Uit den Kunstschat der Bakongos
Part 13
En de mannen van Zunzi begonnen te roepen, terwijl zij met de hand op den mond sloegen, in de richting van hun dorp. Toen zij afkwamen, die in 't dorp gebleven waren, alzoo: Vooruit, jongens, gaat de mannen verwittigen van de volgende dorpen: Kingombe, Nlondo, Kiyala en Boko, dat zij de mannen van Songia komen omringen.
Toen zij kwamen, omringden zij heel 't bosch.
Heel 't dorp van Songia was 't bosch binnengedrongen.
En men voerde oorlog en oorlog.
De mannen van Zunzi konden geen mensch dooden van Songia.
De mannen van Songia, alzoo: Wel, vooruit, gaat zeggen dat wij willen onderhandelen.
En zij zonden de onderhandelaars op.
De mannen van Zunzi, alzoo: Wel, gaat terug, dat zij oorlogsslaven geven!
En zij regelden en regelden de zaak, en men kwam overeen om drie oorlogsslaven te geven.
Toen zij de drie oorlogsslaven gegeven hadden, trokken zij er mede op naar Zunzi, en de mannen van Zunzi hakten ze dood. De hoofden ging men leggen, waar men 't opperhoofd begraven had. En zij riepen, alzoo: De mannen van Songia hebben ons opperhoofd gedood, iedere mensch die zot is, dat hij ga, dat hij ga eten te Songia.
Zoo riepen zij heel hun dorp door.
Dat spreekwoord hoort men nog tot op dezer dagen.
Songia.
OORLOGSLISTEN
In tijd van oorlog, omringt men heel 't dorp met eene haag, die men kibangu noemt. Dan legt men scherp en snijdend gras en doornen in de wegen, die in 't dorp komen.
In 't midden van den weg graaft men een put; men legt er doornen in, wel honderd; men zet ze recht in 't midden van den put. Als men ze er in geplant heeft, dan legt men bladeren boven den put; boven op legt men aarde, en alzoo is de put effen met den weg.
Wanneer de vijand 's nachts komt en besloten heeft menschen te vermoorden, maar als hij op dien weg komt, dan valt zijn been in den put, en heel zijn been zit vol doornen, die diep in 't vleesch dringen.
Indien hij geen broeder heeft, om hem weg te dragen, wanneer 't weder klaar geworden is, zeggen de menschen van 't dorp, alzoo: Laat ons naar de putten gaan zien.
Zij vinden er den vijand, dien zij vermoorden.
Songia.
HET LIED DER OUDEN [230]
De ouden zegden, alzoo: Gij kinderen, die vreugde, waarmede gij opgebracht en verzorgd zijt, later zult gij ze zien. Zij komen, de menschen, die wit zijn; zij zijn als ons maniokmeel zoo wit. Dien dag, als zij afkomen, wij, de ouden zijn uitgestorven en doodgegaan. Gij blijft achter en gij zult dat zien.
Zij, de kinderen, alzoo: En die menschen van waar komen zij?
Zij, de ouden, alzoo: He, wij weten het niet, hoort ge!
Andere ouden zegden, alzoo: Hoort ge, van Europa komen zij.
Zij, de kinderen, alzoo: Wel, dat Europa, waar is 't? De plaats, waar is 't?
De ouden toonden met hunnen vinger, alzoo: De plaats daar achter de bergen, waar de zon ondergaat [231].
Zij, de kinderen, alzoo: En als zij hier komen, wat komen zij hier doen?
De ouden, alzoo: Dit land, het onze, komen zij dooden.
Onze ouden zijn doodgegaan. Zij, de blanken, hebben ons land ingenomen. Wat onze ouden vertelden, wij hebben het gezien. Wij, de kinderen, wij zijn gebleven, wij zijn gevallen in plagen van allen aard. De blanken, hebben wij ze niet gezien? Zoo hebben onze ouden geen leugen verteld, zij hebben de waarheid gezegd.
Kianika.
NA NSESA EN ZIJN NEEF
De neef van Na Nsesa had vischfuiken vervaardigd, en hij was ze gaan leggen in 't water.
