Turckse slavernie

Part 4

Chapter 43,894 wordsPublic domain

d’ Eerſte daghen was ick ſeer verwondert dat de Patroneſſe my niet aen en ſprack: Want ſy koſte de Spaenſe ſprake ſeer wel, ende mede Franco, ende de Vrouwen van dat Landt ſoecken ghemenelijck occaſie met de Chriſtenen te diſcoureren. Ick gingh daghelijckx fonteyn water ſoecken voor de Huys-houdinghe, doende het ſelfde ſonder bevel, ende won allenskens de goede gratie van mijn Patroneſſe. ’s Morghens gingh ick met mijn Patroon inde Vleeſch-Halle, van daer ſonde hy my na Huys met het Vleeſch dat hy ghekocht hadde. De Patroneſſe dede my oock Vruchten ende Kruyden voor de Huys-houdinghe koopen: Doen begoſt de Mondt van mijn Patroneſſe ſich te openen, ende met my te kouten ſoo veel ende ſoo meenighmael, dat ick vreeſe hadde dat het mijn Patroon eenighe quellinge in ’t Hooſt ſoude geven. Eenmael ſeyde ſy my onder andere dingen: Chriſten, Godt geve u uwe liberteyt, ick bidde u ſeght my, ſijt ghy arm in u Lant? Ick antwoorde haer: Ick ben een arme Soldaet. Sy repliceerde, ghy meugt ſeggen wat ghy wilt, ghy ſijt nochtans niet ghelijck Gregorio: die was een andere Slaef van het Huys: Hy was geboren van Galicien in Spaignen, ende een Viſſcher in ſijn Lant, ende hy was doen een Thuynman van een Thuyn, mijn Patroon buyten de Stadt toe-komende. Deſe Slaef hadde een bequaem Lichaem om te wercken, ende na ſijn qualiteyt was hy wel genoegh op-gebracht.

Deſe goede Vrouwe dede my alle daegs veele curieuſe vraghen: ſy was langh, ſchoon van aenſicht ende vet, waer in de ſchoonheyt van een Vrouwe, na de opinie van de Africanen, beſtaet.

Alle daeghs, wanneer ick het Peert gevoert, Water gedragen, de Marct-gangh gedaen, ende andere dingen gedaen hadde, vraeghde ick mijn Patroneſſe oorlof na de Miſſe te gaen in de Bain van Alli Pegelin: het welcke ſy my altoos toeſtonde. Aengaende Mahomet Celibi Oiga, hy was een ſeer wel ghemaeckt Man van Lichaem, ſeer wel op-gebracht, ende ſeer ſober in ſijn eten ende drincken; want hy dronck anders niet als Water. Hy was ſeer devoot in ſijn Religie ofte Secte, hy was curieux in nieuwe dinghen van verre Landen te weten ende hooren, hy vraegde my na de maniere van leven vande Spaignaerts ende van de Nederlanders, ende of de Nederlanders Papiſten Chriſten waren, willende met dat Woort te kennen geven Catholijcken, om dat de Catholijcken onder de Paus ſijn. Hy verſtonde eenighſints de Coſmographie, hy vraeghde my waerom de Koningh van Spaignen ſoo machtigh ſijnde, met ſijn macht van het Koninckrijck van Duynkercke, dat is met de Provintien van Nederlant, de Flamencos niet koſte onder-brengen, verſtaende by de Flamencos de Hollanders? Ick verhaelde hem dat die Landen voor deſen aen de Kroone van Spaignen waren geweeſt, maer datſe gerevolteert waren.

Mijn Cameraet Monſieur Caloen was by de Groot-Moeder van Moſtafa Iugles, alwaer hy ſeer qualijck getracteert wierde: want in het Huys ſijnde woonde hy in een Kamer, met tachtigh Ponden Yſer aen ſijn Been, ende ſomwijlen was hy in haer Huys van plaiſier drie uyren buyten de Stadt, alwaer hy niet etens genoegh en kreegh.

