Uit den Kunstschat der Bakongos

Part 14

Chapter 144,304 wordsPublic domain

Toen zij kwamen aan den dijk, waar de maniok moest rotten, de vrouw, die voorop gegaan was, toen zij 't mandeken wilde afwerpen, maar 't mandeken bleef vastgehecht op den kop. Zij begon te weenen.

Die andere vrouw dacht, alzoo: Misschien ik ook, ik zal alzoo varen.

Maar zij wierp haar mandeken van haren kop af, en haar maniok viel op den grond.

Maar die andere, 't mandeken bleef zich aan haren kop vasthechten met den maniok. Zij weende en weende, zij hief een lied aan, alzoo: Gij verwondert u. 't Gras wast op mijnen kop. Maar zij vroegen mij maniok. O, o, o, o, ik ben een gierige vrouw.

En zij weende, zij weende. Zij stierf om hare gierigheid.

Kiduma.

NA MONI MAMBU [244]

Na Moni Mambu kwam uit zijn dorp, en hij ging tot op de markt. Hij kocht er luku en vleesch, alzoo: Ik zal gaan langs den weg van de vallei naar 't dorp van Ma Kiula [245].

En hij kwam tot in 't dorp van Ma Kiula. Maar op 't uiteinde van 't dorp waren er twee broeders, die van dezelfde moeder geboren waren. Sedert hunne geboorte, wisten zij niet wat twisten was, maar altijd lachen en lachen, en goed overeenkomen, de oudste en de jongste.

Hij, Na Moni Mambu, kwam aan hunne hut. De avond was gevallen, en hij vroeg hun, alzoo: Gij, zijt gij van eene zelfde moeder geboren?

Zij, alzoo: Ja, wij zijn van een zelfde moeder geboren; maar wij weten niet wat twisten is.

Na Moni Mambu riep uit, alzoo: He! Gij, gij weet niet wat twisten is!

Zij, alzoo: Wij, wij twisten nooit. Wij zijn geboren van een zelfde moeder, zouden wij twisten?

De avond was gevallen en zij sliepen. Na Moni Mambu ging 's nachts de hut uit, ging naar 't water en ging een bad nemen, want het was stikkend heet.

En hij kwam terug in 't dorp, alzoo: Wie zet de fuiken in 't water?

De jongste, alzoo: Ik.

Hij, alzoo: De oudste, wat werk doet hij?

De jongste, alzoo: Mijn oudste, hij trekt palmwijn.

Na Moni Mambu, toen hij dat hoorde, nam eenen hoepel om op de palmboomen te klimmen. Hij klom op al de palmboomen en deed er al de palmkruiken af. En hij ging naar 't water met deze kruiken.

En hij ging ze in de plaats leggen waar de fuiken waren. De fuiken, ging hij op de palmboomen vervangen.

Toen de zon opgestaan was, ging de jongste de vischfuiken ledigen. De oudste ging palmwijn trekken.

De kleine kwam aan 't water en hij was aan 't spreken, alzoo: Wie heeft de palmkruiken in 't water gelegd in de plaats van mijne vischfuiken?

De oudste ook kwam aan de palmboomen en hij was aan 't spreken, alzoo: Wie heeft de vischfuiken gelegd aan mijne palmboomen? De palmkruiken, hebben zij er alle afgedaan.

En zij kwamen malkander tegen, hij de oudste, en hij de jongste. En zij twistten en twistten.

Hij, de jongste, alzoo: Gij, mijn oudste, gij hebt de palmkruiken in 't water gelegd.

Hij, de oudste, alzoo: Gij, gij hebt de vischfuiken aan mijne palmboomen gehangen.

De jongste verweet, alzoo: Uwe moeder [246]!

De oudste ook verweet, alzoo: Gij, ook, uwe moeder!

En zij vochten en vochten.

Na Moni Mambu kwam uit de hut, en hij lachte ze uit, terwijl hij met de hand op den mond sloeg, alzoo: Wel hoe? Ziet ge, gij weet niet wat twisten is, ik, ik heb u bedrogen.

En hij lachte ze weer uit, en hij ging loopen. En hij kwam tot in zijn dorp.

Kingombe.

