Tom Jones

Part 8

Chapter 83,764 wordsPublic domain

Maar, terwijl de kapitein op zekeren dag meer dan gewoonlijk verdiept was in beschouwingen van dezen aard, werd hij overvallen door een der droevigste en ontijdigste gebeurtenissen mogelijk. Inderdaad, het kwaadaardigste noodlot had niets kunnen bedenken dat zoo wreed, zoo mal-à-propos, zoo bepaaldelijk verpletterend was voor al zijne plannen. Met één woord, om den lezer niet lang in onzekerheid te laten, juist op het oogenblik dat hij zich in zijn hart verheugde, in beschouwingen over het geluk dat hem te wachten stond bij den dood van den heer Allworthy,—stierf hij zelf aan eene beroerte.

Deze overviel den kapitein ongelukkig op zijne avondwandeling, in de eenzaamheid, zoodat er niemand bij was, om hem hulp te verleenen,—gesteld zelfs dat eenige hulp hem had kunnen redden. Hij nam dus op deze wijze de maat van den grond, die nu groot genoeg zou zijn voor al zijne toekomstige behoeften en lag dood uitgestrekt, een groot (ofschoon geen levend) voorbeeld van de waarheid van hetgeen door Horatius opgemerkt is:

„Tu secanda marmora Locas sub ipsum funus: et sepulchri Immemor, struis domus.”

Welk denkbeeld ik op deze wijze vertolk: „Gij schaft de prachtigste bouwstoffen aan, terwijl niet meer dan eene spade en een houweel noodig zijn, en ge bouwt huizen, vijfhonderd voet lang en honderd breed, vergetende de woning die maar zes voet lang en twee breed is.”

HOOFDSTUK IX.

HET BEWIJS VAN DE ONFEILBAARHEID VAN HET REEDS OPGEGEVEN VOORSCHRIFT, IN DE KLAGTEN VAN DE WEDUWE; TEGELIJK MET ANDERE GEPASTE ATTRIBUTEN VAN DEN DOOD, ZOOALS DAAR ZIJN: GENEESHEEREN, ENZ. EN EEN MODEL-GRAFSCHRIFT.

De heer Allworthy, zijne zuster en eene andere dame, waren op het gewone uur bijeengekomen in de eetzaal om het avondmaal te gebruiken, en na veel langer dan gewoonlijk gewacht te hebben, verklaarde de heer Allworthy het eerst, dat hij begon ongerust te worden over het uitblijven van den kapitein, (want deze was altijd zeer stipt op het etensuur) en beval met de schel te luiden in den tuin en vooral langs die paden, welke de kapitein gewoonlijk bezocht.

Daar al dit levenmaken vruchteloos bleek te zijn,—omdat de kapitein dezen avond, ongelukkig, een geheel nieuwen weg opgegaan was,—verklaarde nu ook mevrouw Blifil, dat zij zich ernstig ongerust maakte. Hierop deed de andere dame, eene harer meest vertrouwde vriendinnen,—die den waren toestand harer verhouding tot haren man kende,—haar best om haar tot bedaren te brengen,—met de verzekering, dat hoewel zij niet nalaten kon ongerust te zijn, zij toch het beste moest hopen. Welligt had de schoonheid van het weder den kapitein verleid om iets verder dan gewoonlijk zijne wandeling uit te strekken,—of, hij kon ook bij een buurman opgehouden zijn.

Mevrouw Blifil zeide van neen! Zij was overtuigd dat het een of ander ongeluk hem overkomen was; want dat hij zeker niet uitblijven zou zonder haar te laten waarschuwen, daar hij wel wist hoe ligt zij zich ongerust maakte. De andere dame, die geene meerdere argumenten wist aan tevoeren, nam nu hare toevlugt tot de gebruikelijke smeekingen bij zulke gelegenheden en verzocht haar zich toch niet onnoodig ongerust te maken, daar zoo iets zeer nadeelig op hare gezondheid werken kon,—en een groot glas wijn inschenkende, ried zij haar,—en haalde haar eindelijk over,—om het leêg te drinken.

