vijftien. Hij telt ook al de bloemen, misschien dertig. Aldus moet hij er dertig kalebassen aanhangen.
De zon is ondergegaan, 't weder is donker geworden, en hij slaapt.
Morgen weer, als de zon is opgestaan, trekt hij op en gaat wel honderd bloemen snijden. En 's avonds gaat hij de kalebassen aan de palmboomen hangen.
Den volgenden dag, vroeg in den morgend, ziet men den palmwijntrekker met zijnen hoepel en zijne messen weggaan. Hij gaat den palmwijn uit de kalebassen ledigen. Die palmwijn is nog niet goed: hij giet hem weg, omdat hij te zoet is.
Maar den volgenden dag, als hij zijn kruiken gaat ledigen, dien palmwijn, eenieder, die wil, dat hij hem drinke; die hem niet wil, drinkt hem niet.
't Is slechts met de derde lediging, dat hij den palmwijn verkoopt; bij de vierde, is de palmwijn opperbest, dan is hij heel straf geworden.
Alzoo ziet men den palmwijntrekker alle dagen naar het verlaten dorp gaan met zijn hoepel en zijn messen en zijn groote kruiken, die onderweg spreken: Tsaka, tsaka [265]!
Uit twee palmboomen trekt men den palmwijn, de ntendi [266] en den nkwangila [267].
Als men een palmboom omver kapt, dan noemt men hem mbulu. Boven in de kruin, aan 't hart, maakt men dan groote kruiken vast, met smallen hals, kibungu geheeten, en daar loopt de palmwijn in.
Aan den palmwijntrekker verbiedt men het verbod, alzoo: Als de markt van het dorp op eenen Nkandu [268] valt, dan mag de palmwijntrekker den volgenden dag, die een Konso is, geen palmwijn verkoopen. Hij moet hem dragen aan den eigenaar van het verlaten dorp, waarop de palmboomen groeien.
Ziehier eenige namen van kruiken: Taku di ngufu, nkalu zi bitutu, nkalu zi Mputu ofwel masanga, en nkondo.
Eenige spotnamen van kruiken: Bwata-bwata, dibu-dibu.
Kisantu.
OPENING EENER MARKT
In heel den omtrek is er geen markt, noch Konso, noch Nsona, noch Nkenge noch Nkandu. Al de markten zijn te ver; de vrouwen kunnen daar niet gaan; zij geraken er niet op eenen dag. Als zij onderweg slapen, dan komen zij er.
Hij, 't opperhoofd van 't dorp, denkt in zijn hart, alzoo: A! Ik kan een markt oprichten, daar boven op den berg [269], omdat al de markten te ver zijn; de menschen kunnen er niet henengaan; 't is te ver.
Als hij zoo gesproken heeft, koopt hij wel twee verkens, hij doet al de opperhoofden van den omtrek komen.
Zij komen af, en hij zegt: He, opperhoofden, ziehier waarom ik u doen komen heb: Kijkt eens rond. In heel den omtrek onzer streek is er geen markt, noch Nsona noch Konso. Maar, opperhoofden, toekomenden Nsona, den dezen niet, maar den volgenden, ziet gij, wij gaan de plaats voor een nieuwe markt schoon maken.
In het dorp van het opperhoofd zijn er wel zestien opperhoofden van andere dorpen vergaderd. Hij, het opperhoofd van de nieuwe markt, zegt, alzoo: Dien dag, stel ik u vast; dat ieder opperhoofd kome met zijne trommel. Komt af, wij gaan een markt oprichten op die hoogte daar, boven op den berg. Indien ik een dier heb, dan stellen wij de wetten van de markt; maar dien dag, brengt geene zaken mee om ze te verkoopen; komt alleenlijk met de trommels.
Zij, zij antwoorden, alzoo: 't Is wel, opperhoofd.
Zij gaan weg, zij scheiden van malkander en gaan het aan de andere menschen vertellen.
De vastgestelde dag is verschenen.
's Avonds te voren, in het dorp van 't opperhoofd, die de markt wil oprichten, speelt men de klokjes, en 't opperhoofd zegt, alzoo: Morgen vroeg, dat niemand ergens ga, wij gaan de plaats voor de nieuwe markt schoon maken.
De avond is gevallen; 't is klaar geworden.
Het opperhoofd van 't dorp gebiedt aan zijn onderdanen en vrouwen hunne hak te nemen, de trommels te dragen, en de dieren, waarmede zij de wetten gaan stellen, vooruit te jagen.