EEN VERGIFTIGING

In een dorp was er een slechte vrouw. Op zekeren dag had die vrouw honderd en tien mitakos. De Nkandu was aangekomen. 's Morgens, als zij opstond, ging zij naar de rivier om haar te wasschen. Zij kwam terug, braadde een palmnoot in 't vuur. De palmnoot was voorbereid; zij deed er de schors af, en zij bestreek er het aangezicht mede, om zich als een schoone maagd voor te stellen.

Maar in het dorp kende men haar, als een oud verfronseld wijf, die vijf kinderen had gebaard, twee meisjes en drie jongens.

Toen zij op de markt kwam, zag zij drie maniokbollen, die men op de markt kwam dragen. Zij wachtte op den weg en zij vroeg: Die maniokbollen, zijn zij mij te verkoopen?

Die hare maniokbollen bezat, antwoordde: Ja, zij zijn te verkoopen.

Zij vroeg: Hoeveel voor eenen bol?

De verkoopster antwoordde: Veertig, veertig.

Zij dan: He, zuster, neem dertig, dertig voor een maniokbol.

Wel, 't is goed, betaal de mitakos.

Zij nam het mandeken, dat zij op den kop droeg, haalde er negentig mitakos uit, betaalde de drie maniokbollen, en zij trok op. Op haar mandeken lagen er nog twintig mitakos op. Zij ging terug naar de markt, zij kocht meloenzaad voor tien mitakos, kocht zout voor vijf, en rupsen voor vijf.

Haar kind had zij ook vijftig mitakos gegeven; het kocht ook zijne zaken en zij trokken terug naar hun dorp.

Toen de moeder thuis kwam, brak zij hare maniokbollen, legde ze in de zon; maar de zon was niet sterk.

De maniokbollen, zij droogden niet en zij zegde: Ik zal naar 't bosch gaan, om brandhout te rapen, en mijne zaken te drogen.

Zij kwam in 't bosch aan, en zij vond er droog nsasahout, dat afgevallen was bij onweerswind. Zij brak het hout. Het brandhout was overvloedig. Dan zocht zij witte slingerplanten, en bond een bussel hout vast.

Zij kwam terug, terwijl zij den bussel op den kop droeg. Zij kwam zien of haar gekochte zaken droog waren; maar zij waren nog niet droog. Zij nam ze en ging ze leggen op een berd. De avond was gevallen, zij stak een groot vuur aan, opdat de zaken zouden drogen, en zij sliep in.

's Morgens vroeg, toen zij wakker werd, bezag zij de zaken of zij droog waren. En zij zag, dat ze droog waren; zij nam haar kalebas en haar kruik en zij ging naar de rivier; zij kwam er aan, zij waschte handen en voeten en mond; en dan putte zij water. 't Was gedaan. De kruiken waren vol. Zij kwam terug, kwam in 't dorp aan en wachtte een weinig.

't Weder was schoon geworden. De mannen gingen jagen; anderen gingen naar hun werk, 't bosch afkappen. De vrouwen ook gingen naar 't hooge gras, om aardnoten aan te aarden; anderen om visschen te vangen in de vijvers, waar zij plassen water ledigden.

In het dorp waren slechts de kleine kinderen gebleven. Zij, de vrouw ook, begon hare maniokbollen te stampen in den stampersblok. Zij had gestampt, 't was gedaan. Zij ziftte het maniokmeel. Het ziften was gedaan.

Zij nam een pot en zette hem op 't vuur. Zij nam een steen om meloenzaden te vergruisen. Zij vergruisde de meloenzaden en zij droeg den steen terug in de hut en legde hem langs den strooien muur. De pot water was aan 't koken. Zij legde er maniokmeel in en zij zette zich neer aan 't vuur.

De maniokmeel was in deeg veranderd. Zij haalde het er uit, en zij legde het op een mandeken.

Het was kouder geworden en zij begon 't deeg te kneden.

Terwijl zij kneedde, waren er vele kinderen op het plein aan 't spelen. Die kinderen hadden veel verstand. Onder hen, schenen er drie boven allen uit, zij waren veel ouder.

Onder die drie, spraken er twee, alzoo: Laat ons naar 't bosch gaan, wij gaan onze granaat-peren eten.