'S morgens, toen hij wakker werd, zegde hij, alzoo: Ik zal gaan; ik ga mijne vischfuiken ledigen.
Hij trok naar de rivier, en hij kwam aan den eersten fuik aan. Hij was vol ngola [232]. Hij trok dezen uit 't water en daar werd hem iets geworpen. Hij ging loopen tot in het dorp, en hij zegde tot zijn oom, Na [233] Nsesa, alzoo: Ziehier, gisteren had ik mijne vischfuiken in 't water gelegd, en vandaag, dezen morgend, ging ik ze ledigen. Ik kwam aan den eersten fuik, ik beproefde om dezen er uit te trekken, hij was vol ngola. Terwijl ik den fuik uit het water trok, werd er mij iets geworpen; maar ga met mij, gij, mijn oude, misschien is er een wild dier.
Hij, de oom, hij nam zijn geweer, alzoo: Wel, 't is goed, vooruit!
En zij gingen, en zij kwamen aan de fuiken, en de neef toonde, alzoo: Hier heeft men mij iets geworpen; maar laat ons rivierafwaarts gaan.
Zij gingen en zij ledigden de fuiken. De fuiken waren vol visschen, de fuiken waren te klein. Zij kwamen aan den laatsten fuik, die veel grooter was. Hij was vol visschen. Toen zij dezen wilden uit het water trekken, werd er weer iets geworpen. Zij namen de fuiken op, en gingen loopen tot in hun dorp.
Zij zaten neer, zij legden de visschen bijeen; ngola waren er in overvloed.
De neef sprak, alzoo: Wel, Na Nsesa, neem ngola en bereid ze.
Maar hij zegde zoo: Bereid gij ze!
En de neef had de ngola voorbereid. Hij nam den pot van 't vuur en sprak: He, beste oom, de ngola zijn gereed. Kom, wij gaan eten.
Na Nsesa kwam af, en zij begonnen te eten.
Toen zij aten, viel Na Nsesa op den grond; hij had stuiptrekkingen in den buik en in 't hoofd.
De ouden, die dat zagen, zegden: Gaat naar den toovenaar, misschien lagen er toovermiddelen in 't water. Ziet naar toovenaars uit, om hem te heelen.
Een toovenaar kwam, en heelde hem, en hij sprak: Doet nog eenen komen.
Wanneer zij hem deden komen, was Na Nsesa een lijk.
De menschen waren verwonderd en zij zegden: Die zaak, van waar komt zij? Zag men zoo iets, toen onze ouden leefden. Hoe! Ngola waren er in overvloed.
Eenigen tijd daarna, was de neef ook ziek.
De ouden waren verwonderd en zij zegden: Zeker, dit alles is van Europa gekomen.
Andere ouden zegden, alzoo: Zekerlijk is het dit, dat onze dorpen doet uitsterven. Wel, hebben wij de blanken niet gezien? Wij zien ze nog.
Kibangu.
DIDACTISCHE VERHALEN
DE MELAATSCHE EN DE GIERIGE VROUW
Een man, die van de melaatschheid getroffen was, kwam uit het bosch met zijne honden. Hij was gaan jagen. De groote hitte had hem aangetast.
Wel, ik zal aan 't land aankomen, waar de vrouwen bezig zijn met aardnoten uit te doen. Indien zij mij geen aardnoten geven, ten minste zal ik toch water vragen en zij zullen mij dat niet weigeren.
En hij, de melaatsche, hij kwam aan 't eerste stuk land, en hij vroeg aan een vrouw: Och, mama, vrouw, geef mij water, och, moeder, ik sterf van den dorst.
Maar zij, de vrouw, sprak, alzoo: I, gij, den dien, aan u zou ik mijn water geven. Neen, neen, neen! Geen water ik. A! Ik zou u mijn water geven. A! Gij zoudt uit mijne kruik willen drinken, gij moest uit uwe handen drinken.
En hij vervolgde: Och, moeder, gij geeft mij geen water, giet mij dan een beetje, ware 't slechts in een blad.
Maar de vrouw bleef versteend: Ik heb geen water voor u.
Een andere vrouw, die op een anderen hoek van 't land aan 't werken was, toen zij dit hoorde, riep den melaatsche: Wel, drink uit mijne kruik, beste man!
