Chapter 5
SILVIA. Daar, neem dit weer! Ik wil het schrijven van uw heer niet inzien, 'k Weet, met geloften is het opgepropt, Met nieuw verzonnen eeden; maar hij breekt die, Zoo ras als ik hier zijn papier verscheur.
JULIA. Hij zendt uw edelheid ook dezen ring.
SILVIA. Te schand'lijker van hem, dien mij te zenden; Wel duizendmaal heb ik hem hooren zeggen, Dat hem zijn Julia dien bij 't afscheid gaf. Maar hebb' zijn valsche vinger dien ontwijd, De mijne zal zijn Julia zoo niet krenken.
JULIA. Zij dankt u.
SILVIA. Wat zegt gij?
JULIA. Ik dank u, dat gij deel neemt in haar lot; Die arme maagd! mijn meester krenkt haar diep.
SILVIA. Gij kent haar dus?
JULIA. Bijna zoo goed als ik mijzelven ken; 'k Verzeker u, bij 't denken aan haar leed, Heb ik wel honderdmaal om haar geschreid.
SILVIA. Zij weet dus, dat haar Proteus trouwloos werd?
JULIA. Ik denk van ja, en dat zij daarom treurt.
SILVIA. En is zij niet zeer schoon?
JULIA. Zij was veel schooner, jonkvrouw, dan zij is. Zoo lang zij dacht, dat haar mijn heer beminde, Was zij, zoo meen ik, even schoon als gij; Maar sinds zij niet meer in den spiegel ziet, En 't masker, dat de zonne weerde, wegwierp, Verkleurt de lucht de rozen van haar wangen, En rooft aan haar gelaat zijn lelieblank; En werd zij even bruin, als ik het ben.
SILVIA. Hoe groot was zij? 162
JULIA. Van mijne lengte; want op Pinkst'ren werd Er door het jonge volk tooneel gespeeld, En viel aan mij de vrouwerol te beurt; Men stak mij in een kleed van jonkvrouw Julia; En dit zat mij naar aller oordeel zoo, Alsof het voor mijzelven was gemaakt; Zij moet dus juist van mijne lengte zijn. Ik bracht haar toen in allen ernst aan 't weenen, Want inderdaad, aandoenlijk was mijn rol. 'k Was Ariadne, die haar wanhoop uit Om Theseus' vlucht en schand'lijk laag verraad; Ik speelde zoo natuurlijk in mijn tranen, Dat, diep geroerd, mijn arme meesteres Recht bitter weende; en sterven wil ik hier, Voelde ik niet in mijn hart haar kommer mee!
SILVIA. Zij is u dank verschuldigd, lieve jong'ling.-- Die arme jonkvrouw! troostloos en verlaten!-- Ikzelf moet weenen, denk ik aan uw woorden. Hier, jonkman, neem mijn beurs; ik geef u die Om uwer jonkvrouw wil, die gij zoo lief hebt. Vaarwel!
(Silvia met haar Gevolg af.)
JULIA. En danken zal ze u, leert gij eens haar kennen.-- Een eed'le jonkvrouw, lieflijk, zacht en schoon! Mijns meesters aanzoek, wacht ik, laat haar koud, Daar mijn meest'resse's liefde haar zoo roert. Ach, wat kan liefde beuz'len met zichzelf! Hier is haar beelt'nis. Laat mij zien: mij dunkt, Met zulk een kapsel ware mijn gelaat Volstrekt niet minder lieflijk dan het hare; En toch, de schilder vleide haar wel iets, Tenzij ik al te zeer mijzelve vlei. Haar lokken zijn lichtbruin, de mijne blond; Maakt dit nu voor zijn liefde zulk verschil, Dan koop ik mij een haartooi van die kleur. Haar oog is blauw als glas, het mijne is 't ook, Ja, doch haar voorhoofd laag, het mijne hoog. Wat kan het zijn, dat hem in haar behaagt, En hem niet ook in mij behagen moest, Waar' niet de dwaze Liefde een blinde god? Kom, schaduw, kom, en neem die schaduw op, Uw mededingster! O gij zielloos beeld, Gij wordt gekust, vereerd, bemind, vergood; En ware er zin in zijn afgoderij, Zijn godsbeeld ware, in plaats van u, mijn wezen. 'k Wil om uw meesteres u goed behand'len, Zij deed het mij; want anders, bij den Hemel! 'k Had u de stikziende oogen uitgekrabd, Om van mijns meesters liefde u te berooven.
