Uit den Kunstschat der Bakongos
Part 11
Maar terwijl hij wild jaagde, was de avond gevallen; het werd donker. De hondenkweeker in 't hooge gras zag zijn weg niet. Toen hij zocht en zocht, den weg, hij zag hem niet.
En hij ging in 't midden van een groote uitgestrekte vlakte. Toen hij ging en ging, zag hij een oud ingevallen huis; hij trok er binnen met zijn honden en met het wild, dat hij geschoten had.
Hij klom op een teenen vlechtsel, een soort van bed, met zijn honden. Hij wist niet dat dit het huis was van een geest.
De eigenaar van het huis, toen hij kwam, stak vuur aan, maar hij werd stank gewaar. Ook, toen hij den kop zag van 't wild, dat hangend hing van het teenen vlechtsel, deed hij een pak stroo in brand, verlichtte het bed en hij zag een mensch liggen met zijn honden. Hij verwittigde hem, alzoo: He broeder, kom, slaap op den grond.
De mensch daalde af, sliep bij het vuur, de honden aan zijn zijde. Maar hij, de geest had dat in zijn hart niet begrepen; hij nam een nagel, legde hem in 't vuur.
De nagel werd rood, hij nam hem er uit, en hij wilde dien mensch doorsteken; dien mensch, die daar lag bij 't vuur met zijn honden.
Toen hij den nagel toonde, begonnen de honden te brommen van gramschap.
De geest, aldus: He, mijn vriend, houd uw honden tegen!
De mensch, alzoo: He! Indien gij niets gedaan had, mijn honden zouden niet voor niet gebromd hebben.
Zij sliepen weer een poosje. De geest draaide zich om; zijn hart was anders geworden. Hij brandde weer de nagel in 't vuur; de nagel werd rood, hij nam hem uit het vuur, hij naderde tot bij den mensch, maar de honden bromden weer van gramschap.
De geest beval aan den hondenkweeker: Houd uw honden stil.
De mensch stond op en trok zijn honden bij hem en zij sliepen. De dag was aangebroken. De geest, aldus: Laat ons gaan, daar waar gij mij colasnoten [184] zult plukken. Laat uw honden hier, ik zal het huis sluiten.
En hij sloot het huis vast met slingerplanten.
En zij gingen. En hij toonde hem den stinkboom, alzoo: Klim er op en pluk noten.
De geest bleef beneden op den grond. Hij ging zijn broeders verwittigen, alzoo: Komt, weet ge, ik kan hem niet vatten: heden heb ik hem gevat.
De broeders kwamen zich vereenigen, een heelen troep geesten, aan den stam van den boom. Een geest stak zijn tand uit, om den mensch te vatten, die boven op den boom zat.
Hij, de mensch, alzoo: 't Zijn slechte, heel slechte noten.
De geest antwoordde, alzoo: Pluk, pluk, zeg niets om te lachen.
En toen hij plukte en plukte en plukte, stak een geest weer zijn tand uit, alzoo: Daal af, rap, heel rap!
De mensch kreeg verstand, toen hij deze menigte menschen aan den stam zag. En hij daalde niet beneden. Zij bevolen bijlen om den boom af te kappen. Toen zij begonnen te kappen, zongen zij een lied: Kenda nti, kenda kulu kulu Ta Nganga, kingela k'asiama ko, Ta Nganga. De mensch riep zijn honden. Hij riep ze, alzoo: He Ntuntu nsoni, he Mbwa ndombe, he Kapakala, haast u. Indien gij u niet haast, ben ik doodgegaan.
De geesten waren aan 't kappen en kappen. En de honden liepen rond; zij liepen rond en rond. Maar 't huis was gesloten.
Om uit te geraken, zij konden er niet uit.
Ntuntu nsoni brak de muur door; en zij kwamen heel rap aangeloopen, daar waar hun meester riep.
Toen zij kwamen, waren de geesten vereenigd, een heelen troep, aan den stam. Zij hoorden hunnen meester roepen van boven: He Ntuntu nsoni, he Mbwa ndombe, he Kapakala, gij ziet het zeker wel, dat zij den boom afkappen om mij te dooden.
De honden vermoorden al de geesten. De mensch, toen hij beneden kwam, toen hij zijn honden geroepen had, alzoo: Komt hier, 't is wel. Al de geesten, zijn zij dood?