Zij trekken op. Als zij daar komen, maken zij eerst de plaats schoon om te dansen. De trommels verwarmt men boven 't vuur. En men danst en danst.
De andere opperhoofden komen ook aan bij heele benden. Zij vereenigen zich te zamen en zij vallen aan 't dansen. Terwijl men danst en danst, slacht 't opperhoofd van 't dorp de twee dieren, en hij verdeelt ze in zestien deelen. Dan roept 't opperhoofd ze allen te zamen, dat zij zich komen vereenigen. Hij staat recht en hij begint te spreken: He, opperhoofden, ik ben niet ledig gekomen; ik ga vleesch verdeelen, omdat wij onze markt gaan oprichten; maar laat ons de wetten stellen: Eenieder is meester van 't zijne. Als er iemand een prijs stelt, en de eigenaar wil niet, dan is de zaak klaar.
Dat er niemand twist veroorzake. Die twist veroorzaakt wordt gestraft; hij betaalt twee verkens en bij den hoop tien duizend mitakos.
Wie te groote deugnieterij uitsteekt, dat men hem verbrande!
En hij roept vijf onderdanen en hij beveelt hun een put te maken: Die mensch, die te veel deugnieterij uitsteekt, daar zal men hem inwerpen, dat hij verbrande!
En nu de wetten van de maniokbrooden.
Een vrouw mag hare maniokbrooden niet te duur verkoopen.
Een maniokbrood kost twee mitakos en geen vijf [270].
Een kieken mag men voor geen honderd parels [271] verkoopen, maar slechts voor vijftig.
Als hij al de wetten gesteld heeft, dan verdeelt hij het vleesch, en hij zegt: Ziet gij, mijn vleesch, dat gij gaat eten, gij moet het niet betalen; maar dat er niemand de wetten overtrede.
Als hij gesproken heeft, beveelt hij weer te dansen.
En men danst en danst, 't is gedaan.
En zij scheiden van malkander, en zij gaan overal die markt aankondigen. En alzoo wordt die markt wijd en zijd bekend.
En men komt af met de koopwaren. Het poeder op zijne plaats, tabak op een andere plaats, en maniokbrooden, vleesch, visch, maniokbollen, bananen, oranjeappels, meloenen, suikerriet, verkensvleesch, rupsen, palmwijn, zout, dat men 't gerucht van de markt [272] noemt.
Iedere zaak heeft hare afzonderlijke plaats.
Als de markt uiteengegaan is, dan blijven de ouden te zamen, om hunnen palmwijn te drinken, en zij trekken niet rap naar hun dorp terug. Zij blusschen de warmte van de markt uit.
Ndemba.
II. KONGOLEESCHE PLECHTIGHEDEN
EEN KONGOLEESCH HUWELIJK
Al jaren en jaren bestaan er in Kongo gewoonten om te trouwen.
Een man, als hij wilde trouwen, ging en zag eene maagd, die hij in zijn hart beminde, was het in 't dorp, ofwel op de markt ofwel in een ander dorp.
Daarna ging die jongeling denken en denken in zijn hart, alzoo: Deze vrouw zou ik willen trouwen. Dan ging hij nader bij deze vrouw, op iedere plaats dat het 't beste was, om eens te beproeven; want zij was misschien getrouwd, ofwel zij had reeds haren verloofde.
Toen hij nader kwam, ging hij haar den vrouwelijken groet groeten, alzoo: Ik groet u, jonge dochter!
Zij, de jonge dochter, antwoordde hem, alzoo: Ik bemin u, vader man [273]!
De jongeling dan ook vroeg haar, alzoo: He, gij, jonge dochter, wie heeft u getrouwd?
De jonge dochter ook antwoordde dit antwoord, als zij nog niet getrouwd was, alzoo: Ik ben nog niet getrouwd, eene maagd ben ik nog altijd.
Dan ook ging hij denken en denken in zijn hart, hoe hij kon vriendschap sluiten met deze jonge dochter; maar hij zegde nu niets meer, waarschijnlijk zou zij beschaamd wezen, indien de jongeling vroeg, alzoo: Laat ons vriendschap sluiten; dan zou deze maagd misschien antwoorden, alzoo: Ik wil geen vriendschap met u sluiten. En dan zou de jongeling vol schaamte zijn.
