Part 1
TURCKSE SLAVERNIE,
Beſchreven door
Emanuel De Airanda, Soo hy ſelfs die geleden heeft:
Mitſgaders
Verſcheyde particuliere en vermaeckelijcke Verhalinghen van veelderhande dingen die geſchiet ſijn terwijl hy in Slavernie is gheweeſt.
Als mede
De verſchrickelijcke maniere van Iuſtitie by die van Argiers gebruycklijck.
Seer aengenaem te leſen voor alle curieuſe Perſoonen, ende nootſakelijck voor alle Zee-varende Luyden, om te weten, waer na ſy in ſoodanigen ongeluck ſich hebben te reguleren.
In ’s Graven-Hage,
Gedruckt, by Chriſtoffel en Iaſper Doll, Boeckverkoopers 1666.
VOOR-REDEN. Tot den LESER.
Beminde Leſer,
Ick preſenteer u een werck, ’t welck niet en verdient de naem van de Hiſtorie te hebben, maer alleen een eenvoudighe en waerachtige Verhalinghe van vreemde ende verſcheyde dingen, die my gebeurt ſijn in de tijde van mijn Reyſe, ofte die ick geſien hebbe aen andere gheſchiet te zijn: Uyt de welcke ick vryelijck ſal bekennen dat ick immers ſoo veel, indien niet meerder profijt in weynigh tijdts getrocken hebbe, als uyt mijne Studien in vele Iaren. Het welcke ghy lichtelijck ſult konnen begrijpen indien ghy de patientie wilt nemen dit Boeckje ’t welck ick u preſentere te leſen: Waer in gelijck een Zee-Man onder ſijne Vrienden ſpreeckt van Tempeeſten en Schip-breucken, een Soldaet van Bataillen ende wonden, een Herder vande Wolff ende ſijne Kudden; Ick u ſal onderhouden, u leydende van Madrid in Spaignen, ende wandelende door de Zee ende door Africa, tot dat wy wederom komen in ons Vaderlandt.
REGISTER
Vande particuliere VERHALINGEN.
I. Verhael. Hiſtorie van een Spaenſe Geeſtelijcke Perſoon, die tot Argiers Slaaf was. 117 II. Vande Manhaftigheydt van een Hollantſe Capiteyn, die ſich defendeerde alleen tegens vijf Turckſe Galeyen, ende twee Brigantijns, ende haer verſtroyde. 124 III. De volſtandigheydt van een Chriſten Slavinne, om in haer Gheloof te blijven. 132 IV. De onwetende Lieden imagineren haer ſelven in vreemde dingen. 134 V. Van vijf Turckſe Slaven, die door een wonderlijcke practijck haer ſalveerden, ende vande reſcontre van een Schip van Duynkercke. 137 VI. Een wonderlijck effect van een vervloeckte Liefde. 139 VII. Van twee ongeluckige Slaven, die inde Mamore van Tituan gheſteldt wierden. 141 VIII. Van een Portugijſe Edelman, die gevanghen wierde ende tot Argiers gebracht. 146 IX. Een nieuwe Slaef moet ſich van een yeder miſvertrouwen. 153 X. Van twee nieuwe getrouden, die vande Turcken ghenomen, ende tot Argiers tot Slaven ghebracht wierden. 157 XI. Vande ondanckbaerheydt van een Portugijſe Slaef. 160 XII. De maniere vande Dooden tot Argiers te begraven. 164 XIII. Van den onbedachten yver, ende van den voorſichtigen yver. 166 XIV. Twee exempelen van mildadigheydt ende erkenteniſſe. 169 XV. Vande maniere van Trouwen tot Argiers. 174 XVI. De nootſaeckelijckheydt is de Moeder vande neerſtigheydt ende vande vernuftigheydt. 178 XVII. Van een Pater Carmelijt die Slaef was, ende van Alli Pegelin. 183 XVIII. Het gebruyck van Vergift is ſeer gemeen in Africa. 193 XIX. De Turcken houden haer woordt. 197 XX. De Vrouwen ende de Wijn bedriegen de looſte die der ſijn. 202 XXI. De maniere om de Pocken tot Argiers ſonder Chirurgijn te geneſen. 