De heer Allworthy trad nu weder in de kamer; want hij was er zelf op uit geweest om den kapitein te zoeken. Zijn gelaat teekende genoegzaam zijne vrees, welke hem inderdaad bijkans van de spraak beroofd had;—daar echter de smart op verschillende menschen verschillend werkt, verlevendigde de vrees, welke zijne stem onderdrukt had, de stem van mevrouw Blifil. Zij begon nu bitter te klagen, en stortvloeden van tranen vergezelden hare woorden, welke hare vriendin verklaarde dat volstrekt niet te berispen waren, terwijl zij haar echter terzelfder tijd den raad gaf er niet aan toe te geven, en den angst harer vriendin poogde te verminderen door wijsgeerige opmerkingen omtrent de vele rampen waaraan het menschelijke leven dagelijks blootgesteld is,—wat, zeide zij, genoeg was om ons sterkte te verleenen in alle omstandigheden, hoe onverwacht of verschrikkelijk ook. Zij verzocht haar ook geduld te leeren van haar broeder die, hoewel men niet veronderstellen kon, dat hij zich zóó ongelukkig gevoelde als zij, toch, zonder twijfel, zich zeer ongerust maakte, ofschoon zijne onderwerping aan den goddelijken wil, zijne aandoeningen matigde.

„Spreek me niet van mijn broeder!” riep mevrouw Blifil.

„Ik alleen verdien medelijden! Wat is de ongerustheid der vriendschap, vergeleken bij de kwellingen eener vrouw in dergelijke gevallen? O! Hij is verloren! Iemand heeft hem vermoord—ik zal hem nooit weêr zien!”

Hier had een nieuwe stortvloed van tranen dezelfde uitwerking bij haar als het onderdrukken er van op den heer Allworthy, en ook zij zweeg.

Op dit oogenblik kwam een knecht, buiten adem, de kamer binnenloopen en riep uit: „De kapitein is gevonden,—” maar eer hij er iets bijvoegen kon, werd hij door twee anderen gevolgd, die het lijk droegen.

Hier kan de oplettende lezer nog een ander verschil opmerken in de werking der smarte: want, even als de heer Allworthy tot dusver gezwegen had, om dezelfde reden welke zijne zuster luidruchtig had gemaakt, ontlokte hetgeen hij nu zag, tranen aan den heer, terwijl het die zijner zuster geheel opdroogde, die eerst een harden gil gaf en toen in zwijm viel.

De kamer was weldra opgevuld met dienstboden, van welke sommigen zich bemoeiden, geholpen door hare vriendin, met de zorg voor de troostelooze weduwe, terwijl anderen, bijgestaan door den heer Allworthy, den kapitein in een warm bed legden, waar al het mogelijke beproefd werd om hem in het leven terug te roepen.

En blijde zouden wij zijn als wij den lezer konden mededeelen, dat beide bewustelooze ligchamen met evenveel voorspoed verzorgd werden; want diegenen, die op zich genomen hadden de dame bijtestaan, slaagden zoo goed, dat, zoodra de flaauwte een betamelijken tijd geduurd had, zij tot hunne groote voldoening weer bijkwam. Maar wat den kapitein betrof, bleken alle proeven die men deed met aderlaten, wrijven, druppels enz. vergeefs te zijn. De Dood, die onwrikbare regter, had zijn vonnis geveld, en weigerde hem genade te schenken, hoewel twee geneesheeren, die aankwamen en beide daarvoor betaald werden, zijne zaak voor hem bepleitten.

Deze twee geneesheeren, die wij, om iedere kwaadwillige toepassing te voorkomen, Dr. Y. en Dr. Z. noemen zullen, na hem den pols gevoeld te hebben, namelijk Dr. Y. regts, en Dr. Z. links, werden het zamen eens, dat hij dood was; maar verschilden omtrent zijne kwaal en de oorzaak van zijn overlijden; daar Dr. Y. van gevoelen was, dat hij aan een apoplexie gestorven was, terwijl Dr. Z. volhield, dat het epilepsie was geweest.

Hieruit ontstond een twist tusschen de beide geleerden, waarin beide hunne gevoelens met redenen omkleedden. En deze waren allen zoo krachtig, dat ze alleen daartoe dienden, om de beide dokters in hun eigen gevoelen te versterken, zonder den minsten indruk op de tegenpartij te maken.

Om de waarheid te zeggen, heeft bijna iedere geneesheer zijne lievelingskwaal, waaraan hij alle zegepralen van den dood over de menschelijke natuur toeschrijft. Jicht, rheumatisme, de steen, het graveel en de tering, hebben alle hunne verschillende beschermheeren bij de fakulteit,—en geen een meer beschermers, dan „zenuwkoortsen.” En dit verklaart het verschil van meening omtrent de oorzaak van den dood van een zieke, dat dikwijls heerscht onder de meest geleerde mannen van het vak, en dat die menschen zeer verwonderd heeft, die de bijzonderheid, welke we pas vermeld hebben, niet kenden.