De honden kwamen af, alzoo: Allen zijn dood. Daar blijft niets meer over.
Hij, aldus: 't Is wel. Gij hebt het gehoord, ik was bijna doodgegaan.
De honden zegden hem, alzoo: En wij, dezen nacht aan 't brommen waren wij; want die geest had een nagel gevat, hem gloeiend gemaakt, weet gij, om u te dooden. 't Is daarom, dat wij van gramschap bromden.
Kibangu.
NGANGU ZINKONO EN NGANGU ZIZALA
Een vrouw had haar twee zonen gebaard: Ngangu zinkono [185], den oudste en Ngangu zizala [186], den jongste. En zij groeiden en groeiden; de jongste lachte altijd zijn oudste uit.
En zij trouwden beiden hunne vrouwen. Op zekeren dag had de vrouw van Ngangu zizala maniok voorbereid. Hij, Ngangu zizala, alzoo: Mijn vrouw heeft maniok voorbereid, er is geen stuksken vleesch; wacht, ik zal gaan; ik maak eenige palmlatten schoon, en ik plaats eenige strikken met maniok, om muizen te vangen.
Hij vervaardigde eenige strikken met een palmlat, en hij ging 't bosch in. Toen hij de maniokstrikken had gelegd, toen ze gedaan waren, alzoo: Ik ga terug!
Hij kwam aan een kruisweg, waar drie wegen te zamen liepen, en hij kwam Kinunu [187] tegen. Maar hij wist niet dat het een geest was.
Hij, alzoo: Goeden dag, mijn beste!
En hij Kinunu, antwoordde, alzoo: Goeden dag, mijn beste!
En hij vroeg hem, alzoo: Van waar zijt gij gekomen?
Hij, Kinunu, alzoo: Paddestoelen ben ik gaan plukken.
Hij, Kinunu, vroeg opnieuw, alzoo: Van waar zijt gij gekomen?
Hij, de man, alzoo: Mijn maniok heb ik gelegd, om muizen te vangen.
En Kinunu zegde zoo: Goeden dag, mijn beste.
En hij wilde heengaan.
Maar de man, alzoo: Verdeel uw paddestoelen!
Kinunu, alzoo: Ik ken u niet van waar gij gekomen zijt, en nu zou ik mijn paddestoelen verdeelen; ik wil niet, hoort ge. Ik verdeel mijn paddestoelen niet.
Hij, Ngangu zizala, alzoo: Verdeel maar.
En Kinunu, alzoo: Ik, als ik de paddestoelen verdeel, gij, dien dag, dat gij gaat zien naar den maniok, indien gij muizen gevangen hebt, zullen wij dan ook verdeelen?
Hij, de man, alzoo: Ja! Iedere zaak, die met mij komt, verdeelen wij.
Kinunu, alzoo: 't Is goed!
En hij legde de paddestoelen neer, en zij verdeelden; hij vijf en twintig, en de andere vijf en twintig. Er bleef één paddestoel over.
Kinunu, alzoo: Ik, ik bezit mijne paddestoelen, ik neem die eene, die overblijft.
Hij, de man, alzoo: Neen, verdeel.
Kinunu, toen hij die paddestoel genomen had, die overbleef, hij verdeelde ze; de eene, een helft, de andere ook een helft.
De man, alzoo: Welnu, ga; goeden dag, beste!
Kinunu ook, alzoo: Ga ook wel, en goeden dag!
En zij stonden op, en zij gingen. Kinunu ging zijn weg; de man ging ook zijn weg.
De zon was opgestaan. 't Was schoon weder. Kinunu, alzoo: Vandaag ga ik niet, omdat hij morgen de maniokstrikken komt ledigen. Morgen dus zal ik gaan!
De dag was daar en Ngangu zizala zegde tot zijn vrouw, alzoo: Ik heb veel strikken gespannen, maar vooruit, wij twee; draag uw klein mandeken en uw korf.
Zijn vrouw droeg haar mandeken en haar korf.
En zij kwamen in 't bosch. Zij deden al de strikken los. En 't mandeken was vol muizen. En de korf was ook vol. Toen gingen zij terug van waar zij gekomen waren.
En zij kwamen aan den kruisweg, waar drie wegen bijeenloopen.