De Ouders van Moſtafa Iugles, die ſoo veel Gelts gegeven hadden voor Monſieur Caloen, begonnen te murmureren, om datſe gantſch geen tijdinghe van Moſtafa hoorden, ende ſeyden daerom dat den Koningh van Vranckrijck het Koninckrijck van Duynkercke ghenomen hadde: Ende dreyghden hem ſijn rantſoen te doen betalen, indienſe binnen vier Maenden van hem niet en hoorden, ende alſoo de dingen van de Zee periculeux, ende duyſent fortuynen onderwerpen ſijn, ende mijn Cameraet Saldens doen op de wegh moſte ſijn met de vijf Turcken, taſte my de vreeſe menighmael aen van eenigh ongeluck datter ſoude mogen overkomen.

Maer alſoo Godt de Medicine geeft om de Siecken te geneſen, ſoo gebeurde het wanner ick van melancholie overwonnen was: want mijn Patroneſſe vertrooſte my met goede woorden. Ick hadde ſes maenden in dat Huys gewoont, wanneer ick de eerſte tydinghe van mijn Cameraet Saldens kreegh door een brief van hem gheſchreven uyt Ceuta, waerin hy my adviſeerde dat hy met de vijf Turcken aldaer ghearriveert was, ende dat wy met den eerſten ſouden komen inde Stadt van Tituan, in het Koninckrijck van Fez, om de verwiſſelinge te effectueren volghens het accoort tot Argiers met de twee Turcken gemaeckt. Hy ſchreef mede aengaende de 700. ſtucken van achten die de Ouders van Moſtafa pretendeerden van Monſieur Caloen, dat ſijn Vader geſeydt hadde dat hy hem liever ſoude laten berſten op de Galeyen, als die te betalen, maer aen de kant was gheſchreven in Latijn, hæc propter bene ſtare, welcke woorden wy uyt deden, ende gaven de Brief aende Moeder van Moſtafa, op datſe die ſoude laten leſen ende uytlegghen door een van haer Nederlandtſe Slaven, het welcke ſy dede, ende alſoo de Brief alleen mentie maeckte van vijf Turcken, ſonder de ſelfde by hare namen particulierlijck te ſpecificeren, begon deſe Vrouwe te ſegghen dat haer Soon tot Ceuta niet en was, ende dat Monſieur Caloen haer Soon ſoude moeten leveren, ofte datſe hem ſoude verbranden, ofte dat hy ſes duyſent ſtucken van achten voor ſijn rantſoen ſoude betalen. Maer ſy ontfingh op den ſelfden dagh een Brief van haer Soon uyt Ceuta, waer over de Moeder te vrede gheſtelt was, ende wy ſeer blijde, hopende dat ſy volkome ſatisfactie ſoude hebben.

Maer alſoo diſplaiſir ende gemenelijck altoos de ſchaduwe na het contentement volght, hadde ſy nauwelijcks de voorſz Brief geleſen, ofte ſy dede hondert Pont Yſer vaſt maken aen de Been van Monſieur Caloen, ſeggende dat hy oorſake was dat ſijn Vader niet hadde willen betalen de voorſz 700. ſtucken van achten: maer niet tegen ſtaende deſe difficulteyt ende tegenſpoet hadden wy goede couragie, tot dat wy een Schip ſagen, ’twelck alleen na de Windt wachte om na Tituan te ſeylen, ſijnde de plaets gedeſtineert om de Verwiſſelinghe met de Turcken die tot Ceuta waren, te doen: Ende ’t gene ons dede vreeſen was, dat indien het ſelfde Schip ſonder ons ſoude vertrecken, wy noch wel vier ofte vijf Maenden ſouden moeten wachten, eer wy ſouden konnen imbarqueren.

