Part 60
„Gij moest liever alienus zeggen,” riep Partridge: „ik herinner me die aanhaling. Ze is een voorbeeld bij den regel: „communis, alienus, immunis, variis casibus serviunt.””
„Als ge u den regel herinnert,” riep Jones, „zie ik dat ge er toch niets van begrijpt; maar ik zeg u ronduit, vriendje, dat hij die het eigendom van een ander vindt en willens en wetens het den eigenaar onthoudt, in foro conscientiae evenzeer de galg verdient als hij die het gestolen heeft. En wat die banknoot in kwestie betreft, die aan mijn engel toebehoort en eens in hare lieve handen was, ik zal ze ook in geene andere hand dan de hare geven, om welke reden ook;—neen, zelfs niet al had ik zooveel honger als gij, en geen ander middel om aan mijn eetlust te voldoen. Ik hoop nu dat me dat gelukken zal eer ik me ter rust begeef; maar als dat niet gelukt, dan gelast ik u, op straf van mijn eeuwigdurenden toorn, mij niet meer te grieven door ooit weer te spreken van dergelijke verfoeijelijke laagheden.”
„Als ik het in dat licht gezien had,” hernam Partridge, „zou ik er ook nu niet van gesproken hebben; want ik haat al wat slecht is, evenzeer als wie ook ter wereld;—maar gij zijt welligt wijzer dan ik,—en toch zou ik me verbeeld hebben, dat ik niet zoo oud ben geworden en niet zoo vele jaren onderwijs gegeven heb, zonder het onderscheid tusschen fas et nefas te begrijpen;—maar, naar het schijnt, is men nooit te oud om te leeren. Ik herinner me mijn ouden leermeester, die dikwerf zeide,—op zijn Grieksch—, dat de kip wel van het ei wat leeren kan. Ik heb waarlijk mijn tijd wel op eene nuttige wijze doorgebragt, als ik op mijne jaren de grammatica nog leeren moet! Welligt zult gij eens van meening veranderen, jonge heer, als gij zoo oud moogt worden als ik; want ik herinner me, dat ik me op twintigjarigen leeftijd voor even wijs hield als nu. Ik weet zeker dat men mij altijd alienus leerde, en zóó had het ook mijn meester vóór mijn tijd geleerd!”
Er waren niet vele gelegenheden denkbaar waarbij Partridge het in zijne magt had om Jones kwaad te maken, en er waren ook niet vele, waarbij Partridge zelf er toe zou hebben kunnen komen om zijn eerbied voor Jones te vergeten. Ongelukkig echter hadden beide nu eene dergelijke gelegenheid gevonden. Wij hebben reeds gezien dat Partridge het niet verdragen kon dat men aan zijne geleerdheid twijfelde, en er was het een of ander in de woorden welke Partridge pas geuit had, dat Jones niet verdragen kon. Hij keek dus zijn makker aan met een blik van minachting (iets dat bij hem niet veel voorkwam) en riep: „Ik zie nu, Partridge, dat gij een verwaande oude gek zijt, en ik hoop dat ge niet tevens een oude schelm zijt! Inderdaad, als ik evenzeer van het laatste als van het eerste overtuigd ware, zoudt ge geen stap verder met mij reizen!”
De wijze schoolmeester was reeds voldaan dat het hem gelukt was aan zijne verontwaardiging lucht te geven, en even als de slak, trok hij nu de horens in. Hij zeide spijt te gevoelen van iets geuit te hebben dat als eene beleediging kon opgenomen worden, wat volstrekt niet in zijne bedoeling lag;—maar „nemo omnibus horis sapit.”
Hoewel nu Jones de gebreken bezat aan een driftigen aard eigen, was hij geheel vrij van die van een koel karakter, en als zijne vrienden bekennen moesten, dat hij zich ligt uit zijn humeur liet brengen, moesten ook zelfs zijne vijanden toegeven, dat zijne drift spoedig weder bedaarde,—daar ze volstrekt niet op de zee geleek, welker woelen heviger en gevaarlijker is na den storm, dan terwijl die woedt. Hij nam dus dadelijk genoegen met de onderwerping van Partridge, gaf hem de hand en zeide hem, met de meeste vriendelijkheid, allerlei streelende dingen, terzelfder tijd zich zelven zwaar veroordeelende, hoewel hij dat niet half zoo streng deed, als de meeste onzer geachte lezers waarschijnlijk zullen doen.