Het zal den lezer welligt doen verbaasd staan, dat in plaats van te trachten den zieke te helpen, de geleerde heeren dadelijk een twist begonnen over de oorzaak van zijn dood; maar, werkelijk, alles was reeds vóór hunne komst beproefd; want de kapitein lag al in een warm bed, was ader gelaten, was gewreven, en allerlei sterke druppels waren in zijne neusgaten en tusschen zijne lippen gegoten.

Daar de geneesheeren zich nu in alles voorkomen vonden, wat zij aanwenden wilden, werden zij verlegen hoe den behoorlijken tijd te slijten, dien zij doorbrengen moesten om op eene betamelijke wijze hun honorarium te verdienen, en zij moesten dus het eene of andere onderwerp tot een gesprek zoeken.—Wat kon zich dan natuurlijker aanbieden dan het voormelde?

Onze dokters waren echter op het punt van afscheid te nemen, toen de heer Allworthy, den kapitein opgegeven hebbende, met onderwerping aan den Goddelijken wil, naar zijne zuster begon te vragen, die hij hen verzocht voor hun vertrek te bezoeken.

Deze dame was nu uit hare flaauwte bijgekomen, en om de gewone uitdrukking te bezigen, naar omstandigheden, redelijk welvarende.

De dokters dus, na alle behoorlijke pligtplegingen, daar dit eene nieuwe patient was, gingen, gelijk verlangd werd, bij haar, en vatten beide eene harer handen, even als zij straks met het lijk gedaan hadden.

Het geval van de dame was juist het tegenovergestelde van dat van haar man; want even als hij buiten het bereik was van alle geneeskundige hulp,—zoo had zij, werkelijk, geen bijstand noodig.

Niets kan onbillijker zijn dan de algemeene meening, welke verkeerdelijk den geneesheer als een vriend van den dood voorstelt. Integendeel, ik geloof dat als het getal van diegenen welke met behulp der geneeskunde herstellen, vergeleken kon worden bij dat van de slagtoffers daarvan, het eerste getal eenigzins grooter zou zijn dan het laatste. Ja, sommige geneesheeren zijn zelfs zoo voorzigtig op dat punt, dat, om de mogelijkheid te voorkomen van ooit een patient te dooden, zij zich onthouden van alle pogingen om hem te genezen, en niets voorschrijven dan hetgeen goed noch kwaad kan. Ik heb enkele van dezen, met den meesten ernst, als een stelregel hooren verkondigen: „Dat men het aan de natuur overlaten moet om haar eigen werk te doen; en dat de geneesheer er bij staat, als het ware, om haar op den schouder te tikken en haar aan te moedigen als zij het goed doet.”

Onze twee dokters schepten ook zoo weinig behagen in den dood, dat zij het lijk verlieten na de eerste visite; maar zij waren meer ingenomen met de levende zieke, omtrent wier behandeling zij het dadelijk eens waren en voor wie zij met den meesten ijver aan het voorschrijven gingen.

Ik wil niet bepaaldelijk zeggen, dat even als de dame in het begin de geneesheeren wijs gemaakt had, dat zij ziek was, zij ook nu, van hun kant, haar dat deden gelooven: maar zij bleef toch eene geheele maand omgeven van al den schijn der ziekte. Gedurende dezen tijd werd zij door geneesheeren bezocht, door ziekenbewaaksters opgepast, en ontving zij ook aanhoudend boodschappen van hare kennissen, om naar haren toestand te vernemen.

Eindelijk, toen de betamelijke periode der ziekte en der onmatige treurigheid voorbij was, werden de geneesheeren ontslagen, en de dame begon menschen te ontvangen, alleen verschillende van hetgeen zij vroeger was door die sombere tinten, waarmede zij hare gestalte en hare gelaatstrekken getooid had.

