Uit den Kunstschat der Bakongos
Part 10
En hij volgde en volgde die richting. Hij kwam aan een groote bron aan. Hij ging rivierafwaarts. Daarna kwam hij aan een andere bron tot aan een uitgestrekte vlakte. Hij ging weer eene bron binnen en kwam in 't hooge gras uit. Daar hoorde hij menschen, die aan 't tateren en wemelen waren. Hij kwam tot in 't midden van 't dorp. Maar 't was een uitgestrekt dorp. Als hij rondkeek naar hier en daar, overal stonden er veel hutten.
Hij beefde en beefde, omdat hij dat dorp niet kende en van wie dit dorp was.
En hij volgde en volgde, en hij kwam aan 't gehucht van 't opperhoofd.
En hij ging daar zich neerzetten. Zijn geweer legde hij langs den strooien muur. De kleinen, toen zij dat zagen, zegden, alzoo: Ia! Die daar, wie is hij?
En zij gingen loopen tot aan de hut van hun opperhoofd, alzoo: He vader, die daar, zie, wie is hij?
Hij, alzoo: Gaat hem verwittigen, dat hij kome.
De kleinen kwamen en gingen hem verwittigen, alzoo: Welaan, ga naar 't opperhoofd, onze vader.
Hij, hij dacht, wie hem daar uitnoodigde: Ik, ik ken dien man niet. 't Is niets. Ik zal gaan.
En hij ging. Hij kwam aan de hut van 't opperhoofd, die hem uitgenoodigd had, en hij zegde hem: Goeden dag. Het opperhoofd vroeg hem nieuws. Hij ook, hij antwoordde; maar de schaamte had hem gevat, en hij zegde niet, alzoo: Ik ben hierom gekomen: Toen wij gisteren de trommel hoorden, die hier op deze plaats aan 't weergalmen was, waren wij aan 't redetwisten en ik zegde, alzoo: Ik zal morgen dat dorp zien.
Hij, hij sprak zoo niet, hij zegde iets anders, alzoo: Dezen morgend heel vroeg, ben ik uit mijn dorp vertrokken. Ik ben in deze bosschen binnengedrongen, en toen ik er uitkwam, stond ik in uw dorp. Ik, ik was verwonderd en verwonderd; ik vroeg mij af, van wie dit dorp mocht zijn.
Hij sprak alzoo en 't was alles wat hij zegde.
Na Makumba beval aan zijn slaven eten voor te bereiden en zij kwamen het hem geven. En hij at en at, hij kost het niet; 't was te veel eten. En hij bond zijn vleesch en luku vast en hij legde het in zijn paan. Men bracht hem nog twee kruiken palmwijn. Hij dronk en dronk; hij kost het niet. De palmwijn was hoofdig. Hij sliep op die plaats. De avond begon te vallen en hij stond op. Hij zag naar de ligging van zijn dorp en vertrok, van waar hij gekomen was. Hij trok zijn mes uit de scheede en hij sneed teekens in de boomen om den weg te onthouden. Alzoo kwam hij op den grooten weg aan tot in zijn dorp.
Hij kwam in zijn dorp en hij ging slapen.
De jongens en de meisjes van 't dorp waren verwonderd en verwonderd, alzoo: Wel, hij, is hij dezen morgend vroeg niet opgestaan? En waar heeft hij dien palmwijn gedronken?
En men wasschte hem, en hij werd wakker.
Het nieuws, dat hij gezien had, vertelde hij hun, alzoo: Het dorp, waar de trommel gisteren aan 't weergalmen was, heb ik gezien. Maar 't opperhoofd, dat daar is, zijn naam is Na Makumba. Ik vroeg aan zijne onderdanen, alzoo: Dit opperhoofd, van waar komt hij?
Maar de onderdanen antwoordden mij, alzoo: Wij weten niet, van waar hij gekomen is. Maar hij, hij vertelt ons altijd, alzoo: Weggeworpen, men heeft ons weggeworpen. Hij, 't opperhoofd, vroeg mij nieuws; ik, ik heb hem nieuws verteld. Daarna nam hij vleesch en luku, en hij gaf het mij. En ook nog twee kruiken palmwijn. En ik dronk en dronk, maar ik kon ze niet.
Ik, ik sprak met den mond, alzoo: Gij, opperhoofd, van waar zijt gij gekomen?