(Julia af.)
VIJFDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Milaan. Een klooster.
Eglamour komt op.
EGLAMOUR. De zon verguldt den westerhemel reeds, En 't is omstreeks dit uur, dat Silvia mij Bij broeder Patrick's cel ontmoeten zou. Zij blijft niet uit; verliefden houden woord, Alleenlijk plegen zij te vroeg te komen; Zoo zeer drijft ongeduld hen aan tot spoed.
(Silvia komt op.)
Daar komt zij reeds.--Mejonkvrouw, goeden avond!
SILVIA. Dank, amen, amen! Thans, vriend Eglamour, Terstond door de achterpoort van 't klooster voort; Bespieders, ducht ik, gaan mijn gangen na.
EGLAMOUR. Ducht niets; wij spoeden ons naar 't woud, en daar, Geen drie mijl ver, bedreigt ons geen gevaar.
(Beiden af.)
TWEEDE TOONEEL.
Aldaar. Een kamer in 's Hertogs paleis.
Thurio, Proteus en Julia komen op.
THURIO. Heer, wat zegt Silvia van mijn aanzoek thans?
PROTEUS. Ik vond haar zachter, heer, dan vroeger, maar Zij vindt aan uw persoon vrij wat te gispen.
THURIO. Wat? dat mijn been te lang is?
PROTEUS. Neen, te dun.
THURIO. Dan draag ik laarzen, die het ronder maken.
JULIA (ter zijde). Tot wat zij haat, laat liefde zich niet sporen.
THURIO. Hoe vindt zij mijn gelaat?
PROTEUS. Als blank papier.
THURIO. Dat liegt het schelmpje; mijn gelaat is zwart. 10
PROTEUS. Doch paar'len noemt men blank; en 't zeggen is, Een zwart man is een paarl in 't oog der schoonen.
JULIA (ter zijde). Ja, van die parels, die het oog verduistren, Die 'k niet wil zien, en waar ik 't oog voor sluit.
THURIO. En hoe bevalt haar mijn gesprek?
PROTEUS. Slecht, als gij over oorlog spreekt.
THURIO. Doch goed, als ik van liefde spreek en vrede?
JULIA (ter zijde). Nog beter, als gij haar met vrede laat.
THURIO. Wat zegt zij van mijn moed?
PROTEUS. O, heer, daarover is zij niet in twijfel.
JULIA (ter zijde). Waarom ook, als zij weet, hoe laf hij is.
THURIO. Wat zegt zij van mijn afkomst?
PROTEUS. Dat gij van hoogen rang zijt afgedaald.
JULIA (ter zijde). Van edelman tot zotskap, ja voorwaar.
THURIO. En spreekt zij van mijn landerijen?
PROTEUS. Ja, maar met leedbetuiging.
THURIO. En waarom?
JULIA (ter zijde). Dat zulk een ezel die bezit.
PROTEUS. Dat gij niet zelf er woont, maar die verpacht.
JULIA. Daar komt de hertog.
(De Hertog komt op.)
HERTOG. Hoe is 't, heer Proteus? en hoe gaat het, Thurio? Wie uwer zag sinds kort heer Eglamour?
THURIO. Ik niet.
PROTEUS. Noch ik.
HERTOG. En mijne dochter?
PROTEUS. Ook niet.
HERTOG. Nu, dan, Dan vlood zij tot dien kinkel Valentijn, En dan is Eglamour haar metgezel. Ja, broeder Laurens heeft hen saam ontmoet, Toen hij door 't woud ging en gebeden las; Hem kende hij, en dacht dat zij het was, Doch, daar ze een masker droeg, was hij niet zeker; Ook gaf zij voor, in Patricks cel deze' avond Ter biecht te willen gaan, maar was er niet. Dit alles saam bevestigt hare vlucht. Stijgt daarom, bid ik, zonder overwegen, Terstond te paard, en vindt mij aan den voet Des bergs, waar langs zijn helling zich de weg Naar Mantua wendt, want daarheen vloden zij. Maakt, beste heeren, spoed, en volgt mij ras.