De kapitein was dus nu begraven en zou welligt al een heel eind ver geweest op den weg der vergetelheid, als de vriendschap van den heer Allworthy niet zorg gedragen had om zijne gedachtenis te bewaren, door het volgende grafschrift, hetwelk opgesteld is door een man, die evenzeer uitmunt door genie, als door eerlijkheid, en die den kapitein volmaakt goed kende:

Hier rust, In de hoop op een beter leven, Het sterfelijk omhulsel van den Kapitein JAN BLIFIL. Londen had de eer van zijne geboorte, Oxford van zijne opvoeding. Zijne gaven strekten zijn beroep en zijn vaderland tot roem. Zijn wandel verheerlijkte zijne Godsdienst en de menschelijke natuur. Hij was een gehoorzame Zoon, Een teedere Echtgenoot, Een liefderijke Vader, Een hartelijke Broeder, Een opregte Vriend, Een vroom Christen, En een goed Mensch. Zijne troostelooze weduwe Heeft dezen zerk opgerigt, Tot gedenkteeken Zijner Deugden, En harer Liefde.

BOEK III.

Bevattende de merkwaardigste gebeurtenissen in het huisgezin van den heer Allworthy, van het veertiende tot het negentiende jaar van het leven van Tom Jones. In dit boek kan de lezer eenige wenken vinden omtrent de opvoeding van kinderen.

HOOFDSTUK I.

BEVAT WEINIG OF NIETS.

De lezer zal de goedheid willen hebben zich te herinneren, dat wij hem bij het begin van het tweede boek van deze geschiedenis, een wenk gaven van ons voornemen om verschillende ruime tijdvakken met stilzwijgen voorbij te gaan, die niets opleverden dat waardig was in eene geschiedenis van dezen aard geboekt te worden.

Door dit te doen, raadplegen we niet slechts onze eigene waardigheid en gemak, maar tevens het voordeel en het nut van den lezer, want, behalve dat wij hem op deze wijze beletten zijn tijd te verspillen met lektuur, die hem genoegen noch stichting oplevert, stellen wij hem ook bij zulke gelegenheden telkens in staat om dien verbazenden scherpzin te gebruiken, die hem eigen is, tot het invullen van dergelijke tijdvakken met zijne eigene conjecturen; waartoe wij zorg gedragen hebben hem in de vorige hoofdstukken te bekwamen.

Bij voorbeeld, welke lezer beseft niet, dat de heer Allworthy, in het begin, bij het verlies van zijn vriend, die smartelijke gewaarwordingen ondervond, welke bij zulke gelegenheden ieder mensch ondervindt, wiens hart niet van steen en wiens hoofd niet uit even harde bestanddeelen zamengesteld is? Al verder: welke lezer weet niet dat de wijsbegeerte en de godsdienst met der tijd deze smart moesten lenigen en eindelijk uitwisschen? De wijsbegeerte leerde hoe dwaas en ijdel ze was; de godsdienst berispte ze als ongeoorloofd; terwijl zij ze tegelijk verzachtte, door die hoop en zekerheid voor de toekomst optewekken, die een krachtigen, godvruchtigen mensch in staat stellen met bijna even veel onverschilligheid afscheid te nemen van een vriend op zijn sterfbed, alsof hij zich op reis begaf,—en inderdaad met weinig minder hoop van hem weder te zien.

De verstandige lezer zal ook geen bezwaar hebben, om zich het gedrag van mevrouw Blifil voortestellen, die zoo lang men het leed te kennen geeft door uiterlijken tooi, ten strengste alle regels der betamelijkheid en welvoegelijkheid in acht nam, de veranderingen van haar gelaat schikkende naar de veranderingen van hare kleeding; want, naarmate de kap afgelegd werd, om alleen zwart te dragen, het zwart in grijs veranderde, het grijs in wit, zoo veranderde ook haar gelaat, van wanhopig tot ellendig, van ellendig tot droevig, van droevig tot ernstig,—tot de dag verscheen, toen zij hare vroegere kalmte weder aannemen kon.

Wij hebben alleen deze beide gevallen aangevoerd als voorbeelden van hetgeen men van den meest dagelijkschen lezer kan eischen. Van de meer ervarenen in de kritiek kan men hoogere en moeijelijker bewijzen van hunne oordeelkunde vergen. Wij twijfelen niet dat door dezen vele belangrijke ontdekkingen gemaakt zullen worden, aangaande de gebeurtenissen in de familie van onzen waardigen vriend, gedurende de jaren, welke wij goedvonden met stilzwijgen voorbij te gaan;—want, hoewel er niets voorviel in dit tijdvak, dat eene plaats in deze geschiedenis verdiende, is er toch veel voorgevallen dat even belangrijk is als veel van hetgeen vermeld wordt door de dagelijksche en wekelijksche geschiedschrijvers van deze eeuw, in welke lektuur, naar ik vrees, zeer vele menschen een aanmerkelijk gedeelte van hun tijd verspillen, zonder veel gesticht te worden.