Een wilde niet gaan, hij bleef weigeren; maar zijne zusters bleven volharden om hem mee te lokken. Maar hij, hij dacht: Ik zal gaan naar die hut daar, waar men maniok voorbereidt; ik zal mijn maniokbrood ontvangen.

Maar zijne zuster, die met hem van dezelfde moeder geboren was, wilde niet, dat hij blijve; zij droeg hem; maar hij weigerde.

Zij antwoordde: Blijf met uwe moeder [247], gij zult eten.

En zij gingen. Toen zij in 't bosch kwamen, hij, de jongen, waar hij gebleven was, stond op, ging daar waar hij gerucht hoorde. En hij kwam aan de deur en ging zitten op den dorpel. Zij, de vrouw, zij had haar potje meloenzaden op 't vuur gezet, en zij viel het deeg aan 't kneden. De maniokbrooden waren gemaakt, zij had de meloenzaden voorbereid, en zij beval aan den jongen: Ga een blad halen, ik zal er u eenige meloenzaden opleggen.

Terwijl hij ging, legde zij eenige meloenzaden op een blad, dat in huis lag, deed er iets slecht bij en kwam buiten. Hij, de jongen, gaf het blad, dat hij was gaan oprapen om er meloenzaad op te leggen; maar zij, de vrouw, antwoordde: Werp dat blad weg, moeder. Dat blad lag achter 't huis, 't is geen goed.

Hij wierp het blad weg, nam de meloenzaden aan en het maniokbrood, dat zij hem te eten gaf.

Maar hij, de jongen had verstand; hij nam alles aan, nam het blad dat hij weggeworpen had, rolde er het brood in, en hij at het niet, hij bleef stil.

Zij, de vrouw, zegde alzoo: He, vader, toe, eet uw maniokbrood.

Hij, de jongen, antwoordde: Neen, ginder ga ik alles opeten.

Hij stond op; maar vermits hij verstandig was, bewaarde hij het maniokbrood, en wachtte naar zijn moeder. Dan zou hij eten. Hij zette zich neer aan de deur van de hut zijner moeder.

Zij, de vrouw, kwam uit hare hut; zij zag den jongen, die neergezeten was aan de deur van de hut zijner moeder, en zij vroeg hem: He, vader, hebt gij uw maniokbrood geëten?

De jongen: Ja, ik heb het geëten.

Maar, daar hij verstand had, had hij alles bewaard.

Zijne zusters kwamen uit 't bosch en kwamen met hunne granaat-peren af.

Hij, de broeder, alzoo: He, mijn oudste, geef mij eenige granaat-peren.

Maar zijne zuster antwoordde: Uwe moeder [248]! Waarvoor gij hier gebleven zijt, hebt gij het niet geëten? Zijt gij niet verzadigd? Toen ik u wilde meenemen, gij wildet niet. En nu zou ik u iets geven!

Maar zijne zuster had het in haar hart niet begrepen; zij gaf er hem en zij zegde: Wacht, totdat moeder komt, dan zal ik alles vertellen.

Eindelijk kwam hunne moeder. De dochter vertelde alles, wat zij gezien had.

De moeder, haar bloed bruischte op, zij riep haren zoon en zij vroeg het. De jongen weigerde niet en zegde: Wees gerust, mama, ik heb het niet opgeëten. Ziehier hetgeen zij mij gegeven heeft, ik heb het bewaard, ik heb niets geëten.

De verstandige moeder nam het maniokbrood, ging het leggen aan den stam van een banaanplant [249]. Misschien zou de banaanplant verdrogen en dan had die slechte vrouw hem willen vergeven, en slecht eten geven.

De zon was ondergegaan. 't Was donker geworden.

Toen zij opstonden, ging de moeder naar den stam van de banaanplant zien. De banaanplant was geworden, juist alsof men haar verbrand had.

De moeder ging in allerhaast naar haren man en vertelde, hoe haar jongen gevaren was.

De echtgenoot, zijn bloed bruischte en bruischte, en zij gingen het vertellen in hunnen familiestam.

De oude van den familiestam deed die vrouw komen, hij vroeg haar uit; maar zij antwoordde niet.

