Uit den Kunstschat der Bakongos

Part 12

Chapter 124,268 wordsPublic domain

Hij, de oude, alzoo: Wel, 't is wel, gij zult den luipaard schieten!

Zoo zegden zij rond den noen. De zon begon te dalen; hij, de jongeling, die geredetwist had over den luipaard, nam zijn geweer en zijn palmboommes, alzoo: Ik, ik ga naar de palmboomen.

Hij ging; hij kwam aan een palmboom aan; hij legde zijn geweer aan den voet van den palmboom neer. Hij klom naar boven. En hij hoorde iets beneden op den grond, alzoo: De [203]; hij sloeg de oogen naar beneden, en hij zag een grooten luipaard, die stond waar hij zijn geweer gelaten had. Hij beefde en beefde boven op den palmboom. Dan ging de luipaard henen.

Hij kwam naar beneden. Hij nam zijn geweer op; hij kwam terug naar 't dorp.

Hij, de oude, alzoo: Wel, hebt gij den luipaard geschoten?

Hij, alzoo: Dien grooten, ik heb hem niet geschoten. Dat geweer lag beneden, en ik was boven op den palmboom. Hoe zou ik hem geschoten hebben?

Hij, de oude, alzoo: Ziet gij het! Gij, hoort gij, schieten zoudt gij hem, waarom dus hebt gij hem niet geschoten?

En de oude had gelijk.

Kingombe.

BIJGELOOF

Een jongeling redetwistte met zijn ouderen broer, alzoo: Gij, mijn oudste, den boa-ndongo [204], waarvan men spreekt, ik, ik ken hem niet; ik weet niet hoe hij is.

A! Den boa vraagt gij, dat slecht ding. Indien gij hem tegenkwaamt, zou hij u niet vatten?

Hij, aldus: Wat men noemt, hoort ge, zonder voeten, zonder tanden; om mij te vatten, waarmee?

Gij ook, gij kunt te veel redetwisten. Dien dag, dat deze redetwist zal uitvallen, hebt gij een graf voor u gegraven.

Hij, alzoo: Wo! Die boa, geiten kan hij vatten; zij hebben geen armen. Maar ik, een mensch, hoe kan hij mij vatten?

Hij, de oudere broer, alzoo: Gij, indien gij hem moest tegenkomen, zoudt gij niet vluchten?

En de jongeling, alzoo: Of ik hem zou vluchten? Moest hij op mij afkomen, ik ging niet vluchten.

En indien hij u vastgreep?

O, dan, ik en hem, wij zouden vechten.

Hij, de oudere broer, alzoo: Gij kunt niet, kind. Zeg dat niet.

Ik, ik houd dat staande.

Toen zij geredetwist hadden, lieten zij alles stil. Zij spraken daar niet meer over.

Op zekeren dag was de zon schoon opgekomen. 't Was schoon weder. Hij, de jongeling, hij nam zijn kapmes en zijn geweer, en ging naar 't hooge gras.

Toen koos hij een plaats uit, waar de vogels zouden komen vallen; hij maakte ze schoon. Daarna ging hij staken kappen in 't bosch en slingerplanten en palmtakken; hij sneed eenige bussels nsoni [205] af, en maakte een kleine hut.

Hij kwam terug naar 't dorp; hij vervaardigde rietpijlen. Daarna nam hij een aardpotje, klom op een wilden vijgeboom; trok er vogellijm uit om vogelen te vangen. De vogellijm was gereed.

Toen nam hij zijn kapmes. De avond was gevallen. Hij verwittigde zijne broeders, alzoo: Gij moet mij niet zoeken, ik ga vogels vangen. De vogels ga ik afwachten.

En hij vertrok. Toen hij ging, brak hij onderwegen witte mierennesten los; legde de mierennesten in eenen korf en hij ging. Hij ging tot aan de plaats, die hij had schoon gemaakt. Toen plaatste hij de vogellijm op de mierennesten. De vogellijm was geplaatst, en hij trok de kleine hut binnen, en hij zat neer.

Terwijl hij zat, was hij aan 't afloeren en afloeren en afloeren.

Toen hij afloerde, verdween de tijd en verdween en verdween. De vogels kwamen niet rap af; zijn oogen vielen dicht en hij sliep.

