Uit de schooljaren van Hans Doncker
Part 2
Tegen half tien kwam m’nheer van Ledderum thuis, en ’et dienstmeisje, dat nog ’n paar rooie oogen van ’et huilen had, vertelde hem, dat de broek gekomen was, en dat ze hem op de slaapkamer over ’n stoel gehangen had. Even stak-i z’n hoofd in de huiskamer, om z’n vrouw en z’n schoonmoeder goeïen avond te zeggen, maar toen-i zag, dat die twee nog altijd keken, of ze de een op hadden en de ander aan wilden, en ze z’n groet nauwelijks beantwoordden, ging-i maar liever meteen naar z’n slaapkamer.
Daar hing de broek, prachtig fijn kamgaren met ’n scherpe vouw in de pijpen. Eerst hield m’nheer Van Ledderum ’em ’n heelen tijd in z’n handen, om ’em aan alle kanten te bewonderen. Maar je kan toch eerst goed over ’n mooie, nieuwe broek oordeelen, als je ’em aan hebt, en daarom besloot-i ’em, voor-i naar bed ging, even aan te trekken. Dat deed-i, maar, o wee, de broek was te lang. Hoe-i ook sjorde en sjorde, om ’em omhoog te trekken, de pijpen bleven op den grond hangen, en als-i er mee loopen wou, trapte hij er op.
Dat was verschrikkelijk. Zoo kon-i de broek onmogelijk dragen. En om ’em te laten veranderen, daarvoor was geen tijd. ’Et magazijn van Van Epscheuten werd ’s avonds om negen uur gesloten, en ’et was nu bij tienen. En morgenochtend om half negen zou ’et rijtuig komen, om ’em te halen. ’Et zweet brak den armen man aan alle kanten uit, en ’et was Januari en de slaapkamer was ijskoud.
Hoe was ’et in ’s hemelsnaam mogelijk, dat die stommeling van ’n kleermaker ’n broek minstens vier, vijf centimeters te lang kon maken. Ze hadden ’em toch de maat genomen! Daar stond m’nheer Van Ledderum z’n verstand voor stil. Maar ik denk, dat ’t zoo gegaan was. De werkman, die de broek moest maken, zal niet hebben kunnen gelooven, dat er op de heele wereld een volwassen mensch op zoo’n paar korte beentjes rondhobbelde, en-i zal gedacht hebben, dat de coupeur, die de maat genomen had, zich bepaald moest hebben vergist. En daarom zal-i op z’n eigen houtje de pijpen maar ’n flink stuk langer gemaakt hebben, en er van onderen nog een breeden zoom in hebben gelaten, om ’em te kunnen verlengen, als-i soms toch nog te kort mocht wezen.
Nu, te kort was de broek niet bepaald. M’nheer Van Ledderum staarde en staarde met ’n wanhopig gezicht naar de pijpen, die z’n heele voeten bedekten, en wist geen raad. Wat moest-i beginnen? ’Et eenigste, wat er op zat, was, dat-i z’n vrouw, of z’n schoonmoeder, of ’et dienstmeisje in den arm nam, en die vroeg, of ze de broek voor ’em wilden verkorten. Maar.... zouën ze willen? Met ’n diepen zucht trok-i z’n nieuwe broek uit en z’n ouë aan, nam ’et ongelukkige kleedingstuk over z’n arm en ging met looden schoenen naar de huiskamer terug.
Toen-i daar binnen kwam, stonden de twee gezichten nog altijd op „regen en wind”, en bij ’et zien van de broek wezen ze dadelijk op „storm en onweer.” Maar-i moest door den zuren appel heenbijten.
„Och, vrouw, zou je niet even ’n stuk van de pijpen van die broek willen afnemen? ’n Centimeter of vijf. Ik kan ’em zoo onmogelijk aan hebben,” vroeg-i heel nederig.
„Nee”, zei z’n vrouw kortaf.
„Maar Ludovica”—zoo heette z’n vrouw—„ik kan ’em heusch morgen zoo niet dragen!”
„Dan draag je em maar niet!”
„Maar ik kan toch met m’n lichte pantalon niet mee naar ’et stadhuis gaan.”