Daerom vonden wy goede raedt te vraghen aen een Renegado ghereformeerde Maiſtre de Camp, ghenaemt Saban Gallan Agade, die onder de Turcken ende Chriſtenen ge-eſtimeert was voor een eerlijck, rechtveerdigh ende Wijs Man, ende om de waerheydt te ſegghen, het was een man van morale deughden, ghelijck ghy ſien kondt in mijn 14. Relatie. Ick gingh hem ſpreecken ende ſeyde hem: De goede naem van uwe deughden, ſoo onder de Turcken als Slaven, heeft my hier doen komen, om u raet te vragen in mijn miſerie. Hy vraeghde wie ick was? Ick ſeyde hem, ick ben Emanuel de Aranda, van Vlaenderen geboren, een van de drie Chriſtenen die verwiſſelt moeten ſijn voor de vijf Turcken die genomen ſijn op de Caravelle van Barbar Aſſan, ende volgens ſeker Contract ’twelck wy gemaeckt hebben over ſes maenden in Argiers, is een van onſe Cameraets na Vlaenderen vertrocken, ende is nu wederom gekomen tot Ceuta, alwaer hy neffens de vijf Turcken ons verwacht, ende volgens dat Contract moeten ſy ons tot Tituan leveren, om de voorſz Verwiſſelinge te doen effectueren, maer ſy doen recht contrarie: want na dat men ſoo groote ende exceſſive koſten van de Reyſe van onſe derde Cameraet, door Italien ende Vranckrijck gedaen heeft, die de voorſz vijf Turcken over Engelant in Spaignen gebracht heeft, nu ſy tot Ceuta ſijn, als geſeyt is, in plaets van ons daer te ſenden, heeft de Oude Vrouw de Groot-Moeder van Moſtafa Jugles de Yſers doen leggen aen de Beenen van mijn Cameraet Ian Baptiſta Caloen, eyſſchende 700. ſtucken van achten. Sy begeert verder dat de vijf Turcken hier tot Argiers komen, ’twelck is directelijck tegens ons Contract.

Saban Gallan hebbende dit mijn verhael verſtaen, ſeyde my: ick ſal my informeren van uwe ſaecke, komt morghen op deſe uyre, ick ſal u antwoort ende raet gheven: ’s Anderen daeghs gingh ick op de uyre als hy gheſeyt hadde in ſijn Huys, ende vraeghde hem met de beſte gratie als my moghelijck was, ofte hy om my ghedocht hadde: Hy antwoorde my, ick hebbe my gheinformeert van uwe ſaecke, ende ghy moet weten dat de Moeder ende Groot-Moeder van Moſtafa, dat anders niet en doen, als om te ſien ofte ſy gheen Gelt van Ian Baptiſta Caloen ſouden konnen krijgen: Daerom wacht u wel yets te belooven, ende weeſt geruſt: Gy ſult ſonder faute met het Schip dat in de Haven is vertrecken, ende hoewel de Groot-Moeder van Moſtafa u dreygt, dat is niemendal: Want ſy ſoude voor geen dingh vande Werelt u alhier derven houden, noch oock Monſieur Caloen, want de twee Turcken ende de Vrienden van de andere Turcken ſouden klagen aende Baſſa. Ick bedanckte hem ſeer ootmoedelijck van ſijn goeden raet, in vergeldinge van de welcke gaf ick hem een obligatie van mijn hant, waer mede ick my obligeerde hem te betalen 25. ſtucken van achten, vvanneer ick tot Tituan ſoude ſijn, het vvelcke ick ghedaen hebbe volgens mijn belofte.

Ick ging Monſieur Caloen rapport doen van dit antvvoort. Hy vvas in een kleyne kelder met een keten aen ſijn Been, ende hebbende verſtaen dat vvy met het voorſz Schip ſouden vertrecken, het vvelcke hy vviſt dat inde Haven ghereet vvas, vermeerderde ſijn couragie ſeer, ende over ’t gene dat vvy niet een ſtuyver ſouden betalen. Tervvijl ick met Monſieur Caloen ſprack, quam de Groot-moeder van Moſtafa hem voor ſtellen, ofte hy de 700. ſtucken van achten niet en vvilde betalen? maer Monſieur Caloen ſpotte met haer: Het vvelcke haer dede vermoeden, dat ick hem eenigh advijs gegeven hadde, gelijck vvaer vvas, vvaer over ſy op my ſeer verſtoort was: Ende ſy quam ’s anderendaeghs mijn Patroneſſe ſpreken, ſeggende, waerom doet ghy de Yſers niet aende Beenen van uwe Duynkerckſe Slaef, op dat hy geen meer quaden raet aen ſijn Cameraet kome geven? mijn Patroneſſe antwoorde, waerom ſoude ick dat doen? mijn Duynkerckſe Slaef dient my trouwelijck, ende daerom hebbe ick geen reden de Yſers aen ſijn voeten te doen.