Maar de jongeling, als hij aan de maagd gevraagd had of zij nog niet getrouwd was, of zij geenen verloofde had, dan zweeg hij. Daarna begonnen zij te kouten over zaken, die hen deden lachen, en zij taterden en taterden om aan malkander hunne vriendschap te toonen. Die jongeling, toen hij in zijne hut teruggekomen was, dacht en dacht hoe hij zijn vleesch kon koopen om deze vrouw te beproeven. Misschien zou zij 't vleesch gaarne aannemen.
Dan op den dag, dat de markt aangebroken was, ging die jongeling naar de markt om vleesch te koopen en zout en tabak; toen hij deze zaken gekocht had, ging hij terug naar zijn dorp.
Die jongeling zocht dan een kleinen knaap van verstand. Toen hij hem gevonden had, zegde hij zoo aan dien jongen: Wel, kom bij mij, zenden ik zend u, ik zal u iets geven, als gij terugkomt.
Die jonge knaap zegde, alzoo: Zend mij.
De jongeling zond dus den kleine, alzoo: Welaan, ga dit vleesch dragen en dit zout en dezen tabak naar die jonge dochter, die den naam draagt van den die..... (hier volgt de naam van 't meisje). Ga, jongen, geef haar deze zaken.
Als gij gaat, als gij aankomt, zeg dan: Dit stukje vleesch en dit weinigje tabak en dit pakske zout, die zijn van dien jongeling, die den naam draagt van den dien..... (hier volgt de naam van den jongeling).
En de jonge knaap trok op naar die jonge dochter, en gelijk men hem bevolen had, zegde hij, alzoo: Neem uw stukske vleesch aan en uw zout en uwen tabak, die waren van dien jongeling, die den naam draagt van den dien...
De jonge dochter, eer dat zij het aannam, was verwonderd, en zij ging hare zusters spreken, en zij zegde: He mijne zusters, ziet eens met wat die kleine gekomen is?
Dan zegden haar hare zusters, alzoo: Neem uw vleesch aan en uw zout en uwen tabak; die jongeling, wij weten immers dat hij heel braaf is, vol vriendschap; 't is immers ook een schoon jongeling. Maar, zuster, als gij wilt vriendschap sluiten, 't is wonderwel, wij, uwe zusters, wij hebben het gaarne; indien onze broeders het niet gaarne hebben, wij toch, wij hebben het gaarne.
En zij namen alles aan. En de kleine ging terug naar den jongeling, en hij zegde, alzoo: He, mijn oude, waar gij mij gezonden hebt, hunne zaken hebben zij aangenomen, zij had het gaarne en hare oudere zusters ook.
De jongeling was verheugd in zijn hart, maar alle vreugde nog niet; misschien hadden de broeders het niet gaarne.
De volgende dagen, toen hij naar de markt ging, en hij kwam de broeders van zijne vriendin tegen, dan kocht hij palmwijn, en hij droeg den palmwijn op de plaats waar men palmwijn drinkt en hij beval aan een kleinen broeder, alzoo: He, broerken, ga die menschen daar verwittigen, dat zij bij mij komen.
Toen zij kwamen, toen schonk hij hun palmwijn uit, en hij groette ze bij handgeklap, terwijl hij zegde, alzoo: Deze kruik heb ik gekocht, om de warmte van de markt er mee uit te dooven.
En zij antwoordden, alzoo: Wij hebben dat gaarne, vriend.
Toen de palmwijn uitgedronken was, dan hernieuwden zij weer hunne liefde tot dien jongeling, en dan scheidden zij van malkander en zij gingen.
En de volgende dagen, ging hij weer een geschenk aanbieden aan de vrouw, die hij wilde trouwen, ofwel vleesch, of vadems stoffen, of parels, of armbanden. Kwam hij hare broeders tegen, dan slachtte hij hun kiekens, kocht hun palmwijn en gaf hun dat.
Alzoo, toen hij hun vier of vijf geschenken had geschonken, dan zegde hij hun stillekens, alzoo: Indien gij mij in uwe harten bemint, trouwt mij dan met uwe zuster.
Zij, zij zagen malkander aan, en zij begonnen te spreken onder malkander in 't geheim. En toen zij het gaarne hadden, dan zegden zij, alzoo: 't Is wel, wij willen u met onze zuster trouwen.
Dan stelden zij den dag, alzoo: Toekomenden Nkandu den dezen niet, maar den volgenden Nkandu, dan komen wij het geld van 't lichaam onzer zuster eten [274].
Als de markt verschenen is, dan koopen zij hunnen palmwijn, om hun geld te gaan eten. Hij, de jongeling, ook, koopt zijnen palmwijn en hij slacht wel twee kiekens.