Hij antwoordde mij, alzoo: Wij, wij zijn kinderen, die men weggeworpen heeft. Weggeworpen, men heeft ons weggeworpen. Maar gij, als gij verstand hebt, draag dit spreekwoord mee; indien gij niet verstandig zijt, laat mijn spreekwoord hier.
Dat spreekwoord heeft hij mij gezegd; maar ik, onderweg, ik dacht en dacht; en dat spreekwoord kon ik niet uitleggen.
Maar eenigen onder hen, zegden, alzoo: Is er hier geen vrouw, die hare kinderen weggeworpen heeft?
Andere waren aan 't redetwisten, alzoo: Er waren twee kleinen; zij hadden groote navels; maar die kinderen zijn doodgegaan.
Hij, toen hij dat hoorde, zegde, alzoo: Misschien zijn het die kinderen, omdat hij, het opperhoofd en zijne zuster groote navels hebben, en zijn naam is ook Na Makumba.
Anderen zegden ook: Misschien zijn het die kinderen.
En toen zij geredetwist hadden, lieten zij alles stil, alzoo: 't Is niets, wij zullen hooren. Die kinderen vergeet men immers niet.
's Avonds hoorde men weer de trommel, die aan 't weergalmen was en de onderdanen, alzoo: Dat dorp, vooruit! Wij gaan er.
Gij, beste oom [168], ga het ons toonen. Gij immers, hebt het gisteren gezien.
Hij, alzoo: 't Is goed, vooruit!
En zij gingen tot in 't dorp, en zij kwamen waar de trommel weergalmde en waar men aan 't dansen was. En zij gingen zich neerzetten bij het vuur, dat glinsterde op het plein.
De menschen van 't dorp, toen zij dat zagen, zegden, alzoo: Zijt gij gekomen om te dansen? Wel, komt, wij dansen.
Zij, alzoo: Ja, wij zijn gekomen om de trommel. Als wij in ons dorp waren, hoorden wij de trommel, die weerklonk in den hoogen hemel; wij, toen wij ze hoorden, wij zijn gekomen.
En zij namen plaats bij de dansers en zij dansten en dansten. Toen de dans uiteenging, gingen zij slapen.
Toen de zon opstond, doodde men een verken; zij aten. Men danste weer, en de ouden zegden tot de jongeren, alzoo: Neemt uw vleesch, wij gaan terug naar ons dorp.
Maar de jongeren wilden niet, alzoo: Wij, wij zijn de kinderen van Na Makumba, wij blijven hier.
De ouden drongen aan; maar de jongeren wilden niet.
Toen zij er genoeg van hadden, gingen zij weg. Maar de jongeren bleven daar.
Maar hunne bloedverwanten, toen zij dat vernamen, spraken, alzoo: Wel! Gaat onze kleinen halen. Hebt gij ze daar niet geleid?
Maar zij antwoordden: Wij hebben alles uitgedacht om ze mede te leiden; maar zij wilden niet. En wij zijn vertrokken.
En men ging de kleinen verwittigen; maar zij kwamen niet terug, omdat het dorp van Na Makumba een goed dorp was. Het nieuws verspreidde zich in de omliggende dorpen, en men trok op naar 't dorp van Na Makumba.
Zij ook, toen zij dat zagen, alzoo: 't Is wel; wij ook, wij gaan daar wonen.
Zij kwamen en zij vroegen eene plaats aan Na Makumba.
En hij toonde hun een heele streek.
Maar in hun dorp was de vader en de moeder gebleven, die deze kinderen hadden van kant gemaakt.
Zij dachten, alzoo: Men vertelt 't nieuws; misschien is het waar. Wij ook, wij gaan het vragen. Misschien zijn het de kinderen, die wij weggeworpen hebben?
Hij, de oom, die de eerste in 't nieuwe dorp gekomen was, ging bij de onderdanen, alzoo: Gij onderdanen, wij koopen geiten en verkens en palmwijn; dan toonen wij vader en moeder aan 't opperhoofd. Alzoo zal hij hen misschien vergeven!
De onderdanen wilden niet redetwisten, alzoo: 't Is wel, wij koopen die geschenken.