Dien ſelfden na-middagh gaende Gerſt voor het Paert ſoecken, was by gevalle mijn Patroon niet t’huys, ende mijn Patroneſſe hadde tijt my te vertellen alles wat gepaſſeert was met de Groot-moeder van Moſtafa. ’s Anderen daegs gingh ick wederom Monſieur Caloen beſoecken, ende als ick doende was te vertellen ’tgene de Groot-moeder van Moſtafa aen mijn Patroneſſe geſeyt hadde, quam de voorſz Oude Vrouw, ende ſeyde my: Doen ick laetſt-mael ten Huyſe van u Patroon was, heb ick uwe Patroneſſe geſproocken, de welcke ſonder mijne interceſſie hondert Ponden Yſers aen uwe Voeten ſoude geleydt hebben. Ick bedanckte haer van haer goede wille, haer gevende kort antwoort, dat ick wel geinformeert was van de recommandatie dieſe mijnen’t wege gedaen hadde. Op dit woort wiertſe verſtoort, ende ſondt den ſelfden dagh een Turck aen mijn Patroon, om haer klachten te doen van dat ick de oorſake was dat mijn Cameraet de 700. ſtucken van achten niet wilde betalen volgens haer pretenſie, ende badt hem dat hy my een Keten aen’t Been wilde leggen, ofte ten minſten dat mijn Patroon my in haer Huys ſoude ſenden, om geleyt te worden aen de Keten met mijn Cameraet: het welcke gedaen wierde ſonder weten van mijn Patroneſſe: want ick wierde in de Straet opgenomen, ende gebracht in het Huys van de Groot-moeder van Moſtafa, alwaerſe my neffens Monſieur Caloen aen een Keten van honderdt Ponden Gewicht vaſt maeckten, ende men dede ons gaen in een kleyne Kelder, alwaer wy niet en wiſten vvat eynde deſe ſaecken nemen ſouden: Want vvy vreeſden dat men ons ſoude doen beloven eenigh gelt met ſlagen met ſtocken.

Na dat vvy op die Plaets drie ofte vier uyren gevveeſt vvaren, quam een Chriſten Slaef genaemt Gregorio ons beſoecken, die van mijn Patroneſſe geſonden vvas, my latende vveten door die Slaef, datſe ſeer droevigh vvas, ende datſe van die ſake gantſch niet gevveten hadde, ende indien ick eten van noode hadde, datſe my het ſenden ſoude, ende dat ick goede couragie ſoude nemen, ende dat my geen quaet ſoude over-komen; dat dit alles maer gedaen vvas door de Groot-moeder van Moſtafa om ons gelt te hebben. Deſe bootſchap van Gregorio verquickte ons ſeer, ende vvy ſonden de ſelfde Gregorio met een Billet inde Bain van Alli Pegelin by een Tapper, by vvien vvy credijt hadden, om een Vleſſche met Wijn met een Schotel Spijſe: Het vvelcke gedaen vvierde, ende alſoo de voorſz Gregorio van mijn Patroneſſe geſonden vvas, dorſte de oude Vrouvve hem niet refuſeren te komen daer vvy vvaren.

Wanneer den Nacht ghekomen was, quam de oude Vrouwe met de Sleutels van de Kelder ons ſien, ende ſeyde ons: Siet toe, ſiet toe, wat ghy doet, het is nu de laetſte Nacht, ende morgen ſal het Schip na Tituan vertrecken, daerom indien ghy begheerigh ſijt uwe vrydom te hebben, geeft 700. ſtucken van achten, anderſints ſal ick u hier laten berſten als Honden. Monſieur Caloen antwoorde: Nadien mijn Vader niemendal geven wil, ende gy de Brief geſien hebt, ſoo veel my aengaet, ghy weet wel dat ick niet te geven hebbe, daerom hanght my ſoo het u goet dunckt: maer gedenckt dat uwen Moſtafa in de handen ende macht van mijn Cameraet is. Gy kent hem, ende dat hy niet lijden ſal een ongelijck het welck aen ſijne Vrinden ende Cameraets gedaen wort. De oude gerimpelde Vrouwe dat hoorende wierde haeſt raſende ende uyt haer ſinnen, ende gebruyckende hare gewoonelijcke dreygementen, retireerde ſy haer, ſluytende de Kelder achter haer toe.