Dan de bloedverwanten van die vrouw, als zij bijeenkomen, gaan naar 't huis van dien jongeling. Hij haalt biezenmatten, waarop zij gaan zitten, en zij groeten elkander bij handgeklap.
Hij, de jongeling, vereenigt zijne ouden. De bloedverwanten van de vrouw groeten bij handgeklap den oude van dien jongeling, die hunne zuster wil trouwen, en zij zeggen, alzoo: Die kruik daar hebben wij medegebracht om 't geld te nemen van uwen jongen, die ons kind wil trouwen.
Hij, de oude, dan ook, hij antwoordt bij handgeklap, alzoo: Wij hebben dit gaarne, 't is met veel glorie dat wij de kruik van den palmwijntrekker zullen uitdrinken.
En zij drinken den palmwijn.
Als de palmwijn uitgedronken is, dan gaat hij, de jongeling, ook 't eten halen, de kiekens en de maniokbrooden, en hij komt dit alles uitspreiden op de biezenmatten.
Zij, zij trekken dit alles naderbij, en zij eten het op. Als zij geëten hebben, als het gedaan is, dan gaan de ouden van den jongeling terug op de plaats waar hun verwantschap is, en zij vatten ook hunnen palmwijn, en zij schenken hem uit aan hun verwantschap. De oudste zegt dan ook, alzoo: Dit kruiksken hier, drinkt het ook uit.
Zij ook antwoorden, alzoo: 't Is wel, wij hebben het gaarne.
Als zij den palmwijn gedronken hebben, als het gedaan is, dan stellen zij onder malkander 't geld van 't huwelijk.
Die hun meisje bezitten, zeggen dan, alzoo: Wij stellen tien stukken van vijf frank.
Die den jongeling bezitten, antwoorden, alzoo: Verkoopen, verkoopt gij haar? Neemt vijf stukken aan.
Dan zeggen de bezitters van het meisje, alzoo: 't Is wel, wij zijn met acht stukken tevreden.
De bezitters van den jongeling antwoorden, alzoo: Neemt zes stukken aan.
Daarna bieden zij niet meer af. [275]
Dan vragen de broeders, die geboren zijn met dit meisje, ieder hun draagmes aan dien jongeling, die hunne zuster wil trouwen. Daarna is het huwelijk geregeld. De jongeling gaat zijne hut binnen, doet 't geld te voorschijn komen, en daarbij nog de messen voor zijne schoonbroeders, en hij betaalt de zes stukken van vijf frank. Als dit gedaan is, dan scheiden zij van malkander; de verwantschap gaat terug naar haar dorp. Als zij in hun dorp aangekomen zijn, dan stellen zij onder malkander den dag, waarop zij hunne zuster zullen zenden naar haren echtgenoot.
Indien de familiestam rijk is, dan koopen zij eenen bok en wel twintig kiekens. Dan bereiden de vrouwen ook groote maniokbrooden, om 't huwelijk te vieren. Zij dooden de kiekens en zij bereiden in eenen aardpot wel twee of drie kiekens te zamen. Dan verzamelen zij de schoonste korven, leggen er de aardpotten met kiekens op, en de groote maniokbrooden. Alles hebben zij vereenigd, wel misschien zeven schoone korven; den bok leiden zij ook, maar hij is nog levend.
Dan komen de zusters allen te zamen, die met haar ofwel van denzelfden vader geboren zijn of van dezelfde moeder, om hare zuster naar 't huwelijk te sturen, en om de namen van den familiestam van hare zuster te zeggen. Wanneer zij allen vereenigd zijn met hunne oudste zuster, dan wachten zij totdat de zon een weinig verkoeld is, dien oogenblik immers gaan zij hunne zuster naar 't huwelijk sturen.
Als de zon verkoeld is, tegen drie uren, dan komt hun oudste broeder aankondigen, dat het tijd is hunne zuster naar 't huwelijk te sturen. Maar eerst komt de moeder af, om hare dochter eenige goede lessen te leeren, die lessen waarmede zij naar haar huwelijkshuis moet vertrekken. 't Zijn lessen om er de goede deugden te toonen: He kindlief, waar gij gaat, werk er goed, toon geene ondeugd. Wij, dat wij niets slechts hooren.
Als het leeren gedaan is, dan vertrekken zij naar 't huwelijksfeest.
En zij gaan, en gaan, en gaan. Als zij aankomen waar de man is van hunne zuster, dan vragen zij naar zijn huis.