„Dat hoorde je heelemaal niet te doen. Met iemand, die zoo impertinent onbeschoft is, om je vrouw niet te vragen, moest jij niet willen omgaan. Die moest jij niet aankijken.”
„Maar Ludovica ...”
„Geen woord meer! Ik ga midden in den nacht geen broeken zitten naaien.”
„Maar Ludovica ... midden in den nacht? ’Et is even tien uur!”
„Dat kan me niet bommen! Ik ga naar bed!”
Dat was nummer éen, bij wie m’nheer Van Ledderum bot had gevangen. Hoop, dat ’et bij z’n schoonmoeder beter zou lukken, had-i heelemaal niet. Maar probeeren moest-i ’et. Dan wist-i tenminste voor zich zelf, dat-i alles gedaan had, wat mogelijk was.
Hij zette dus weer ’et zoetsappigste gezicht, dat-i trekken kon, en vroeg:
„Zou u ’et dan niet even voor me willen doen, moeder?”
„Ik sta verbaasd, Van Ledderum!”
„Verbaasd, moeder?”
„Ik sta verbaasd, Van Ledderum! ’n Man, die van middag aan tafel tegen de moeder van z’n eigen vrouw durft te zeggen: Als ’et u hier niet bevalt, dan moet u maar heengaan, die man durft bij mij met ’n broek aan te komen!’
„Maar wat voor verkeerds heb ik daar dan aan gezegd? ’Et is toch waar! Als ’et u hier niet bevalt, is ’et toch beter, dat u ergens anders gaat wonen! Ik heb u toch niet gesoebat, om ...”
De lieftallige ouë dame liet m’nheer Van Ledderum niet uitspreken, maar verliet met opgestoken zeil de kamer. ’Er dochter volgde haar voorbeeld.
Dat was nummer twee! Nu had m’nheer Van Ledderum nog éen kans. Met de ongeluksbroek nog altijd over den arm, en ’n diepen zucht, stapte hij naar de keuken. Daar zat Betje, de meid, nog altijd met rooïe oogen, over ’n afgescheurd stuk krant vol vetvlekken gebogen, dat de slager om ’et vleesch had gedaan, en waarin ze ’n brok las van ’et drieën-zeventigste vervolg van ’n feuilleton.
„Kijk ’es, Betje, zou jij me ’n plezier willen doen? Zou jij die broek niet even voor me willen verkorten?”
„Ik, meheer?”
„Ja. Kijk, ’et is heel eenvoudig: je knipt er ’n stuk van drie of vier centimeters af, en je legt er ’n nieuwen zoom in.”
„Nee, meheer, van mansbroeke het ik geen verstajem.”
„Kom, Bet, probeer ’et maar, ik wil je er wel ’n kwartje ...”
„Nee, meheer, ik doen ’et niet. Dat is geen meidewerk. Daar het uwé uwes vrouw voor. En as mevrouw mijn ’n standje ken schoppe en mijn me dienst ken opzegge, omdat ik per ongeluk ’n knoppie van ’n schaaltje breek, dan ken ze ook wel der man z’n broek naaie.”
M’nheer Van Ledderum mocht zeggen, wat-i wou, Bet was evenmin te vermurwen als de twee anderen. Hij liep dus de keuken uit, smeet de broek in de huiskamer over de leuning van ’n stoel, en ging vol wanhoop naar z’n mandje.
Of ’et nu kwam door booze geesten in de lucht of door wat anders, dat kan ik je niet zeggen, maar niemand in de woning van m’nheer Van Ledderum kon dien nacht in slaap komen. Behalve hij zelf dan. Hij snurkte dadelijk als ’n os. Maar z’n vrouw lag maar te kranewaken, en draaide zich vijftigmaal in ’n kwartier om. En zoo raakte ze aan ’et denken, aan al de ruzie van dien dag, en aan al de onvriendelijke woorden, die ze gezegd had, en aan ’er man, die toch eigenlijk zoo’n goeïe lobbes was, en aan z’n korte beentjes en aan z’n lange broek. En ze dacht, hoe ’er man gevlast had op ’et uitje van morgen, en hoe zelden-i anders ’n aardigheidje had. En hoe langer ze dacht, hoe meer medelijden ze met ’em kreeg, dat-i nu morgen niet zou kunnen gaan. En ze streek ’er hand over ’er hart, stond heel stilletjes op, ging naar de huiskamer, stak de lamp aan en nam vijf centimeter van de getuige-broek. In ’n kwartiertje was de heele zaak gepiept, ze kroop weer in bed en sliep binnen vijf minuten als ’n roos.