’s Anderen daegs (ſijnde S. Andries dag) was het noch geen dagh, datſe ons quam ſeggen: De Wint is Ooſt, ende het Schip ſal op huyden vertrecken, daerom haeſt u te reſolveren oft ghy begeerte hebt vry te gaen. Wy antwoorden, ſent ons wegh, indien ghy begeerigh ſijt uwen Moſtafa te ſien, indien niet, ſullen wy Slaven blijven. Op de middagh quamen ons beſoecken twee ofte drie Chriſten Slaven, die met het voorſz Schip moſten vertrecken, (wy haddenſe uyt-ghemaeckt) om malkander adieu te ſeggen. Sy verſochten de oude Vrouw te ſpreken, ende ſeyden haer: Juffrouw, wy hebben verſtaen van onſe Lants-luyden, deſe twee Slaven, dat u Soon tot Ceuta is: Wy vertrecken binnen een half uyr met het Schip na Tituan, ende van daer na Ceuta: Indien het u belieft ons yet te bevelen, wy ſullen niet nalaten u bevel te executeren. De Oude Vrouw hoorende dat het Schip gingh vertrecken, begon te roepen ende als een ſottinne uyt te donderen: Hamers, Vijlen, om de Ketens af te nemen, op dat mijn Moſtafa wederom kome, ô Chriſtenen om Gods wille helpt ons de Yſers van deſe twee Chriſtenen af-nemen: Sy luyden wel wetende datter noch geen apparentie was van ſoo haeſt te vertrecken, hielden haer als oft ſy het niet en hoorden: Ende ſeyden ons, Adieu Lants-luyden, wy ſullen rapport doen aen uwe Cameraet Saldens vande ſtaet waer in wy u gelaten hebben, ende daer mede gingen ſy wegh.

Sy als deſperaet ſijnde riep hare Slavinnen, die met de Hamer niet koſten omgaen. Sy riep een van haer Na-buyrs, die ſterck arbeyde om de Keten los te maken: ondertuſſchen murmureerden wy, ſeggende, door uwe onverſadelijcke gierigheyt ſult gy oorſake ſijn dat wy miſſchien noch ſes maenden alhier ſullen blijven, ende u Neef even ſoo veel tijt tot Ceuta, neffens de vier andere Turcken, wiens Vrinden u duyſent ende duyſent mael den Duyvel ſullen toe-wenſchen, om dat ghy aldus haer miſerie verlanght. Terwijl wy dus ſpraken, wierde de Keten geopent. Sy ſeyde my, loopt ras na het Huys van u Patroon, ende ſeght hem van mijnen’t wegen dat hy de Schipper wil ſpreken. Ick wiſte wel datter noch tijts genoegh was, ende dat mijn Patroon op deſe ſtont in de Meſkite (dat is de Kerck) was. Ick toonde haeſt te hebben, ende gingh recht na Huys mijn Patroneſſe bedancken voor de groote ſorge dieſe over my gehadt hadde. Sy ſeyde my datſe ſeer blijde was over mijn verloſſinge, ende dat ick mijn Been uyt het Yſer hadde, ende dat ick in hope was mijn volkomen vryheyt haeſt te hebben.

Het was juyſt de uyre ende tijdt dat de Hala (dat is te ſeggen het Gebedt van de Turcken) moſte eyndigen. Ick gingh na de deure van de Meſkite mijn Patroon verwachten, ende wy gingen te gelijck de Schipper ſpreken, die ſeyde datter geen apparentie was van dien dagh te vertrecken, maer dat hy ſoude vertrecken met de eerſte goede Wint. Ick keerde met mijn Patroon na Huys, doende mijn beſte om yetwes te hebben om op Zee te eten: want ick wiſte wel dat wy anders niet als oude Beſcuyt ſouden hebben om te eten. Mijn Patroneſſe gaf my een halve Majorckſe Kaes, ende twaelf ofte vijfthien ponden Wit Biſcuit. Monſieur Caloen ontfingh van de Moeder van Moſtafa mede wat. Wanneer wy gereet waren om te vertrecken, quam’er een andere difficulteyt, te weten datter een Turck met ons ſoude gaen na Tituan, die voor ſijn moeyte 50. ſtucken van achten ſoude hebben, welcke ſomme ſy ons wilden doen betalen. Maer daer wierde beſloten dat wy de helft daer af ſouden betalen, ende ſy de andere helft.