Kinunu, alzoo: He, mijn vriend, ik ben hier reeds vóór u aangekomen.
En hij, alzoo: 't Is wel, mijn vriend, ik kom aan.
En zij kwamen, en zij wierpen de muizen op den grond. En zij verdeelden de muizen, de eene vijftig, de andere vijftig.
Er bleef een muis over, alzoo: Nu verdeel de muis die overgebleven is!
En zij sneden die muis in 't midden door, tot aan den kop; de eene, een helft; de andere, een andere helft. De muizen waren verdeeld.
En Kinunu, alzoo: En nu, laat ons de vrouw verdeelen.
De man, alzoo: Ik wil niet, ik verdeel niet. Waarover wij akkoord gemaakt hebben, de muizen. Wel, hebben wij over een mensch 't akkoord gemaakt? Ik verdeel niet.
Kinunu, alzoo: De vrouw, snijden wij snijden haar in stukken. Hebt gij niet gezegd alzoo: Ieder zaak, die met mij komt, verdeelen wij.
De man trok zijn mes uit de scheede, alzoo: Neem aan, scherp het, en snijd de vrouw in stukken.
Kinunu nam het mes aan, scherpte het. Hij, de man, alzoo: Blijf mij hier wachten, ik ga naar 't dorp, ik neem een pot, wij laten 't bloed er in loopen; want, als wij geen pot hebben, 't bloed loopt het dan niet voor niet verloren?
Hij, Kinunu, alzoo: 't Is wel, vooruit, loop.
En hij ging tot in zijn dorp, waar zijn oudste broer was, Ngangu zi nkono.
Hij zegde, alzoo: He, mijn oudste broer, mijn maniokstrikken had ik gelegd; toen 't gedaan was, ging ik terug naar 't dorp en ik kwam aan den kruisweg, waar drie wegen bijeenloopen, en ik kwam er Kinunu tegen, en hij gaf mij een groet, alzoo: Goeden dag, mijn vriend! Ik ook: Goeden dag, mijn vriend. En toen ik hem vroeg, alzoo: Van waar zijt gij gekomen? Hij ook, toen hij mij vroeg, alzoo: Van waar zijt gij gekomen? Ik sprak, alzoo: Mijn maniokstrikken heb ik gelegd. Kinunu, alzoo: Paddestoelen, ben ik gaan plukken. Wel, ik, toen ik zegde, alzoo: Verdeel uwe paddestoelen. Kinunu, alzoo: Ik wil niet, ik verdeel niet. Gij, ik weet niet van waar gij gekomen zijt. Zou ik mijne paddestoelen verdeelen? Ik, aan 't redetwisten met hem. Hij, Kinunu: 't Is wel; ik, als ik verdeel, wel, gij, dien dag dat gij uwe strikken spant en muizen vangt, verdeelen zult gij dan ook verdeelen? Ik, alzoo: Ja, wat het moge wezen, dat met mij is, verdeelen ik verdeel.
Kinunu, alzoo: 't Is wel. En wij verdeelden de paddestoelen; ik vijf en twintig, hij vijf en twintig. Er bleef een paddestoel over. Kinunu, alzoo: Ik, ik bezit hem. Ik neem die eenige, die er overblijft.
En ik, alzoo: Verdeel. En hij verdeelde in 't midden, hij een helft en ik een helft. En wij scheidden van malkander, alzoo: Wel, ga wel; goeden dag, vriend.
Wel, ik, toen ik de strikken ging zien of er muizen in waren, toen het gedaan was, zegde ik aan mijn vrouw, die mede gekomen was: He, vrouw, wij trekken terug naar ons dorp! En wij gingen, wij kwamen aan dien kruisweg, waar drie wegen bijeenloopen, en wij kwamen daar Kinunu tegen. Kinunu, toen hij mij zag, alzoo: He, mijn vriend, ik ben u hier voorafgegaan. Ik, alzoo: 't Is wel, beste vriend, ik kom aan. En wij wierpen de muizen op den grond. Ik vijftig, en hij vijftig. Er bleef een muis over, alzoo: Snijd die overblijft in twee. Toen wij de muizen verdeeld hadden, toen 't gedaan was, mijn vrouw bleef over. Hij, alzoo: Wij verdeelen haar. Maar ik wilde niet. Maar hij was aan 't twisten. Toen ik hem 't mes had gegeven, alzoo: Neem aan; snijd haar in stukken. Ik, toen ik hem bedroog, alzoo: Wacht, ik zal een pot gaan halen in 't dorp, wij laten 't bloed er in loopen. Maar, gij, mijn oudste broeder, hoe moet ik doen? Een andermans kind, hebt gij geerne dat men het in stukken snijde. Zeg mij hoe ik moet doen, opdat mijn vrouw van dien geest verlost weze.
