Tom Jones

Part 54

Chapter 543,947 wordsPublic domain

Wij zullen dus thans afscheid nemen van deze goede lieden, en Milord en zijn bekoorlijk reisgezelschap volgen, die zoo veel haast maakten, dat zij eene reis van dertig uren in twee dagen aflegden, en den tweeden avond Londen bereikten, zonder eenig avontuur te beleven, dat der moeite waard zou zijn hier te vermelden. Onze pen zal dus dezelfde haast maken, als die welke ze beschreven heeft, en onze geschiedenis zal gelijken tred houden met de reizigers, die er de hoofdrol in spelen. Goede schrijvers zullen inderdaad wèl doen met den verstandigen reiziger na te volgen op dit punt, die altijd de lengte van zijn verblijf op de eene of andere plaats in evenredigheid brengt met de schoonheden, sierlijkheden en zeldzaamheden, welke ze oplevert. Te Eshur, te Stowe, te Wilton, te Estbury en te Priors Park, zijn de dagen te kort voor de verrukte verbeelding;—terwijl men de verbazende magt der kunst bewondert, welke de natuur verfraait. Op sommige van deze plaatsen is het de kunst, welke voornamelijk onze aandacht boeit; op anderen strijden kunst en natuur om den voorrang; maar op de laatstgemelde plaats schijnt de natuur de overwinning te behalen. Hier vertoont zij zich in hare rijkste pracht, en de kunst, met de meest bescheidene eenvoudigheid versierd, volgt hare weldadige beheerscheresse op den voet. Hier, inderdaad, verkwist de natuur de zeldzaamste schatten welke zij over de wereld verspreid heeft, en hier biedt de menschelijke natuur u een voorwerp aan, dat alleen door het bovengenoemde overtroffen kan worden.

Dezelfde goede smaak, dezelfde verbeelding, die weelderig geniet in deze sierlijke tooneelen, kan zich ook vermaken met voorwerpen, die veel minder beroemd zijn. De bosschen, de rivieren, de groene weiden van Devonshire en van Dorsetshire boeijen de blikken van den verstandigen reiziger en houden hem op onder weg;—eene vertraging welke hij later vergoedt door snel heen te vliegen over de sombere heide van Bagshot, of over dat aangename plein, hetwelk zich uitstrekt westwaarts van Stockbridge, waar, in een omtrek van zestien mijlen geen voorwerp zich verheft dan één enkele boom, tenzij welligt de wolken, met medelijden bezield over onze verveling, vriendelijk hare bonte woningen aan onze blikken openstellen.

Op eene andere wijze reist de geldzieke koopman, de hoogwijze regter, de deftige geneesheer, de dik ingepakte vetweider, met het geheele talrijke kroost van weelde en domheid. Zij sukkelen voort, met gelijken tred, door de groene velden, of over de barre heide, terwijl hunne paarden, met de meeste naauwkeurigheid, anderhalf uur afstands in een uur tijds afleggen. De oogen van het dier en van zijn meester zijn alleen vóór zich uit gevestigd, en worden gebezigd om dezelfde voorwerpen op dezelfde wijze te beschouwen. Met even veel verrukking beschouwt de goede ruiter de schoonste meesterwerken der bouwkunst als die fraaije gebouwen, waarmede de eene of andere onbekende de rijke fabriekstad versierd heeft, waar hoopen baksteenen als eene soort van gedenkteeken opgerigt zijn, om aan te toonen welke hoopen gelds vroeger daar opeen gestapeld zijn.

En thans, lezer, daar wij haast hebben om onze heldin te volgen, zullen wij het aan u overlaten, om dit alles toe te passen op de Beotische en andere schrijvers, die lijnregt tegenover hen staan. En dit kunt gij best doen zonder onzen bijstand. Rep u dus bij deze gelegenheid; want hoewel wij u altijd, des vereischt, op moeijelijke plaatsen hulp zullen verleenen, omdat wij niet (zoo als sommige anderen) verwachten dat gij de waarzeggerij ter hulp zult roepen om achter onze meening te komen,—zullen wij, evenwel, uwe luiheid niet aanmoedigen, daar waar er niets van u gevergd wordt dan oplettendheid; want gij vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat toen wij dit groot werk begonnen, wij voornemens waren niets over te laten aan uwe eigene schranderheid, of dat gij soms, zonder gebruik te maken van die gave, in staat zoudt zijn met eenig nut of genoegen deze bladzijden te doorbladeren.

HOOFDSTUK X.

