Tom Jones

Part 6

Chapter 63,915 wordsPublic domain

Jufvrouw Partridge, wier ijverzucht, zoo als de lezer weet, sedert lang genezen was, en die anders niets tegen hare dienstmaagd had, antwoordde stoutweg, dat zij niet begreep hoe zij het dorp op die wijze had kunnen verpligten, daar zij geloofde dat Jenni zeker haars gelijke niet achtergelaten had.

„Neen,” hernam de andere, „ik hoop van neen! Hoewel ik me verbeeld dat er sletten genoeg hier zijn! Ge hebt dus niet gehoord, naar het schijnt, dat zij verlost is van twee onechte kinderen? Daar ze echter hier niet geboren zijn, zegt mijn man en de andere wijkmeester ook, dat ze onze gemeente niet ten laste zullen vallen.”

„Twee onechte kinderen!” riep jufvrouw Partridge driftig; „wat ge zegt! Ik weet niet of ze ons ten laste kunnen komen, maar zeker is het dat de vader hier te huis behoort, want het is nog geen negen maanden geleden dat het meisje van hier weg is!”

Niets is vlugger en plotselinger dan de werking van den geest, vooral als die opgewekt wordt door hoop, vrees of ijverzucht,—bij welke laatste vergeleken, de beide anderen slechts trage prikkelen zijn. Het schoot haar dadelijk te binnen, dat Jenni naauwelijks de deur uit geweest was zoo lang zij bij haar inwoonde. Het leunen over den stoel, het Latijn, de glimlach en allerlei andere dingen stonden haar op eens voor den geest.

De voldoening, welke haar man aan den dag gelegd had over het vertrek van Jenni scheen haar nu slechts geveinsd te zijn,—dan weder opregt,—en dan weder (ter versterking van haar ijverzucht), alleen ontsproten te zijn uit verzadiging en honderderlei andere slechte bronnen. In één woord: zij gevoelde zich overtuigd van de schuld van haren echtgenoot en verliet de vergadering in de grootste ontsteltenis.

Even als de schoone Poes,—die hoewel de jongste van het kattengeslacht niet in wreedheid onderdoet voor de oudere takken van hare familie, en ofschoon minder in kracht, den edelen tijger zelven in woestheid evenaart,—even als de poes, wanneer het muisje, dat zij, lang spelende, gemarteld heeft, hare klaauwen ontsnapt, een tijdlang gromt, knort, raast en tiert, en zoodra de kist of koffer, waarachter het diertje schuilt, uit den weg geruimd is, pijlsnel op haar slagtoffer schiet, en het met verbitterde woede bijt, krabt, knaauwt en verscheurt,—zoo ook, en met geene mindere woestheid, vloog jufvrouw Partridge den armen schoolmeester aan.

Met tong, tanden en handen viel zij hem tegelijk aan. Zijne pruik werd hem in een oogenblik van het hoofd gerukt; het hemd hem van het lijf,—en van zijn gelaat vloeiden vijf stroomen bloeds, het getal der klaauwen aanwijzende waarmede de natuur ongelukkig zijne vijandin gewapend had.

De heer Partridge bepaalde zich een tijdlang tot de verdediging;—en deed slechts zijn best om met de handen zijn gezigt te beschermen; daar hij echter ondervond, dat de woede zijner vijandin niet verminderde, dacht hij ten minste haar te mogen ontwapenen, of liever hare armen vast te houden waarbij, in de worsteling, hare muts afviel, en haar hoofdhaar, te kort om op hare schouders te vallen, ten berge rees, terwijl haar keurslijf, dat slechts door één knoopje onderaan vastgemaakt was, open sprong, en hare borsten, die weelderiger waren dan haar hoofdsieraad, tot beneden haar midden afhingen;—haar gelaat was ook bevlekt met het bloed van haar man; zij knarste woedend op de tanden, en vonken, als van een smids vuur, vlogen uit hare oogen. Over het geheel dus had deze Amazone een veel heldhaftiger man dan den heer Partridge schrik en vrees kunnen aanjagen.