Het was den 8. December, onſe Lieve Vrouwen dagh des jaers 1641. wanneer de Wint ons gantſch favorabel was. Ick ſeyde mijn Patroon ende Patroneſſe Adieu, die my duyſent goede toe-wenſchinghen gaf. Daer na ging ick met Monſieur Caloen Scheep. Wy vonden in het Schip eenige Chriſten Slaven die na Tituan toe gingen om haer vrydom aldaer te negotieren met eenige Jootſche ende Moorſche Koopluyden. Als wy alle Scheep waren, ſchoot men een Stuck Geſchut af tot een teecken dat de Pachters van de Tol het Schip ſouden komen viſiteren, ende voornementlijck om te ſien oft de Chriſtenen die af gekocht waren, het recht betaelt hadden: vvant hoevvel de Patroon voldaen is, moet een Chriſten al eer hy mach vertrecken een ſekere taxt betalen. Na dat het Schip geviſiteert vvas, keerden ſy met de Boot vvederom na de Stadt, van vvaer ſy een teecken gaven dat het Schip ſoude vertrecken, vvant ſy mogen in de Stadt niet komen tot dat het Schip in Zee ſy: ende dat vvort gedaen op datſe geen Slaven ſouden ontſtelen.

Wy beginnen dan de reyſe met een ſeer goede wint, tot de ongeluckige plaetſe toe, die ghenaemt wordt Cabo de Tenes, gelegen ſijnde drie mijlen van Argiers. Ick noeme deſe plaets ongeluckigh, om dat de Keyſer Carolus de vijfde in het Iaer 1541. den 27. October aldaer door een tempeeſt verloor een goede ghedeelte van ſijn Galeyen ende Schepen: het welcke geſchiede wanneer de entreprinſe van Argiers manqueerde. Hier wierde de wint gantſch contrarie, ’twelck ons wederom dede keeren ter plaetſe van vvaer vvy gekomen waren: ende vvy quamen ’s anderen daeghs ſeer droevigh tot Argiers. Ick gingh vvederom by mijn Patroon Mahomet, die neffens mijn Patroneſſe my vvelkom heten. Wy vvaren daer noch eenige dagen eer de vvint goet vvierde. Ende vvy gingen voor de tvveede mael Scheep. De vvint vvas ons ſeer favorabel, ſoo dat vvy in drie dagen paſſeerden de Eylanden van Frumentera ende Ivica, ende vvy ſagen de Kuſte van Valencien; maer te vergeefs: vvant ten eynde van acht dagen vvaren vvy vvel geluckigh dat vvy vvederom tot Argiers koſten komen, alvvaer vvy arriveerden den 29. December.

Die van de Stadt ſiende het Schip vvederom komen, meenden dat het ſijn Reyſe volbracht hadde, ende vvederom gekomen vvas: maer ſy vvaren bedrogen. Ick vvas van deſe reyſe ſeer vermoeyt, ende vande Zee ſeer onluſtig gemaeckt, om dat vvy met ons ſeſtien Chriſtenen in het kamertje voor in ’t Schip negen voet lang ende ſeven voeten breet acht daghen ende acht nachten beſloten vvaren ghevveeſt. Onder deſe ſeſtien Chriſtenen vvarender eenighe ſieck die ons ſeer incommodeerden: Ende alles vvel gheconſidereert ſijnde, ick vervvonderde my dat vvy alle niet ſieck ghevvorden ſijn, om dat gheduyrende de voorſz acht daghen de tempeeſt niet op en hiel: Soo dat niemant van ons ſeſtien in alle dien tijdt op den overloop ging om ſich te reynighen vande Luyſen ofte ſich te waſſchen, maer wy bleven in ons Kamertje als Honden in haer neſt.