Partridge was nu geheel weder gerust gesteld, daar zijne vrees van Jones beleedigd te hebben dadelijk week en zijn hoogmoed voldaan was door de schuldbekentenis van zijn vriend,—welke hij toepaste op hetgeen, waardoor hij zich juist het meest gegriefd had gevoeld,—en hij herhaalde dus, voor zich heen mompelende: „’t Is zeker waar, mijnheer, dat uwe kennis van sommige zaken de mijne wel overtreft; maar wat de grammatica betreft, houd ik het er voor dat ik iedereen daarin staan kan. Ik geloof dat ik die ten minste op mijn duimpje ken.”
Als er iets ter wereld was dat de voldoening van den goeden man op dit oogenblik vermeerderen kon, was het de heerlijke schapenbout, die op dit oogenblik op tafel gezet werd,—en nadat beide een goeden maaltijd daarvan gedaan hadden, bestegen zij weder hunne paarden en vertrokken naar Londen.
HOOFDSTUK XIV.
HETGEEN DEN HEER JONES OVERKWAM OP ZIJNE REIS VAN ST. ALBANS.
Zij waren omstreeks drie kwartier achter Barnet gekomen, toen de schemering begon te vallen, en een fatsoenlijk uitziend mensch, maar op een zeer slecht paard gezeten, op Jones toereed en hem vroeg of hij naar Londen ging; waarop deze toestemmend antwoordde.
De heer hervatte het gesprek nu en zeide: „Ik zou u zeer verpligt wezen, als ik met u reizen mogt; want het begint laat te worden, en ik ben een vreemdeling in deze streken.”
Jones stond dit verzoek gereedelijk toe en zij reisden verder zamen, onder dat soort van gesprekken als bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk zijn.
Het voornaamste onderwerp was natuurlijk de straatroovers, waarvoor de vreemdeling grooten angst te kennen gaf; maar Jones verklaarde dat hij weinig te verliezen en dus weinig te vreezen had.
Hier kon Partridge niet nalaten zich in het gesprek te mengen.
„Mijnheer mag van weinig spreken, als hem dat goeddunkt; maar ik weet wel dat als ik eene banknoot van honderd pond op zak had, zoo als hij, dat het mij zeer spijten zou ze te verliezen; maar, wat mij betreft, ik heb nooit van mijn leven minder vrees gekoesterd dan op dit oogenblik; want wij zijn met ons vieren, en als wij elkaar slechts trouw bijstaan, zal de sterkste kerel in geheel Engeland ons niet afzetten. Verondersteld ook dat hij een pistool had, zou hij slechts één van ons kunnen doodschieten, en de mensch kan maar éénmaal sterven;—dat is mijn troost, zeg ik:—men kan toch slechts éénmaal sterven!”
Behalve zijn vertrouwen op de meerderheid in getal, eene soort van heldenmoed, welke zeker volk heden ten dage veel roem verschaft heeft, bestond er ook eene andere reden voor de buitengewone dapperheid door Partridge nu aan den dag gelegd;—want de drank had hem met zoo veel moed begiftigd als men maar bij mogelijkheid daaraan ontleenen kan.
Ons reisgezelschap was thans omstreeks een groot kwartier van Highgate, toen de vreemdeling zich plotseling tegen Jones keerde, een pistool te voorschijn haalde en die kleine banknoot vroeg, waarvan Partridge gesproken had.
Jones was voor het oogenblik eenigzins overrompeld; maar vermande zich spoedig en verklaarde aan den roover dat al het baar geld, dat hij bij zich had, hem zeer ten dienste stond, en met deze woorden haalde hij iets meer dan drie guinjes te voorschijn, en bood ze hem aan. De andere echter hernam met een vloek, dat hij daarmede niet gediend was.
Jones antwoordde thans heel koelbloedig, dat het hem speet, en stak het geld weder op.
De roover dreigde nu, dat als Jones hem niet dadelijk de banknoot gaf, hij hem doodschieten zou, terwijl hij hem het pistool op de borst hield. Jones greep den kerel dadelijk bij de hand, welke zoodanig beefde dat hij naauwelijks het pistool kon houden, en keerde den loop van zich af. Hierop volgde eene worsteling, waarin Jones spoedig het wapen uit de hand van zijn vijand rukte en beide zamen op den grond vielen, de roover op den rug en de zegevierende Jones boven op hem.
De arme kerel begon nu de genade van den overwinnaar in te roepen, want hij was, werkelijk, wat kracht betreft, volstrekt niet bestand tegen Jones.