Eindelijk had hij het geluk, hare armen vast te kunnen houden, en alzoo de wapenen, welke zij aan het einde der vingers had, onbruikbaar te maken, en zoodra zij dit bemerkte, kreeg de zwakheid, aan haar geslacht eigen, de bovenhand op hare woede, en zij barstte in tranen uit, en eindigde met het hevig op de zenuwen te krijgen.

De weinige tegenwoordigheid van geest, welke de heer Partridge tot dus ver bewaard had, bij dit woedende tooneel, welks oorzaak hem geheel onbekend was, liet hem nu in den steek. Hij liep de deur uit, op straat, roepende dat zijne vrouw stervende was, en de buren smeekende zich te haasten om hulp te verleenen. Verscheidene goede vrouwen gehoorzaamden aan zijn wensch, en kwamen bij hem binnen, en daar zij de gewone middelen gebruikten bij zulke gevallen, kwam jufvrouw Partridge eindelijk bij, tot groote vreugde van haar man.

Zoodra zij weder tot besef gekomen was en door gebruik van een hartversterking iets bedaard was, begon zij het gezelschap bekend te maken met al hare grieven tegen haar man, die, zoo als zij beweerde, niet slechts zijn huwelijkstrouw geschonden had, maar ook, zoodra zij hem dat verweten had, haar met de meest mogelijke wreedheid behandeld, de muts en het haar van haar hoofd en het korset van haar lijf gerukt, en haar tevens een pak slagen gegeven had, waarvan zij de teekenen mede in het graf zou nemen.

De arme man, die op het gelaat vele zigtbare sporen vertoonde van de woede zijner vrouw, stond in stomme verbazing bij deze beschuldiging, welke, zoo als de lezer getuigen kan, lang niet met de waarheid overeen kwam; want, inderdaad, had hij haar geen één slag toegebragt;—maar daar zijn stilzwijgen, door alle aanwezigen als een blijk zijner schuld aangemerkt werd, begonnen zij ook alle, una voce, hem te verwijten en te bekijven, steeds herhalende dat alleen een lafaard de hand kon opheffen tegen eene vrouw.

De heer Partridge verdroeg dit alles met veel geduld; maar toen zijne vrouw wees op het bloed op haar aangezigt, om zijne wreedheid te bewijzen, kon hij niet laten zijne aanspraken te doen gelden op zijn eigen bloed, gelijk het wezenlijk was,—daar hij het voor zeer onnatuurlijk hield, dat het verschijnen zou (gelijk men ons leert dat het geval is met dat van een vermoorde), om wraak op hem te eischen.

Hierop verwaardigden zich de vrouwen geen ander antwoord te geven, dan dat het jammer was, dat het niet van zijn hart, in plaats van zijn gezigt kwam, verklarende, allen tegelijk, dat als hare mannen de hand tegen haar ophieven, zij hun hartebloed zouden willen hebben.

Na vele verdere verwijtingen over het gebeurde, en veel goeden raad aan den heer Partridge omtrent zijn toekomstig gedrag, ging het gezelschap eindelijk uiteen, en liet man en vrouw alleen om de zaak onderling te bespreken, bij welke gelegenheid de heer Partridge de oorzaak zijner rampen vernam.

HOOFDSTUK V.

BEVATTENDE VEEL OM VERSTAND EN OORDEEL VAN DEN LEZER TE SCHERPEN.

Het komt mij voor eene zeer juiste opmerking te zijn, dat slechts weinige geheimen het eigendom van één persoon blijven; zeker is het, dat men het haast als een wonder zou kunnen beschouwen, als een feit van dezen aard aan eene geheele gemeente kon bekend zijn, zonder verder verspreid te worden.