Het gebeurde verspreidde zich in heel het dorp; maar hij, 't opperhoofd van 't dorp, die deze vrouw gekocht had [250], geloofde het niet en zegde: Welaan, gaat nkasa [251] halen, dat zij het ete. Indien zij het uitbraakt, dan zult gij mij veertig duizend mitakos betalen; maar indien zij het niet uitbraakt, dan verkoop ik haar, en ik betaal u die veertig duizend.

Zij gingen nkasa halen. 's Morgens vroeg, gaf men haar het te eten, en zij braakte het niet uit.

Hij, 't opperhoofd van 't dorp, had ongelijk en was beschaamd. Hij verkocht haar, en hij betaalde die duizenden aan den familiestam van den jongen.

Die vrouw werd verkocht om hare misdaad, dat zij menschen wilde vergeven.

Kiduma.

VERHAAL VAN NIJD

Een moeder had twee kinderen gebaard; hare namen waren Nkenge en Ntumba. Zij, de moeder, had het verbod verboden, alzoo: He, mijn dochters, indien gij ooren en oogen hebt, trouwt toch niet hier in 't dorp.

Zij luisterden wel naar de lessen van hunne moeder.

Op zekeren dag, zij, Ntumba, sprak aldus: Welaan, Nkenge, wij gaan naar 't hooge gras, om er ons stuk maniokland om te hakken.

Zij gingen, zij kwamen in 't hooge gras aan, zij kozen een schoon stuk grond uit. Toen zagen zij een jongeling, die op haar aankwam.

Ntumba zegde, alzoo: He, Nkenge, een jongeling komt daar aan, hebt gij hem gezien?

De jongeling kwam tot bij haar; hij vroeg water. Zij gaven het hem. De jongeling, toen hij gedronken had, zegde, alzoo: He moeder [252], 't water is goed, gelijk Nkenge goed is.

De twee maagden, toen zij dat zagen, verwonderd en verwonderd waren zij, alzoo: Deze bemint ons!

Dan namen zij hunnen jongeling, legden hem in een kist [253], en alzoo kwamen zij in 't dorp terug. Zij deden den jongeling binnen in hunne geheimkamer.

Maar de moeder zegde zoo: Ik ga naar de hut mijner dochters, alle dagen hoor ik in hun huis veel gerucht.

De moeder ging; maar toen zij 't huis binnenging, zij vond het heele huis vol veegsel en veegsel; zij keerde 't huis uit. Terwijl zij keerde en keerde, ontwaarde zij de kist. En zij deed ze open, zij zag dien jongeling, en zij vroeg hem: Gij, van waar zijt gij gekomen?

Maar hij, antwoorden kon hij niet. Hij, de schaamte had hem aangetast.

Zij, de moeder, sloeg hem, en zond hem weg, dat hij optrekke.

Terwijl zij hem wegzond, zij, de dochters waren naar 't land gegaan, dat zij uitgekozen hadden om maniok te planten.

Nkenge, haar bloed bruischte en bruischte op en zij sprak, alzoo: Terug naar 't dorp, mijn bloed bruischen is aan 't bruischen.

Zij, Ntumba, wilde niet redetwisten. Zij kwamen terug in 't dorp; toen zij op den hoek van 't dorp kwamen, zagen zij van ver hun huis openstaan.

Zij, Ntumba, alzoo: Ons huis staat open, misschien is zij, de moeder, het aan 't keren!

En zij, Nkenge, alzoo: 't Huis heeft men losgemaakt; misschien heeft moeder de kist ontdekt onder de biezenmat.

En zij kwamen. Zij, de moeder, had het heele huis uitgekeerd. Zij, Nkenge, toen zij aan de deur kwam: He mijn beste zuster, ik, mijn hart is niet gestild.

En zij ging binnen in de geheimkamer, alzoo: De kist, zij is hier niet.

Zij, Ntumba, alzoo: Welaan, 't is niets, laat ons zien.

En zij namen de mat weg, en de kist was er niet.

En zij vroegen: Wie is er in 't dorp gebleven?

Zij, de moeder, sprak van in hare hut, alzoo: Ik ben hier gebleven.

En Ntumba vroeg heel stillekens en zachtjes, alzoo: He mama, de kist hebt gij ze weggenomen?

Zij, de moeder, zegde van neen.