EEN PAAR WENKEN OMTRENT DE DEUGD EN NOG EEN PAAR OMTRENT DE VERDENKINGZUCHT.

Ons reisgezelschap kwam te Londen aan en werd aan het huis van Milord afgezet, van waar, terwijl men zich na de vermoeijenissen der reis verkwikte, de dienstboden er op uitgezonden werden om eene woning voor de dames te zoeken; want, daar Milady niet in de stad was, kon mevrouw Fitzpatrick er niet aan denken om den nacht door te brengen onder het dak van Milord.

Eenige lezers zullen welligt deze al te groote kieschheid der deugd, zoo als ik ze noemen zal, afkeuren, als overdreven en al te schroomvallig; maar wij moeten hare positie in aanmerking nemen, die, zoo als men bekennen zal, zeer moeijelijk was,—en als wij verder bedenken de hatelijkheid der kwaadsprekers, moeten wij toegeven, dat zoo zij faalde, zij dat van den goeden kant deed, en dat iedere vrouw, in een dergelijken toestand, wel zou doen met haar na te volgen. De deftigste schijn der deugd, als die alleen schijn is, zal welligt in zeer afgetrokkene bespiegelingen, iets minder prijzenswaardig schijnen dan de deugd zelve zonder deze deftigheid, maar zal desniettemin steeds hooger geroemd worden; en ik geloof, dat allen toestemmen zullen, dat, uitgezonderd in enkele zeer bijzondere gevallen, het noodig is voor eene vrouw hetzij den een of de andere te huldigen.

Toen er eene woning gevonden was, vergezelde Sophia hare nicht nog dien avond daarheen, maar besloot den volgenden morgen bij tijds de dame te zoeken, onder wier bescherming, zoo als wij reeds gemeld hebben, zij voornemens was zich te stellen toen zij haar vaders huis verliet. Zij was des te begeeriger om dit te doen wegens het een en ander, dat zij in den loop van hare reis in de koets opgemerkt had.

Daar wij nu geenszins den hatelijken blaam van ergdenkend te zijn op Sophia willen werpen vreezen, wij bijna aan den lezer te openbaren welke denkbeelden zij omtrent mevrouw Fitzpatrick opgevat had,—denkbeelden, die ook zeer geschikt zijn om door de slechtste menschen gekoesterd te worden;—om welke reden wij het beter achten ze niet onbewimpeld bloot te leggen voor dat wij den lezer een paar woorden omtrent de verdenking in het algemeen gezegd hebben.

Hiervan heeft het me altijd toegeschenen dat er twee graden bestaan. De eerste daarvan komt, dunkt me, uit het hart, daar de buitengewone snelheid van zijn onderscheidingsvermogen eenigen voorafgaanden, inwendigen aandrang schijnt aan te duiden, en dat te meer, daar deze hoogste graad dikwerf zijne eigene voorwerpen schept en datgene ziet wat niet bestaat, of altijd meer ontdekt dan er wezenlijk te zien is. Deze is het scherpziende doorzigt aan welks adelaarsblik geen kwaad teeken ontsnappen kan; dat niet slechts zijne opmerkingen maakt omtrent de daden, maar ook omtrent de woorden der menschen, en daar het uit het hart van den waarnemer komt, peilt het ook het hart van hem die waargenomen wordt en ontdekt het kwaad dáár, als het ware in embryo; ja, soms zelfs eer men zeggen kan dat het wezenlijk geschapen is. Dit zou een bewonderenswaardig vermogen zijn als het onfeilbaar ware; maar daar deze graad van volmaaktheid slechts voor één menschelijk wezen bestaanbaar geacht wordt, zijn dikwerf der onschuld en der deugd vele droevige rampen en kwellingen berokkend juist door de feilbaarheid van een dergelijk scherp doorzigt. Ik kan dus niet nalaten deze buitengewone scherpzinnigheid in het ontdekken van het kwaad te beschouwen als een noodlottig uiterste, en op zich zelf als een zeer verderfelijk kwaad. En ik hel te eerder tot dit gevoelen over, daar ik vrees dat ze meestal uit een slecht hart voortkomt,—ten eerste, om bovengemelde reden en ten tweede, omdat ik ze nooit gezien heb als de eigenschap van een goed hart. En van dezen graad van verdenking spreek ik Sophia bepaaldelijk geheel vrij.