En hij kwam af.
Wel, drink uit mijne kruik!
Maar hij zegde: Neen, neen, ik wil niet, moeder, giet een beetje in mijne handen en alzoo zal ik drinken.
Maar de vrouw: Drink uit mijne kruik, vader.
Toen hij gedronken had, zegde de vrouw, alzoo: Zoo ik zie, uwe honden hebben de keel ook droog, want zij blazen hard, geef ze ook te drinken.
De man, toen hij gedronken had, haalde adem in: 't Is goed, mama, beste vrouw, zegde hij, ik bedank u hartelijk, mama.
Dan gaf zij hem nog een klein mandeken met aardnoten.
De man trok dan een heel stuk vleesch uit zijn weitasch en hij gaf het haar.
Maar toen zij het vleesch aangenomen had, werd zij met schrik bevangen.
De melaatsche sprak dan: Vrees niet, moeder; toe, eet uw vleesch maar gerust in uw dorp. De melaatschheid kan u daarom niet aantasten. Maar die vrouw daar, die mij water geweigerd heeft, zeg mij eens den naam van hare familie!
En de vrouw zegde den naam: Ba Kinti ndumbu nkasa mayala [234]!
Wel, zegde de melaatsche, terwijl hij zijn hoofd wreef [235]: A! Zie, Ba Kinti ndumbu nkasa mayala, vermits zij mij water geweigerd hebben, indien zij kinderen voortbrengen of indien de kinderen zich vermenigvuldigen in hunne familie, zoo zij vleesch eten van een dier, dat eene gespikkelde huid heeft, dat zij naar hunne linker- en rechterzijde zien, en de melaatschheid zal ze aantasten, en hunne kinderen en hunne klein-kinderen, ik verwensch ze allen met mijne betooveringen.
Zoo sprak hij en hij verdween.
Waar hij ze gelaten had, ging de tijd door. De ouden van 't dorp hadden een reebok [236] in hun dorp geschoten. Toen zij dit hadden in stukken gehakt, verdeelden zij het vleesch. De vrouw, die water geweigerd had, kreeg ook haar deel. Zij maakte het gereed en zij at het. Toen men geslapen had, 's morgens vroeg, toen zij wakker werd, bezag zij haar lichaam vol wonden en plekken van de melaatschheid; over heel haar lichaam een enkele wonde.
Hare man sprak dus: He! Wat is dat, wat hebt gij gekregen!
Ik weet niet, zegde de vrouw, van waar dit komt, al die wonden en plekken. Dezen nacht heb ik dit opgevat.
En de man: Dit, dit weet ik hoegenaamd niet. Mijne vrouw is gisteren naar 't veld geweest, en toen zij terugkwam in mijne hut, was zij heel net en schoon. En nu, dezen nacht, gedurende onzen slaap, heel haar lichaam is vol plekken van de melaatschheid. Wacht een beetje, ik wil het weten, ik ga bij den toovenaar, om te weten wat het is.
Terwijl hij dit zegde, had zijn andere vrouw, die in een ander huis woonde, alles afgeluisterd, en zij sprak, aldus: Kom, ik zal u alles vertellen.
De man kwam af. En de vrouw zegde hem: Gij, mijn man, gij zegt: Ik ga den toovenaar raadplegen. Maar heel de zaak is klaar.
En de man: Ach, spreek, vrouw. Gij zijt gaan werken in 't veld met haar. Wat hebt gij gezien?
De vrouw sprak dus: Over eenigen tijd gingen wij naar 't veld om de aardnoten uit te doen. Toen wij aan 't water kwamen, eenieder vulde zijne kruik: ik de mijne en zij de hare. De kinderen ook vulden hunne kruiken. Toen wij in 't veld kwamen, deden wij aardnoten uit. Terwijl wij bezig waren, rond den noen, zie, daar kwam een man met zijn geweer af en met zijn honden. Toen hij aan den hoek van 't land kwam, waar uwe vrouw werkte, vroeg hij haar te drinken: Och, gij, mama, goede vrouw, kom, geef mij een beetje water, mama, opdat ik drinke.