Dan kwam er een boa af. Hij slikte een been van den vogelvanger in; een been bleef er over.

Toen werd de vogelvanger wakker en zijn been woog zwaar, zoo zwaar, zoo zwaar. Toen hij opkeek, zag hij een boa daar liggen, die zijn heel been had ingeslikt.

Hij nam zijn kapmes en hij sneed een fellen sneed in den boa.

De boa wierp het been uit, en de boa liep weg; en hij, de vogelvanger, hij liep ook weg en kwam in zijn dorp slapen.

De menschen zegden hem, alzoo: Uw oudere broeder is ziek.

Maar hij, toen hij in 't dorp kwam, hij vertelde niet, hoe de boa zijn been had ingeslikt.

Toen hij hoorde dat zijn broer gestorven was van een felle snede van een mes, dat hij in 't lijf gekregen had, vertelde hij wat er voorgevallen was, alzoo: Ziet! Over eenige dagen hebben wij, mijn broeder en ik, geredetwist over den boa. En gisteren heeft een boa mijn been ingeslikt en ik heb hem een fellen steek van mijn kapmes in zijn lijf gestoken.

Mijn broeder is voorzeker aan die wonde bezweken [206].

Songia.

DE VROUW EN DE TABAKROOKER

Eene vrouw had hare kinderen gebaard; zij was een stuk land aan 't hakken, om hare aardnoten te planten. De aardnoten werden geplant; zij groeiden en bloeiden en werden rijp. Zij ging met hare kinderen om de aardnoten in te oogsten. Men droeg vuur mede naar 't veld, om hare kinderen. Met veel vreugde droeg men 't vuur, omdat zij alzoo aardnoten konden branden.

De moeder, die rookte, riep hare kinderen: He, kinderen, 't vuur, doet het niet uit, gij weet wel dat ik een tabakrooker ben.

Maar de moeder mocht spreken; 't was vergeefsch; het vuur hadden zij uitgedoofd.

De moeder zegde: Wel, ga er mij naar 't dorp halen.

Zij, alzoo: I! Wie zal er u gaan halen?

Zij, de moeder, alzoo: 't Is wel, mijne kinderen!

Maar zij antwoordden, alzoo: Wij, wij willen niet.

En te zamen deden zij aardnoten uit. De zon begon te dalen na den noen.

Zij, de vrouw, alzoo: Ik ga water drinken aan de rivier.

En toen zij aangekomen was aan de rivier, boog zij zich voorover om water te drinken, en zij zag rivierafwaarts een man, die aankwam, en die aan 't rooken was.

Zij, de vrouw, alzoo: He, vader beste man, geef mij een beetje vuur.

Hij, hij antwoordde niet.

Zij vroeg opnieuw. Maar hij ging maar door en door.

De vrouw begon te smeeken: He, gij, vader beste man, blijf daar staan, geef mij een beetje vuur.

De vrouw ging hem achtervolgen, en aan 't vragen en vragen. Maar, hij, hij antwoordde niet. Hij, de man, aan 't gaan was hij in 't water, en 't water ruischte, alzoo: Swa baka, swa baka [207].

De vrouw vroeg weer, alzoo: Wel, vader beste man, geef vuur.

En de man antwoordde, alzoo: He, gij, die vrouw! Ik ben gekomen van daar waar Bemba Yiwina [208] wandelde, die mij zegde, alzoo: Ik geef u vuur! Gij, vrouw, hebt gij mij afgewacht?

Zij, de vrouw, alzoo: Geef mij vuur, beste man.

Hij wilde niet geven.

En zij gingen en gingen in de rivier, in 't midden der rivier, rivieropwaarts. En zij kwamen aan de monding eener kleine rivier. Hij, de geest, droeg de vrouw, alzoo: Vooruit, langs dien weg, ga vuur halen, vermits gij vuur wilt hebben.

En zij gingen tot in 't dorp van den geest, en zij waren aangekomen. Hij deed de vrouw in zijn huis binnengaan. En zij werd zijne echtgenoote.

Daar waar de kinderen gebleven waren, zij weenden en weenden, en zegden: Ka [209]!

Zij gingen met tranen aan de ouden in 't dorp vertellen, dat hunne moeder verloren was.