(De Hertog af.)
THURIO. Dat noem ik toch een dwaze deerne, die 't Geluk ontvliedt, wanneer het haar vervolgt. Ik volg, veel meer op Eglamour gebeten, Dan op de dolle Silvia nog verliefd.
(Thurio af.)
PROTEUS. Ik volg, veel meer op Silvia steeds verliefd, Dan op haar helper Eglamour verbitterd.
(Proteus af.)
JULIA. En ik volg mee, en ik bestrijd die liefde; Maar Silvia haat ik niet, zij vlood uit liefde.
(Julia af.)
DERDE TOONEEL.
Het woud tusschen Milaan en Mantua.
Bandieten komen op, met Silvia.
EERSTE BANDIET. Kom, kom; Bedaard! wij brengen u tot onzen hoofdman.
SILVIA. Mij leerden duizend andere ongevallen Ook dit nu met gelatenheid te dragen.
TWEEDE BANDIET. Komt, brengt haar weg.
EERSTE BANDIET. Waar is die edelman, die bij haar was?
DERDE BANDIET. Hij was zoo vlug ter been, dat hij ontsnapte; Doch Mozes en Valerius volgen hem. Breng gij haar tot den hoofdman, aan den westzoom Van 't woud; laat ons den vlucht'ling achtervolgen; Het bosch is afgezet; hij kan niet weg.
EERSTE BANDIET. Kom, naar de grot des hoofdmans breng ik u. Vrees niets; grootmoedig is hij; en geen vrouw, Die hij ooit smaad of schande lijden deed.
SILVIA. O Valentijn, om u draag ik dit leed.
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Een ander gedeelte van 't woud.
Valentijn komt op.
VALENTIJN. Wat maakt gewoonte ras den mensch iets eigen! Deez' donkere eenzaamheid, dit stille woud, Behaagt mij meer dan rijke woel'ge steden. Hier kan ik eenzaam zitten, ongezien, Om aan het klagend lied des nachtegaals Mijn jammertonen en mijn wee te huwen. O gij, wier woning in mijn boezem is, Laat uwe huizing niet zoo lang verlaten, Dat ze in verval raak en tot puinhoop wordt, Zoodat geen spoor meer blijft van wat zij was. O schenk mij, Silvia, door uw bijzijn kracht! Gij, zoete nimf, troost uw verlaten herder!-- Doch wat gedruisch, wat kreten zijn dat heden? Mijn makkers, die hun wil als wet beschouwen, Zijn wis een armen zwerver op het spoor, Ik word van hen bemind; toch valt het zwaar, Altijd hun lust tot ruw geweld te teug'len. Verberg u, Valentijn; wie kan daar zijn?
(Hij wijkt ter zijde.)
(Proteus, Silvia en Julia komen op.)
PROTEUS. Mejonkvrouw, ik bewees u dezen dienst,--19 Schoon alles, wat uw dienaar doet, u niets is;-- Ik waagde 't leven en ontrukte u hem Die eer en liefde u zou ontwrongen hebben. Gun mij als loon een enk'len teed'ren blik; Om kleiner gunst kan ik u toch niet smeeken, En minder nog dan dit kunt gij niet geven.
VALENTIJN (ter zijde). Is dit een droom, wat ik daar zie en hoor? Leen, Liefde, mij 't geduld om kalm te blijven.
SILVIA. Ellendige en onzaal'ge, die ik ben!
PROTEUS. Ellendig waart gij, jonkvrouw, eer ik kwam; Doch door mijn komst heb ik u heil gebracht.
SILVIA. Eerst ùw nabijheid maakt mij recht ellendig.
Julia (ter zijde). En mij, wanneer hij u nabij wil zijn.
SILVIA. Had mij een uitgevaste leeuw gegrepen, 'k Had liever 't ondier tot ontbijt gestrekt, Dan dat de valsche Proteus mij bevrijdde. Tuig, Hemel, hoe ik Valentijn bemin, Wiens leven ik zou koest'ren als mijn ziele; En evenzoo,--daar meer onmooglijk is,-- Haat ik den valschen, eedvergeten Proteus. Daarom, ga heen; houd niet meer bij mij aan.