Nkenge was achter de hut gegaan, terwijl zij weende en weende, sprak zij, alzoo: He, mijn goede zuster Ntumba, de kist, zij ligt hier op den vuilnishoop.

Terwijl zij zagen, waar men de kist geworpen had, den voetstap van de moeder, herkenden zij.

Zij, Nkenge, alzoo: Deze voetstap, van wie is hij?

Zij, de Moeder, toen zij dat hoorde, alzoo: Ik, ik heb de kist daar geworpen.

Zij, de kinderen, alzoo: Wat er in de kist was, waar hebt gij het gelaten?

Maar de moeder, alzoo: Een jongeling zag ik erin. Wacht, gij, kinderen, de slechte geesten hebben u betooverd. Wat! Ik, uw moeder, ik heb u 't verbod verboden, en gij luistert niet. En nu brengt gij een jongeling in huis?

De maagden, toen zij dat hoorden, verdriet en verdriet kwam er in hun hart op, en zij spraken, alzoo: Toon ons onzen vriend, waar is hij heengegaan?

Zij, de moeder, toonde hem niet.

Zij, de kinderen, gingen weer, waar zij de kist teruggevonden hadden, en zij zagen een voetstap, alzoo: He, mijn beste zuster, een voet gaat langs hier.

En Nkenge volgde hem en zij ging op weg.

Toen zij het zag, riep zij hare zuster.

Zij, de zuster, kwam af. Nkenge, alzoo: Nu, wat zullen wij doen?

Zij, alzoo: Welaan, wij volgen hem.

En zij gingen en gingen, zij kwamen op den hoek van 't dorp uit. Daar hoorden zij hunnen vriend; aan 't weenen en weenen was hij, alzoo: Ik, hoor je, ik ga op een andere plaats, vermits hunne moeder mij geslagen heeft.

Zij, toen zij dat hoorden, luisterden weer. Nkenge sprak, alzoo: He, mijn beste zuster, die stem is de stem van onzen vriend.

En zij kwamen dichter bij. Hun vriend was droevig geworden; hij stond daar vol tranen, de tranen liepen over zijn aangezicht, alzoo: Ik, vandaag, van waar ik gekomen ben, ga ik terug.

Zij, de vriendinnen, alzoo: Kom, wij gaan u eten koopen, dan gaat gij heen. De moeder, die ons bezit, haar hart is vol nijd en nijd.

Zij kwamen op den weg, en zij troostten malkander.

Hij, de jongeling, alzoo: Koopt palmwijn, geeft hem aan uwe moeder, dat zij den haat, die in haar hart ligt, neerlegge!

En zij kochten palmwijn, zij gaven hem aan hunne moeder; de moeder brak haren eed, alzoo: Die jongeling, 't is de uwe; maar dat hij in ons dorp bouwe!

Hij, de jongeling, alzoo: Ik zal het gaan vragen aan mijne ouden.

Zij, de maagden, zij hadden dat niet gaarne, alzoo: Misschien gaat hij weg voor altijd en voor altijd!

Zij, de moeder, alzoo: Dat hij weg ga, 't is niets.

Zij bereidden hem kiekens en visch, alzoo: Neem het aan, en vertrek.

En hij nam het aan; maar hij sprak, alzoo: Mijn reiszak is in huis gebleven!

Zij gingen terug en zij gaven hem zijn reiszak.

Wanneer hij aan 't einde van 't dorp kwam, alzoo: Mijn mes is ginder gebleven in huis.

De kinderen gingen terug en zij zochten zijn mes.

Alzoo wilde de jongeling zijne vriendinnen meelokken.

Hij, hij bleef wachten op den hoek van 't dorp, en hij wachtte en wachtte naar zijn vriendinnen, dat zij met hem meegingen.

Maar zij, de moeder, had dat in haar hart verstaan, en zij bewaakte de deur, dat hare kinderen er niet uitkwamen.

Ntumba, de oudste zuster, alzoo: He, mama, laat ons door, wij gaan ons hout oprapen!

De moeder ging uit den weg, en zij, de kinderen, gingen heen. Zij gingen op weg, waar hun vriend gegaan was.

Zij, de moeder, vroeg, alzoo: Daar, gaat gij langs daar hout oprapen?