Door de conjecturen echter, waartoe ik hier de gelegenheid aanbied kunnen sommige, der uitstekendste gaven van den geest geoefend worden, daar het een veel nuttiger vermogen is, in staat te zijn de handelingen der menschen te voorspellen uit hunne karakters, dan hunne karakters uit hunne handelingen te leeren beoordeelen. Ik beken dat het eerste den meesten scherpzin eischt; maar het is even doenlijk als het laatste, mits men waarlijk schrander zij. Daar wij overtuigd zijn, dat de meeste onzer lezers deze gave in hooge mate bezitten, hebben wij hun een tijdvak van twaalf jaren gelaten om blijken daarvan te geven, en zullen nu onzen held, op omstreeks veertienjarigen leeftijd aan hen voorstellen, daar vele menschen, buiten twijfel, reeds lang wenschen kennis met hem te maken.

HOOFDSTUK II.

DE HELD VAN DEZE GESCHIEDENIS TREEDT ONDER ZEER SLECHTE VOORTEEKENS OP. EEN KLEIN VERHAALTJE, ZOO GEMEEN VAN AARD, DAT SOMMIGE LEZERS HET HUNNER ONWAARDIG ZULLEN ACHTEN. EEN WOORD OF WAT AANGAANDE EEN LANDJONKER; MEER OVER EEN JAGTOPZIENER EN EEN SCHOOLMEESTER.

Daar wij het besluit namen, toen wij ons neerzetten om deze geschiedenis te schrijven, om geen mensch te vleijen, maar onze pen steeds door de waarheid zelve te laten besturen, zijn wij genoodzaakt onzen held op eene veel onvoordeeliger wijze ten tooneele te voeren, dan wij gewenscht zouden hebben, en eerlijk te verklaren, zelfs bij zijne eerste optreding, dat het gevoelen algemeen heerschte in de familie van den heer Allworthy, dat die jongen zeker voor de galg opgroeide.

Het spijt me werkelijk te moeten bekennen, dat er maar al te veel grond scheen voor deze voorspelling. Want de jongen liet, van de teederste jeugd af, eene neiging blijken tot vele ondeugden, en vooral tot ééne, welke even regtstreeks als eenige andere, tot dat uiteinde leidt, hetwelk we pas opgemerkt hebben, dat aangaande hem geprofeteerd werd. Hij was reeds aan drie diefstallen schuldig bevonden, namelijk: hij had appelen gestolen uit een boomgaard; een eend geroofd van een boerenerf, en een bal uit den zak van den jongen heer Blifil.

De ondeugden van dezen jongeling kwamen, daarenboven, des te meer uit, als zij tegenovergesteld werden aan de deugden van den jongen heer Blifil, zijn makker;—een jongen zoo verschillend van aard met den kleinen Jones, dat niet slechts de familie, maar tegelijk ook het heele dorp, van zijne loftuitingen weerklonk. Hij was inderdaad een knaap van een zeer merkwaardig karakter: sober, bescheiden, vroom, boven zijne jaren;—hoedanigheden, die hem de liefde verwierven van iedereen, die hem kende, terwijl Tom Jones algemeen misviel, en velen hunne verwondering te kennen gaven, dat de heer Allworthy er in toestemmen kon, dat zulk een jongen met zijn neef opgevoed werd, wiens zeden ligt door zoo’n voorbeeld benadeeld konden worden. Eene gebeurtenis, welke omstreeks dezen tijd voorviel, zal het karakter van deze beide jongens beter verklaren voor den helderzienden lezer, dan de langste redenering zou kunnen doen.

Tom Jones, die, hoe slecht ook, als held dezer geschiedenis moet optreden, had slechts één vriend onder al de dienstboden van de familie, want, jufvrouw Wilkins had hem al lang opgegeven en was geheel en al verzoend met mevrouw Blifil. Deze vriend was de jagtopziener, een losse vent van aard, die verdacht werd geene strengere begrippen omtrent het meum en het tuum te koesteren dan de jonge heer zelf. Vandaar dat deze vriendschap onder de dienstboden zelve, aanleiding gaf tot vele satirieke opmerkingen, van welke de meesten òf toen al tot de spreekwoorden behoorden, òf sedert dien tijd spreekwoorden zijn geworden, en welker strekking bevat is in het korte latijnsche gezegde: „noscitur a sociis,” hetwelk vertolkt kan worden: „Daar men meê verkeert, wordt men meê geëerd.”