Ngangu zinkono, alzoo: Gij, mijn jongste broer, gij lachte mij uit, ik, uw oudste; hoe zou ik het kunnen zeggen hoe gij doet? Gij luistert naar uw oudste niet.
Hij, alzoo: He, mijn oudste, zeg het mij, uw jongsten broer.
De oudste, alzoo: 't Is wel. Neem een gesneden verken en breng het mij.
En hij ging een gesneden verken halen, en hij bracht het aan zijn oudste.
Hij, de oudste, alzoo: Dit verken, zou ik met niets opeten? Wel, ga, en zoek een palmnotenrist, breng hem hier.
En hij ging, en hij kwam met zijn palmnotenrist. En de oudste, alzoo: Waar gij gaat, als gij aankomt waar de geest is, als gij zult drie roepen hooren roepen hebben, als gij hoort, alzoo: Ngangu zizal'e! Ngangu zizal'e!
Gij, alzoo: Kongo! [188]
En ik, alzoo: Mama, die in de doodenhut aan 't rooken ligt, begraven wij haar met de huid van Kinunu?
En hij ging waar Kinunu was. En er werd geroepen op den berg. Hij, Kinunu, werd met angst bevallen, alzoo: Hoort gij, op den berg, wat zijn dat voor zaken?
Hij, de man, alzoo: 't Is niets, vooruit, scherp het mes.
En hij scherpte het mes. Waar zij stonden, hoorden zij weer: He, Ngangu zizal'e! Ngangu zizal'e!
Hij, alzoo: Hier ben ik!
En boven op den berg: Mama, die in de doodenhut aan 't rooken ligt, begraven wij haar met de huid van Kinunu!
En Kinunu, alzoo: Hoort gij dat?
En hij vluchtte weg, terwijl hij 't mes wegwierp en de muizen.
En hij, Ngangu zizala, alzoo: Laat ons volgen waar hij aan 't loopen is, hij Kinunu. Vandaag snijden wij hem in stukken. Zijn huid, wij begraven ons moeder er mee.
Kinunu hij, hij vluchtte en vluchtte!
Ngangu zizala en zijne vrouw kwamen 't dorp binnen, en zij deden de trommels komen, en zij dansten den feestendans. En hij gaf zijn oudste eten, omdat hij en zijn vrouw van den dood verlost waren.
Kimpudi.
DE NIJDIGE MOEDER
Een moeder had haar tien kinderen gebaard. Tusschen haar tien kinderen, die zij gebaard had, twee overtroffen al de anderen door hunne schoonheid. Een jongen, die den naam droeg van Mengi, en een meisje, haar naam was Mafuta. De jongelingen van 't dorp vochten slechts om dit meisje, om haar alleen; en zij beminden haar.
De moeder, toen zij dat zag, zegde, alzoo: Ik heb tien kinderen gebaard; al de anderen dus zijn niet schoon.
En zij nam haar dochter bij de hand, alzoo: Welaan, ga water putten aan de rivier.
En zij, 't meisje, toen zij ging naar 't water, de Bisimbi [189] vatten haar; en zij zetten haar op een steen, in 't water.
De moeder, toen zij keek en keek, het kind, zij zag het niet meer.
Toen beval zij weer aan haar zoon, die al de anderen overtrof door zijne schoonheid, alzoo: Neem de kruik aan, ga water scheppen.
En hij, hij ging, en terwijl hij schepte, hoorde hij rivieropwaarts een bel: Ngo, ngo, ngo, ngo, ngo [190], alzoo: He, broerken, naar 't water was ik gekomen, de Bisimbi hebben mij gevat. Maar neem deze perels aan, geef ze aan Mama.