207 XXII. Van een Fransman die ſich Turcx wilde maecken, ende een Chriſten bleef tegen ſijn danck. 209 XXIII. Vande openhertigheyt van een Ioodſe Dochter. 211 XXIV. Van het wijs retireren van een Zee-Roover. 213 XXV. Godt geleydt door ſijn voorſienigheyt den ghenen die een goede intentie hebben. 216 XXVI. De openhertigheyt van een Duynkerckſe Slaef. 220 XXVII. Kluchtighe reſcontren vande Fortuyne der Slaven. 222 XXVIII. Een Slaef dient ſich van alles om te leven. 230 XXIX. Vande getrouwigheyt van een Man, ende vande ontrouwigheydt van ſijn Vrouw. 233 XXX. Krackeel tuſſchen Spaenſe ende Portugijſe Slaven. 238 XXXI. Een Slaef moet niet al te ſeer betrouwen op de al te groote courtoiſie van ſijn Patroon. 241 XXXII. Van een Religieus die ſijn Geloof door ſwackheydt verſaeckte wanneer hy binnen Argiers Slaef was, ende die door ſijn betrouw een Martelaer wierde. 244 XXXIII. Van het voornemen dat wy gheformeert hadden, om ons Meeſter te maecken van het Schip ’t welck ons na Tituan brocht. 251 XXXIV. De curieuſheydt wordt voldaen met de tijdt ende patientie. 256 XXXV. De onnoſele beſchuldight. 263 XXXVI. Ghetrouwigheydt, ſtantvaſtigheydt, vergeldinghe ende danckbaerheydt. 267 XXXVII. Schip-braeck in de Haven. 270
TURCKSE SLAVERNIE, GELEDEN EN BESCHREVEN DOOR EMANUEL D’ AIRANDA.
Na dat ick een Iaer in Spaignen gewoont hadde, ende eenigſints vergenoegt was in het voornemen ’twelck ick hadde dat Koninckrijck te ſien, ende de ſprake te leeren, maeckte ick rekeninge wederom na Nederlandt te vertrecken, ende om dat ick van Engelant af gevaren ſijnde, tot S. Lucar de Barameda aen Lant gekomen was, in welcke reyſe ick in groot perijckel was geweeſt van de Turcken genomen te worden, dachte ick dienſtigher te ſijn over S. Sebaſtiaen weder te keeren, om ſoo grooten Zee, ende voornamentlijck het perijckel van de Turcken te ontgaen, de welcke by na altoos op de kuſte van Spaignen ende Portugael ſijn; als mede om Caſtilla la vieja, ende Biſcayen te ſien. Ick ben van Madrid vertrocken den 1. Auguſti 1640. hebbende tot geſelſchap een van mijn Lants luyden genaemt Reynier Saldens, ende ick ben den 13. Auguſti tot S. Sebaſtiaen gekomen, alwaer ick vonde Monſieur Ian Baptiſta Caloen ende de Ridder Philips de Cherf, die voor genomen hadden Scheep te gaen in een van twee Engelſe Schepen dit in de Haven lagen, gereet om ’t zeyl te gaen als de wint goet ſoude ſijn: even den ſelfden Nacht wierde de windt goet: ’s anderen daeghs gingh ick Scheep met de voornoemde drie Vrienden, ende met die goede wint raeckten wy in volle Zee, de welcke na twee uyren tijts ofte daerontrent dat wy uyt de Haven vertrocken waren, heel ſtil wierde, ende dien ſelfden nacht gantſch contrary, waer door wy genootſaeckt waren te laveren, hopende op een goede windt. Na dat wy ontrent vier dagen op die maniere gheſeylt hadden, quamen wy op de hooghte van Rochel in Vranckrijck, alwaer wy een Rochelſe Vry-buyters Fregat reſcontreerden, die ons quam verſpien, ende ſiende dat wy Engelſche Schepen waren, quam deſelfde Fregat nader by ons, ende de Capiteyn ſont met ſijn Boot vier Soldaten