En werkelijk, iets van die verschrikkelijke slechtheid in Jones, waarvan wij drie staaltjes pas vermeld hebben, zou welligt kunnen toegeschreven worden aan de aanmoediging van dezen mensch, die in een paar gevallen geweest was, wat de regtsgeleerden noemen, „medepligtige aan de daad;” want de geheele eend en de meeste der appels dienden tot het gebruik van den jagtopziener en van zijn huisgezin. Daar echter Jones alleen ontdekt werd, droeg hij niet slechts de geheele straf, maar ook den ganschen blaam, welke beide hem weder ten deel vielen bij de volgende gelegenheid:

Onmidellijk aan de landerijen van den heer Allworthy grensde de heerlijkheid van een van die heeren, die het wild zeer streng bewaren. Deze slag van menschen, te oordeelen naar de groote gestrengheid, waarmede zij het dooden van een haas of een patrijs straffen, zouden kunnen geacht worden besmet te zijn met hetzelfde bijgeloof als zekere Indische stammen, die, zoo als men verhaalt, hun geheel leven toewijden aan het kweeken en koesteren van zekere dieren, ware het niet dat onze Engelsche Indianen, terwijl zij ze tegen andere vijanden verdedigen, onbarmhartig zelve geheele karrenvrachten daarvan slagten,—wat hen natuurlijk geheel vrij pleit van eenig heidensch bijgeloof hoegenaamd.

Ik koester inderdaad eene veel gunstiger meening dan velen omtrent zulke menschen, daar ik het er voor houd, dat zij aan de natuur, en aan het doel hunner bestemming op eene veel volmaakter wijze weten te voldoen, dan vele anderen. Want, even als Horatius ons vertelt, dat er zekere menschelijke wezens zijn,

„Fruges consumere nati,”

„geboren om de vruchten der aarde te gebruiken,” zoo twijfel ik ook niet dat er anderen zijn,

„Feras consumere nati,”

„geboren om de wilde dieren,” of gelijk men gewoonlijk zegt, „het wild” op te eten, en niemand zal, denkelijk, ontkennen, dat dergelijke landjonkers deze hunne bestemming bereiken.

De kleine Jones ging dan op zekeren dag met dezen jager er op uit,—en een vlugt patrijzen, die opvloog bij de grenzen van die bezittingen over welke het noodlot, om de wijze bedoelingen der natuur te vervullen, een dergelijken wild-etenden mensch gesteld had, ging weer liggen, gelijk men zegt, en zooals de twee jagers zagen, onder eenige boomstruiken, zoowat een paar honderd pas aan gene zijde van de grenzen der landerijen van den heer Allworthy.

De heer Allworthy had zijn jager bevolen, op straf van ontslagen te worden, nooit bij iemand zijner buren te stroopen;—bij die welke minder streng waren op dat punt evenmin als bij den heer in kwestie. Ten opzigte van anderen werden deze voorschriften niet altijd zeer stipt opgevolgd; daar echter het karakter van den heer bij wien de vogels nu toevlugt gezocht hadden, wel bekend was, had de jager tot dusver nooit gewaagd diens gebied te betreden. Hij zou het ook nu wel gelaten hebben, als de jongere jager, die buitengewoon driftig was in het vervolgen van het wild, hem niet overgehaald had; daar echter Jones hem niet losliet, gaf de andere, die zelf gaarne schieten wilde, aan zijne verzoeken gehoor, overschreed de grenzen en schoot een der vogels.

De heer van de plaats, die zelf in de nabijheid te paard reed, hoorde het schot, ijlde onmiddellijk naar de plaats toe en ontdekte den armen Tom; want de jager was midden in de digtste struiken gesprongen, waar hij zich gelukkig wist te verbergen.

De heer onderzocht den jongen, en de patrijs bij hem vindende, zwoer hij, dat hij zich wraak zou verschaffen en den heer Allworthy van de zaak kennis geven.

Hij hield ook onmiddellijk woord, want hij reed naar het huis en klaagde over dit stroopen op zijne jagt in even bittere woorden en even ernstig, alsof men in zijn huis ingebroken en de kostbaarste meubelen er uit gehaald had. Hij voegde er bij, dat de jongen iemand anders bij zich had moeten hebben, want dat hij twee schoten bijna op hetzelfde oogenblik gehoord had. „En,” voegde hij er bij, „ik heb slechts dezen éénen vogel gevonden, maar de hemel weet, hoeveel kwaad zij gedaan hebben!”