Maar die vrouw, ziet ge, antwoordde hem aldus: Gij, zoo een walgelijke, met uw heel lijf vol plekken, ik zou u mijn water geven! Ik heb geen water voor u.
En hij, de man, hij was aan 't vragen en smeeken: Och, kom, doe dan een weinig water in een blad!
En zij, daarop: Loop weg van hier. Hebben de Ba Kinti ndumbu nkasa mayala u naar hier gezonden?
Toen ik dit hoorde, heb ik den armen sukkelaar geroepen: Och, vader, beste man, kom, drink hier van mijn water.
Toen hij kwam, zegde hij: Schenk in mijne handen en alzoo zal ik drinken.
Maar ik had dat niet gaarne, ik. Drink uit mijne kruik, vader. Ik walg niet daarvan.
Toen hij gedronken had, laafde hij ook zijne honden. Daarop gaf ik hem nog een korfje met aardnoten. En hij, hij trok een schoon stuk vleesch uit zijn weitasch en hij gaf het mij, toen hij zegde, alzoo: Neem aan, eet het maar, vrees niet, de melaatschheid kunt gij niet opdoen. Maar de vrouw, die mij water geweigerd heeft, zeg mij eens de naam van hare familie, welke is hij?
En ik, toen ik hem den naam gezegd had: Ba Kinti ndumbu nkasa mayala! Hij, terwijl hij zijnen kop wreef, hij betooverde de familie met zijne verwenschingen: Zie, Ba Kinti ndumbu nkasa mayala, vermits zij mij water geweigerd hebben, in hunne familie als zij kinderen voortbrengen ofwel indien de kinderen zich vermenigvuldigen, gespikkelde beesten, als zij daarvan eten, dan zitten zij met de melaatschheid, dat zij dan naar hunne zijde kijken, en hunne kinderen, als zij groot geworden zijn, en de kleinkinderen van hunne kinderen enz. enz.
Toen hij dat gezegd had, trok hij op.
Wij ook, toen wij de aardnoten vergaderd hadden, toen onze mandekens gevuld waren, trokken wij terug naar 't dorp. Toen wij in 't dorp kwamen, 's avonds, hoort ge, ik wilde u alles vertellen, maar ik was het vergeten.
A! Ziet ge wel, dien reebok, dien men geschoten heeft en dien men verdeeld heeft, heeft zij daarvan niet geëten?
De man antwoordde: Zij ook heeft er van geëten. Toen zij ervan geëten had, gingen wij slapen. En 's morgens vroeg, toen zij wakker werd, bezag zij haar lichaam vol plekken van de melaatschheid.
En de vrouw zegde daarop: Indien de melaatsche haar betooverd heeft met zijne verwenschingen, waarom dan wilt gij uw geld voor niet aan den toovenaar geven? De zaak is geheel en al klaar. Hoe zoudt gij het anders aanleggen?
De man liet dus alles zoo maar.
Die vrouw, die water geweigerd had, was alle dagen ziek, de melaatschheid lag over geheel haar lichaam en hare kinderen en in hare gansche familie. Als men het ongeluk had van eene gespikkelde beest te eten, had men voorzeker de melaatschheid.
Deze wreede ziekte van den melaatsche bleef zich vasthechten in deze familie, ter oorzake van die vrouw, die water geweigerd had aan dien melaatsche [237].
Kianika.
DE MAN IN DEN STAMPERSBLOK [238]
Een jongeling ging om zijn verloofde te bezoeken. Toen hij in zijn verwantschap aankwam, slachtte men hem kiekens. En zij aten.
Den volgenden dag waren er geen kiekens meer. De vrouwen stampten boonen in den stampersblok. Zij legden ze op een schotel. Toen zij hem de schotel droegen hij, de jongeling, hij wilde niet, alzoo: Wij, in onze streek, wij eten dat nooit.