En, inderdaad, slechts weinige dagen verliepen er eer iedereen in de omstreken, gelijk men platweg zegt, „vol was” van den schoolmeester van Klein-Baddington, die, zoo als men verzekerde, zijne vrouw op zulk eene wreede wijze mishandeld had. Ja, er werd zelfs op sommige plaatsen verzekerd, dat hij haar vermoord had;—elders, dat hij haar de armen,—en op andere plaatsen weder, dat hij haar de beenen gebroken had;—met één woord, er bestaat naauwelijks ééne verminking, welke een menschelijk wezen ondergaan kan, of het werd hier of daar verteld, dat jufvrouw Partridge die van haar man ondergaan had.

Er bestond ook nog verschil in de opgaven omtrent de oorzaak van dezen twist: want terwijl sommigen verzekerden, dat jufvrouw Partridge haar echtgenoot in bed met de meid gevonden had, werden ook velerlei redenen van geheel anderen aard door anderen opgegeven. Ja, sommigen gingen zoo ver, dat zij de vrouw in plaats van den man beschuldigden, en de ijverzucht aan hem toeschreven.

Jufvrouw Wilkins had lang geleden dezen twist vernomen; daar echter eene geheel andere aanleiding daartoe dan de wezenlijke hare ooren bereikt had, vond zij goed er niets van te zeggen, te eerder, welligt, daar de heer Partridge algemeen de schuld kreeg, en omdat zijne vrouw, toen zij bij den heer Allworthy diende, op de eene of andere wijze mejufvrouw Wilkins, die niet zeer vergevensgezind was, beleedigd had.

Maar jufvrouw Wilkins, die zeer goed op een afstand kon zien, en die ook even goed een paar jaren vooruit zag, had de groote waarschijnlijkheid ontdekt, dat de kapitein Blifil in lateren tijd haar heer zou worden, en daar zij duidelijk begreep, dat de kapitein den kleinen vondeling niet zeer genegen was, verbeeldde zij zich den heer Blifil eene gewenschte dienstte bewijzen, met eene ontdekking, welke strekken kon om de liefde, welke de heer Allworthy voor het kind scheen opgevat te hebben en die den kapitein blijkbaar hinderde, te doen verminderen;—daar, zelfs in het bijzijn van den heer Allworthy, de kapitein zijne ongerustheid hierover niet geheel verbergen kon, hoewel zijne vrouw, die hare rol, als er menschen bij waren veel beter volhield, hem herhaaldelijk vermaande om haar voorbeeld te volgen en de dwaasheid van haar broeder door de vingers te zien, welke zij, gelijk zij betuigde, ten minste even goed inzag en wraakte, als wie ook ter wereld.

Toen dus jufvrouw Wilkins, bij toeval, de ware geschiedenis van den twist op het spoor kwam, hoewel lang nadat die afgeloopen was, rustte zij niet tot zij volkomen ingelicht was omtrent alle bijzonderheden,—waarop zij den kapitein berigtte, dat zij eindelijk den vader van den kleinen vondeling ontdekt had, om wiens wille het haar speet te zien, zeide zij, dat haar meester zooveel van zijn goeden naam opofferde.

De kapitein berispte haar om dit laatste gezegde, als zijnde het eene zeer ongepaste aanmatiging van haar kant, om een oordeel te willen vellen over de handelingen van haar meester; want als zijn eergevoel en zijn verstand toegelaten hadden dat hij een bondgenootschap sloot met jufvrouw Wilkins, zou zijn hoogmoed dat nooit hebben willen toegeven. En, het is eene stellige waarheid, dat niets onstaatkundiger kan zijn, dan ooit een bondgenootschap te sluiten met de dienstboden van een vriend tegen hun heer; want juist hierdoor wordt men later de slaaf van deze dienaren, door wie men aanhoudend gevaar loopt van verraden te worden. Het was welligt juist deze bedenking, welke belette dat de kapitein Blifil zich nader verklaarde aan jufvrouw Wilkins, of dat hij hare berisping van Allworthy’s gedrag aanmoedigde.