Een tweede graad van die eigenschap schijnt in het hoofd te ontstaan. En dit is, inderdaad, niets anders dan het vermogen om datgene te zien wat men voor oogen heeft, en om daaruit zijne besluiten op te maken. Het eerste is onvermijdelijk voor hem die een oog heeft en het tweede is welligt geen minder zeker en noodzakelijk gevolg van hersenen te bezitten. Deze laatste graad is ook een even bittere vijand van de schuld als de eerste van de onschuld, en ik kan ook niets onbeminnelijks er in zien, zelfs al dwaalt die soms,—wat aan de menschelijke feilbaarheid toegeschreven moet worden.

Als een man, bij voorbeeld, toevallig zijne vrouw overvalt op den schoot, of in de armen van den een of anderen dier lieve jonge heeren, die de kunst beoefenen van vrouwen te verleiden, dan geloof ik niet dat ik hem zwaar zou berispen, als hij iets meer vermoedde dan hetgeen hij zag uit de gemeenzaamheid, welke hij voor oogen had, en die men al te gunstig zou beoordeelen als men ze onschuldige vrijheden noemde. De lezer zal zich gemakkelijk genoeg tal van voorbeelden van dezen aard voor den geest kunnen roepen; dus zal ik er slechts nog één opnoemen, dat ik, hoe onchristelijk het ook aan sommige menschen toeschijnen moge, toch niet nalaten kan als zeer verdedigbaar aan te toonen, en dit is het vermoeden dat een mensch in staat is om hetgeen hij eens gedaan heeft weer te doen; en dat het dus niet moeijelijk is voor iemand, die eenmaal een schurk is geweest, om dezelfde rol op nieuw te spelen. En, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat Sophia zich aan de verdenking in dezen graad schuldig maakte.—Met één woord, het was volgens eene verdenking van dezen aard, dat zij de meening opvatte dat hare nicht niet geheel onberispelijk van naam en faam was.

Het schijnt dan ook dat het met de zaak aldus gesteld was: mevrouw Fitzpatrick begreep zeer verstandig, dat de deugd eener jonge dame in de wereld in denzelfden toestand verkeert als de arme haas, die zeker is, waar hij ook heen gaat, vijanden te ontmoeten;—daar hij ter naauwernood iets anders ontmoeten kan. Zoodra zij dus besloten had om zich aan de bescherming van haar eigen man te onttrekken, nam zij zich ook voor, zich onder de bescherming van iemand anders te stellen,—en wien kon zij beter uitkiezen om de rol van voogd over haar te spelen, dan een man van rang en fortuin en van eer,—iemand, bovendien, die behalve zijn verliefden aard, die den mensch geneigd maakt om den dolenden ridder te spelen,—dat is om als kampioen op te treden van alle verdrukte vrouwen,—dikwerf zijne hevige liefde tot haar verklaard en haar reeds alle bewijzen daarvan, die in zijne magt stonden, gegeven had?

Daar de wet echter, zeer dwaasselijk, vergeten heeft in te stellen het ambt van vice-echtgenoot, of voogd, voor eene weggeloopene vrouw, en daar de kwaadwilligheid er eene veel onaangenamere benaming voor uitgedacht heeft, werd verder besloten dat Milord al deze vriendschapsdiensten in het geheim zou doen, en zonder openlijk als haar beschermer op te treden. Ja, om zelfs te beletten dat iemand hem ooit in dit licht zou beschouwen, was men overeen gekomen dat de dame regtstreeks naar Bath zou gaan, en dat Milord eerst naar Londen zou trekken, en van daar, op raad der geneesheeren, naar de badplaats reizen.

Dit alles was voor Sophia zeer duidelijk geworden, niet uit de woorden, of het gedrag van mevrouw Fitzpatrick; maar uit de houding van den pair, die veel minder behendig was in het bewaren van een geheim dan de goede dame, en misschien diende het volmaakte stilzwijgen, hetwelk mevrouw Fitzpatrick op dit punt in haar verhaal bewaard had, niet weinig om de verdenking aan te wakkeren, welke thans bij hare nicht opkwam.

Sophia ontdekte zeer gemakkelijk de dame die zij in Londen zocht; want er was geen draagkoetsenhouder in de geheele stad, die hare woning niet best kende, en daar zij, in antwoord op hare eerste boodschap, eene zeer dringende uitnoodiging ontving, nam zij die ook dadelijk aan. Mevrouw Fitzpatrick inderdaad drong er niet meer op aan dat hare nicht bij haar zou blijven dan door de welvoegelijkheid gevergd werd. Of zij bovenvermelde verdenking ontdekt had, en daarover verontwaardigd was, of eenige andere reden had, dat laat ik daar; maar zeker is het dat zij evenzeer verlangde om Sophia te zien vertrekken, als deze zelve verlangde te gaan.