aen ons Boort, om het Paſpoort van onſe Schipper te ſien, die de Schipper terſtont toonde, gevende een ſtuck gelts aen de Soldaten van de Fregat; ende ſoo keerden de ſelfde wederom na haer Schip, rapporterende aen haer Capiteyn datſe ons Paſpoort gheſien hadden. Doe quam de Rochelſe Capiteyn achter op ſijn Fregat, onſen Schipper toe-roepende, weeſt wel op u hoede, ſoo het u goet dunckt, want daer ſijn vijf Turckſe Vry-buyters in het inkomen van de Canael, met de Zeylen aen de windt. Maer onſen onhervaren Schipper vertoonde dat de Oorlogh Schepen van den Koningh van Engelant, die ſomwijlen buyten de voorſz Canael quamen, deſe kuſte tegens de Turcken ſouden bewaren, ende hiel de ſpot met het perijckel, ſonder te conſidereren de kleyne macht die hy hadde om ſijne vyanden te reſiſteren, ende vervorderde ſijn reyſe, meenende dat het onmogelijck was dat de Turckſe Vry buyters ſoo veer ſouden komen, alwaer oock de Duynkerckſe ende Hollantſe vry-buyters daghelijcks de zee kruyſſen. Hebbende de windt geſtadigh contrary, het was ſeven dagen dat wy van S. Sebaſtiaen vertrocken waren, ende niet verder ghekomen als op de kuſte van Bretaignen in Vranckrijck.
Den ſelfde dagh ontrent ten twee uyren na middag, ſagen wy veer van ons af twee Schepen, die wy oordeelden Koopvaerdy Schepen te ſijn, ende een weynigh daer na ſaghen wy der maer een, te weten het kleynſte, dat met volle Zeylen op ons aen quam, ende wanneer het ons naderde, ſagen wy dat het een Caravelle was. Onſe Schipper liet de Mars-zeylen neer halen, voor reden daer toe ghevende, dat het de Enghelſe maniere niet en was op Zee te vlughten. Ende onſe Mars-zeylen ſoo neerghehaelt ſijnde, ende het Schip dat ons volghde met volle Zeylen aenkomende, was het by na onder ons Geſchut ſonder een Vlagge te laten uythanghen: waer door lichtelijck te oordeelen was dat het ſelfde Schip een Zee-rover ofte Vrybuyter was. Maer onſen onhervaren Schipper liet de Boot in Zee ſetten, om te vraghen wat volck het was, meenende dat het een Franſe ofte Duynkerckſe Vrybuyter was. De Turcken die inde Caravelle waren (gelijck ick daer na verſtonde als ick ghevanghen ghenomen was) ſiende dat men ons in wachtede met de Mars-zeylen neer gehaelt, ende dat men de Boot in Zee geſet hadde, ende voorts alles gedaen ’twelck men ghewoon is te doen, wanneermen vechten wil, beduyden deſe daet te procederen van een kleyne ervarentheyt van onſe Schipper, ende dat hy ſigh wilde defenderen. De Capiteyn vande Caravelle liet mede ſijne Mars-zeylen neer halen, willende niet nader by ons komen. Ondertuſſchen overviel de nacht, ende de Caravelle bleef geſtadigh in ons geſight, met een Lanteerne achter aen, om ſijn Cameraets een teecken te geven: het welcke wy Paſſagiers wel dachten, maer de Schipper lachte ons uyt: Alle het gene dat wy met goede woorden van hem konden verkrijgen, was, ons Schip gereet te maken om ons te weeren. Dus ghereet gemaeckt ſijnde, paſſeerden wy de nacht, ende van vier ſtucken geſchut die ons Schip op hadde, waſſer maer een dat dienſt konde doen. Dit alles geſchiede met neergehaelde Mars-zeylen, ſoo dat wy weynigh wegh vervorderden, noch de Caravelle oock niet.