Maar, ofschoon hij bij deze ontdekking geen blijk van voldoening gaf aan jufvrouw Wilkins, was hij, in zijn hart, er niet weinig blijde mede, en besloot er zooveel mogelijk nut van te trekken.

Hij hield de zaak echter lang voor zich, in de hoop, dat de heer Allworthy ze van iemand anders vernemen zou; maar jufvrouw Wilkins, hetzij uit toorn over het gedrag van den kapitein, of dat zij het slagtoffer zijner meerdere sluwheid werd, en vreesde hem door de ontdekking te mishagen, liet zich geen woord meer omtrent de heele zaak ontvallen.

Bij nader inzien, heb ik het wel eenigzins vreemd gevonden, dat de huishoudster mevrouw Blifil dit nieuws niet mededeelde, daar de vrouwen meer geneigd zijn allerlei nieuwtjes liever aan iemand van haar eigen, dan van ons geslacht te openbaren. De eenige wijze, dunkt me, om dit bezwaar op te lossen, is om alles toeteschrijven aan de verkoeling, die er nu heerschte tusschen de dame en de huishoudster;—die welligt voortsproot uit jaloerschheid bij mevrouw Blifil, omdat Wilkins den vondeling te veel eerbied bewees; want, terwijl zij haar best deed het kind te benadeelen, ten einde een wit voetje bij den kapitein te krijgen, roemde zij het dagelijks meer en meer bij Allworthy,—naarmate zijne ingenomenheid met den jongen vermeerderde. Niettegenstaande nu de zorg, welke zij droeg, om bij andere gelegenheden mevrouw Blifil van het tegendeel te overtuigen, beleedigde dit misschien die fijn gevoelige dame, die nu zeker jufvrouw Wilkins haatte; en hoewel zij bij geene mogelijkheid de gelegenheid kon bedenken om haar uit hare dienst te verwijderen, wist zij wel de middelen te vinden, om haar het leven zeer zuur te maken. Dit vertoornde eindelijk jufvrouw Wilkins in zulke mate, dat zij openlijk den meesten eerbied en liefde voor den kleinen Tom aan den dag legde,—alleen om zich tegen mevrouw Blifil te verzetten.

Daar de kapitein dus begreep, dat de ontdekking gevaar liep van in het vergeetboek te geraken, nam hij eindelijk de gelegenheid waar om ze zelf mede te deelen.

Op zekeren dag was hij in een gesprek gewikkeld met den heer Allworthy over de liefdadigheid, en de kapitein bewees zeer geleerd aan den heer Allworthy, dat in de Heilige Schrift onder christelijke liefde nergens mildheid of weldadigheid verstaan wordt.

„De christelijke godsdienst,” zeide hij, „was tot een edeler doel ingesteld, dan om ons eene les op te dringen, welke vele heidensche wijsgeeren ons reeds vroeger gegeven hadden, en die, hoewel men ze welligt eene zedelijke deugd kon noemen, weinig zweemde naar dien verheven christelijken gemoedsaard, dien verbazenden adel van denkwijze, die in hare zuiverheid de engelachtige volmaaktheid nabij kwam, en die alleen verkregen uitgedrukt, en gevoeld kon worden door middel der goddelijke genade. Diegenen,” zeide hij „begrepen beter hetgeen in de Heilige Schrift bedoeld wordt, die onder christelijke liefde de opregtheid begrepen; dat is, het vellen van een welwillend oordeel over onze broederen, en eene zachte beoordeeling hunner handelingen,—eene deugd, die veel verhevener en grootscher van aard was dan eene ellendige uitdeeling van aalmoezen, welke, hoezeer we ook onze eigene naastbestaanden daardoor benadeelden of zelfs te gronde rigtten, slechts zeer weinigen ten bate konden komen, terwijl de liefdadigheid in den anderen, waren zin, tot het geheele menschdom uitgestrekt kon worden.