Hij sprak alzoo, opdat zij hem kiekens zouden slachten. Maar de vrouwen droegen de boonen weg, namen hunne korven en mandekens en gingen naar 't hooge gras. Hij, hij bleef zitten in de warmte van 't dorp, hij wist niet waar henen, 't was een dorp van vreemdelingen. Wat hij zoude eten, niets. Hij begon honger te krijgen, en hij begon zich te berouwen, alzoo: Wo! E ngwa mono tata [239]! Ai! He, moeder, ik vader, de schaamte eet mij op. Toen zij mij boonen gaven, ik, ik eet geene boonen. Waarlijk, de jonkheid heeft mij bedrogen. Wacht, ik ga ten minste den stampersblok uitlekken.
En hij ging, hij stak zijn kop in de opening van den blok; hij lekte en lekte.
Toen hoorde hij iemand, die aankwam en die sprak. Hij wilde er den kop uittrekken; maar de kop, hij kwam er niet uit, hij lag er in vast.
Hij, alzoo: Zie, ik ben er in vastgehecht.
Hij droeg den stampersblok en ging er mee tot op den vuilnishoop, achter de hut; en hij ging daar liggen onder het drooge gras.
De menschen, toen zij terugkwamen in 't dorp, toen zij rondzagen naar hunnen schoonzoon, hij was er niet.
Zij spraken, alzoo: Wel, onze vader schoonzoon, waar hij gegaan is, waar is 't? Aan 't wandelen is hij misschien.
Toen zij 't huis hadden uitgekeerd, riepen zij een kleine, alzoo: Neem aan, ga dit veegsel op den vuilnishoop werpen.
De kleine, toen hij ging naar den vuilnishoop, zag den stampersblok. Een mensch lag er in vastgehecht. De kleine begon te roepen, terwijl hij op den mond met de handen sloeg: He, la, la, la, la! He, ouden, komt rap! Wie is er in den stampersblok gestorven?
De ouden kwamen toegeloopen, en zij zagen den jongeling. Zij beproefden hem er uit te trekken. Maar om er uit te komen, hij kwam er niet uit. Dan leidden zij hem met den stampersblok tot in 't midden van het plein, en zij sloegen den blok in stukken.
De jongeling, toen hij er uitkwam, deed zijne oogen wijd open; hij keek naar omhoog vol schaamte.
Toen de avond gevallen was, haastte hij zich weg en trok op. En hij sprak, alzoo: Mijne vrouw is hier, ik zoek mijne vrouw niet meer. Hoe zou ik nog hier komen? En hij trok op voor altijd, vol schaamte.
Indien een jongeling naar 't dorp van zijn verloofde gaat, als men hem iets te eten geeft, en hij, als hij zegt: Ik, ik eet dat niet, dan vertelt men het spreekwoord: Eet maar, jongen, anders blijft uw kop in den stampersblok.
Kianika.
DE SPRINKHAAN EN DE GAZELLE
In 't dorp waren er veel jongens. Maar twee jongens beminden malkander: een oude en een jongere.
Laat ons gaan, wij gaan wandelen in 't hooge gras, zoo zegden zij.
Zij gingen, zij wandelden. Zij vonden niets. Maar de oude had een sprinkhaan gevangen. De jongste had niets gevangen. Zij klommen naar 't dorp op. De kleine ging een luku [240] halen in 't huis van zijn moeder.
De oudste ook met zijn luku. De oudste had den sprinkhaan gebraden. De jongste vroeg hem: He, Yaya [241], geef mij een stuk sprinkhaan, opdat ik mijn luku ete.
Maar de oudste antwoordde: Ik wil niet, ik geef niets. Gij, waarom hebt gij geen sprinkhaan gevangen?
De oudste at, 't was gedaan. De jongste droeg den luku terug in 't huis zijner moeder. Hij zweeg.
Maar de zon was achter de bergen verdwenen; zij sliepen; de zon was opgestaan, en was vol vreugde.
Zij gingen weer wandelen. Toen zij in 't hooge gras binnengingen, zag de kleine een gazelle, die gestorven was. Hij nam haar op, riep den oudste alzoo: He, mijn vriend, ik heb mijn gazelle gepakt, zij is dood.
Hij, de oudste, kwam af, toen hij zegde: He, vriendlief, ons vleesch.
Hij, de kleine, antwoordde: He, Yaya, onze sprinkhaan.
Dan droeg de kleine zijn vleesch, hij alleen. En de oudste begon te smeeken: He, mijn kleine vriend, geef mij, was 't maar een stuksken.