En zij legden mitakos te zamen en zij kochten geiten, verkens en palmwijn. Zij leidden vader en moeder tot bij Na Makumba. De oom kwam spreken, alzoo: He, opperhoofd, uw vader en moeder kom ik u toonen. Zij hebben u gebaard. Wij, wij hoorden 't spreekwoord, dat men u weggeworpen had. Eenigen onder ons, zegden, alzoo: Gij, vader en moeder, gij hebt deze kinderen verworpen. Zij spraken niet. En nu komen wij ze u toonen: Hier dus is uw vader, en daar is uw moeder, gij ziet ze alle beiden.
Maar Na Makumba, toen hij dit hoorde, zegde, alzoo: Ik, ik heb geen vader noch moeder. Zij, zij hebben mij hun hart gebonden, en mijn vader zegde aan mijn moeder, alzoo: Hier, als gij schoone kinderen baart, verzorg ze dan; indien het mismaakte zijn, verzorg ze niet. Wij, wij waren niet schoon; wij hadden groote navels en zij hebben ons weggeworpen. Maar nu mijn vader en mijn moeder komen bij mij; ik vraag hun anders niet, dat zij alleenlijk hun wijsvinger afsnijden [169], en hem mij geven. Alzoo zal ik zien, dat zij mijn vader en mijn moeder zijn.
En men sneed aan vader den wijsvinger af; en aan moeder trok men een nagel uit den vinger.
Dan toonde hij hun een hut. Maar hij wilde de geschenken niet ontvangen.
De tijd vervloog en vader en moeder stierf. Hij beval aan zijne onderdanen ze te begraven.
En hij werd een groot opperhoofd. 't Dorp van Na Makumba werd overal vermaard. Na Makumba was een groot opperhoofd in de ronde.
Kivwanza.
MYTHISCHE VERHALEN
NKENGE EN KITEBA
Eene vrouw baarde veel kinderen; maar daartusschen was er eene maagd heel schoon. Wanneer haar vader en haar moeder haar een jongeling toonden, zij, zij wilde niet. Zij toonden haar wel zes jongelingen; zij, zij wilde niet.
De vader en de moeder zegden, alzoo: 't Is wel; dien jongeling, dien gij wilt, 't is de uwe.
Dat maagdeken, toen zij zag, dat de Nsona [170] verschenen was, zegde tot haar vader en haar moeder, alzoo: He Vader, he Moeder, naar den Nsona ga ik.
Zij zegden dan: 't Is goed, Mama.
Zij nam de maniokbrooden, ging naar den Nsona, verkocht ze allen. Er bleef maar een over. Zij nam tien mitakos [171]; ging naar de plaats waar men zout verkocht; zag een wonderschoonen jongeling; hij, die jongeling ook, zag deze wonderschoone maagd.
De maagd, toen zij zegde tot dien jongeling: He, gij, beste, verkoop mij zout!
Hij nam de mitakos aan; hij verkocht haar zout voor tien, maar 't was wel voor vijftig.
Dan vroeg deze jonge dochter (haar naam was Nkenge), alzoo: Toekomenden Nsona zijt gij hier?
Hij antwoordde: Ja, als wij komen, verkensvleesch zullen wij verkoopen.
De maagd antwoordde hem, alzoo: Als ik kom toekomenden Nsona, dan kouten wij met malkander!
De jongeling, alzoo: 't Is goed. Ga wel naar huis.
Hij ging, zij ging.
De Nsona was aangebroken. Nkenge zegde tot haar vader, alzoo: Naar den Nsona ga ik, vader.
Haar vader, alzoo: Als uw moeder 't maar goedvindt!
De moeder zegde, alzoo: Welaan, Mama; ga onzen maniok verkoopen.
Nkenge ging naar den Nsona. In 't dorp had zij een potje ngola [172] voorbereid en meloenen en een groot maniokbrood, om dat te dragen aan haar vriend. Zij kwam op de markt, verkocht den maniok. 't Was gedaan.
Zij ging naar de plaats waar men 't vleesch verkocht. Zij zag haar vriend, die vleesch aan 't verkoopen was. Toen ging zij terug op hare plaats. Zij wachtte totdat 't vleesch verkocht was, dan zou zij gaan. Zij wachtte en wachtte en wachtte met ongeduld.
A! 't Vleesch was verkocht. Zij ging. Zij ging naar haren vriend. Zij kwamen beiden te zamen; zij lachten te zamen.
Maar die jongeling, 't was geen mensch; 't was een geest.