Wy in deſe ſtaet malkander aenſiende, paſſeerde de nacht, ende ontrent ten vijf uyren ’s morghens den 22. Auguſty, ſagen wy twee groote Schepen, die met volle Seylen op ons aen quamen. Daerom baden wy de Schipper dat hy zeyl wilde maecken, maer hy bleef eyghenſinnigh: yder ſeyde ſijne redenen, ende de Schipper die geen reden hadde, wilde oock geen verſtaen. Ontrent ten thien uyren voor middagh voeghden de twee Schepen haer by de Caravelle, alle noch ſonder Vlagge. Doen wonnen ſy op een ooghenblick met volle Seylen de wint van ons, een Musket ſchoot af. Op het achterſte van het grootſte Schip ſtondt een Turck, die een toegeſlagen Vlagge in ſijn armen hadde, ende een Chriſten ſlaef, die riep, ſtrijckt voor Argiers. Op dit gheroep liet die ghene die de Vlagghe hiel, de ſelfde uytwayen. Sy was groen, met ſilvere halve manen in de ſelfde. Hoe aenghenaem ons die Vlagge was, ende te ſien ons na Argiers brengen, kanmen lichtelijck dencken. Derhalven ſtelden wy onſen Schipper voor dat hy ſoude parlementeren op conditie datſe ons aen het eerſte Landt vande Chriſtenen aen Landt ſouden ſetten, ende dat wy haer twee ende dertig duyſent ſtucken van achten ſouden geven, welck gelt in ons Schip was: want het ghebeurt ſomwijlen dat wanneer de Turcken eenigh Schip met accoort nemen, ſy haer woort houden, ende de gevanghens aen lant vande Chriſtenen ſetten ſoo haeſt als het haer moghelijck is. Maer onſe goede Schipper in plaets van parlementeren, vraeghde offer quartier was: men antwoorde uyt de Turckſe Schepen, Ia, Ia, goet quartier. Deſen manhaftighen Schipper meenende dat hy ghenoegh gedaen hadde, liet de Ree op de overloop nederhalen, ende de vlagge van achter af nemen, ende verliet met drie ofte vier van ſijn Boots-volck ſijn Schip, ende roeyde met de Boot na de Turckſe Schepen toe, ende gaf ſich over in handen van ſijne vyanden.
De Turckſe Soldaten begerigh ſijnde te plonderen ende buyt te maecken, quamen terſtont thien ofte twaelf met de Boot aen ons Boort, onder het geleyt van een Capiteyn, die de eerſte was die in ons Schip quam. Hy was een Engelsman, maer een Renegado, ende alſoo ick als doen op den overloop was, vraegde hy my van wat Natie ick was, ende of ick een Koopman was, ick antwoorde, ick ben van Duynkercken ende een ſoldaet van mijn profeſſie: waer op hy repliceerde in Nederduyts, Broeder patientie, het is de Fortuyne vanden Oorlogh, huyden voor u ende morgen voor my. Ick gaf hem het gelt dat ick by my hadde; ende terſtont ſtack een andere Turck ſijn hant in mijn dye-ſack, nemende mijn Buſſe, Neuſdoeck, Pater noſter ende Gety-boeck; het welcke hy my wederom gaf met de Neuſdoeck, maer het Pater-noſter ende de Buſſe behiel hy, om de welcke hy ſeyde dat ick een Barbier was.
Na datſe geplondert hadden die op den overloop ende inde Kayuyt waren, brachten ſy ons met de Boot aen Boort van een van haer Schepen, latende in ons Schip dat genomen was twaelf Turcken om het ſelfde te gouverneren: ende alſoo de wint Ooſt was, wenden ſy de ſchepen na de Spaenſe kuſt, ende in twee dagen quamen wy te ſien de Caep van Galicien, die men noemt le Caep del Mort.