„Wezenlijk, mijnheer,” riep hij, „ik kon niet voornemens zijn om u dood te schieten; want gij zult zien dat het pistool niet geladen was. Het is de eerste keer dat ik voor struikroover heb willen spelen, en de nood heeft me daartoe gedreven!”
Op dit oogenblik hoorde men op een afstand van ongeveer honderd vijftig el iemand die op den grond lag te brullen om genade, veel harder dan de struikroover zelf. Dit was niemand anders dan Partridge, die den strijd trachtende te ontloopen, van het paard geworpen was en plat op den buik lag, zonder te durven opkijken, en elk oogenblik wachtte dood geschoten te worden.
Zoo lag hij tot de gids, die nu geene andere vrees koesterde dan voor zijne paarden, het gestruikelde paard greep, en hem naderde met het berigt dat zijn meester den struikroover verslagen had.
Partridge sprong bij deze woorden dadelijk op, en liep naar de plek terug, waar Jones, met den degen in de hand, den armen drommel stond te bewaken, en zoodra Partridge dit zag, riep hij uit: „Sla hem dood, mijnheer! Steek hem door het lijf;—maak hem dadelijk dood, mijnheer!”
Tot zijn geluk echter, was de roover in genadige handen gevallen; want nadat Jones het pistool onderzocht en werkelijk bevonden had dat het niet geladen was, begon hij geloof te hechten aan al wat de man hem verteld had eer Partridge naderde;—namelijk dat hij een nieuweling in het rooversberoep was, en dat hij daartoe gedreven was door den grootst mogelijken nood, welken men zich verbeelden kan;—namelijk dat hij vijf hongerige kinderen had, terwijl zijne vrouw in gebrek en ellende van het zesde in de kraam was. De struikroover betuigde met de meeste hartstogtelijkheid, dat dit alles volkomen waar was en bood aan den heer Jones daarvan te overtuigen indien hij zich slechts de moeite wilde geven hem naar zijn huis te volgen,—een half uurtje van daar, zeggende, „dat hij geene genade vroeg tenzij hij alles bewijzen kon, wat hij tot zijne verontschuldiging aangevoerd had.”
Jones hield zich eerst alsof hij den kerel bij zijn woord wilde nemen, en met hem gaan, verklarende dat zijn lot afhangen zou van de waarheid van zijn verhaal. Hierover drukte de arme drommel zooveel vreugde uit, dat Jones volkomen overtuigd was dat hij de waarheid gesproken had, en nu medelijden met hem begon te gevoelen. Hij gaf hem dus het ongeladen pistool terug, raadde hem aan eerlijker middelen te zoeken om in zijne behoeften te voorzien, en schonk hem een paar guinjes, om den dringenden nood van zijn huisgezin te verligten; terwijl hij er bijvoegde, „dat hij om zijnentwil wel wenschte dat hij meer had; maar dat de honderd pond waarvan sprake was geweest, hem niet toebehoorden.”
Onze lezers zullen wel verdeeld zijn in hun oordeel over deze handelwijze; sommigen zullen ze welligt roemen als buitengewoon menschlievend, terwijl anderen, van meer zwartgalligen aard ze beschouwen zullen als een gebrek aan dien eerbied voor geregtigheid, welke iedereen aan zijn vaderland verschuldigd is. Partridge bezag de zaak zeker uit dit oogpunt, drukte zijne groote ontevredenheid er over uit, haalde een oud spreekwoord aan en zeide dat het hem niet verwonderen zou als de schelm hen weder aanviel eer zij Londen bereikten.
De struikroover was onuitputtelijk in de betuiging van zijne overgroote dankbaarheid. Hij stortte er zelfs tranen bij,—of veinsde ten minste dat te doen. Hij zwoer ook dat hij dadelijk naar huis terugkeeren en nooit weder eene dergelijke misdaad ondernemen zou. Het zal welligt later blijken of hij woord hield of niet.
Onze reizigers, hunne paarden weder bestegen hebbende, kwamen nu, zonder verdere avonturen, te Londen aan. Onderweg viel er veel en druk te praten tusschen Jones en Partridge over hunne laatste ontmoeting. Jones drukte veel medelijden uit voor de struikroovers die, door onoverkomelijke rampen, als het ware, gedreven worden tot zulke onwettige handelingen, die hun meestal eindelijk een schandelijken dood berokkenen. „Ik bedoel,” zeide hij, „slechts diegenen, die nooit eene grootere misdaad dan rooverij plegen, en die zich niet schuldig maken aan wreedheid of beleediging van wien ook,—eene omstandigheid, dat moet ik zeggen, welke, tot eer van ons vaderland, de Engelsche straatroovers onderscheidt van die van alle andere volken,—waar de moord bijna altijd den roof vergezelt.”