Zij nam 't potje ngola, dat zij in 't dorp had gereed gemaakt en de meloenen en 't maniokbrood. Zij gaf het aan haar vriend. Zij dan lachte in haar hart: Ik heb mijnen man gevonden, hem alleen trouw ik.
De man nam een stuk vleesch, en hij gaf haar een verkensbil. Hij bepaalde eenen dag, alzoo: Toekomenden Nsona den dezen niet, maar den volgenden, kom dan af. Bedrieg mij niet.
Zij, de jonge dochter ook, alzoo: Gij, bedrieg mij ook niet.
Hij, aldus: Ik bedrieg u niet.
Zij gingen. Hij ging. Zij ging.
Een Nsona was verdwenen. De gestelde dag was aangekomen. Zij, de jonge dochter, had twee kiekens geslacht. Zij kwam op den Nsona.
Dien Nsona, kwam zij met vader en moeder, en een broerken die na haar, Nkenge, geboren was.
Toen zij op de markt kwamen, bedroog Nkenge haar vader en moeder. Nkenge liep over de markt. Zij en haar vriend kwamen bijeen. Zij gaf de kiekens.
Hij, alzoo: Uit mijn dorp ben ik gekomen; ik heb niets, mijn zusterken!
Zij, dus: Neem maar aan, eet maar.
Hij, de verloofde, zegde: 't Is wel.
Hij nam het aan.
Zij, de vrouw, vroeg, alzoo: Van welk dorp komt gij?
Hij, alzoo: Ik kom van ver.
En zij, alzoo: Kan ik daar niet geraken?
Hij zegde: Gij kunt niet.
En zij: Indien ik slapen, ging slapen onderweg?
Hij, alzoo: Gij geraakt er niet, omdat het te ver is.
Zij, alzoo: 't Is niets, geraken ik zal er geraken; moest ik onder weg sterven, 't was niets.
Vader en Moeder waren bezig hun kind te zoeken op de markt. Maar zij zagen het niet. Hun hart was gedaan [173]. Zij gingen terug naar hun dorp. Maar hun kind, een jongen, was daar gebleven; zijn naam was Kiteba, de broeder van haar, Nkenge.
Nkenge hechtte zich vast aan den jongeling, om met hem te gaan.
De jongeling weigerde: Ga niet, zusterke! De streek is te ver. Wij zullen malkander hier op de markt zien.
Maar Nkenge bleef volharden. De jongeling had er genoeg van: Wel vooruit, draag de korven.
En zij gingen, zij gingen, zij gingen; zij kwamen in een dorp aan.
De mensch vroeg, alzoo: Geef mij mijn kleedingsstoffen, dat ik mij aankleede.
Zij gaf zijn kleedingsstoffen. En hij kleedde ze aan.
Zij, Nkenge, vroeg, alzoo: He! Gij, mijn echtgenoot, hoe zijt gij nu?
Hij, alzoo: Hoe heb ik u gezegd? Ik, die u zegde: blijf. Gij, gij blijft niet. Wel, wat vraagt gij mij? Vooruit, ga nu voorop op den weg.
Zij gingen, zij gingen, zij gingen. Zij kwamen weer in een dorp aan. Hij vroeg zijn haren. Zij gaf de haren, hij kleedde ze aan. Hij deed ze ook aan de voeten.
Zij, Nkenge, vroeg, alzoo: Gij, hoe zijt gij nu?
Zij: Hoe! Waart gij zoo, toen wij op de markt waren?
Die jongeling, zijn stem was een andere geworden; zij was slecht geworden.
Nkenge was met haar broerken; in 't eerste, toen zij de markt verliet met haar broerken, had zij dat niet gaarne. Toen zij nog dicht bij den Nsona waren, zegde zij hem: Ga terug naar huis. Ik ga alleen.
Maar Kiteba had haar gevolgd: He, mijn oudste, ik ga waar gij gaat. Daar waar gij sterft, daar sterf ik ook.
Zij sprak: 't Is wel! Vooruit!
En zij gingen.
Toen zij kwamen waar zij de dingen aan den jongeling gegeven had, zegde zij aan haar broerken: Ziet gij, hadt gij niet volhard mij te volgen, vandaag hadt gij dat niet gezien?
De geest sprak: Vooruit!