Ick was tot hiertoe als in een droom, inde welcke men ſiet vreemde ſpoocken, de welcke veroorſaken vreeſe, verwonderinge, ende curioſiteyt: acht nemende op verſcheyden ſpraecken (want men ſprack ’er Turcks, Arabiſch, Franco, Spaens, Frans, Nederduyts ende Enghels) op vreemde kleedingen, ende verſcheyde maniere van wapenen, mitſgaders op de beuſelachtige ceremonien wanneerſe bidden, u verſekerende dat dit alles my ſtoſſe gaf om vlytigh acht te nemen: maer na dien de verwonderinge, vreeſe, curioſiteyt, ende melancolie my niet te eten gaven, ende dat mijn maegh ſulckx begeerde wegen den honger, ſchickte ick my by vier Chriſten Slaven, de welcke hoewelſe voor haer portie anders niet als Biſcuyt en ontfingen, nochtans ſomtijdts potage van rijſt maeckten, ofte van eenig dingh dat ſy van Landt mede gebracht hadden: Ende men moet weten dat de voorſz Slaven gekomen waren met een van de ſchepen van Argiers: want de Turcken imployeren op Zee de Chriſten ſlaven voor Boots-gheſellen. De windt was nogh goet. Het was den elfſten dag van onſe ghevangheniſſe, ende wy waren inde naeute van Gibralter, in het paſſeren vande welcke de Turcken gemeenelijck vele ſuperſtitieuſe ceremonien maecken: onder andre werpenſe inde Zee een pot vol olye, ende gheloven dat die pot na een gheberghte gaet, die van het zee varende volck ghenaemt wort den Bergh van Teeckens. Want de Turcken ſegghen dat aldaer een glorieuſe Heylige Man woont die (na ſy ſeggen) ſich voet met deſe Olye die in de Zee geworpen wort. Sy ſtellen oock kleyne brandende Keerſen op de ſtucken Geſchutſ ende laten die branden ſoo langh tot datſe gepaſſeert ſijn, voornementlijck warneerſe by nacht paſſeren. Alle deſe ſuperſtitien worden met vele gebeden ende andere ceremonien gedaen.
Den derden dagh na dat wy de voorſz naeute gepaſſeert waren, quamen wy met het op-gaen van de Sonne voor Argiers, ende de Capiteyn dede een ſalvo ſchieten. Op dit geluyt quamen alle curieuſe perſonen van de Stadt aen de Zee-kant, ende alſoo ick by derthien andere Chriſtenen ſliep, yder een yſere keten aen ſijn voeten, hadde men het Ancker alreede laten vallen, al eer de ketens van ons genomen werden. Hebbende de voeten vry gingh ick op den overloop, alwaer ick de Zee-kant vol Alarbes vont. Ick vraeghde de Capiteyn (die een beleeft man was) wat volck dat was, want ſy hadden anders geen kleederen aen als drie ofte vier ellen Laecken ronts om haer lichaem ghewonden, ſonder dat eenigh Snijder de hant daer aen gehadt hadde: hy ſeyde my, het ſijn arme luyden ende Boeren van het Lant.
Hier begint onſe Tragedie: De Reders van de Schepen die ons genomen hadden, deden ons aen Lant ende op de marct gaen, alwaer de Chriſtenen verkocht worden, om te ſien offer yemant was die ons kende, van daer bracht men ons in het Paleys van de Baſſa (dat is de Gouverneur, die ſommige Koningh noemen, maer hy is maer een Onder Koningh) om dat hy ſijn gedeelte moet hebben van de nieuwe ſlaven, te weten van acht eenen. Hy was in de Zael van audientie geſeten met de Beenen gekruyſt, gelijck de Snijders hier te Lande doen wanneerſe wercken, op een breede Banck met blau Tapijt bedeckt. Hy hadde in ſijn hant een Wayer van Pluymen, ſijn kledinge was een lange Rock van roode zijde, ende hadde op ſijn Hooft een groote Turban ſeer curieux bewrocht, met de Beenen naeckt. Het was een Man van goet ende reſpectijf aenſien: maer al eer wy aen hem geſonden waren, was hy geinformeert dat de Ridder Philips de Cherf een Edel Ridder was, ende nam hem voor ſijn achtſte part.