Zij, de kinderen, alzoo: Onze bussels hout hebben wij eergisteren daar laten liggen.

Zij, de moeder, alzoo: Welaan, gaat, neemt uwe bussels op.

En zij gingen. Zij kwamen op den hoek van 't dorp aan, en de jongeling wachtte ze af, en hij sprak, alzoo: Ik, ik wacht en ik wacht u af. En nu vooruit!

En zij gingen, zij gingen, zij gingen.

De avond viel; zij spraken, alzoo: Wij slapen op den weg. Zij raapten hout op, zij staken vuur aan, en zij sliepen.

De moeder, waar zij gebleven was, werd droevig en droevig, omdat haar kinderen zoo lang wegbleven, alzoo: Mijn kinderen, waar zijn zij gegaan?

Hij, de echtgenoot, alzoo: Zij hebben u verwittigd, dat zij gingen hout rapen. Ik heb een lied gehoord. Men zong en zong.

Zij, de moeder, alzoo: 't Zijn de palmwijntrekkers, die aan 't zingen zijn. Maar onze kinderen, zij zullen opgetrokken zijn met hunnen jongeling.

De avond was gevallen, en de kinderen kwamen niet terug.

De moeder had luku gestampt en zij zegde tot haar man: Ga onze kinderen volgen. Ons hebben zij bedrogen, toen zij zegden, dat zij gingen hout rapen.

De man sprak, alzoo: Ik, den weg, ik ken hem niet.

Hij nam luku, vatte zijn geweer en hij ging. Maar de weg was lang en lang en lang. En hij kwam terug.

Zij, de vrouw, werd kwaad en bekeef hem, alzoo: Wel, gij, gij zijt reeds terug, en gij zoekt onze kinderen niet!

Hij, aldus: Deze kinderen hebben wij gebaard. Maar wij kunnen er nog andere baren.

Zij, de moeder, zegde met eed, alzoo: Ik, ik baar geen kinderen meer; die ik eerst gebaard heb, zij zijn heengegaan en voor altijd en voor altijd. Mijne kinderen zijn verloren!

Hij, de man, sprak, alzoo: Breek uwen eed.

Maar zij, zij wilde niet. De vrouw, de ziekte tastte haar aan. En zij stierf. Hij, de man, begroef haar, en hij zegde, alzoo: Ziet ge, de stam, dien de ouden mij gelaten hebben, is vandaag uitgestorven. Ik ben aan 't dwalen en dwalen!

Heel het dorp lachte hem uit, alzoo: Als men te haastig eet, verbrandt men zijnen mond [254]. Waarom zijt gij zoo rap getrouwd?

Hij ook, hij stierf van verdriet. En zoo was de heele stam uitgestorven.

Ntadi.

GEBRUIKEN en LEVENSWIJZE

I. KONGOLEESCH WERK

HET VERBRANDEN VAN 'T HOOGE GRAS

Als het seizoen, dat men Mbangala [255] heet, verschenen is, is het hooge gras droog. De menschen beginnen dan het in brand te steken, om er hun wild te schieten en hunne muizen te vangen, die daar zich in verbergen. Eenigen branden hun gras heel rap, anderen wachten tot op de laatste dagen van het droog seizoen. Als er eenige dagen vervlogen zijn, dan stelt de eigenaar van zijn hooge gras een dag, alzoo: Toekomenden Nkenge, steek ik mijn hooge gras in brand. Die een geweer hebben, dat zij komen, om mijn wild te schieten.

Als de dag verschenen is, komen de jagers af.

De heer van zijn hooge gras beveelt aan zijne kinderen en kleine slaven, alzoo: Gaat beneden, steekt wel het vuur aan; gij, jagers, trekt naar boven op, wacht wel het wild af op de plaatsen, waar het gewoonlijk wegloopt.

De kinderen en de kleinen roepen dan, alzoo: Wij, onze muizen gaan wij schieten.

Hij, de eigenaar, alzoo: Welaan, gaat, als gij het vuur hebt aangestoken, komt dan rap, schiet uwe muizen en misschien schiet gij ook wild.