Hij, toen hij de perels had aangenomen, ging ze dragen naar Mama. Zij, de moeder, zij vroeg niets. De tweede dag was het hetzelfde. De derde dag hetzelfde.
De jongen deed dan de ouden van 't dorp bijeenkomen, alzoo: Naar het water ging ik dezer dagen; iemand gaf mij perels, dat ik ze drage naar Mama.
De ouden, alzoo: 't Is leugen.
Maar op zekeren dag, gingen zij te zamen en zij vereenigden zich.
Hij, de jongeling toen hij water schepte, hij zag rivieropwaarts; daar kwam een blad aangezwommen, dat waggelde boven 't water. En hij hoorde weer rivieropwaarts een bel, die sprak.
Terwijl zij sprak, allen waren aan 't luisteren. Zij, toen zij het hoorden, gingen zij verder rivieropwaarts, en zij omsloten 't water met een dijk, en zij schepten het water maar uit en uit.
Toen het gedaan was, zagen zij een kist. Zij deden ze open, en een meisje lag daar in, die haar bestreken had met rood, alzoo: Kawa [191]. Toen hoorden zij weer hooger rivieropwaarts de Bisimbi, die spraken, alzoo: Gij, indien gij sterk zijt, ontrukt dit meisje; maar indien wij, de watergeesten, sterk zijn, wij ontrukken dit meisje.
Toen stond er een hevige wind op en hij begon te waaien en te waaien; toen zij vochten en vochten en vochten, de mannen van 't land waren sterker. En zij ontrukten 't meisje. Toen zij het ontrukt hadden, zij, de Bisimbi, spraken, alzoo: Zij, waar zij gaat, geeft haar geen verkensvleesch, maakt voor haar niets gereed.
En zij gingen terug naar hun dorp. Maar zij de moeder, uit nijd voor haar andere kinderen, dien dag, had zij een verken gedood, om een toovermiddel aan haar kind vast te hechten.
Maar Mafuta wilde geen verkensvleesch, alzoo: 't Verken, de watergeesten hebben het verboden. Gij nu, dat verkensvleesch, geeft het aan mijn broeder.
De moeder legde vleesch op een telloor, en ging het dragen aan Mengi. En Mafuta, zij ging tot bij haar broeder Mengi; zij sneed een stuksken van 't lever af en zij at het. Terwijl zij aan 't eten was, 't water kwam tot aan de teenen.
Mengi kwam kijken tot in 't huis van zijn moeder, alzoo: He, Mama, uw kind, 't water is tot aan haar teenen.
Zij, de moeder, alzoo: Loop weg, mijn kind, kom haar geen kwaad doen.
Toen de moeder dit zegde, de jongen begon een lied aan te heffen, en weende en weende, alzoo: He, Mafuta, mijn oudste, waar gij verblijft, werk daar geen werk.
't Water kwam tot aan de knieën, 't kwam tot aan den buik, 't kwam tot aan den hals, en zij, zij verdween.
Toen zij verdwenen was, alzoo: Mama, uw kind is verdwenen.
De moeder kwam, en alles was vol water.
Hij, die overbleef, Mengi, ging toen zijn huis binnen, en hij begon te weenen en te weenen, en hij ook, hij stierf van veel, veel verdriet.
Zij, de Moeder, zag met veel vreugde dat de twee schoone kinderen gestorven waren.
Kinkoko.
EEN GEESTENVERHAAL
Op zekeren dag in een dorp, zegden tien mannen, alzoo: Laat ons naar 't bosch gaan, om onze eekhorentjes te jagen.
En zij gingen naar 't bosch en zij zegden alzoo: Wij, zeven, wij wachten ze af; gij, drie, gij zult ze opjagen.
Zij, drie, alzoo: 't Is goed!
En zij begonnen aan de slingerplanten te trekken. Zij zagen niet rap de eekhorentjes, en zij zegden: Indien er geen eekhorentjes zijn, dan trekken wij terug naar 't dorp.
Maar de andere antwoordden, alzoo: Verliest uwen moed niet, wij zullen aan deze slingerplanten en struiken trekken.
En zij trokken aan de slingerplanten, en twee eekhorentjes kwamen er uit. Zij schoten ze, en zij zegden, alzoo: Wel, trekt de struiken met al uw macht!
Maar toen zij trokken, vielen de maniokbrooden van een geest op den grond [192].