’Er moeder kon evenmin den slaap pakken. Ook die lag in bed te woelen en te draaien en kreeg nu ’es kramp in ’er grooten teen en dan weer jeuk aan ’er handen, en ze hoorde de klok elf slaan en half twaalf, en nog sliep ze niet. En ook zij raakte aan ’et denken over de gebeurtenissen van dien dag, en aan et gezegde van ’er schoonzoon, dat ze maar ergens anders in huis moest gaan, als ’et ’er hier niet beviel. Ze was wel erg overtuigd van ’er eigen verdiensten en innemende eigenschappen, maar dat ze gemakkelijk iemand zou vinden, die haar zonder ’n halven cent betaling kost en inwoning zou willen geven, daaraan twijfelde ze toch wel ’n beetje. Ze kwam dus tot ’et besluit, dat ’et maar ’et verstandigste zou zijn, zich bij ’er schoonzoon niet al te gehaat te maken. En zoo kwamen haar gedachten van zelf bij de broek te recht, en toen ze ’et nu ook nog twaalf uur en half éen had hooren slaan, en de kramp en de jeuk nog maar niet wilden ophouën, kwam ze tot ’n menschlievend besluit. Ze stond op, ging met ’et nachtlichtje, dat ze altijd branden liet, naar de huiskamer, zocht ’er naaigerei bij elkaar, en maakte de pijpen van de broek van m’nheer Van Ledderum vijf centimeters korter. En toen ze, met ’n gevoel van menschenredster, ’n half uurtje later weer onder de dekens lag, sliep ze heel gauw in.
Ook Betje, de meid, was niet zoo gauw ingeslapen, als ze anders deed. Dat mevrouw haar den dienst had opgezegd, zat ’er dwars. Over ’n maand of vier zou ze gaan trouwen, en ze had niet veel zin, om voor dien korten tijd nog ’n anderen dienst te zoeken. Maar zelf vragen, of ze blijven mocht, dat was ’er eer te na. Maar, als zij nu ’es deed, wat m’nheer ’er daar even gevraagd had, dan maakte die misschien ’et zaakje weer in orde. Ja, dat zou ze doen! En toen ze eenmaal dit goeïe voornemen had opgevat, was ze ook spoedig onder zeil.
Iederen morgen, precies om zes uur, schelde de bakker Betje uit ’er bed. Dan ging ze naar beneden, nam door ’et raampje van de deur ’et brood aan, maar kroop dan nog ’n half uurtje onder de wol. Maar dit laatste deed ze dit keer niet. Ze kleedde zich, toen ze den bakker geholpen had, vlug aan, repte zich met ’er naaimandje naar de huiskamer, stak ’et keukenlampje op, en om kwart voor zevenen hing de broek van m’nheer Van Ledderum weer netjes over de leuning van ’n stoel, vijf centimeters korter dan ’n half uur geleden.
Op z’n gewone klokje, om zeven uur, werd m’nheer Van Ledderum wakker. Nog vóor-i zich ’es goed uitgerekt en gegaapt had, herinnerde hij zich, wat voor ’n bizondere dag ’et was, en meteen ook zag-i in gedachten de rampzalige broek met z’n lange pijpen over z’n voeten flodderen. Wat moest dat worden? Z’n vriend Van Puffelen in den steek laten, kon-i niet, en zich zelf belachelijk maken, door in z’n ouë lichte of in z’n nieuwe lange broek bij de festiviteit te verschijnen, dat kon-i ook niet. Hulp had-i van niemand in huis te verwachten, en dus moest-i dan in ’s hemelsnaam maar z’n eigen boontjes doppen. Hij had toch ook wel ’es ’n knoop aan z’n jas of aan z’n overhemd gezet, dus met ’n beetje inspanning zou ’et wel lukken. En al wàs de zoom van onderen dan misschien ook niet zoo precies recht, dat zou toch lang zoo erg niet in den kijker loopen. En toen m’nheer Van Ledderum zich gewasschen en zoo half en half aangekleed had, sloop-i naar de huiskamer, snorde ’n schaar en ’n naald en ’n klosje zwart garen bij elkaar, en na heel wat zuchten en zweetdroppels en prikken in z’n vingers, was tegen acht uur de broek weer vijf centimeters korter.