Na dat de Baſſa ſijn recht ontfanghen hadde, bracht men ons in het Huys van een eerweerdigen Turck, die een van de Reeders was van de Schepen die ons ghenomen hadden: Ende als wy in ſijn Huys quamen, vraeghde hy ons in de Italiaenſe ſprake, of wy dien dagh gegeten hadden? Wy antwoorden, neen. Doe beval hy een van ſijn Chriſten ſlaven, ons een korf met Raſijnen ende Broot te gheven. Het Huys was op ſijn Italiaens gebouwt, de Gallerien waren van Wit Marber, ſoo wel de vloer als de Pilaren, ende de Boghen ſeer wel gheproportioneert na de Gebou konſt. Wy moſten den nacht paſſeren in de ſelfde Galeryen op de vloer, u verſekerende, dat ick liever in een ſtal op ſtroo ſoude hebben willen ſlapen: Want nadien vvy niet gevvoon vvaren ſoodanigh ongemack te lijden, vvaren vvy ’s morghens verſtijft, ende als vertreden aen armen ende beenen. Wy en mochten uyt dat Huys niet gaen totdat vvy verkocht vvaren. Wy vvaren daer ſeven dagen, vvachtende tot dat ſommighe Chriſten ſlaven, die voor ons genomen vvaren, verkocht ſouden ſijn. Ondertuſſchen quam dien Chriſten Meeſter-Verrader, vvaer van ick in mijn 9. Verhael mentie maecke, ons beſoecken ende vertrooſten, maer vvy vvaren alreede gevvaerſchout dat hy een Verrader vvas. De Generael Alli Pegelin ende eenighe van de voornaemſte Turcken quamen ons beſoecken, ende beſien om ons te koopen. Sy vraeghden ons of vvy niet en hadden om ons rantſoen te betalen, ende datſe ons goede paſſagie ſouden geven? Wy antvvoorden alle eendrachtig, dat vvy gheen gelt en hadden, maer dat vvy hoopten dat het goede Volck van ons Landt ons ſouden trachten te helpen met Aelmoeſſen.
Het was even den 12. September dat de voornoemde Slaven verkoft ſijnde, wy op de merckt gebracht wierden, alwaer men gewoon is de Chriſtenen te verkoopen. Een oudt opveyler hoog bejaert hebbende een ſtock inde handt, nam my by de arm, ende leyde my menighmael over de marct, ende die luſt hadden my te koopen, vraegden na myn Vaderlandt, mijn naem, ende mijn profeſſie: Op het welcke ick antwoorde met voorbedachte logens, dat ick gebooren was in het Landt van Duynkercke (in plaets van te ſeggen van Vlaenderen) inde Stadt van Damme, ende een Soldaet was van profeſſie: ſy voelden my de handen oftſe hert ende be-eelt van werken waren, ſy deden my oock de mondt open doen om mijn tanden te ſien, oftſe bequaem waren om biſcuyt op de galeyen te bijten. Daer na deden ſy ons alle neder ſitten, ende dien ouden Op-veyler nam de eerſte in de rye by de arm, marcherende met hem drye ofte vier malen over de marckt roepende Arrache, arrache, het welcke te ſegghen is, wie bieter meer voor? Den eerſten verkoft ſijnde, ſteldemen hem aen d’andere zijde vande merct, beginnende een nieuwe rye te maecken.