Soo haeſt als het Ancker ghevallen was, gingh ick aen Landt, ende gingh wederom na mijn Patroon, die verwondert was my wederom te ſien. Ick vertelde hem de miſerie waer in wy acht dagen geweeſt waren. Ick was ſeer droevigh dat wy onſe reyſe niet hadden konnen vervorderen: Maer de ververſchinghe op ’t Landt verquickte my wat. Ick was oock ſeer blijde te ſien de ſolemniteyten die de Turcken doen wanneer ſy Paeſſchen houden, dieſe noemen Paeſſchen van Ramedan: want ſy hebben verſcheyde Paeſſchen. Ende het jaer te voren dat ick in Argiers was, hadde ick van alle de ſolemniteyten niet gheſien: Want inde tyt van het Paeſſchen was ick ghearreſteert, in het Paleys vande Baſſa, van waer ick niet konde uyt gaen als vooren gheſeydt is. Deſe Feeſt duyrt acht daghen. En wordt met groote pracht ende vreuchde gecelebreert: Men doet alle daghen buyten de Stadt exercitien, ende ſpelen te Peerde diemen in Spaingen noemt juego de canas: Ende de Kinderen vande Turcken doen haer trecken in kleyne Triomph-wagens: Ende de Chriſten Slaven dienen in plaets van Peerden die haer loon weten. Ende daer warender eenighe die in deſe acht daghen wonnen vijftien ofte ſeſtien ſtucken van achten. De andere Chriſten Slaven verkochten aende kinderen poppegoet, ghelijck men in Neerlandt inde Kermiſſen doet. Andere hadden haer kleyne tafel om te dobbelen, waer mede ſy oock Gelt van de kinderen wiſten te krijghen, ende alle daeghs warender worſtel ſpelen, waer in ick eenige Mooren ſeer eerdigh vondt, ende het meeſtendeel celebreerde het Paeſſchen met droncken drincken (hoewel directelijck teghens het bevel vanden Alcoran is, eenighe Wijn ende Brande-Wijn te drincken) maeckende goede cier met ſeer groote appetijt: Want ſy vaſten een maendt voor Paeſſchen, waer toe ſy alleen by dage ſubject ſijn.

Deſe vaſten tijdt wordt ſoo rigoureuſelijck gheobſerveert, dat ſoo yemandt bekent wordt by daegh een beet ghegeten te hebben, ſoudemen hem ghegoten loot in ſijn Mont gieten, volghens hare wetten: Maer by nacht is het haer toeghelaten te eten: Ende om haer te laten weeten datſe behoorde te eten, doenſe langhs alle de ſtraten een Trommel-Slagher de gantſche nacht door marcheren ende ſlaen. Dit Paeſſchen is de Chriſtenen mede ſeer aenghenaem: Want ghelijckmen in Nederlant op nieuwe-jaers-dagh aen de dienſt-boden yetwes geeft, ſoo gheven de Turcken oock op den dagh van Ramedans Paeſſchen eenighe danckbaerheydt; ende de eerſte drye ofte vier daghen doetmen gheen Slaven wercken.

Na dat ick alle deſe ſolemniteyten gheſien hadde, bleef de windt noch contrarie tot den 14. Ianuary 1642. als wanneer wy ons voor de derde mael imbarqueerden. Wy hadden de Haven naeuwelijcks verlaten, ofte de windt wierde wederom contrarie. Maer om dat wy tweemael wederom ghekomen waren, ende eenighe Turcken onſen Schipper beſpot hadden, ſegghende dat hy ſijn Ambacht niet en kende, hem noemende onwetende ende bottert, onſe Schipper dat verwijten niet konnende verdraghen, ſwoer dat wanneer hy noch eenmael geimbarqueert ſoude ſijn, hy niet meer tot Argiers ſoude komen, ſonder dat hy ſijn reyſe volbracht ſoude hebben, al ſoude hy een Iaer op Zee blijven. De windt was ons ’t eenemael contrarie, ſoo dat wy gheſeyt ende gheoordeelt ſouden hebben dat Neptunus jalours ende nijdigh was over onſe ſchijnelijcke liberteyt: Evenwel laveerden wy, hopende op een goede windt. Den achtſten dagh waren wy voor Oran, ’t welck is ontrent veertich mijlen van Argiers.