De ouden zochten een tooverbeeld, zij gingen de makodia ma malanda [210] halen.

Zij zegden aan de kinderen, alzoo: Toont ons 't land uwer aardnoten.

En de beide kinderen, gingen met hen; zij gingen de plaats toonen waar hunne moeder stond. En zij kwamen en zegden, alzoo: Langs dien weg van 't water is zij gegaan!

En men legde de makodia neer; de toovenaar begon te vertellen, en hij hief een lied aan. En de makodia trokken rivieropwaarts. En de mannen volgden, en zij waren aan 't zingen en zingen 't lied van den toovenaar.

En de tooverbeelden gingen en gingen, tot aan de monding dier kleinere rivier, en zij volgden en volgden die kleine rivier.

De geest, toen hij den zang hoorde, die naderbij kwam, ging zich verbergen onder zijn bed. Maar de makodia kwamen en kwamen; zij kwamen 't huis binnen. Hij, de geest, lag verborgen onder zijn bed, de makodia vonden hem; hij aan 't beven en beven, terwijl hij groette bij handgeklap.

De mannen zagen hem, en zij, zij vatten hem; hij, zij doodden hem.

En zij, zij zegden dit spreekwoord: 't Is wel! Gij, vermits gij ons kind gedood hebt, en haar hebt opgeëten, ten minste gij ook, gij zijt dood. Kibaka uele ye nludi ani [211]! De muur is gegaan met zijn dak.

Mbengo.

EEN TOOVERMIDDEL

In 't dorp was er een mensch ziek. Toen zij de toovenaars deden komen, zij heelden en heelden; hij kon niet genezen.

Op zekeren dag, gingen zij tot bij een toovenaar, die zijn tooverbeelden deed dansen. Hij kwam af tot dicht bij het dorp; maar toen hij dicht bij was, daar begon hij een lied te zingen.

De familie van den zieke brachten den toovenaar een mandeken aardnoten en een bananenrist. Daarna kwam hij het dorp binnen; hij beval aan de familie van den zieke, dat zij gingen om hout op te rapen. Des avonds immers zou hij den zieke heelen, terwijl een vuur, heel sterk en sterk, laaien moest.

En zij gingen, zij raapten hout op; daar was hout in overvloed. De zon was ondergegaan en de avond was gevallen.

Hij, de toovenaar, ging naar de hut, waar de zieke lag. Aan de deur maakte hij vuur, en hij beval den zieke buiten te dragen.

Toen zij den zieke hadden buiten gehaald, stak hij weer een groot vuur aan. Dan zegde hij aan de bewoners van 't dorp: Wie wil mijn tooverbeelden vastnemen? Hoort ge, zij dansen niet.

Zij, de bewoners van 't dorp, waren in redetwist, alzoo: De vrouwen eerst dat zij beproeven, dat zij de tooverbeelden vatten. Indien wij zien dat zij dansen, dan zullen wij, de mannen, beproeven.

Daar kwamen twee vrouwen zich aanbieden: een oude nam een groot tooverbeeld aan; een andere, een jongere, nam een klein tooverbeeld aan. Hij, de toovenaar, begon de trommel te spelen, en een lied te zingen, en spreken hij sprak met zijn tooverbeelden.

Zij, de vrouwen, toen zij de trommel en 't lied hoorden, begonnen te dansen. En zij dansten en dansten en dansten. En hij aan 't trommelen en trommelen; aan 't zingen en zingen.

De toovenaar sprak dus, alzoo: Ziet ge wel, mijn tooverbeelden, zij dansen niet. Wel, gij ziet, zij zijn aan 't dansen.

Maar zij, de mannen, zij redetwistten en zij zegden: Zij dansen niet, uw tooverbeelden.

En hij, de toovenaar, zegde, alzoo: Gij zelf, mannen, vat mijn tooverbeelden, of zij niet dansen.

Twee mannen kwamen vooruit, die 't meest redetwistten. Zij namen de tooverbeelden aan. Hij, de toovenaar, nam weer zijn trommel, en hief een zang aan. En de tooverbeelden, zij verroerden zich niet, en zij de mannen, zij verroerden zich niet.

Men begon met hem den spot te drijven, alzoo: Gij, gij zoudt ons geld voor niet willen hebben.