„Als men in aanmerking neemt,” voegde hij er bij, „wie de apostelen waren, dan zou het ongerijmd zijn te denken, dat hun de leer der mildheid, in den zin van aalmoezen geven, gepredikt werd. En daar wij ons niet goed voorstellen kunnen, dat deze leer door den goddelijken Verlosser aan menschen gepredikt zoude zijn, die ze niet beoefenen konden,—zoo ook moeten wij ons niet verbeelden, dat diegenen, die ze beoefenen kunnen en dit niet doen, ze verstaan.

„Hoewel er nu,” vervolgde hij, „naar ik vrees, weinig goeds is in het betoonen van zulke weldaden,—zouden ze toch, dat beken ik, vergezeld zijn van eenig genot voor elk goed hart, zoo dat niet verminderd werd door ééne bedenking. Ik bedoel, dat wij onderhevig zijn aan het gevaar om ons bedrogen te zien, en onze grootste gunsten dikwijls te bewijzen aan menschen, die ze niet verdienen,—zooals gij bekennen moet dat met u het geval was met dien nietswaardigen vent, dien Partridge;—want een stuk of wat voorbeelden van dien aard moeten de inwendige voldoening zeer verminderen, welke een braaf mensch anders door zijne weldadigheid zou ondervinden;—ja, hem zelfs schroomvallig maken in het geven, uit vrees van zich schuldig te maken aan het bevorderen der ondeugd en het aanmoedigen der boosheid,—eene zeer zware misdaad, voor welke het volstrekt geene verontschuldiging zou zijn te beweeren, dat men iets van dien aard volstrekt niet beoogde,—tenzij men uiterst voorzigtig zij geweest in de keuze der voorwerpen zijner mildheid. En ik twijfel niet, of deze bedenking heeft de mildheid van menigen waardigen en vromen man zeer getemperd.”

De heer Allworthy gaf tot antwoord: „Dat hij op het punt van het Grieksch niet met den kapitein op dezelfde hoogte was, en daarom niets zeggen kon van de wezenlijke beteekenis van het woord, dat door liefde vertaald wordt, maar dat hij zich toch altijd verbeeld had, dat het begrip van handelen er noodzakelijk aan verbonden, en dus het geven van aalmoezen ten minste eene eigenschap van die deugd was.

„Wat de verdienstelijkheid daarvan betrof,” zeide hij, „daaromtrent was hij het met den kapitein eens; want er was niets verdienstelijks in, dat men slechts zijn pligt deed, die, welken zin men ook verkoos te geven aan het woord christelijke liefde, toch duidelijk genoeg aangewezen werd door de geheele strekking van het Nieuwe Testament. En, even als hij het beschouwde als een pligt, die niet verwaarloosd mogt worden,—die aanbevolen werd door de christelijke leer en de wetten der natuur zelve, zoo was die ook tevens zoo aangenaam, dat als men zeggen kon, dat de vervulling van eenigen pligt ter wereld hare eigene belooning medebragt, en zich zelve voldoening schonk, het dan juist de beoefening van dezen pligt was.”

„Om de waarheid te zeggen,” vervolgde hij, „er is één graad van mildheid,—of liefdadigheid, zou ik ze genoemd hebben,—die eenigen schijn van verdienste heeft, en dat is, wanneer men uit grondbeginselen van welwillendheid en christelijke liefde iemand anders iets geeft, dat men zelf wezenlijk noodig heeft,—als wij, ten einde de rampen van anderen te lenigen, ons verwaardigen een gedeelte er van op onze eigene schouders te nemen, door hun dat te schenken, wat onze behoeften voor ons onmisbaar maken. Dit is, dunkt me, verdienstelijk; maar om onze broederen slechts met onzen overvloed te helpen; om liefdadig te zijn, ik moet dat woord gebruiken,—alleen ten koste van onze beurs, en niet van ons zelve,—om liever vele huisgezinnen uit de ellende te redden dan een zeldzaam schilderstuk in onze kamer op te hangen, of eenige andere, nietige, bespottelijke ijdelheid te voldoen, schijnt niets meer dan menschelijk te zijn. Ja, ik waag het zelfs verder te gaan, en te verklaren, dat het eenigermate op de handelwijze van een lekkerbek gelijkt; want, wat zou de grootste lekkerbek liever doen, dan met vele in plaats van met slechts één mond te eten, hetwelk, dunkt me, ongeveer het geval is met iemand, die weet dat velen door zijne mildheid gevoed worden?”