En zij gingen, zij gingen tot het laatste dorp. Hij vroeg zijn mes. Zij gaf het hem. Hij deed zijn schoon lichaam af en zijn schoone beenen en armen; hij deed zijn lichaam aan, hij veranderde in iets slecht en slecht en slecht. Nkenge, toen zij haar jongeling veranderd zag in slecht, weende en weende, en zij zegde: He, Moeder, mijn moeder! Ik, mijne jonkheid heeft mij bedrogen!
Hij, alzoo: Vooruit nu!
Zij gingen; zij kwamen in 't hoog en uitgestrekte gras aan. Hij deed 't gras open, en dan: Gaat er in.
En zij ging er in met haar broeder Kiteba. Toen zij er in kwamen, 't dorp was onder de aarde. Toen zij in 't dorp kwamen, deed de jongeling Nkenge en Kiteba in zijn hut binnengaan; hij deed ze binnen in zijn huis en hij verborg ze onder 't brandhout.
Dan riep hij de geesten van 't dorp, dat zij komen halen wat zij bevolen hadden. Zij kwamen af. Die zout bevolen had, nam zijn zout; die peper bevolen had, nam zijn peper. En zoo voort en zoo voort. Hij had alles gegeven, wat men hem bevolen had.
Hij kwam zijn huis binnen. Maar er was een geest, die vroeg, alzoo: Gij, mijn oudste, die reuk van de verkens [174], wat is dat?
Hij, alzoo: Wel, op de markt, kwam ik in aanraking met de verkens.
Hij, dus: 't Is niets, broeder.
Zij scheidden van malkander. Hij kwam zijn hut binnen. Hij bereidde zijn meloenen. Hij at. Hij sliep.
Toen de zon opkwam, sloot hij zijn hut. En hij stelde dit verbod: Mijn huis, dat het zoo blijve; geen mensch komt er in of doet het los!
Hij ging naar een verre streek, om de andere geesten te verwittigen, dat zij zijn menschen komen eten.
Kiteba, waar hij bleef met zijne zuster, sprak, alzoo: He, mijn oudste, ziet gij, hoe het ware geweest, had ik u niet van verre gevolgd! Nu, ziet gij, gaan zij ons opeten.
Maar Kiteba had veel verstand. Hij jaagde zijn zuster schrik aan, alzoo: Vandaag gaat men u opeten. Maar mij, zal men niet opeten. Ik heb veel, veel verstand. Ik ken de streken der geesten.
Kiteba maakte 't huis los. Zij kwamen op het plein. Kiteba zegde alzoo tot zijn zuster: Yaya [175], nog twee Nsona, dan den derden [176] komen de geesten af, om u op te eten.
Nkenge zegde, zoo: He, mijn broerken, vooruit! Den weg, weet gij hem niet?
Hij, Kiteba, alzoo: Als gij gaat, ik wil niet. Vooruit, wij trekken terug 't huis binnen.
Nkenge weende en weende. Kiteba deed de deur open, alzoo: Ga binnen. Is 't zoo niet, dat gij wilt? Vader en Moeder hebben u zes jongelingen gewezen. Gij, gij wilt niet. Hier is uw jongeling, dien gij bemint. Wat! He! Hij zou u niet opeten?
Zij, alzoo: Ik, mijn broerken, toen ik hem zag; ik dacht een mensch; maar 't is een geest. Vooruit, laat ons teruggaan, broerken.
Maar de broeder, alzoo: Neen, ik wil niet; ga eerst 't huis binnen. Dan zullen wij teruggaan.
Zij gingen in huis. Kiteba sloot het dicht. Zij in 't midden van 't huis. De tijd was nabij dat de geesten aankwamen. Kiteba zegde zoo tot Nkenge: Toekomenden Nsona komen zij af. 's Morgens vroeg komen zij.
Nkenge, toen zij dat hoorde, smeekte haar broeder: He, mijn broerken lief, ik uw oudste zuster, ik heb u uw naam gegeven. Wilt gij dat men ons opete?
Kiteba zegde zoo: Ja, toen ik u volgde, gij wildet niet dat ik u volgde. He! Ga weg, ik ga vertrekken; gij, gij blijft hier.
Kiteba ging buiten. Nkenge bleef in huis binnen, en zij begon toch zoo schoon haar broeder te smeeken: He, mijn broerken lief, den dag, dat wij in ons dorp aankomen, gij alleen, gij zoekt mijn echtgenoot. Ik smeek u broeder, Dombasi [177]. Vooruit, broerken!
Hij, Kiteba, alzoo: Vooruit!