Toen nu de jonge dame van hare nicht afscheid nam, kon deze niet nalaten haar een kleinen, vriendschappelijken wenk te geven. Zij smeekte haar, in ’s hemels naam, voorzigtig te zijn in al wat zij deed en niet te vergeten in welken gevaarlijken toestand zij zich bevond, terwijl zij er bijvoegde, dat zij hoopte dat er op de eene of andere wijze eene verzoening met haar man bewerkt zou worden. „Herinner u, lieve,” zeide zij, „den stelregel ons beiden door tante Western zoo dikwerf ingeprent: dat waar ook de huwelijksband verbroken wordt en de oorlog verklaard is tusschen man en vrouw, deze laatste naauwelijks, op welke voorwaarden ook, iets anders dan een voor zich zelve zeer nadeeligen vrede sluiten kan. Dit zijn de juiste woorden van tante en zij heeft werkelijk veel wereldkennis!”

Mevrouw Fitzpatrick hernam met een spottenden glimlach: „Vrees niet voor mij, kind. Pas maar op u zelve; want gij zijt jonger dan ik. Ik zal u binnen kort komen bezoeken; maar, lieve Sophia, één raad moet ik u geven; vergeet de rol van jufvrouw Deftig hier in de stad;—want geloof me, ze zou u in de wereld al heel slecht staan!”

Dus scheidden de beide nichten van elkaar, en Sophia begaf zich bij Lady Bellaston waar zij even hartelijk als beleefd ontvangen werd. Die dame had namelijk eene groote neiging tot haar opgevat toen zij haar vroeger, bij hare tante Western, gezien had. Zij was ook werkelijk zeer blijde haar weder te ontmoeten, en had pas vernomen om welke redenen zij haar vader verlaten had en naar Londen gevlugt was, of zij roemde haar verstand en hare vastberadenheid ten hoogste, en na de meeste voldoening uitgedrukt te hebben over de meening welke Sophia getoond had van haar te koesteren, door haar huis tot hare wijkplaats te kiezen, beloofde zij haar in alle opzigten, zoo ver zij dat vermogt, te beschermen.

Daar wij nu Sophia in veiligheid gebragt hebben, zal de lezer er, denkelijk, in berusten dat wij haar een tijdlang daar laten, en eens omzien naar andere personaadjes, en vooral naar den armen Jones dien, wij lang genoeg verlaten hebben terwijl, hij boete deed voor zijne begane wanbedrijven, welke,—wat in den aard der ondeugd ligt,—zelve hem straf genoeg oplegden.

BOEK XII.

Bevattende juist denzelfden tijd als het vorige.

HOOFDSTUK I.

AANTOONENDE WAT MEN ALS PLAGIAAT MOET BESCHOUWEN BIJ EEN HEDENDAAGSCHEN SCHRIJVER, EN WAT MEN VOOR WETTIGEN BUIT MAG HOUDEN.

De geleerde lezer zal opgemerkt hebben, dat ik in den loop van dit grootsche werk dikwerf uit de oude schrijvers iets vertaald heb, zonder het oorspronkelijke te melden, en zonder de minste notitie te nemen van het boek waaruit het ontleend was.

Deze handelwijze bij het schrijven wordt door den vernuftigen Abbé Bannier in een zeer juist licht gesteld in het voorwoord tot zijne Fabelkunde, een even geleerd als oordeelkundig werk.

„De lezer zal spoedig opmerken,” zegt hij, „dat ik dikwerf meer voor hem over had dan voor mijn eigen naam; want een schrijver bewijst den lezer zeker groote hulde, als hij om zijnentwil geleerde aanhalingen, die hem invallen, terughoudt, die hem slechts de geringe moeite van het overschrijven zouden gekost hebben.”

Het mag inderdaad als bepaald bedrog van de geleerde wereld beschouwd worden, indien men een boek met dergelijke brokken opvult; daar ze op die wijze overgehaald wordt om ten tweeden male, in fragmenten en in het klein, datgene te koopen wat ze reeds in het groot bezit, zoo niet in haar geheugen, dan toch op hare boekenplanken; en het is nog wreeder gehandeld ten opzigte der ongeletterden, die genoodzaakt worden geld te geven voor iets, dat ze op geenerlei wijze weten te gebruiken. Een schrijver, die eene groote hoeveelheid Latijn en Grieksch in zijne werken inlascht, handelt, ten opzigte der dames en der groote heeren, op dezelfde kleingeestige wijze als de vendumeesters, die dikwerf trachten al wat ze verkoopen te verwarren en onder elkaar te mengen, zoodat men, als men het een of ander voorwerp hebben wil, tegelijker tijd genoodzaakt wordt een heelen rommel te koopen, die tot niets dient.