En precies op ’et oogenblik, dat-i op z’n harleveensche manier den laatsten draad afhechtte, stapten z’n vrouw en z’n schoonmoeder de huiskamer in, en kwam de meid achter haar binnen, om ’et ontbijt klaar te zetten. En met ’n triomfantelijk gezicht hield m’nheer Van Ledderum de broek omhoog, waaraan ze allemaal eendrachtig hadden zitten werken. Maar meteen ook liet-i ’em uit z’n handen vallen, zakte op ’n stoel neer, en kreeg ’n appeleflauwte. De fijne kamgaren broek uit ’et magazijn van Van Epscheuten was ’n soort van rouw-zwembroekje geworden!
„En zoo zie je”, zei oom Frits meestal tot slot „ze zeggen wel altijd, dat eendracht macht maakt, en dat hebben de Belgen wel in hun wapen staan, in ’et Fransch dan natuurlijk, maar ’et is toch niet altijd waar. Want bij m’nheer van Ledderum aan huis maakte eendracht geen macht, maar ’n zwembroekje.”
II.
VAN M’N SCHOOL, MEESTER LINDEMAN, ’N MISLUKT EXAMEN EN ’N STRANDAVONTUUR.
Toen ik dertien en ’n half jaar was, deed ik toelatings-examen voor de Hoogere Burgerschool, en zakte als ’n baksteen. Ik geloof niet, dat iemand ter wereld zich daar erg over verwonderde. De onderwijzer, bij wien ik in de klas zat, had ’et me in den loop van ’et jaar wel vijfentwintig keer voorspeld. Ik zelf wist maar al te goed, hoe zwak ik in sommige vakken was. En m’n ouërs verwonderden er zich zeker ook niet over, omdat de heele zaak hun niet bijster veel schelen kon. M’n vader had me voor ’et examen aangegeven, maar dat was ook alles. Hij had er met den meester op school heelemaal niet over gesproken, en ook niet eens ’n briefje er over geschreven. En toch had de meester in de klas wel al twee maanden geleden gezegd, dat-i heel graag ’es met een van de ouërs van de jongens zou spreken over ’et aanstaand examen.
Natuurlijk had ik de boodschap thuis overgebracht, maar daar was verder niet op gelet. En tegen den onderwijzer zei ik maar, toen die er ’n paar maal naar vroeg, dat m’n vader ’et verschrikkelijk druk had, en dat m’n moeder ziek was. Daar was nu wel wat van aan, maar toch, als ze gewild hadden ...
Ik had, toen ik examen deed, twee jaar in de hoogste klas gezeten, en in de derde klas was ik ook ’n keer blijven zitten. Om dat laatste was ik achteraf erg blij, want daardoor kreeg ik meester Lindeman als onderwijzer, en bij hèm heb ik toen vier jaar achter elkaar gezeten tot aan ’et eind van de hoogste klas toe. Ik wil heelemaal geen kwaad zeggen van de andere onderwijzers of onderwijzeressen, die ik vroeger gehad had of later kreeg. ’Et waren allemaal goeïe menschen, die erg hun best deden, dat we veel zouën leeren. Maar—ik weet niet goed, hoe ik ’et zeggen moet—’et bleven toch altijd onderwijzers en onderwijzeressen, je dacht, als je hen zag, toch dadelijk aan sommen en thema’s en taaloefeningen, aan rooïe en blauwe strepen en afkeuringen. Maar meester Lindeman!