Zij gingen en zij gingen, van als de zon opkwam tot als de zon boven hun hoofd was [178]. De geesten waren dicht bij het dorp gekomen. Kiteba zegde tot Nkenge, alzoo: Welaan, ga terug van waar wij gekomen zijn.
Nkenge weende en weende: He, ik uw zusterken! Waarom gaan wij niet vooruit?
Hij, aldus: Waarom hebt gij met mij gespot? Toen ik u volgde, ik mocht u niet volgen, waar gij gingt, omdat gij uw jongeling van Europa [179] gezien had. Wel, nu terug naar uw jongeling.
Zij gingen tot dicht bij het dorp der geesten.
Kiteba zegde tot Nkenge, alzoo: Geef een maniokbrood, dat ik ete.
Kiteba nam maniok en een stuk van een kieken. Hij gaf er een deel van aan zijn zuster; zij at niet, omdat zij zoo droevig was. Kiteba at, hij alleen. Toen hij geëten had, 't was gedaan. En hij, alzoo: Zing een lied, dat ik danse.
Zij, alzoo: Gaan wij niet vooruit, broerken? Gij, wilt gij dat wij hier sterven?
Kiteba antwoordde: Als gij niet zingt, ik zal u terugdoen naar 't huis van uw jongeling, hoort gij!
Zij, alzoo: He, och arme, ik uw zusterken!
Kiteba, alzoo: Zing 't lied maar rap.
En zij zong, alzoo: He, beste Kiteba, gaan ik ga langs 't hooge gras, beste! He, beste Kiteba, wacht aan 't hooge gras, beste!
Kiteba danste en danste. En zij gingen. Zij kwamen op den weg en zagen de geesten afkomen, die hen kwamen opeten. Kiteba toonde ze aan haar zuster: Die bende, die daar gaat, weet ge, gaat ons opeten.
Zij gingen, zij gingen. Zij waren heel ver geraakt. Kiteba, alzoo: Leg uw korf neer, dat ik ete.
Zij, Nkenge, alzoo: He, broerken, gaan wij niet vooruit?
Kiteba dan: Als gij nog volhardt in dat plagen, ik voer u terug; dat de geesten u opeten!
Zij, alzoo: Eet maar, broerken.
Toen hij geëten had, alzoo: Zing een lied, dat ik danse!
Zij zong, gelijk zij eerst gezongen had. Hij danste.
Kiteba, alzoo: Maar, gij, ik uw broerken, waarom hebt gij met mij zoo gespot? Waarom hebt gij mij zoo willen verlaten, ik die van denzelfden vader en dezelfde moeder geboren ben? Ik ga u terugvoeren, dat zij u opeten!
En hij voer ze terug. Dicht bij de geesten verborg hij haar in 't gras. Hij, Kiteba, ging uit en hij kwam tot bij de geesten. De geesten vroegen hem, alzoo: Gij, van waar zijt gij gekomen?
Hij, aldus: Uit 't groote dorp ben ik gekomen, ouden.
En hij groette ze, alzoo: Lukaya [180]!
Allen te zamen antwoordden: Ja, jongen! Wel, wat komt gij hier zeggen?
Hij, alzoo: Zij, die hier moest komen om 't lied te zingen, is verborgen; maar ik, ik kom zeggen, alzoo: He! He! He! Wij dansen en dansen, wij gaan en gaan.
De geesten dansten en dansten. Hij, aldus: Ik ga weg.
Zij, alzoo: He, jongsken, zingt gij niet meer, dat wij dansen?
Hij: Neen, neen, ik vertrek.
En hij ging weg; hij ging zijn zuster halen. En zij gingen en gingen. Hij hief weer een ander liedje aan: He, beste Kigeti [181], hef de beenen op [182]; den regen, ziet gij hem niet? He, beste Kigeti, hef de beenen op, 't is donderweer, de wolken zijn zwart!
En hij kwam de laatste bende geesten tegen. Zij vroegen hem, alzoo: He, gij, jongsken, van waar zijt gij gekomen?
En hij, alzoo: En gij, van waar zijt gij gekomen, vermits gij mij dat vraagt? Gij wandelen, gij gaat wandelen. Ik ook wandelen, ik ga wandelen. Waarom vraagt gij mij dat?
En zij, alzoo: Wij groeten u, vriendje!
Hij: Ja, ouden.
En zij vroegen, alzoo: Wat komt gij ons zeggen?