„Wat de vrees betreft van zijne goedheid te verspillen aan diegenen, die ze welligt onwaardig zullen wezen, omdat reeds velen vroeger onwaardig geweest zijn; dit mag zeker een goed mensch niet afschrikken van mild te zijn. Ik geloof niet, dat eenige, of vele voorbeelden van ondankbaarheid het regtvaardigen kunnen, dat iemand zijn hart sluit tegen de rampen zijner medemenschen; ik geloof ook niet, dat zoo iets gebeuren kan, als men wezenlijk welwillend is. Niets dan de overtuiging van de algemeene bedorvenheid, kan een goed mensch geheel van het betoonen van liefdadigheid afschrikken, en eene dergelijke overtuiging moet hem of tot atheïsme of tot geestdrijverij leiden. Het is ook zeker onredelijk om tot de algemeene bedorvenheid te besluiten, omdat er enkele bedorvene menschen zijn, en ik verbeeld me ook niet, dat die ooit aangenomen wordt door iemand, die na rijp onderzoek in zijn eigen hart, ééne uitzondering op den algemeenen regel vond.”

Hij eindigde met de vraag: „Wien hij toch bedoelde met dien Partridge, dien hij een schelm genoemd had?”

„Ik bedoel,” zei de kapitein, „Partridge, den barbier, den schoolmeester, of hoe ge hem heet? Partridge, den vader van het kindje, dat ge in uw bed vondt.”

De heer Allworthy liet groote verwondering blijken bij deze woorden, en de kapitein scheen niet minder verbaasd over zijne onwetendheid; want hij zeide het meer dan eene maand lang geweten te hebben, en herinnerde zich eindelijk, met veel moeite, dat hij het van jufvrouw Wilkins gehoord had.

Hierop werd Wilkins dadelijk geroepen, die hetgeen de kapitein gezegd had, bevestigd hebbende, door den heer Allworthy, op raad van den kapitein, naar Klein-Baddington gezonden werd, om de zaak te onderzoeken; want de kapitein toonde een grooten afkeer van overhaasting in alle criminele zaken en verklaarde dat hij niet hebben wilde dat de heer Allworthy eenig besluit nam tot nadeel van het kind of zijn vader, eer hij de overtuiging gekregen had, dat deze laatste schuldig was: want hoewel hij zelf overtuigd was door hetgeen hij vernomen had van een van Partridge’s buren, was hij veel te edelmoedig om zoo iets tot bewijs bij den heer Allworthy te doen strekken.

HOOFDSTUK VI.

DE TEREGTSTELLING VAN PARTRIDGE, DEN SCHOOLMEESTER, WEGENS ONEERBAARHEID; DE GETUIGENIS DOOR ZIJNE VROUW AFGELEGD; EENE KORTE HERINNERING AAN DE WIJSHEID ONZER WETTEN, MET ANDERE ERNSTIGE ZAKEN, DIE HUN HET BEST BEVALLEN ZULLEN, WELKE ZE HET BEST VERSTAAN.

Men zal zich welligt verwonderen, dat een zoo welbekend verhaal, hetwelk zoo veel stof tot gesprek opgeleverd had, nooit was medegedeeld aan den heer Allworthy zelven, de eenige mensch welligt in den omtrek, die er nooit van gehoord had.