En een kleine geest was aan 't weenen in dien struik. Zijn moeder was naar 't hooge gras gegaan. Toen zij bij haar kleinen geest terugkwam, hij vertelde 't gebeurde aan zijn moeder, alzoo: He, beste mama, de verkens [193] hebben mijn maniokbrooden op den grond geworpen.
De moeder, toen zij dit hoorde, zegde, alzoo: Wacht, tot de avond gevallen is.
De avond, toen hij gevallen was, trok de moeder naar 't dorp op. En zij vroeg haar maniokbrooden aan die mannen, die op jacht der eekhorentjes waren geweest. Alle tien legden mitakos te zamen, en zij kochten drie maniokbrooden, en zij gaven ze aan den geest [194], die optrok naar 't bosch.
Mboma.
DE MUIZENVANGER
In een dorp was er een man, die zijne echtgenoote getrouwd had. Zij baarde hem een jongen, dien men den naam gaf van Nsiense. De naam van den vader was Nsiala.
Op zekeren dag scherpte de vader zijn mes; en vader en zoon stonden op en gingen naar 't afgekapt bosch, waar men maniok had geplant. En zij trokken maniok uit.
De zoon had zich gekwetst aan een soort van gras, dat men nsoni noemt, alzoo: He, vader, ik heb mij gekwetst. De vader, alzoo: Waaraan hebt gij u gekwetst?
Hij, de zoon, alzoo: Een gras is mij onder den voet binnengedrongen.
De vader kwam af, alzoo: Kom hier, onder de schaduwe van den boom.
En de jongen kwam en de vader trok 't gras uit den voet en wierp 't gras in zijn zak, alzoo: Ik zal het in mijn toovermiddel leggen.
Hij, de jongen stond op, nam zijne strikken en den maniok. En zij gingen naar een groote vlakte, in 't hooge gras. Die groote vlakte was met bosschen omringd. Zij legden den maniok in de strikken, zij keerden eene plaats schoon, en zij sloegen op den grond, al fluitende en zeggende: Dat de mbende [195] het opete, en de nkusu[195], en de ngoni[195]; maar als de tutu [196] komt, dat hare tanden niet scherp wezen!
Toen al de strikken gespannen waren, trokken zij terug naar hun dorp.
Den volgenden dag, riep de vader zijnen zoon, alzoo: He, mijn beste Nsiense, ga luku halen in 't huis van Mama en mijn geweer en mijn poederdoos.
Toen hij op den weg van 't bosch kwam, zegde hij, alzoo: He, vader, het slaghoedje is verloren!
Hij, de vader, alzoo: Vermits gij het slaghoedje verloren hebt, hoe gaan wij nu schieten! Dat was 't eenig slaghoedje dat ik had.
En hij gaf hem een kinkoto [197] op den kop. De jongen begon te weenen en te weenen.
En hij weende, alzoo: He, mijn moeder Ma Ndiangu [198], ik sterf.
Toen 't weenen gedaan was, zegde hij: Wel, ik ga een slaghoedje halen bij mijn oom.
En hij ging naar 't uiteinde van 't dorp, bij zijn oom: He, beste oom, geef mij een slaghoedje.
De oom, alzoo: Waar draagt gij dat? Gij, gij zijt nog geen jongeling, gij kunt nog geen geweer vasthouden.
Hij, de jongen, alzoo: Het slaghoedje van vader heb ik verloren.
En de oom gaf er hem een; toen hij ze aangenomen had, ging hij ze aan vader dragen, alzoo: Ziehier, vader, uw slaghoedje.
De vader, alzoo: 't Is wel, kind, nu neem 't geweer, en laat ons gaan.
Toen zij aankwamen waar zij gisteren de strikken hadden gespannen, maakten zij de strikken ledig, waarin ratten gevangen waren. Zij staken hunne ratten en muizen op een palmlat.
Dan spanden zij weer hunne strikken; toen alles gedaan was, zegde de vader, alzoo: Laat ons gaan, wij gaan slapen in 't verlaten dorp [199], omdat het dorp te ver is.
Zij gingen tot een oud ingevallen huis. Zij sneden een bananentros af, zij staken vuur aan.
Hij, de jongen, alzoo: He, vader, ik heb iets gezien; misschien is 't een geest.