Hij zegde, alzoo: Mijn tooverbeelden, gij mannen, gij zijt er mee aan 't spotten, geeft ze terug aan de vrouwen, hoort ge, zij dansen niet.

Zij gaven de tooverbeelden terug aan de vrouwen. Hij begon weer te trommelen en 't lied te zingen. En zij dansten en dansten.

Hij sprak, alzoo: Ziet ge, mijn tooverbeelden, zij dansen niet.

Zij, de mannen waren weer aan 't weigeren en redetwisten, alzoo: Zij dansen niet.

Maar de ouden bekeven ze, en zegden, alzoo: Laat hem den zieke heelen!

En hij heelde, en hij zegde, alzoo: Wel, ga naar den toovenaar: nkwa kintuku [212] uitzien, dat hij kome heelen. En dan is uw jongen genezen.

Hij regelde den prijs van zijn tooverskunst, drie franken. Zij betaalden het, en hij ging.

Zij ook, zij gingen naar den aangeduiden toovenaar zien, en hij kwam af om te heelen. Maar de zieke, hij genas niet. En hij stierf.

En men zegde, alzoo: Wie met den toovenaar spot, zal het betalen!

Kingombe.

HISTORISCHE VERHALEN

OORLOGSWRAAK

Te Kongo [213] was er een mensch gestorven. Die hem bezat, wilde een schoon feest vieren en den doodendans dansen, om zijn broeder, die gestorven was, te vereeren.

Hij beval aan zijn onderdanen van dorp tot dorp te gaan in den omtrek, en hij stelde een dag, alzoo: Toekomenden Konso [214], den dezen niet, maar den volgenden, komt allen te zamen.

Zij, alzoo: 't Is wel, wij zullen komen.

De gestelde dag was aangebroken. Al de dorpen kwamen te zamen in Kongo di Kati[213]. Zij brachten hunne trommels mede en hunne muziekinstrumenten; de dorpen waren: Nlemfu, Kianika, Kindona, Kinkanga, Kimanguna, Mboma, Mbengo. Al de omliggende dorpen waren daar vereenigd om den doodendans te dansen. Zij hadden hunne trommels medegebracht, die weergalmden van dal tot dal, van rivier tot rivier: Yayama, nkumbi, kinteta, tutu, nzoko [215].

Zij hielden feest, 't feest was schoon geweest.

Maar 't feest wilde eindigen en dien dag wilden zij eens hunne krachten meten.

Er was een vrouw van Kianika, die haar kind neergelegd had op een biezenmat. Een mensch kwam op dit kind treden, dat op de mat lag. Het kind begon te schreeuwen. De moeder hoorde haar kind schreeuwen, alzoo: He, beste moeder, ik sterf!

De moeder, ter oorzake van de groote vrees en ook ter oorzake van den twist, die zou ontstaan tusschen haar en haar man, dacht, alzoo: Misschien is 't kind aan 't sterven. En zij riep, zoo hard dat zij kon, alzoo: He, la, la, la, la, he, mannen, mijn kind is gestorven.

De echtgenoot liet zijn hart niet vallen, hij ging een geweer leenen. Hij kwam die menschen schieten. Eenige stierven. Anderen, zij stierven niet. Zij waren slechts ziek, zij genazen.

De dorpen van de menschen, die gestorven waren, kwamen bijeen, en zij verklaarden den oorlog. En zij vochten en vochten.

De oorlog was gedaan. Mayaka [216] kwam uit 't dorp van Kinkanga. Hij was de tweede overste van 't dorp. Hij nam een kloek strijder met hem mede; hij kwam tot aan de bron der rivier, bron, die dicht bij Kianika was. De naam van de bron was Kimpuwa. Hij kwam zich daar verbergen.

De vrouwen, 's morgens toen zij hun water gingen putten, kwamen aan de bron Kimpuwa aan. Zij wilden water putten; maar Mayaka en Muamba [217] joegen ze weg, en wilden ze vatten, om er hunne oorlogsslaven [218] van te maken.

Maar de vrouwen hadden veel verstand. Zij vluchtten in 't hooge gras van hun dorp, en zij begonnen te roepen, terwijl zij op hunnen mond sloegen: He la, la, la, la! He, la, la, la, la!