„Daar twijfelt geen mensch aan, zei Partridge, „dat het beter is iemand zijn geld dan zijn leven te benemen, en toch is het zeer hard voor eerlijke lieden, dat zij voor hunne zaken niet reizen kunnen, zonder gevaar te loopen door die schelmen. En zeker is het dat het beter zou zijn dat alle schurken opgehangen en opgeruimd werden, dan dat één eerlijk man benadeeld werd. Wat mij betreft, het is waar dat ik niet gaarne den dood van één van hen voor mijne verantwoording zou hebben; maar het is heel goed dat de wet hen allen opknoopt. Welk regt heeft iemand ter wereld mij een duit af te nemen, als ik hem het geld niet schenken wil? Kan zoo iemand een greintje eerlijkheid bezitten?”
„Wel, neen!” riep Jones, „zeker niet! Niet meer dan hij, die iemand de paarden van stal zou willen nemen, of tot zijn eigen gebruik het geld dat hij vindt, aanwenden, als hem de regtmatige eigenaar bekend is.”
Deze wenken legden Partridge het stilzwijgen op, en hij opende den mond niet weder totdat Jones eenige spottende aanmerkingen over zijne lafhartigheid maakte en hij zich trachtte te verontschuldigen door de overmagt der vuurwapenen aan te voeren, terwijl hij zeide; „Duizend ongewapende mannen zijn niet bestand tegen één pistool; want hoewel het waar zij, dat men met één schot slechts één mensch dooden kan, weet niemand of hij niet juist die ééne zal wezen.”
EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.
HENRY FIELDING.
TOM JONES, OF DE LOTGEVALLEN VAN EEN VONDELING.
UIT HET ENGELSCH VERTAALD DOOR DR. M. P. LINDO.
Derde Deel.
HAARLEM, A. C. KRUSEMAN. 1862.
TOM JONES, DE GESCHIEDENIS VAN EEN VONDELING.
BOEK XIII.
Bevattende den tijd van twaalf dagen.
HOOFDSTUK I.
EENE AANROEPING.
Kom, schoone liefde tot den roem; beziel mijn gloeijend hart! Niet u roep ik aan, die over golvende stroomen van bloed en tranen heen, den held tot den krijgsroem voert, terwijl de zwellende zeilen gevuld worden door de zuchten van millioenen; maar u, schoone, zachtaardige maagd, die Mnemosyne, de gelukkige nimf, aan de oevers van den Hebrus ter wereld bragt. Gij, die door Maeonia opgevoed, die door Mantua bekoord werd, en die op dien schoonen heuvel zeteldet, welke Brittanniës trotsche hoofdstad overziet, terwijl Milton de snaren uwer heldenlier zoet stemde,—o beziel gij mijne verrukte verbeelding met de hoop van latere eeuwen nog te bekoren! Voorspel mij, dat de eene of andere teedere maagd, wier grootmoeder nog niet geboren is, als zij, onder den verdichten naam van Sophia van de echte deugd leest, welke eens in mijne Charlotte leefde, een zucht van deelneming uit de diepte van haar hart zal slaken. Leer mij niet slechts den toekomstigen roem voorzien, maar ook te genieten,—ja, mij er mede te voeden! Troost me met de plegtige verzekering, dat als het kleine vertrek waar ik op dit oogenblik zit, vervangen is door eene armzalige kist, mijne werken gelezen en eervol genoemd zullen worden, door diegenen, welke mij nooit gezien of gekend hebben, en die ik ook nooit zien of kennen zal.