Zij gingen en zij staken 't vuur aan. Dan gingen zij heel rap loopen, en zij kwamen hunne muizen afwachten. Het vuur begon te laaien en te knetteren. Het wild ging loopen, daar waar de jagers ze afwachtten en dan schoten zij ze. Andere gingen vluchten en zich verbergen. Men vervolgde ze en men joeg ze op met de honden. Zij schoten ze. Maar andere gingen heel ver vluchten. Als de menschen in 't dorp terugkomen, dan verdeelen zij het wild: een deel voor den eigenaar van het hooge gras en een deel voor den jager, die het geschoten heeft. Als men tien reebokken schiet, dan geeft men wel tien reebokkenbillen ofwel twintig voor tien geschoten reebokken, aan den eigenaar van het hooge gras.

Zoo handelt een eigenaar van zijn hooge gras. Dat zijn de belastingen, die hij doet betalen.

Indien iemand een andermans hooge gras in brand steekt, dan moet hij boete betalen.

Mbengo.

DE MANIOKPLANTERIJEN IN 'T BOSCH

In het droog seizoen, als het heel koud is, worden de menschen wakker, langen tijd na de zon, die reeds opgestaan is, maar die verscholen blijft achter den nevel [256]. De mannen keeren de pleinen, zij vereenigen een weinig gras en hout, zij steken vuur aan, zij verwarmen hunne handen, wrijven ze om er de koude af te krijgen, zij kouten een weinig onder malkander, alzoo: He! Vandaag is het heel koud.

Anderen zeggen, alzoo: Vandaag is het goed, dat er geen warmte is, aldus gaan wij rap naar 't bosch om het af te kappen. Welaan, laat ons gaan, nu dat ons lichaam sterk is.

Anderen, alzoo: Laat ons wachten, dat de vrouwen maniok hebben gestampt en voorbereid; wij versterken ons hart.

Anderen, alzoo: Vooruit, mannen, op dit oogenblik, dat de zon achter den nevel is verborgen, dan kappen wij een schoonen hoek van 't bosch af.

Anderen, alzoo: 't Is wel, wij wachten naar 't eten niet. Vooruit! Als wij terugkomen, dan eten wij.

Zij nemen de kapmessen en trekken op. Als zij in 't bosch aankomen, dat zij willen afkappen, dan verdeelen zij zich. Eenigen, alzoo: Wij twee, wij kappen te zamen, alzoo haasten wij ons.

Anderen, alzoo: Ik, ik alleen.

Anderen vragen aan de oudsten, alzoo: Dit bosch, dat onze ouden over vele regens [257] hebben afgekapt, om er maniok te planten, was er schoon maniok?

De oudsten antwoorden, alzoo: Weest gerust, broeders, hier hebben onze ouden veel geld gewonnen.

Zij, alzoo: 't Is goed, wij werken.

Dan beginnen zij te kappen.

Alle dagen aan 't kappen en kappen.

Zij kappen eerst de staken af en de kleine boomen. Terwijl zij kappen en kappen, fluiten eenigen bij hun werk, om op geen andere zaak te denken, die het werk zou doen verlaten.

Als zij de kleine staken hebben afgekapt, dan wachten zij eenige dagen, daarna nemen zij hunne bijlen, zij trekken op en zij beginnen de groote boomen af te hakken. De bijlen zijn opperbest. Hunne tanden zijn heel scherp. Vele dikke boomen vallen omver.

Dan is het bosch afgekapt [258] en zij trekken op naar het dorp.

Het afgekapt bosch verdroogt onder de gloeiende warmte van de Mbangala. Alles wordt droog en droog. Die zijn afgekapt bosch bezit, gaat naar zijn bosch zien, 't is heel droog geworden. Hij heft de oogen op, en hij ziet den rook opstijgen op een andere plaats, alzoo: Daar, die heeft zijn afgekapt bosch in brand gestoken, wacht, ik zal ook gaan.

Hij gaat, hij steekt het vuur aan, daar van waar de wind komt. Het vuur stijgt op. En het afgekapt bosch staat in brand. Het vuur is aan 't laaien en laaien. Als het vuur gedaan is, dan gaat men zijn ratten en muizen vangen, die in den brand omgekomen zijn.

Als het afgekapt bosch niet goed verbrand is, dan kappen zij weer de staken in kleinere stukken, zij verzamelen de takken op eene plaats, en zij steken alles in brand.