De mannen kwamen af met hunne geweren. Zij vroegen aan de vrouwen: Dat roepen en slaan op uwen mond, wat is 't?

De vrouwen, alzoo: He, mannen, spoedt u, wij zijn gestorven. De vijanden, zij zijn hier in 't hooge gras binnen!

De mannen gingen 't hooge gras omlaag leggen.

Terwijl zij in 't hooge gras binnentrokken, traden zij het neer met de voeten. Zij konden niets zien, en de twee waren in 't midden van 't gras met hunne geweren.

Muamba schoot een oude van Kianika neer. Hij stierf.

Dan ging hij loopen en vluchten. Hij liet zijn oude in het hooge gras. De mannen van Kianika schoten vol gramschap, omdat een hunner ouden doodgeschoten was.

Zij zworen den eed: Indien wij allen vandaag sterven, dan sterven wij. Onze oude zal alleen niet sterven. Vandaag wij sterven ook!

Hij, Mayaka, waar hij verscholen was, kwam te schieten. Maar om zijn geweer te laden, had hij geen poeder meer.

En zij, de mannen van Kianika, zij drongen in 't hooge gras binnen, en zij stampten het plat. Zij vonden Mayaka.

Zij vatten hem en zij deden hem veel pijn afzien. Zij leidden hem tot in 't dorp.

De ouden van 't dorp namen het besluit de mannen van Kinkanga te doen komen, dat zij de zaak kwamen regelen en den moord betalen.

Maar de jongelingen wilden dat niet hooren, alzoo: Wij, onze oude is dood, en wij zouden nu Mayaka loslaten, dat zij de zaak komen regelen. Een van ons is er gestorven; hij ook vandaag, ja, vandaag, sterven hij zal sterven!

Maar de ouden zegden, alzoo: E, e [219]. Alzoo niet, jongelingen! Wat! Wij trekken haat op ons lijf en wraak! Waar gij blijft, waar gaat gij palmwijn koopen? Is 't niet in Kinkanga?

Maar de jongelingen antwoordden, alzoo: Yi [220]! Waarom? Om den palmwijn? Hebben wij hier geene palmboomen? Wij, wij hebben besloten hem te dooden. Wat! Gij ouden, gij wilt hem loslaten.

Wel, gij ouden, en wij jongelingen, wij voeren tegen u oorlog, vermits gij het alzoo wilt. Die gestorven is, is het geen mensch misschien? Gij, ouden, gij hebt schrik, gij zijt bastaarden! Hoe zijt gij met uw onderdanen bezorgd? Misschien gelijk wij bezorgd zijn met dien daar?

Een jongeling werd kwaad en was verbitterd; hij dreef fel den spot met de ouden. Hij handelde zoo, opdat de ouden ook zouden kwaad en verbitterd worden, dat zij Mayaka zouden dooden.

En waarlijk, de ouden werden kwaad, en zij zegden, alzoo: Welaan, gaat dien oorlogsslaaf losmaken, hoort ge!

Zij gingen dien oorlogsslaaf losmaken; de jongelingen waren buiten adem om hem te dooden, alzoo: Vooruit, wij gaan hem dooden op den kleigrond, op den kruisweg van Mbusi [221].

Een oude doodde Mayaka; hij plantte zijn draagmes in de borst.

De ouden, alzoo: Wij gaan hem begraven.

Maar de jongelingen liepen rond met hunne geweren, alzoo: Wie een graf maakt, om dat lijk te begraven, die is ook dood. Wij, wij hakken 't lijk in stukken.

De ouden, alzoo: 't Is wel!

De jongelingen waren wreed en stuur geworden, en zij bedreigden met dit bedreigen.

De ouden, alzoo: Wel, zoekt een mes!

En zij zochten een mes, en zij scherpten het goed.

Zij hakten hem in stukken. Zij sneden de voeten af; zij sneden 't hoofd af; zij sneden hem open, haalden de ingewanden er uit; en zij verdeelden het lijk in twee stukken.

Een man van Mbengo vatte 't hart, ging er mee 't bosch in, en at het op.