Als je ’em alleen maar ’es had kunnen hooren lachen! Wanneer de school open ging en wij naar binnen schuifelden, dan stonden de onderwijzers wel ’es met elkaar op de gang van de bovenverdieping te praten, en dan hoorden wij vaak beneden bij de deur al den luiden lach van meester Lindeman boven alles uitklinken. En dan liep je onwillekeurig de trap ’n beetje vlugger op als eigenlijk wel mocht, om z’n prettig rond rood gezicht des te eerder te zien. Die lach alleen al maakte van ’et ongezellige lokaal met z’n zwarte borden en gele kasten en banken, z’n groezeligen vloer en eindelooze witte muren en plafond, z’n landkaarten vol barsten en scheuren en z’n leelijke platen, ’n plaats, waar je je thuis voelde, waar ik me eigenlijk veel prettiger voelde dan thuis. Gelijk met mij was er in de derde klas ’n jongen blijven zitten, die niet alleen lui en dom, maar ook erg koppig was. Als die ’n standje kreeg, dan gaf-i ’n bonk met z’n elleboog op de tafel, ging op z’n arm liggen en dan was er den heelen schooltijd verder niets met ’em te beginnen. De onderwijzer, dien we den eersten keer in de derde klas hadden gehad, kon zich op dien jongen verschrikkelijk kwaad maken, maar wat-i ook deed of zei, ’et gaf geen steek. Maar de eerste maal de beste, dat diezelfde jongen dat kunstje bij meester Lindeman uithaalde, begon die zoo hartelijk te lachen, dat de jongen ’n gezicht zette, of-i ’et in Keulen hoorde donderen, en z’n heele koppigheid vergat.
Van ’et leven van de andere onderwijzers buiten school wisten we zoo goed als niets. Maar van meester Lindeman wisten we alles. We kenden allemaal z’n vrouw en z’n kleine dochtertje en z’n moeder, die bij ’em in huis woonde. Er was geen jongen in de heele klas, die niet meer dan eens bij em thuis geweest was. Als je ’es ’n paar schriften of ’n boek bij ’em thuis moest brengen, dan werd je nooit aan de deur afgescheept, maar dan mocht je binnen komen, en dan waren al die menschen altijd even aardig en hartelijk tegen je, en dan kreeg je ’n koekje, en dan liet kleine Jo je ’er speelgoed zien. En vóordat de groote vacantie begon, vroeg meester Lindeman altijd, wie er niet uit de stad gingen, en die jongens mochten dan ’n keer bij ’em komen, niet te gelijk, maar een voor een. En dan ging-i met die jongens ’n verre wandeling doen of, als ’et slecht weer was, naar ’n museum, of ze mochten bij ’em thuis blijven spelen.
Natuurlijk gingen we ook ’n paar maal in ’et jaar met de heele klas ’n wandeling maken, om naar ’n polder te kijken of naar sluizen of zulk soort van dingen. En in den zomer gingen we een keer met z’n allen ’n dagje naar buiten. Dat was ’et verrukkelijkste van alles. Dan hadden we pret van dat we in den trein of de boot stapten, totdat we ’s avonds terug kwamen, en den heelen dag praatte en lachte en zong en rende en buitelde meester Lindeman ’et hardste van allemaal. Want geen een van de jongens was zoo sterk of zoo vlug als hij. Hij kon alles. Hij kon zwemmen en roeien en schaatsenrijden. Als er ’s winters ijs was, dan spraken de jongens die rijën konden met meester Lindeman af, en dan maakte de heele bende samen ’n tochtje, en als ze niet meer voortkonden, dan trok hij ze. En soms trakteerde-i ze wel allemaal op heete melk.
En op school, bij ’et leeren, maakte meester Lindeman ’et ook altijd zoo gezellig mogelijk. ’Et kwam er bij hem niet op aan, of je den heelen dag kaarsrecht in je bank zat, met je armen stijf over elkaar, en je voeten op de plank. Als je maar oplette en naar ’em luisterde. En dat was niet moeielijk. Want als er van die verschrikkelijk vervelende en eentonige lessen waren, bijvoorbeeld sommen over ’et metriek stelsel, dan zou meester Lindeman nooit ’n half uur of drie kwartier lang achter elkaar al maar die berekeningen van vierkante Kilometers en Hectaren en kubieke centimeters en decistère’s laten opdreunen, maar dan gooide hij er nu en dan ’n grap tusschen, of was ineens aan ’et vertellen, dat je heelemaal vergat, dat er ’n rekenboek voor je lag.