En toch, daar er geen handelwijze bestaat, die hoe eerlijk en onbaatzuchtig ook, niet verkeerd begrepen wordt door de onwetendheid en tevens verkeerd voorgesteld wordt door de kwaadwilligheid, ben ik soms in de verzoeking geweest om mijn eigen goeden naam op kosten van den lezer te bewaren, en om het oorspronkelijke over te schrijven, of ten minste hoofdstuk en vers aan te halen, telkens als ik de gedachte of de woorden van iemand anders gebezigd heb. Ik twijfel ook werkelijk eenigzins, of ik niet door de tegenovergestelde handelwijze te volgen en den naam van den oorspronkelijken schrijver te onderdrukken, mij eerder aan de verdenking van plagiaat heb blootgesteld, dan dat men gelooven zal dat ik mij liet leiden door de beminnelijke beweegreden van bovenvermelden, te regt beroemden Franschman.

Om nu in het vervolg alle dergelijke verdenkingen te voorkomen, beken en regtvaardig ik hier het feit. De ouden mogen beschouwd worden als eene vette gemeenteweide, waarop iedereen, die de geringste woning op den Parnassus heeft, het volkomene regt bezit om zijne Muze te laten grazen. Of, om het in een heel duidelijk licht te stellen: wij hedendaagschen zijn tegenover de ouden, wat de armen zijn tegenover de rijken. Door de armen bedoel ik hier die groote en eerbiedwaardige menigte, welke wij het graauw noemen. Nu zal iedereen, die de eer heeft van eenigzins gemeenzaam bekend te zijn met dit graauw, volkomen beseffen, dat het een vaste grondregel bij dat volkje is om zijne rijke buren zonder bedenking te bestelen en uit te plunderen, en dat zij dit onderling noch als zonde noch als schandaal beschouwen. En zij houden zich zoo standvastig aan dit grondbeginsel, dat er, in bijna elke dorpsgemeente van het rijk, altijd eene soort van bondgenootschap bestaat tegen zekeren welvarenden man, den heer van de plaats, wiens bezittingen als vrije buit beschouwd worden door al zijne arme buren, die, daar zij hoegenaamd geene misdaad zien in dergelijke rooverijen, het als een punt van eer beschouwen, en als eene zedelijke verpligting om elkaar bij dergelijke gelegenheden tegen straf te beschermen, en te beveiligen.

Op dezelfde wijze moeten de oude schrijvers, zoo als Homerus, Virgilius, Horatius, Cicero en anderen, beschouwd worden als zoo vele rijke grondbezitters, van wie wij, de armen van den Parnassus, ons sints onheugelijke tijden het regt toekennen om alles te nemen wat onder ons bereik valt. Deze vrijheid eisch ik voor mij zelven, en ben gereed ze ook op zijne beurt aan mijn armen buurman toe te kennen. Al wat ik van mij zelven getuig en al wat ik van mijne broederen eisch, is, dat wij onder ons dezelfde strenge eerlijkheid bewaren, welke het graauw onderling in acht neemt. Om elkaar te bestelen is inderdaad hoogst misdadig en onbetamelijk; want men kan dat werkelijk noemen de armen (soms iemand die armer is dan wij zelve) bestelen,—of wat nog erger en schandelijker is,—een diefstal in het hospitaal plegen.

Daar nu, na het strengste onderzoek, mijn eigen geweten mij vrij spreekt van eenigen verachtelijken diefstal van dien aard, ben ik bereid schuld te bekennen wat de eerste aanklagt betreft, en ik zal voortaan ook niet schroomen mij iedere passage, welke ik bij een ouden schrijver vinden kan, en waarvan ik gebruik weet te maken, toe te eigenen, ook zonder den naam van den schrijver te vermelden van wien ze ontleend is. Ja, ik zal zelfs mijn eigendomsregt bepaaldelijk handhaven op alle zulke denkbeelden zoodra ze in mijne geschriften overgenomen zijn, en ik verwacht dan dat alle lezers ze verder als geheel en uitsluitend de mijne zullen beschouwen.