PROTEUS. Wat waagstuk zou ik, hoe de dood ook dreigde, Niet voor een enk'len zachten blik bestaan! O oude vloek der liefde, dat den man De vrouw, die hij bemint, niet minnen kan!
SILVIA. Dat Proteus, die hem mint, niet minnen kan! Doorlees van Julia 't hart, uw eerstbeminde; Om haar hebt gij uw trouw in duizend stukken, Die ge eeden noemt, verdeeld; en elken eed Verkeert ge in meineed en zweert dien aan mij. U rest geen trouw, of wel, gij hebt twee trouwen, Wat erger is dan geen; veel beter geen, Dan trouw in 't meervoud; altijd één te veel. Gij huich'laar bij uw trouwsten vriend!
PROTEUS. Wie kent, Waar 't liefde geldt, een vriend?
SILVIA. Slechts Proteus niet.
PROTEUS. Nu, zoo der overreding zachte geest U niet tot zachtheid stemmen kan, zoo wil ik Op krijgsmanswijs u met mijn arm veroov'ren, U tegen liefdes innigst wezen minnen, U dwingen,--59
SILVIA. Hemel!
PROTEUS. Dwingen, mijn te zijn.
VALENTIJN (vooruittredend). Ellend'ling, weg van haar die ruwe hand! Gij vriend van boos gehalte!
PROTEUS. Valentijn!
VALENTIJN. Gij lage vriend, gij zonder trouw of liefde,-- Ja, zoo is nu een vriend,--gij aartsverrader! Gij hebt mijn hoop bedrogen; slechts mijn oog Kon me overtuigen. Nooit meer kan ik zeggen: "Ik heb een vriend"; gij zoudt mij logenstraffen. Wie is betrouwbaar, als de rechterhand Meineedig wordt aan 't harte? Proteus, Mij grieft, dat ik u nooit meer mag vertrouwen, Doch heel de wereld vreemd'ling mij moet zijn. O diepe zielswond! diepstvervloekte tijd, Dat gij, een vriend, mijn ergste vijand zijt!
PROTEUS. Vernietigd ben ik door mijn schande en schuld.-- Vergeef mij, Valentijn! Zoo diep berouw Als losgeld voor zoo zware schuld volstaat, Dan bied ik 't hier; voorwaar mijn smart is groot, Zoo groot als mijn vergrijp.
VALENTIJN. Ik ben voldaan; En reken u op nieuw een eerlijk man. Wien boete niet verzoent, behoort ten hemel Noch aarde; beide kan berouw verteed'ren, En de Eeuw'ge heft hen op, die zich verneed'ren. En, dat ik u weer vriend acht, blijke u nu: Al wat in Silvia mijn was, schenk ik u.
JULIA. O, ik onzaal'ge!
(Zij zijgt neder.)
PROTEUS. Zie, wat schort mijn knaap?
VALENTIJN. Wat, knaap! hé schelmpje! wat moet dit beteek'nen? Zie op, en spreek!
JULIA. O heer, mijn meester gaf mij Een ring, om jonkvrouw Silvia dien te brengen; En ik verzuimde 't uit onachtzaamheid.
PROTEUS. Waar is die ring, knaap?
JULIA. Hier, hier is hij, heer.
(Zij geeft hem een ring.)
PROTEUS. Geef, laat mij zien. Dat is de ring, dien ik aan Julia gaf. 93
JULIA. O heer, vergeef mij; 'k gaf u den verkeerden; Hier is de ring, dien gij aan Silvia zondt.
(Zij toont een anderen ring.)
PROTEUS. Doch hoe kwaamt gij aan dezen ring? Ik gaf hem Julia bij het afscheidnemen.
JULIA. En Julia zelf heeft hem aan mij gegeven, En Julia zelf heeft hem hierheen gebracht.
PROTEUS. Wat! Julia!
JULIA. Ja, zie haar hier, het doel van al uw eeden, Die ze alle diep in 't harte heeft bewaard; Hoe vaak hebt gij het diep gekliefd door meineed! O Proteus, deze kleeding doe u blozen; Schaam gij u, dat ik in onvoegzaam kleed Mij hullen moest, indien ten minste schaamte Bij valsche liefde woont! Bloost Zedigheid, verzaakt de vrouw haar kleed, Het grieft haar meer, verzaakt de man zijn eed.