Je hebt wel al begrepen, dat ik lang niet tot de beste leerlingen behoorde. Dat deed ik ook niet in de klas van meester Lindeman. Toch werd ik bij hem elk jaar verhoogd, en alleen aan ’et eind van de zesde klas bleef ik zitten, omdat ik toen op geen stukken na klaar was voor ’et toelatingsexamen van de Hoogere Burgerschool. Meester Lindeman gaf me toen ’n brief mee naar huis, maar wat daar precies in stond kan ik je niet zeggen. Toen m’n vader ’em gelezen had, zei-i alleen: „Dan blijf je nog maar ’n jaar op school. ’Et volgende jaar zal je dan toch zeker naar de Burgerschool kunnen. Anders moest je wel ’n groote ezel wezen!”
Nu, zoo’n groote ezel was ik. Ik kwam dat tweede jaar bij ’n onderwijzer, die vreeselijk streng en precies was, die iederen schooltijd, soms uren lang, jongens na liet blijven, om werk over te maken of lessen te leeren, die driemaal zooveel huiswerk opgaf als meester Lindeman ooit had gedaan, die ’et heele jaar geen seconde grappig was of een enkel woord zei, dat niets met de les te maken had, waaraan we bezig waren. En toch, zooals ik al verteld heb, ondanks al die moeite, zakte ik voor ’et examen.
Waar dat nu eigenlijk aan lag? Dat is voor me zelf niet zoo heel gemakkelijk om te zeggen. Ik was in elk geval op school niet ondeugend, want straf voor m’n gedrag heb ik zoo goed als nooit gehad. Onwillig was ik zeker ook niet, en onverschillig nog minder. Als ik met ’n slecht rapport naar huis ging, trok ik me dat wezenlijk aan, en kreeg soms wel de tranen in m’n oogen, en toch wist ik, dat ik er thuis geen standje voor zou krijgen. M’n moeder vroeg er heelemaal niet naar, en als ik ’et aan m’n vader gaf om te teekenen, gooide die ’et, meestal zonder er in te kijken, op den schoorsteen of op ’et buffet, en nadat ik dan minstens drie- of viermaal gevraagd had, of-i ’et al geteekend had, zette hij er met ’n nijdige kras z’n naam in, en wierp-i ’et me toe met: „Daar, zeurpiet!” of zoo iets.
Er blijft voor mij dus niet veel anders over dan aan te nemen, dat ik minder verstand bezat, dan de meeste andere jongens, of dat ’et me althans niet mogelijk was, ook met den besten wil en met de grootste inspanning van mijn kant, sommige dingen in m’n hoofd te krijgen. Want er waren ook vakken, waarin ik niet alleen tot de besten behoorde, maar waarvoor ik me bovendien niet de minste moeite behoefde te geven. Voor lezen en taal bijvoorbeeld had ik altijd hooge cijfers, behalve ’et laatste jaar in de hoogste klas, toen ik voor taal geregeld onvoldoende kreeg, omdat ik de verschillende voornaamwoorden en bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden nooit goed uit elkaar wist te houden en er geen been in zag, om ’n naamwoordelijk deel van ’et gezegde voor ’n lijdend voorwerp uit te maken. Bij ’et rekenen had ik geen moeite met vermenigvuldigen en deelen of zulke dingen, maar bij de vlakte- en inhoudsmaten raakte ik geregeld in de war, en van zus of zooveel decastère’s hektoliters te maken, was ’n heksetoer voor me. En wanneer ’n som begon met: Als ik drie en ’n zevende maal et geld, dat Jan zou hebben, wanneer hij twee en twee vijfde maal ’et geld, dat Piet heeft, er bij kreeg, voeg bij zeven en vijf zesde keer ’et geld, dat ... dan stond m’n verstand daar in waarheid bij stil. Hoe vaker ik zoo’n som las, hoe onbegrijpelijker-i voor me werd, en ik was ten slotte zoo vast overtuigd, dat ik zulke sommen toch nooit zou leeren maken, dat ik ’et maar niet eens meer probeerde. Ik maakte me wel ’es ongerust als ik er aan dacht, hoe ’et later in ’et leven met me zou gaan, als ik al zulke sommen en nog zooveel andere over vaten vol kranen en menschen, die elkaar eeuwig achterna of tegemoet liepen, niet kon maken, maar gelukkig in ’et beroep, dat ik gekozen heb, was ’et niet noodig.