De vader, alzoo: Ik weet het niet, kind. 't Is hier de plaats, waar onze ouden gestorven zijn en begraven liggen. Wij trekken op, wij gaan slapen in 't hooge gras.
En zij gingen, zij staken weer vuur aan, en zij aten bananen en nsafu [200] en aardnoten en maniok. Zij spreidden kleedingsstoffen open, en zij sliepen. 't Vuur was aan 't glinsteren.
De oogen vielen dicht, en zij sliepen in.
De jongen werd ineens wakker, alzoo: Hoort ge de trommel ginder, hoe zij weergalmt?
De vader, alzoo: Waar gij die trommel hoort, 't is te Mpangu; men danst er den doodendans van Na Mboma, die gestorven is!
Het kind, alzoo: Hoort gij het geschreeuw en het slaan op den mond, men komt naderbij.
Toen sliepen zij weer in! En de slaap viel op hunne oogen.
De geesten kwamen af, zij volgden den weg langs de rivier.
Een vrouwengeest ging uit den weg, toen zij 't vuur aan 't glinsteren zag, alzoo: Gaat maar door. Ik, ik ga vuur halen om mijn pijp aan te steken.
En zij ging. En zij zag een palmlat ratten, dicht bij 't vuur. Zij legde haar korf neer; zij haalde een maniokbrood te voorschijn, nam een rat van de palmlat, braadde ze, at, en sloeg hare handen af [201].
Toen hoorde de jongen het, en zegde: He, vader!
Hij, de vader, alzoo: Hier ben ik, wat is er?
De jongen, alzoo: Wat daar in zijne handen geslagen heeft, dicht bij 't vuur, wat is 't?
Hij, de vader, alzoo: Ja, ik heb het ook gezien, jongen. De haren zijn heel lang. De mond is die van een niungi [202].
En hij stond op, en hij zag de geest die aan 't slapen was, dicht bij 't vuur. Hij maakte de jongen wakker en zij gingen langs 't hooge gras, en zij namen droog gras, wel acht bussels. En zij kwamen terug, zij spreidden 't gras uit, waar de geest aan 't slapen was; een deel van 't stroo bonden zij aan de haren van den geest vast. Zij staken het stroo in brand, en 't vuur vatte heel 't lichaam, 't vuur laaide en laaide en schoot ten hemel op. Toen het aan 't haar kwam, sprong de geest op, en hij ging vluchten in aller haast, langs den weg naar de rivier; de naam der rivier was de Ngufu. De geest liet zich vallen in 't water, maar 't vuur werd niet uitgedoofd: en 't water nam vuur en brandde en brandde; heel de rivier stond in laaie vlam.
De geest kwam uit 't water met zijn vuur, tot daar waar men aan 't dansen was bij trommelslag. Hij kwam waar de trommels waren. Al de geesten gingen op de vlucht. 't Vuur greep de trommels aan. En de trommels verbrandden.
De geesten, alzoo: Wel, gij, wat gingt gij ginder doen?
De geest, alzoo: 't Vuur om mijn pijp aan te steken, was ik gaan halen.
Maar de geesten lachten haar uit, terwijl zij op den mond sloegen, alzoo: O, o, o, o, trek maar op, gij! Uwe broers en zusters dansen bij trommelslag; maar gij, gij steelt maniok. Wij, wij stelen niet.
Zij, de geest, alzoo: Mijne kinderen, zij stelen niet, maar ik, ik wel!
En zij stierf. Men begroef haar op den boord van 't water.
Om haren diefstal, was zij gestorven.
Kikiula.
EEN REDETWIST
Op zekeren dag waren de ouden in hun dorp vergaderd en rond 't vuur gezeten; de kleinen waren daar ook. Zij, de ouden, haalden weer de euveldaden van den luipaard op.
Een jongeling onder hen, zegde zoo: Ik, den luipaard, ik heb hem nog niet gezien, sedert ik geboren ben.
Een andere oude, alzoo: Gij, den luipaard, hebt gij hem nog niet gezien?
Hij, alzoo: Ik heb hem nog niet gezien, hoe hij is. Dien dag, dat ik hem zie, schieten ik schiet hem.
Hij, de oude, alzoo: Gij, gij zoudt hem schieten?
Hij, alzoo: Ik schiet hem.