Ook u roep ik aan, u de meer welgedane schoone, die niet gehuld zijt in een luchtig gewaad of een droom der verbeelding, maar die van krachtig ossenvleesch en zware podding houdt, u roep ik aan, die de vette jufvrouw Geld, door een joligen Amsterdammer koopman in een trekschuit op een Hollandsch kanaal bezwangerd, ter wereld bragt! Ja, onder de gelegenheidsdichters van prulverzen hebt gij de eerste gronden uwer geleerdheid opgedaan. Daar hebt gij op lateren leeftijd aan de dichtkunst geleerd niet de verbeelding, maar den hoogmoed van haren beschermer te streelen. Het kluchtspel leert van u den schijn van ernst en deftigheid aan te nemen; terwijl het treurspel woest schreeuwt en de verbaasde zaal met zijne donderende stem verschrikt. Om uwe vermoeide ledematen in rust te sussen, vertelt de slaperige geschiedenis haar vervelend verhaal, en voert de moderne Roman zijne verbazende goochelkunstjes uit. Evenzoo gehoorzaamt uw wel doorvoede uitgever aan uwen invloed. Op uw raad, vliegt de zware, ongelezene, lompe foliant, die lang op de stofferige plank gesluimerd had, in „afleveringen” versnipperd door het heele land. Door u onderwezen, foppen sommige boeken de menschen, door even als kwakzalvers wonderen te beloven, terwijl anderen als fatten te voorschijn komen en zich trachten verdienstelijk te maken alleen door een verguld uiterlijk. Kom, gij welvarende rijke, met uw schitterend gelaat,—houd uwe inspiratie voor u, maar bied mij uwe verleidelijke belooningen aan de blinkende, klinkende goudstapels, de ligt om te zetten banknoot, bezwaard met onzigtbare schatten; de steeds rijzende en dalende effecten; het warme gemakkelijke woon-, huis, en eindelijk, mijn behoorlijk deel aan de weldaden van die milde moeder, wier rijke borsten voedsel genoeg opleveren voor al haar talrijk kroost, als er niet sommigen waren die veel te gulzig zijn en hunne broederen meêdoogenloos van haren schoot verdringen. Kom ook gij, en als ik zelf te weinig geef om uwe kostbare schatten, verkwik mijn hart met de verrukkelijke gedachte van ze aan anderen meê te deelen! Verzeker mij, dat door uwe mildheid, de babbelende kinderen, wier onschuldig spel dikwerf door mijn arbeid gestoord is geworden, ook eenmaal ruimschoots daarvoor beloond zullen worden.
En thans, nu dit ongelijke paar, de magere schaduw en de vette zelfstandigheid, mij bezield hebben om te schrijven, wiens hulp zal ik verder inroepen om mijne pen te besturen?
Ten eerste, die van het Genie, die gave des hemels, zonder wier bijstand wij te vergeefs worstelen tegen den stroom der natuur. Gij, die het edele zaad uitstrooit, hetwelk de kunst aankweekt en volmaakt, neem gij mij vriendelijk bij de hand, en geleid mij langs al de kronkelpaden, de slingerende doolhoven der natuur! Wijd mij in al die geheimen in, welke ongewijde oogen nooit ontdekt hebben. Leer mij—voor u is dit geene moeijelijke taak,—om de menschen beter te kennen dan zij zich zelve kennen. Verwijder dien nevel, die de verstandelijke vermogens der stervelingen verblindt, en hen zekere menschen doet bewonderen om hunne kunst, of hen doet haten wegens hunne sluwheid in het bedriegen van anderen, terwijl zij, werkelijk, alleen bespottelijk zijn omdat zij zich zelve foppen. Ruk den dunnen sluijer der wijsheid van de verwaandheid af,—des overvloeds van de schrielheid,—en des roems van de eerzucht. Kom gij, die uw Aristophanes, uw Lucianus, uw Cervantes, uw Rabelais, uw Molière, uw Shakespeare, uw Swift, uw Marivaux bezield hebt,—vul mijne bladzijden met humor, tot de menschen goedaardig genoeg zijn om alleen te lagchen om de dwaasheden van anderen en nederig genoeg worden, om zich over hunne eigene dwaasheid te bedroeven!
En gij, die bijna altijd de standvastige geleidster van het genie zijt,—gij, o menschlievendheid, beziel mij met al uwe teedere gevoelens! Als gij er reeds over beschikt hebt ten gunste van uw Allen en uw Lyttleton, ontsteel ze hun dan voor een poosje! Want zonder u kan men geen aandoenlijk tooneel schilderen. Aan u alleen heeft men te danken de edele, onbaatzuchtige vriendschap, de teedere liefde, het opwellende gevoel, de vurige dankbaarheid, het zachte medelijden, de opregtheid, en al de krachtige en goede gaven, die de tranen doen opwellen in het vochtige oog, het bloed lokken in de tintelende wang, en het hart doen kloppen met stroomen van weemoed, vreugde en welwillendheid!