Ook in aardrijkskunde was ik niet bizonder sterk. Ik kon de namen van steden en dorpen, rivieren en kanalen, bergen en meren wel in m’n hoofd prenten, en als de les dan overhoord werd, ’n behoorlijk figuur maken. Maar ... over ’n week of veertien dagen was ik alles weer glad vergeten. En hoe dikwijls en hoe zorgvuldig ik ook telkens weer dezelfde dingen er inpompte, er bleef na korten tijd zoo goed als niets meer van in m’n hoofd hangen. Met geschiedenis ging ’et beter, tenminste voor ’n deel. Meester Lindeman zei ’es tegen me: „Ik heb ’es van ’n jongen gehoord, die kende alle jaartallen. Maar-i wist niet, wat er in gebeurd was. Maar, met jou, Hans, is ’et net anders-om. Wat er gebeurd is, weet je meestal heel goed te vertellen, maar wanneer ’et gebeurd is, dat weet je nooit.” En zoo was ’et ook. ’Et onthouden van jaartallen was een van de dingen, die ik na ’n aantal vergeefsche pogingen maar opgegeven had.
De andere vakken op school waren van niet zooveel beteekenis, althans niet voor ’et examen. Behalve Fransch dan natuurlijk, maar daarin kon ik ten minste vrij goed meekomen. Ik maakte wel vrij veel fouten, maar dat deden de andere jongens ook, en daarvoor had ik dan ook meestal wel ’n voldoend cijfer, net als voor schrijven. Als de onderwijzer op school allerlei dingen van dieren vertelde, of natuurkundige proeven deed, of we bloemen en plantjes uit elkaar moesten peuteren, dan vond ik dat wel aardig, maar ik onthield er weer heel weinig van. In zingen en teekenen eindelijk was ik goed, en in gymnastiek slecht.
Zooals ik dan ook al gezegd heb, ik was volstrekt niet verwonderd, toen ik na ’et examen van den directeur van de Hoogere Burgerschool te hooren kreeg, dat ik afgewezen was. Erg ter neer geslagen was ik ook niet, want ik hoopte in stilte, dat er nu meteen ’n einde aan m’n schoolgaan zou komen. Wat er dan eigenlijk verder met me gebeuren zou, daarvan had ik geen recht idée. Aan ’n bepaalde betrekking had ik nog nooit gedacht; alleen was ’et me wel ’es door m’n hoofd gegaan, hoe heerlijk ’et moest zijn, om bediende in ’n boekwinkel te wezen, en dan alle boeken uit zoo’n leesbibliotheek te kunnen lezen.
Dien dag van ’et examen gebeurde er iets, wat anders nooit gebeurde. Er werd dien middag aan tafel door m’n vader en moeder over mij gesproken.
„Wat moet dat nu met dien jongen?” begon m’n moeder.
„Ja, dat weet ik niet,” zei m’n vader.
„Hij kan toch zeker niet nòg ’n jaar daar op die school blijven?”
„Nee, dat zal wel niet gaan.”
„Maar wat dan? Thuis kan ik ’em heelemaal niet hebben. Dat is me veel te druk. Ik heb weer zoo’n last van m’n zenuwen. En de dokter zegt maar: rust, rust!”
„Ja, ’et is lastig!”
„Kan jij em niet in de zaak gebruiken?”
„In de zaak? Ben je gek? Wat moet ik ’em daar laten doen? Stokvisch beuken?”
„Ik dacht, misschien schrijfwerk.”
„Daar heb ik m’n boekhouër voor.”
„Of boodschappen?”
„Ik kan toch in m’n eigen zaak m’n zoon niet als boodschaplooper gebruiken! Wat zouën m’n klanten zeggen?”