De menschen van 't dorp toonen zijn huis. Dan gaan zij 't huis binnen en zij regelen al de schoone maniokkorven langs den strooien muur van de hut. Hij, de echtgenoot van hunne jongste zuster, komt dan een goeden dag geven.
Dan zegt de oudste zuster tot den echtgenoot, alzoo: Ga uwe ouden verwittigen, dat zij komen om uwe vrouw te nemen.
Dan gaat hij zijnen oudsten broeder halen, die met hem geboren is en zijn andere broeders en zusters. Als hij afkomt, dan geeft men malkander den goeden dag bij handgeklap, zij en hunne verwantschap.
Dan groet de oudste zuster haren oudsten schoonbroeder bij handgeklap, en zij zegt, alzoo: Zij, de vrouw van uwen broeder, zijn wij komen sturen naar 't huwelijk; maar zij is niet ledig gekomen. Daar die maniokkorven; daarenboven, dien man [276] die daar op de koer staat met zijn vier pooten, slacht hem; en daar nog die kruik palmwijn, schenk hem uit om de maniokbrooden goed te verteren.
Hij, de oudste broeder, zegt dan aan zijne jongeren, alzoo: Laat ons groeten, kinderen.
En de groeten bij handgeklap weergalmen, en spreken alzoo: Boloko, boloko, boloko [277].
Dan trekken zij de korven naderbij, en zij geven een maniokbrood terug, aan degenen die ze gedragen hebben. Hij, de schoonbroeder, spreekt, alzoo: Dat is voor uw last, eet hem op.
Die hunne vrouw nu bezitten, nemen al de maniokbrooden op, en zij gaan ze bewaren in 't huis van hunnen oude, en zij stellen eenen dag, waarop zij ze zouden verdeelen, en zij zeggen, alzoo: Morgen immers zullen wij ze verdeelen.
Als de zon opgestaan is, vereenigt zich heel het gehucht om te verdeelen en hunne kiekens en hunne maniokbrooden. Als 't gedaan is met verdeelen, dan stellen zij ook eenen dag om hunne verwantschap te beloonen en den dag ook van hun teruggaan.
Als alles gedaan is, dan gaat men uiteen, en men gaat terug, ieder in zijne hut. Maar hij, de echtgenoot, die nu zijne vrouw heeft, hij blijft met zijne verwantschap. Als de verwantschap daar is sedert twee dagen, gaat de echtgenoot een verkensbil op de markt koopen, en hij geeft ze aan de verwantschap, dat zij eten.
Die dagen, dat zij daar blijven, de vrouw slaapt niet in 't zelfde bed met haren man.
Vier of vijf dagen zijn vervlogen, den vijfden of den zesden dag, gaat de man palmwijn koopen om den familienaam en den naam van den stam op te zeggen. Als hij den palmwijn gekocht heeft, dan zegt hij tot zijn verwantschap, alzoo: Vandaag, tegen den avond, zullen wij onze namen van 't huwelijk zeggen.
En tegen den avond, gaan de schoonzusters hout rapen om hare namen van 't huwelijk te zeggen. Als de zon ondergegaan is, gaan zij eten. Als men gedaan heeft met eten, dan vergadert de heele verwantschap in 't huis met hunne zuster; hij, de man ook, gaat zijne broeders zoeken, die met hem geboren zijn van vaders kant, twee of drie; dan komen zij in dat huis ook binnen en zij spreiden schoone, schoone biezenmatten uit.
Zij, de schoonzusters, maken een heel groot vuur; het vuur glinstert met zijn glinsteren; allen bekijken malkander in 't gezicht en met oogen, die niet beschaamd zijn.
De man doet dan eene kruik palmwijn te voorschijn komen.
Daarna begint de man zijnen familienaam van moeders kant te zeggen, alzoo: Ik, ik ben wie? Ik ben Fula Ma Nsaku Kalunga.
De verwantschap, als zij dat hooren, dan schreeuwen zij al te zamen: E yelelelele, e kuyelete ku tat'e!
Daarna zegt hij ook den familienaam van vaders kant, alzoo: Waar ik geboren ben, zij, wie zijn het? Zij, Ba Kisila zi ngombi zi nsundi!
De verwantschap, als zij dat hooren, dan schreeuwen zij weer al te zamen: E yelelelele, e kuyelete ku tat'e!
Daarna zegt hij nog den naam van zijne moeder op, en den naam van zijn vader.