Ik verlang echter slechts onder ééne voorwaarde dat men mij dezen eisch toesta, namelijk dat ik de stiptste eerlijkheid in acht neem tegenover mijne arme broederen, wier merk, als ik ooit iets leen van het weinige dat zij bezitten, ik nooit nalaten zal op hun eigendom te zetten, opdat het altijd aan den wettigen eigenaar moge terug gegeven worden.

Het verzuim hiervan was zeer te berispen bij zekeren heer Moore, die vroeger eenige regels van Pope en Compagnie ontleend hebbende, de vrijheid nam om zes er van over te schrijven in een zijner dramatische werken. De heer Pope vond ze echter gelukkig in dat tooneelstuk, legde beslag op zijn eigendom, bragt dien weder in zijne eigene werken terug en tot verdere straf, wierp hij genoemden Moore in de walgelijke gijzeling zijner Dunciade, waar zijn ongelukkige naam nog geschreven staat, en ten eeuwigen dage blijven zal, tot welverdiende straf zijner oneerlijke handelwijze in den verzenhandel.

HOOFDSTUK II.

WAARIN (HOEWEL DE LANDJONKER ZIJNE DOCHTER NIET VINDT) IETS GEVONDEN WORDT DAT EEN EINDE MAAKT AAN ZIJNE VERVOLGING.

De geschiedenis keert nu tot de herberg te Upton terug, van waar wij eerst de voetstappen van den heer Western nasporen zullen; want daar hij spoedig het einde van zijn togt bereikt zal hebben, hebben wij gelegenheid genoeg om daarna onzen held te volgen.

De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat genoemde landjonker, in hevige woede ontstoken, de herberg verliet, en dat hij in die woede zijne dochter vervolgde. Daar de stalknecht hem berigt gaf dat Sophia de Severn overgetrokken was, ging hij ook met zijne volgelingen die rivier over en reed in vollen ren verder, zwerende de schitterendste wraak te nemen op de arme Sophia, als hij haar maar inhalen kon.

Hij was echter niet ver gekomen toen hij zich op een punt bevond, waar zich twee wegen kruisten. Hier belegde hij een krijgsraad, waarop hij, na verschillende gevoelens aangehoord te hebben, eindelijk de voortzetting van den togt aan het geluk overliet en regtuit naar Worcester reed.

Hij was echter pas een paar mijlen verder gekomen toen hij bitter begon te klagen en gedurig uitriep: „Hoe jammer! Wat ben ik toch een ongeluksvogel!” Wat gevolgd werd door eene heele rist vloeken en verwenschingen.

De dominé trachtte hem bij deze gelegenheid te troosten.

„Treur niet, mijnheer,” zeide hij, „gelijk een mensch, die geene hoop meer heeft. Alhoewel het ons niet heeft mogen gelukken de jonge dame tot dusver in te halen, mogen wij ons toch verheugen dat wij er in geslaagd zijn om het goede spoor te volgen. Welligt zal zij weldra, door de reis vermoeid, in de eene of andere herberg inkeeren, ten einde hare ligchaamskrachten te herstellen, en in dat geval is het zeker dat gij binnen zeer kort compos voti zult wezen.”

„Bah! De Satan hale die gemeene meid!” hernam de landjonker. „Ik betreur maar het verlies van zulk een schoonen morgen voor de jagt. ’t Is drommels hard een der schoonste dagen voor de vossenjagt, die wij dit jaar gehad hebben te verzuimen—vooral na zulk eene langdurige vorst!”

Ik wil niet beslissen of het noodlot, dat tusschenbeide te midden zijner grilligste streken wat medelijden laat doorschemeren, nu ook medelijden met den landjonker had,—en daar het besloten had hem zijne dochter niet te laten inhalen, zich voorgenomen had eenige vergoeding daarvoor te schenken;—maar naauwelijks had hij bovenstaande woorden uitgesproken, gevolgd door een paar vloeken, toen, op korten afstand der reizigers, de welluidende stemmen der jagthonden zich deden hooren, wat den landjonker en zijne paarden tegelijk de ooren deed spitsen, terwijl Western uitriep:

„Ze zijn achter den vos! Verdoemd! Ze zijn er achter!” waarop hij zijn paard de sporen gaf, dat echter deze opwekking zeer weinig noodig had, daar het dezelfde neiging koesterde als zijn ruiter,—en het heele gezelschap reed nu dwars over de akkers, regtstreeks naar de honden toe, met veel geschreeuw en hoera’s, terwijl de arme dominé, een stil gebed doende, de achterhoede uitmaakte.