Om dit eenigzins aan den lezer te verklaren, acht ik het noodig ter zijner kennis te brengen, dat er niemand in het geheele rijk was, die er minder belang bij had om de stelling aangaande de beteekenis van het woord „christelijke liefde” te bestrijden, dan die goede man. Inderdaad kon hij in alle opzigten aanspraak op deze deugd maken; want even als er niemand was die gevoeliger kon zijn voor den nood van anderen, of meer gereed om in hunne behoeften te voorzien, zoo kon er ook niemand zijn, die kiescher was omtrent hun goeden naam en onwilliger om iets tot hun nadeel aan te hooren.

De laster vond dus nooit ingang bij hem; want, even als lang geleden opgemerkt werd, dat men iemand naar zijn omgang beoordeelen kan, zoo waag ik ook te zeggen, dat men door te luisteren naar de gesprekken aan tafel van een groot man, inzigt kan krijgen in zijne godsdienst, zijne staatkunde, zijn smaak en, in één woord, in zijn geheel karakter; want, hoewel er eenige wonderlijke menschen zijn, die overal hunne eigene meeningen voor den dag brengen, zijn op verre na de meeste menschen hovelingen genoeg om hun gesprek in te rigten naar den zin en de neigingen van hunne meerderen.

Maar om terug te komen op jufvrouw Wilkins: deze, haar boodschap met veel spoed verrigt hebbende, hoewel op een afstand van vijftien Engelsche mijlen, bragt zulk eene zekere bevestiging mede van de schuld van den schoolmeester, dat de heer Allworthy besloot den misdadiger te ontbieden, en hem viva voce te ondervragen.

De heer Partridge werd dus gedagvaard om te verschijnen en zich te verdedigen (als hij dat kon), tegen de ingebragte beschuldiging.

Op het bepaalde uur verschenen voor den heer Allworthy, ten huize het Paradijs genaamd voornoemde Partridge, met zijne wettige huisvrouw Anna, en de aanklaagster, jufvrouw Wilkins.

En nu, de heer Allworthy in den regterstoel gezeten zijnde, werd Partridge vóór hem gebragt, die na de beschuldiging van jufvrouw Wilkins aangehoord te hebben, alles loochende, met vele hartstogtelijke betuigingen zijner onschuld.

Daarop werd jufvrouw Partridge ondervraagd, die na eene zedige betuiging van haar leedwezen, dat zij tegen haar man toch de waarheid moest zeggen, alle omstandigheden vermeldde, waarmede de lezer reeds bekend is, en eindigde met de verklaring, dat haar echtgenoot schuld bekend had.

Ik wil niet wagen te beslissen of zij hem vergeven had of niet; maar het is zeker dat zij ongaarne getuigenis aflegde, en het is waarschijnlijk, om zekere andere redenen, dat zij nooit op die wijze zich verklaard zou hebben, zoo jufvrouw Wilkins niet op de meest listige wijze, in haar eigen huis, alles van haar uitgevischt had, en beloften gedaan, uit naam van den heer Allworthy, dat haar man op geenerlei wijze gestraft zou worden, die zijn huisgezin kon benadeelen.

Partridge hield vol met zijne onschuld te betuigen, hoewel hij niet loochenen kon, dat hij de bekentenis afgelegd had, wat hij echter trachtte te verklaren door de verzekering dat ze hem afgeperst werd door de lastigheid zijner vrouw, die zwoer, dat, daar zij van zijne schuld overtuigd was, zij nooit uitscheiden zou met hem te plagen tot hij ze bekend had,—waartegen zij beloofde, van haar kant, hem nooit iets meer daarvan te zeggen. Om deze reden, zeide hij, was hij er toe gekomen, zich valschelijk te beschuldigen, hoewel hij geheel onschuldig was,—en hij geloofde, dat hij, met hetzelfde doel, ook een moord zou bekend hebben.