PROTEUS. De man zijn eed! 't is waar; o was de man Steeds trouw, hij waar' volmaakt; die eene feil Wekt tal van zonden, maakt hem ziende blind; Ontrouw valt af, eer 't minnen recht begint. Wat schoon siert Silvia, dat mijn oog thans niet, Weer trouw, veel schooner nog in Julia ziet?
VALENTIJN. Komt, elk van u reik' mij de hand! Gun mij 't geluk, dat ik den heilvreê sluit; De haat van zulk een vriendenpaar hebbe uit.
PROTEUS. Tuig, Hemel, 'k ben aan 't einddoel mijner wenschen!
JULIA. En ik der mijne!
(Bandieten komen op, met den Hertog en Thurio.)
BANDIETEN. Een vangst, een vangst! een vangst!
VALENTIJN. Laat af! laat af! De hertog is 't, de vorst!-- Sta uw genade een man in ongenade Een welkomst toe, den balling Valentijn.
HERTOG. Wat, Valentijn!
THURIO. Mijn Silvia daar! de mijne!
VALENTIJN. Thurio, terug, of gij omarmt den dood. Blijf buiten het bereik van mijnen toorn. Noem Silvia de uwe niet, want, zoo gij 't waagt, Geheel Milaan beschermt u niet. Hier staat zij; Nu, waag het, roer haar met een vinger aan, Mijn liefste met een enk'len ademtocht!
THURIO. Heer Valentijn, zij is mij onverschillig. Ik reken hem een dwaas, die voor een meisje, Dat hem verwerpt, zijn leven wagen wil; Ik maak geen aanspraak op haar; zij is u.
HERTOG. Des te nietswaardiger en laag zijt gij, Eerst zoo naar haar te staan, als gij het deedt, En dan op zulk een wijs haar op te geven. Voorwaar, bij de eere van mijn voorgeslacht, Ik juich uw moed toe, Valentijn, en reken De liefde u waardig van een keizerin. Daarom, al wat mij griefde zij vergeten; Mijn wrok vervloog; ik roep u weer terug. Uw onbetwistb're waarde geeft u aanspraak Op nieuwen rang; dies zeg ik: Valentijn, Gij zijt een edelman van besten bloede; Neem gij uw Silvia, want gij zijt haar waard.
VALENTIJN. Ik dank u, vorst, uw gift maakt mij gelukkig. Ik bid u thans, ter wille van uw dochter, Verleen mij ééne gunst, die ik u vraag.
HERTOG. 'k Verleen u, wat ge ook wenscht, om uwentwil.
VALENTIJN. Die mannen hier, met wie ik heb geleefd, Zijn ballingen van stand en van bekwaamheid. Vergeef hun, wat zij hier misdreven hebben, En roep hen uit hun ballingschap terug. Zij zijn verbeterd, welgezind, beschaafd, Voor hooge posten bruikbaar, edel vorst.
HERTOG. Gij wint uw pleit, als u vergeef ik hun; Geef hun een werkkring zooals gij hen kent. Doch gaan wij; ied're wanklank zij verdoofd Door blij gejuich en ongekende feesten.
VALENTIJN. En onderweg beproeve mijn verhaal Bij uw genade een glimlach uit te lokken. Wat dunkt u van deze' edelknaap, mijn vorst?
HERTOG. De knaap is recht bevallig; zie, hij bloost.
VALENTIJN. Ik zeg u, heer, bevallig eer, dan knaap.
HERTOG. Wat wilt gij daarmee zeggen?
VALENTIJN. Behaagt het u, dan deel ik onder 't gaan U zaken mee, die u verbazen zullen.-- Kom, Proteus, dit moog' heel uw boete zijn, De onthulling van uw liefdes aan te hooren; Dan moet mijn huwlijksdag ook de uwe zijn; Één feest, één huis, één onderling geluk.
(Allen af.)
AANTEEKENINGEN.