Wel, ik kom u alzoo zeggen: Die 't lied moest komen zingen, zit verborgen; en ik zing: He! He! He! Wij dansen en dansen, wij gaan en gaan.
Zij dansten. Hij ging weg. En zij gingen, zij gingen. Zij kwamen in hun dorp aan, waar zij geboren waren.
Zij gingen zich verbergen dicht bij 't huis hunner moeder, op den vuilnishoop. Een klein broerken was nog 't huis in hun dorp; hij had het huis gekeerd; hij wierp 't veegsel op den vuilnishoop. Hij hoorde hoesten. Dat hoesten, kwam uit den vuilnishoop: Wel, wat is dat?
En hij zag Nkenge. Hij riep, zoo: He, Mama, kom zien. Nkenge is daar op den vuilnishoop.
Zij, de moeder verwenschte hem zoo: Gij, wangedrocht van uwe moeder, wat komt gij oude zaken in mijn hart herinneren. Nkenge, zij is doodgedaan en Kiteba ook! Is er nog een andere?
Zij weende en weende, alzoo: Wel, kom in huis.
Toen hij in huis gekomen was, gaf zij hem slagen en slagen, en zij joeg hem buiten op den weg. Zij de moeder, keerde opnieuw 't huis, ging het veegsel wegwerpen en hoorde weer hoesten. Het kwam uit den vuilnishoop. Zij hoorde ook een stem, alzoo: He, mijn moeder, waarom werpt gij 't veegsel op mij?
De moeder, alzoo: He, mijn echtgenoot, 't kind heb ik onrechtvaardig geslagen. Kom, hoor!
Zij wierp weer 't veegsel, dat overbleef in haar mandeken, op den vuilnishoop.
He, Mama, waarom werpt gij 't veegsel op ons?
Zij, alzoo: He, die daar op den vuilnishoop is, wie is 't?
Nkenge en Kiteba kwamen er uit. Zij weenden tranen van blijdschap: de vader en de moeder en de kinderen. Zij verheerlijkten hunne kinderen. Zij schoten met vuur. Zij deden verkens dood wel tien, zij noodigden al de omliggende dorpen uit, dat zij kwamen om te dansen.
Zij kwamen af. Men hield groote feest. Zij betaalden aan Kiteba vijf slaven en drie gesneden verkens. En de tijd verdween en de tijd verdween. Nkenge, omdat zij het gezworen had aan Kiteba, dien dag dat hij een man zocht voor haar, zou zij trouwen. Nkenge vroeg aan Kiteba, alzoo: He, beste broeder, hebt gij mijn echtgenoot gevonden?
Hij, alzoo: Ja.
Kiteba had haar een verloofde gevonden en zij trouwden. Nkenge, toen zij haar eerste kind baarde, werd het Kiteba geheeten [183].
De geesten toen zij aangekomen waren, staken het huis in brand. Toen het vuur gedaan was, zochten zij de lijken. 't Opperhoofd van de geesten zegde: Brengt mij het hart, dat ik ete!
Maar toen zij het verbrande huis doorzochten en doorzochten, er was niets, hoegenaamd niets. Kiteba had in zijn plaats een banaanplant gelegd. Zij, toen zij uit dien banaanplant water zagen uitloopen, zegden, alzoo: Dat is het verkensvet.
En zij lekten en lekten; zij aten hunnen maniok er mede op. Maar toen zij dichterbij keken, zagen zij dat het slechts banaanplanten waren.
Zij zegden, alzoo: He, oude, er is hier niets van verkens!
Hij, de oude antwoordde: A! Ik, wat eet ik dan?
Zij kwamen hem bezien, en hadden niets te geven.
Vat dien geest, die ons komen verwittigen is. Verbrandt hem, dat wij hem opeten.
Zij verbrandden hem en zij aten hem op.
Aldus had de geest zijn gevaar gezocht.
Omdat hij de vreemdelingen niet had medegenomen, nam hij nu hun plaats in.
Kianika.
DE GEESTEN EN DE HONDENKWEEKER
In een dorp kweekte een man zijn honden.
Hunne namen waren: Ntuntu nsoni, Mbwa ndombe, Kapakala. Wanneer zij groot waren, dien dag, de zon was schoon opgestaan. Hij nam zijn honden, alzoo: Ik ga jagen.
Hij ging en hij schoot veel wild.