Die van Kinkondongo namen 't hoofd; die van Mboma de voeten; die van Zulu de armen. 't Mannelijke begroef men, en men plantte op die plaats een wilden vijgeboom, die er nu nog staat.

De mannen van Kinkanga kwamen de twee rompen koopen. Zij kwamen een gesneden verken betalen, en negen kruiken palmwijn.

Men gaf hun de twee rompen, die overbleven. Zij gingen ze begraven. Toen zij ze begraven hadden, spraken zij dit verbod uit, alzoo: Een mensch van Kianika, dat hij den voet niet zette in Kinkanga; een mensch van Kinkanga, dat hij den voet niet zette in Kianika! Indien hij er den voet zet, hij is dood, niet levend.

En zij zetten den voet niet in een andermans dorp, noch die van Kinkanga, noch die van Kianika [222].

Kianika.

EEN OORLOGSVERKLARING

Het is lang, lang geleden, dat de ouden verteld hebben: In mijn dorp was er een opperhoofd; zijn naam was Nsiku. Hij was heel sterk en sterk om oorlog te voeren.

Op zekeren dag ging hij naar de markt. Zijn schoonzoon, die in een ander dorp woonde, te Yuba, was ook naar de markt gekomen; hij was in schuld met zijn schoonvader. Honderd mitakos moest hij nog betalen.

Terwijl de schoonzoon een geweer kocht, hij, de schoonvader, die geld geleend had, alzoo: Vandaag betaal mijn geld.

Hij, alzoo: Ik bezit het vandaag niet. Hoe zou ik het u geven!

De schoonvader, alzoo: Zoo handelt men met mij niet.

Terwijl zij aan 't twisten en twisten waren, nam een man van Yuba aarde op in zijne handen, en wierp ze waar de menschen waren [223].

Hij, 't opperhoofd, die sterk en sterk was, en wreed en wreed, zegde tot zijn mannen, die op de markt waren: Gaat terug naar 't dorp.

Toen zij terug kwamen, beval hij, dat men de oorlogstrommel zou slaan. En de oorlogstrommel weergalmde en weergalmde.

Hij zelf, hij ging in aller haast naar Yuba, om ze op te hitsen; hij was vol gramschap.

Toen hij in 't midden van 't dorp kwam, sprak hij, alzoo: Op de markt hebt gij mij met aarde geworpen, maar vandaag doodt mij.

Zij, zij dreven met hem den spot, alzoo: Omdat gij uw schoonzoon bezit, is 't daarom dat wij den oorlog zouden voeren?

Hij, alzoo: Neen, neen, 't is daarom niet. Maar 't is omdat gij met aarde geworpen hebt.

De mannen van Yuba, alzoo: Wel, gij, opperhoofd van Mbengo, begin.

't Opperhoofd trok terug naar zijn dorp, hij riep zijn sterke mannen, zijn kloeke soldaten bijeen, alzoo: Luma, luma [224]!

De mannen van Yuba trokken ook op ten oorlog, alzoo: He, mannen, hoort gij de oorlogstrommel, die weergalmt! Vooruit de geweren en 't poeder. Wij treffen ze in den kop. Vooruit!

Waar zij waren, begonnen de mannen van Yuba eerst te schieten; zij vochten en vochten tot de zon onder de aarde onderging. 's Avonds konden zij niet veel meer vechten.

Een jongeling van Yuba had zich verstoken in een put, dien men gegraven had, om een groote rat kimbwa [225] te vangen. Hij was er verstoken met zijn geweer.

Hij zag 't opperhoofd van Mbengo afkomen, die vol blijdschap was om den oorlog; hij mikte hem juist; hij schoot; en 't opperhoofd viel op den grond; hij was gestorven.

De mannen van Mbengo, toen zij hooren schieten hadden, waar hun opperhoofd gegaan was, gingen naar die plaats, alzoo: Laat ons gaan. Misschien is 't opperhoofd dood. Misschien hakt men hem in stukken, indien wij ons niet haasten.

En zij kwamen, zij ontwaarden hun opperhoofd, dat slechts een lijk was. Zij droegen hem naar hun dorp; zij trokken terug naar den oorlog, alzoo: Ons opperhoofd is dood; wij, zijn onderdanen, wij zijn hier; vandaag 't is maar vechten en vechten.

En zij vochten negen dagen lang.