Van dit stuk is geen oudere druk bekend dan die in de Folio-uitgave van 1623 te vinden is; dat het reeds vóór 1598 was opgevoerd, blijkt uit de vermelding er van door Francis Meres in zijn _Palladis Tamia_ (zie boven blz. 47 en 120). Maar ongetwijfeld is het stuk eenige jaren ouder. Let men op den ganschen bouw er van, op den versbouw, het veelvuldig voorkomen van het rijm en van knuppelverzen, op de woordspelingen, op de wijze waarop de twee dienaren als Clowns optreden, op de overeenstemming met gedachten, in "Venus en Adonis" en in Sonnetten uitgedrukt, dan wordt men hiervan ten stelligste overtuigd. Het vermoeden, dat het stuk van 1591 dagteekent, komt zeker der waarheid zeer nabij. Of het ouder of jonger is dan "de Klucht der vergissingen" en "Veel gemin, geen gewin" is ondertusschen niet wel uit te maken.
Voor zoover wij kunnen oordeelen, heeft Shakespeare het plan voor dit stuk geheel zelf ontworpen en niet aan een novelle of iets dergelijks ontleend, al moge dit met enkele bijzonderheden wel het geval zijn. De geschiedenis van Proteus en Julia vertoont namelijk in enkele punten vrij groote overeenkomst met die van Don Felix en Felismena in den herdersroman _La Diana_, van den Spaanschen dichter Jorge de Montemayor [1], een werk, dat in 1598 in het Engelsch verscheen en veel opgang maakte, maar vele jaren vroeger vertaald en als handschrift door velen gelezen was; reeds in 1584 schijnt uit dezen roman een blijspel, _The history of Felix and Philiomena_, getrokken en ten hove opgevoerd te zijn.--Wie juist weten wil, wat Shakespeare aan dezen roman ontleend kan hebben, vindt de hiertoe noodige uittreksels in Delius' Shakespeare-uitgave.
Bij de poging om dit stuk te beoordeelen, stuit men op groote moeilijkheden, zooals wel uit het zeer verschillend oordeel van uitgevers en critici blijken kan, waaromtrent men Knight in zijn Imperial edition van Shakespeare moge naslaan. Terwijl men, het geheele stuk door, den dichter aan zijn zeggingskracht, zijn versbouw, zijn rijkdom van gedachten, zijn wijze om de personen te karakteriseeren herkent, treft men in het beloop van het stuk zooveel tegenstrijdigheden aan, dat men tot het besluit moet komen, een verminkt en door onbevoegde hand gewijzigd stuk van Shakespeare voor zich te hebben. Men oordeele. Valentijn en Proteus worden naar het hof des keizers gezonden, maar komen bij een naamloozen hertog te Milaan aan; van een schoonen ridder Eglamour wordt in Verona verteld, dat hij naar Julia's hand dingt, en in Milaan wordt van Eglamour getuigd, dat hij, om de nagedachtenis zijner gestorven geliefde in eere te houden, de gelofte van eeuwige kuischheid heeft afgelegd; hij wordt door Silvia gekenschetst als ridder zonder smet of blaam en door haar als beschermer gekozen op haar reis, maar weet, door roovers overvallen, verbazend snel beenen te maken; Julia heeft in het eerste bedrijf een vader, maar geeft, als zij haar tocht gaat ondernemen, het beheer van haar vermogen, landerijen enz. aan haar kamerjuffer en vertrouwde over; als Proteus een poos met Silvia gekeuveld heeft, zegt hij: "Ik heb nog alleen hare beeltenis gezien"; Julia geeft aan Silvia eerst een verkeerden brief en daarna den rechten, maar van den eersten hoort men niets meer; Silvia ontmoet volgens afspraak den ridder Eglamour bij de cel van broeder Patricius, en toch zegt later haar vader, dat zij er niet geweest is; Valentijn zucht in het bosch om Silvia, ontrukt haar aan de handen van zijn trouweloozen vriend Proteus, die door Silvia verafschuwd wordt, maar staat, zoodra Proteus schuld belijdt en berouw toont, hem zijn Silvia oogenblikkelijk af, en deze heeft niets hiertegen te zeggen.