Maar de kleine wilde niet: Ik wil niet. Waarom hebt gij uw gazelle ook niet gepakt?
Zij gingen de zaak regelen bij de ouden van 't dorp.
Den kleine gaf men gelijk; hij at zijn vleesch op, hij alleen.
De oudste werd berispt en uitgelachen.
Kongo.
DE HAK EN DE PARELS
In een dorp waren er vier familiestammen. In een familiestam stierf er een mensch. Men ging een oude hak leenen aan een vrouw van een anderen stam, om het graf voor 't lijk te graven. Zij groeven het graf; de put was gemaakt.
Maar men liet die oude hak in den put bij vergissing. En zij kwamen 't dorp in, om 't lijk te halen.
Maar de moeder, die haar gestorven kind bezat, had niet gaarne dat men het seffens begroef, omdat er veel droefheid in haar hart was; zij wilde dat men het tegen den avond begroef.
Maar 't opperhoofd van den stam zegde zoo: Laat zoo, dat men het lijk nu begrave. Al weent en weent gij, kunt gij het kind doen verrijzen?
De moeder luisterde naar 't opperhoofd, en zij liet het kind seffens begraven. Men nam het lijk, en men ging het begraven. Maar die hak bleef beneden in den put bij vergissing en men begroef het lijk, en men kwam terug in 't dorp.
Die vrouw, die hare hak geleend had, vroeg ze en zegde: Geeft mij mijne hak terug! Gij hebt immers 't lijk begraven.
Men antwoordde haar: Wacht, wij nemen uwe hak, zij is misschien in huis gebleven.
Zij gingen in huis zien, maar zij was er niet. Zij gingen zoeken op 't graf van 't lijk, zij zagen haar niet. Zij kwamen in 't dorp terug, en zij zegden aan de vrouw, alzoo: Uwe hak, zij is misschien in den put begraven! Wij hebben haar niet gezien. Ziehier, een nieuwe.
Maar zij, zij wilde niet: Neen, neen, ga mijne hak opgraven, zij is in den put gebleven, wel ga uw lijk opgraven.
De moeder, die haar gestorven kind bezat, toen zij dat hoorde, had veel droefheid, omdat die vrouw beval het lijk weer op te graven, om hare hak, die van onder gebleven was, er uit te halen. Zij, de moeder, zij nam drie splinternieuwe hakken, en ging ze betalen.
Maar de vrouw, zij wilde dat niet en zegde: Gaat mijne hak weer opgraven en die alleen.
En men zegde: 't Is wel!
En men ging die hak opgraven met veel droefheid en tranen [242].
Zij gaven hare hak terug. Zij nam ze aan.
Eenigen tijd daarna sloten zij weer vriendschap te zamen, zij verbleven in 't dorp. En de tijd om te eten verdween, en de tijd om te slapen verdween.
Op zekeren dag had die vrouw, die hare hak uit den put doen halen had, een kind gebaard, 't was een meisje.
En zij, de moeder, die aan haar kind gestorven was, had nog een jongen. Zij had hem parels gegeven: een heel halssnoer.
Die twee kinderen waren in de warmte van 't dorp gezeten, terwijl de moeders naar 't hooge gras gingen.
Het kind van de vrouw, die hare hak bezat, nam het paarlen halssnoer. Het halssnoer ging los. Het kind nam een parel, legde ze in den mond; zij werd ingeslikt en verdween in den buik.
In den namiddag, toen de wind opgekomen was, kwamen de moeders naar 't dorp terug. De jongen vertelde aan zijn moeder, alzoo: He, mama, het parelsnoer is losgeraakt; maar 't kind van de die daar heeft een parel ingeslikt.
De moeder vroeg, alzoo: Het kind van wie, vader?
De jongen zegde, alzoo: Het kind van de moeder, die u de hak heeft doen teruggeven.
De moeder werd barsch en stuur, en zij zegde: Zij gaat het nu bekoopen, wacht, ik ga, dat zij het kind doode! Ik neem mijn parel.