En ook, gij, o Geleerdheid,—want zonder uwe hulp kan het genie niets zuivers, niets juists te voorschijn brengen,—bestuur ook gij mijne pen! U heb ik, in uwe geliefkoosde velden, waar de heldere, zacht vloeijende Theems de oevers van Eton bespoelt, in vroegere dagen aangebeden. Aan u, heb ik met Spartaanschen moed mijn bloed geofferd op het altaar, waar de priester de roede zwaaide! Kom dan, en laaf mij uit de rijke, schoone schatten in oude tijden verzameld, met uw overvloed! Open de Maeonische en Mantuasche schatkisten, of waar anders gij uwe wijsgeerige, dichterlijke en geschiedkundige schatten geborgen hebt, hetzij gij de zware kisten met Grieksche, hetzij met Latijnsche letters gemerkt hebt;—leen mij een tijdlang den sleutel tot al uwe schatten,—den sleutel, welken gij aan uwen Warburton hebt toevertrouwd!
Eindelijk, roep ik ook u aan, o Ondervinding! die lang bekend zijt geweest met de wijzen, de goeden, de geleerden, de beschaafden! En ook niet slechts met dezen, maar met iederen slag van menschen, van den minister op de audientie, tot den deurwaarder in het huis van arrest; van de hertogin op het feest, tot de waardin in de gelagkamer. Met uwe hulp alleen kan men de zeden der menschen leeren kennen;—waaraan de afgstrokkene boekworm, hoe knap hij ook anders zij, of hoe groot zijne geleerdheid, steeds vreemd moet blijven.
Komt gij allen, die ik aangeroepen heb, en nog meer er bij, zoo mogelijk; want moeijelijk is de taak welke ik op me genomen heb, en zonder uw bijstand zal ze wel te zwaar voor mij zijn;—maar als gij mij toelacht, hoop ik nog mijn werk tot een gelukkig einde te brengen!
HOOFDSTUK II.
HETGEEN DEN HEER JONES OVERKWAM BIJ ZIJNE AANKOMST TE LONDEN.
De geleerde Dr. Misaubin plagt te zeggen, dat zijn eigenlijk adres luidde: „Aan Dr. Misaubin,—hier op aarde!” daardoor te kennen gevende, dat er slechts zeer weinige menschen waren, die met zijn roem niet bekend waren. En welligt zullen wij, bij nader onderzoek, inzien dat deze omstandigheid geene onaanzienlijke plaats bekleedt onder de zegeningen van een beroemden naam.
Het groote geluk om aan de nakomelingschap bekend te worden, (waarop wij ons in het vorige hoofdstuk verheugden), is een voorregt dat slecht weinigen te beurt valt. Om, zoo als Sydenham het uitdrukt „de verschillende elementen waaruit onze naam bestaat” nog na verloop van eeuwen te doen opsommen, is eene gave welke noch door rang noch door rijkdommen gekocht kan worden, en die naauwelijks te verkrijgen is, tenzij door middel van het zwaard of de pen. Maar het zal toch steeds het schoone doel zijn van diegenen, die wettige aanspraken op eer of vermogen hebben, om de schande te ontgaan van „iemand te zijn die niemand kent,”—ter loops gezegd, eene schande die reeds in de dagen van Homerus bestond. [15]
Uit de rol dan, welke de Iersche Pair, die Sophia naar Londen bragt, reeds in deze geschiedenis gespeeld heeft, zal de lezer, zonder twijfel, begrijpen, dat het gemakkelijk viel om zijn huis in de stad te ontdekken, zonder juist den naam van de straat of het plein te weten, waar hij woonde, daar hij iemand wezen moest, „dien iedereen kende.” En werkelijk zou het iederen winkelier gemakkelijk zijn gevallen, die gewoon is om de groote lui te bedienen, wier deuren gewoonlijk even ligt te vinden zijn als het moeijelijk valt over den drempel te komen.
Maar Jones en Partridge waren beide vreemd in Londen, en daar hij eerst aankwam in een gedeelte van de stad, welks bewoners weinig omgaan met de aristokratische lieden in Hanover- en Grosvenor-Square,—want hij bevond zich in Gray’s-Inn-Lane,—zwierf hij een heelen tijd rond eer hij het geluk had om den weg te ontdekken naar de gelukkige ver van het gemeen verwijderde verblijfplaatsen dier grootmoedige helden, de afstammelingen der oude Britten, Saksers of Denen, wier ouders in gelukkiger dagen geboren, door allerlei verdiensten, aan hun nageslacht rijkdommen en waardigheden hebben nagelaten.