Bij nauwkeurige beschouwing vindt men enkele bijzonderheden, die ons vermoeden, dat het stuk gewijzigd is geworden, zeer versterken. Waarschijnlijk kwamen Valentijn en Proteus wel aan 's keizers hof aan, en is de keizer tot hertog gedegradeerd; want tot tweemaal toe zegt de hertog, eerst van Proteus, daarna van Valentijn, dat zij de liefde eener _keizerin_ waardig zijn; van den laatste, dat hij in den raad eens _keizers_ op zijn plaats zou wezen; de omgang van Valentijn met Silvia getuigt van een zeer groot verschil in stand; daarmede strookt de hoogheid van de verwijten des hertogs aan Valentijn, die van het _koninklijk_ hof verbannen wordt; de omgang van Valentijn met Silvia was ongetwijfeld door den keizer argeloos toegelaten, omdat het verschil in rang zeer groot was.--Dat de keizer tot een hertog wordt, die de wenschen van een minnaar als Thurio begunstigt, is zeker aan een lateren bewerker te danken.--In het oorspronkelijk stuk was Silvia's portret zeker van meer beteekenis en werd door Proteus gezien en bewonderd, vóór hij haar zelf zag. Eglamour was waarschijnlijk ook een ander persoon; misschien had Valentijn de reis van Silvia met Eglamour en beider vertrouwelijken omgang verkeerd opgevat en zijn geliefde voor trouweloos gehouden, zoodat hij daarom bereid is, haar aan Proteus af te staan.--Julia zal waarschijnlijk een brief van Proteus, die aan haarzelf gericht was, aan Silvia overhandigd hebben en zich daardoor aan deze bekend gemaakt.--Wat er van dit alles zij, zooveel kan uit het bovenstaande blijken, dat het stuk, ons door de Folio-uitgave van 1623 bewaard gebleven, vermoedelijk aanmerkelijk afwijkt van wat de dichter geschreven heeft; de leemten, die wij er in opmerken, kunnen niet wel aan een plan- of gedachteloosheid des dichters zijn toe te schrijven. Het is dus hoogstwaarschijnlijk, dat het oorspronkelijk stuk door een omwerker is gewijzigd; misschien was het verminkt geraakt of verloren gegaan, en heeft een onbevoegde hand het met behulp van gedeeltelijke handschriften of uitgeschreven rollen weder trachten samen te stellen.
I. 1. 2. _Thuiszitten maakt een jonkman tot een huishen._ Die niet verder ziet dan de muren van zijn huis. In 't Engelsch: _Homekeeping youth have ever homely wits._
I. 1. 17. _Want ik wil voor u bidden, Valentijn._ _For I will be thy beadsman, Valentine._ Een man die aangesteld is om gebeden voor iemand te doen.
I. 1. 27. _Wat, laarzen?_ enz. In 't Engelsch is hier een drievoudige woordspeling met _boots_, laarzen, _to give the boots_, belachelijk maken, en _to boot_, baten, bevoordeelen.--De Spaansche laarzen, hier genoemd, zijn het bekende foltertuig.
I. 1. 53. _Want aan de haven wacht_ enz. In 't Engelsch staat _at the road_, aan de reede; men zou dus zeggen, dat Verona hier als een zeestad beschouwd moet worden. Er zijn bewijzen genoeg, dat Shakespeare met de geographie van Italië zeer goed vertrouwd was; men behoeft hem volstrekt niet van onwetendheid te verdenken. De toeschouwers waren Londenaars; bij grootere reizen naar een anderen staat moesten waterwegen gevolgd worden; de dichter maakt er voor zijn personen daarom ook gebruik van en stelt hiermede de reis zijn toeschouwers aanschouwelijk voor oogen; al ontleent hij de namen van personen en plaatsen aan Italië, Engelsche toestanden staan hem voor den geest; hier geeft hem een oogenblik later het nagenoeg eveneens klinken van _ship_ en _sheep_ (schip en schaap) aanleiding tot een woordspeling; later wil Lans (II. 3. 58.) het stroombed met tranen vullen, waarbij den toeschouwers de Theems voor den geest kwam; bij struikroovers dachten deze terstond aan de bekende roovers van Sherwoodforest, bij wie broeder Tuck kapelaan was; daarom laat de dichter (IV. 1. 36.) Italiaansche roovers bij de geschoren kruin van dien pater zweren. Zulk een dichterlijke vrijheid, die de voorgestelde zaken recht aanschouwelijk maakte, veroorloofden zich in de middeleeuwen de dichters algemeen, en dit gebruik was tot den tijd van Shakespeare in zwang gebleven. Aan onwetendheid des dichters behoeft men niet te denken.