En zij ging, en zij kwam aan 't uiteinde van 't dorp aan, en zij begon vol gramschap te spreken, alzoo: Breng uw kind hier. De mannen dooden het en hakken het in stukken. Dat zij mijn parel er uit nemen! Uw kind heeft ze ingeslikt.
En die moeder werd droevig en droevig, en zij zegde: He, zuster, doe dat niet. Dat meisje, aan wien gij uw naam gegeven hebt, zoudt gij het dooden?
Maar zij, aldus: Ik, de hak, ben ik ze niet gaan opgraven. Gij weet het. Hebt gij het zoo gelaten, hebt gij een splinternieuwe hak aangenomen, die ik u wilde betalen? Ik ook vandaag, dood uw kind, ik neem mijn parel en ik ga weg.
Zij, de moeder, wilde niet en zij zegde, alzoo: Laat ons de ouden vereenigen, dat zij de zaak regelen.
Zij vereenigden de ouden, en men regelde de zaak.
Eerst sprak die vrouw, die gestorven was aan haar kind, alzoo: Luistert, gij ouden. Ik, toen ik gestorven was aan mijn kind, toen ik haar een oude hak ging leenen, bleef de hak bij vergissing in den put. Toen kwam ik en ik wilde eene nieuwe hak betalen; maar de nieuwe hak, zij wilde ze niet, en zij zegde, alzoo: Ga het lijk opgraven, ik neem mijn hak. Ik zegde vol droefheid in 't hart, alzoo: 't Is wel, en die oude hak ben ik gaan opgraven. Die wraak heeft zij op mij gewroken.
En nu vandaag haar kind heeft mijn parel ingeslikt. Dat kind, zeg ik, dat zij het doode, dat zij het in stukken hakke, ik neem mijn parel.
Wel, gij ouden, op deze plaats waar gij vereenigd zijt, wie geeft gij ongelijk, en wie geeft gij gelijk?
De ouden gaven het woord aan die andere vrouw. Maar zij zat daar droevig en droevig, en zij wist niets te zeggen.
De ouden zegden, alzoo: Welaan gaat uw kind halen, dat men het doode!
En zij ging haar kind halen, vol droefheid en droefheid. Zij gaf het aan de ouden; men doodde het en men sneed het open. De andere vrouw nam haar parel en zij trok op.
De moeder, wier kind men gedood had, ging haar kinderlijkje begraven, met tranen en tranen.
Hare zusters zegden haar: Ziet ge wel, zuster, die de wraak voorafgaat, hij niet; maar die de wraak volgt, 't is hij, die redetwist [243]. Ziet ge wel, uw kind, waaraan zij haren naam gegeven had, heeft zij in stukken doen hakken.
Nu neem er een andere, waar zult gij het halen?
En de menschen van 't dorp joegen haar weg, omdat zij haar schoon kind had laten vermoorden.
Kianika.
DE GIERIGE VROUW EN DE MANIOK
In een dorp waren er twee vrouwen, die te zamen gingen naar de maniokvelden.
Op zekeren dag, toen zij naar 't veld gingen, om maniok uit te doen, trokken zij maniok uit; 't was gedaan.
Dan kapten zij de stokken er van af; 't was gedaan; zij legden den maniok op hun mandeken. Een trok voorop op den weg.
Maar toen zij op den weg kwam, kwam zij een bende Bambata tegen, die haar maniok vroegen, en zegden: He, vrouw, geef ons maniok.
Maar zij wilde niets geven.
Zij antwoordden, aldus: 't Is wel, trek maar op.
En de vrouw ging verder.
Zij, de Bambata, kwamen verder. En zij kwamen de andere vrouw tegen, die achteruit gebleven was.
Zij vroegen haar weer, alzoo: He, mama, goede vrouw, geef ons maniok.
Zij antwoordde hun: Wel, komt, komt eens proeven.
Zij legde haar mandeken op den grond. Zij proefden den maniok. 't Was gedaan.
Zij vroeg, alzoo: Wel, is 't genoeg?
Zij antwoordden: 't Is genoeg.
Zij zegde hun, alzoo: Neemt er een weinig mede.
Zij namen maniok mede.
Dan droeg de vrouw haar mandeken met maniok en volgde de andere vrouw, die voorop gegaan was.