De mannen van Yuba gaven zich over, zij betaalden veel geld, omdat men 't opperhoofd had doodgeschoten. Men stelde den dag, om de zaak te regelen.

De gestelde dag was aangebroken.

De mannen van Mbengo namen de oorlogstrommelen en de cimbalen en de klokjes; zij gingen om de zaak te regelen. De mannen van Yuba kwamen ook uit hun dorp om 't geschil te vereffenen.

En de avond viel in de streek en de zon stond op, en zij aan 't zoeken naar de oorzaak van den oorlog.

En zij zochten en zochten, zij vonden de oorzaak.

Maar de mannen van Mbengo hadden gelijk, ter oorzake van de aarde, die men op de markt geworpen had.

Dat was bij ons, in vroeger tijden een wet, dat men op de markt met geen aarde mocht werpen, of anders was het oorlog. En die wet heerschte in gansch de streek.

Dat opperhoofd, toen hij gestorven was, dan regeerden in zijne plaats, Mfumu [226] Mabeka en Mfumu Nkwa Mbidi en Mfumu Zizi [227]. Alle drie hadden, de eene na den anderen 't opperbestuur, en dan mijn oom en zijne twee neven. Toen zij gestorven waren, heerschte Mfumu Lala. Zijn bijnaam was Ntongo udia magata [228].

Hij verwoestte vele dorpen, en overal boezemde hij schrik in, hij hing om zijnen hals de ooren der menschen, die hij gedood had.

Toen de Staat hier gekomen is, werd hij achtervolgd; maar hij ging vluchten naar den anderen kant der rivier Inkisi. Hij is daar vóór eenigen tijd gestorven. Zijne hoovaardigheid was gedempt.

Nu heerschen er geen opperhoofden meer, gelijk eertijds.

Onze dorpen zijn uitgestorven, en de ouden, die overblijven, hebben allen moed verloren.

Mbengo.

VERHAAL VAN OORLOG

Te Songia kwam altijd een neef in 't huis van zijn oom kouten met zijne moei, en dat tateren begon, wanneer de oom niet thuis was in 't dorp.

't Opperhoofd van 't dorp, Ta Nuna, alzoo: Wo! Gij, Nzengo, gij komt hier slechte zaken uitsteken; in 't huis van uwen oom komt gij onkuischheid doen. Wat, gij een wangedrocht van uwe moeder, alle dagen komt gij mij alzoo in 't dorp uitlachen.

En hij ging zijn geweer halen. Terwijl zij vochten en vochten, 't geweer, toen hij het aanlegde, 't schot ging af, en 't poeder kwam Nzengo in zijn voet treffen.

En Nzengo trok met vele pijn naar zijn dorp op.

't Opperhoofd van 't dorp en de ouden bevolen, alzoo: Neemt al de zaken, gaat ze verbergen!

Verscheidene vrouwen aan 't weenen waren zij.

't Gebeurde verspreidde zich in de dorpen.

De mannen van Kingombe kwamen af, alzoo: Betaalt de boete. Indien gij geen boete betaalt, uw dorp het sterft [229].

De mannen van Songia namen negentig mitakos en gaven ze; zij gingen eene geit halen, en zij gaven ze!

Daarna trokken de mannen van Kingombe op.

En alzoo, de eene na den anderen, kwamen de mannen van Kiyala af en van Nlondo en van Kibangu, en zij gaven de mitakos en de geiten.

Eindelijk kwamen de mannen van Zunzi af, alzoo: Betaalt de boete.

Zij namen de mitakos, en zij gaven ze, alzoo: Gaat terug, morgen zult gij de geit ontvangen.

Zij trokken op. Toen zij aan 't uiteinde van 't dorp kwamen, staken zij 't groote woud in brand.

De mannen van Songia: Wij, wij hebben onze boete betaald, wel nu, zij, zij hebben ons woud in brand gestoken. Vooruit, onderdanen, vat uwe geweren. Wij volgen ze.

Zij, de mannen van Zunzi, aan 't spotten waren zij.

En zij namen ook hunne geweren in hun dorp en zij kwamen terug. En zij vochten en vochten.

De mannen van Songia, toen zij schoten, schoten 't opperhoofd van Zunzi dood.