Terwijl men de eerſte van onſe rye verkoft, was ick even gheſeten tuſſchen mijn cameraets Monſieur Caloen ende Reynier Saldens: de welcke niet teghenſtaende deſe tragediſche actie daer wy in waren, ſeyde met een groot ſuchten: Het is van daeg kermis in ons Dorp in Vlaenderen, indien wy daer waren, ſouden wy goede Wijn drincken, ende Wafelen eten met de goede Vrienden: ick antwoorde hem, wy ſijn nu in een fraeyen kermis: Het welcke ick naeuwelijcx gheſeyt hadde, ofte den ouden Op-veyler nam my by de arm, my doende marcheren, ghelijck hy de andere gedaen hadde, ende riep, Arrache, arrache. Ick hoorde verſcheyde perſoonen gelt bieden, ſonder dat ick nochtans verſtonde wat ſy ſeyden. Ick vraeghde een oude Slaef, hoe veel ſy booden: hy ſeyde my: die bied 190. ſtucken van achten, die 200. ende eyndelijck wierde de koop gemaeckt voor 200. ſtucken van achten.
Die my gekoft hadde, was een Ronegado ghenaemt Sadan Gallan: Maer alſoo de Baſſa het recht van herkoopinghe heeft, wierden wy noch eenmael voor de Baſſa ghebracht, dragende de teeckenen op ons hoedt in Cijffer voor hoe veel dat wy verkoft waren, preſenterende aende Baſſa het recht van herkoopingh, die ons alle drye nam, te weten Monſieur Caloen, Reynier Saldens, ende my. Hy ſeyde dat hy wel gheinformeert was dat wy rijck ende Ridders waren: maer niet teghenſtaende deſe qualiteyt die hy ons gaf, bracht men ons inde ſtal van ſijn Paleys, alwaer wy 250. Slaven vonden, ſijnde Roeyers van ſijn Galeye. Wy waren in die ſtaet een ende twintig dagen: alwaer vvy voor ons portie alle daeghs twee brooden ontfingen.
Het vvas doen het eynde van September, ende de tijt dat de Galeyen haer laetſte reyſe van het jaer doen. De ſlaven die met ons vvaren, packten haer goetje om ſcheep te gaen. Men gaf door ordre vande Baſſa aen yder ſlaef vijf ellen Lyvvaet om een Hemde ende een Galeye-Broeck te maecken. Ick kreegh mijn deel als andere: Het vvelcke my ſeer vvel te paſſe quam: Want ick hadde maer een vuyl geſcheurt Hemde, vol Luyſen. Op den dagh vvanneer de ſlaven ſouden ſcheep gaen, quamen in onſe ſtal vijf ofte ſes barbiers leer-jonghens, die de ſlaven, Roeyers vande Galeyen, begonnen het hayr ende Baert te ſcheren. Wanneerſe alle geſchoren ende toe-gheſtelt waren, quamen de Capiteynen vande Galeyen, ende de Hof-meeſter vande Baſſa inde Stal, ende deden alle de ſlaven uyt die plaets gaen in een open plaets ofte Thuyn met een billet, ende begonnen de officien op de Galeyen te diſtribueren.
Ende wanneerſe haer getal vol hadden, waren wy noch tvvintigh ſlaven overigh: Het vvelck de Capiteyn ſiende, ſeyde aen de Hof-meeſter paſſerende voor by ons, laet ons deſe Canaille aen Landt laten, vvant ſy ſijn noch vvildt. Ick verſekere u dat dit onghelijck voor die reyſe ons ſeer aengenaem vvas.
De Galeye vande Baſſa vertrock op de ſelfde tijt in compagnie van drye andere Galeyen. Ondertuſſchen bleven vvy inde Stal met de ſiecke ſlaven, die onbequaem ende overigh vvaren. Van het lyvvaet dat ick ontfanghen hadde, maeckte ick een Hemde vvel genoegh geſneden om my van te dienen: maer aengaende de Broeck, vviſte ick niet vvaer te beginnen: Het vvelcke een Portugijſche Ridder, mede een Slaef, ſiende, ſeyde my, Vrient, ick ſie vvel dat gy geen Snijder van u Ambacht ſijt: dat ſeggende, gaf hy drye ofte vier Aſpren (ſijnde kleyn Geldt van dat Landt) aen een andere Slaef, die mijn Broeck ſnede ende maeckte.