Tom Jones

Part 32

Chapter 324,056 wordsPublic domain

„Wend niet voor onwetender te zijn dan werkelijk het geval is, mijnheer Northerton,” zei de waardige luitenant. „Ge zult toch wel eens van de Grieken en van Troja gehoord hebben, ofschoon u welligt Pope’s vertaling van Homerus onbekend is, die, als ik me goed herinner, de Trojanen op marsch vergelijkt met eene vlugt kakelende ganzen, en de stilte der Grieken zeer roemt. En, wezenlijk, onze vrijwilliger heeft groot gelijk.”

„Par Dieu! Ik herinner mij goed,” zei de Fransche luitenant. „Ik heb gelezen van hen, in de school, dans Madame Dacier! Die Grieken en Trojanen,—oui, oui,—zij vochten om eene vrouw! Ik heb gelezen dat alles!”

„Naar de maan, met Homo—of hoe hij heet zeg, ik!” riep Northerton. „Ik draag nog likteekens van hem—niet juist op mijn rug! Daar hebt ge Thomas, van ons regiment, die heeft altijd zoo’n Homos op zak. Verdraaid, als ik er bij kom, als ik hem niet op het vuur smijt! Daar was ook nog Cordelius, een ander verwenscht duivelskind, die mij menig pak slagen bezorgd heeft!”

„Dus hebt ge toch school gelegen, mijnheer Northerton?” vroeg de luitenant.

„Wel, verd....!—Ja zeker!” hernam hij. „De drommel hale den ouden heer, dat hij mij er ooit heen zond! De oude man wilde een steek van mij maken; maar, verdraaid! dacht ik bij mij zelven, dat zal ik je wel afleeren, oude sul! Ge zult mij van je leven niemendal van jou onzin inprenten! Daar hebt ge ook nog Jaapje Oliver van ons regiment, die ter naauwernood er aan ontsnapte om steek te worden; de Satan zal mij halen, als hij niet een der knapste kerels ter wereld is;—maar hij lapte het den ouden heer beter dan ik;—want Jaapje kan lezen noch schrijven!”

„Gij roemt uw vriend zeer,” zei de luitenant, „en ik twijfel er niet aan dat hij het verdient; maar, Northerton, ik bid u, laat die dwaze gewoonte en vloek niet zoo veel, want ik verzeker u dat ge u vergist als ge het voor geestig of beleefd houdt. Ik wilde ook dat gij mijn raad wildet volgen, om niet altijd op de geestelijken te schelden. Scheldwoorden en minachting van een geheel corps zijn steeds onvergeefelijk; maar vooral als ze menschen gelden, die een heilig beroep uitoefenen; en ik laat het aan u over te oordeelen hoe ongerijmd zulk eene handelwijze is in mannen die juist te velde trekken om de protestantsche godsdienst te beschermen.”

De heer Adderly, zoo als de andere vaandrig heette, die tot dusver met de beenen op zijn stoel had zitten te schommelen, schijnbaar zonder naar het gesprek te luisteren, zeide nu:

„O, Monsieur, on ne parle pas de religion dans la guerre.”

„Heel goed, Jaap!” riep Northerton. „Als het alleen om de religion te doen was, dan konden de dominé’s voor mijn part zelve te velde trekken.”

„Ik weet niet hoe gij er over denkt, heeren,” zei Jones; „maar ik verbeeld me dat niemand eene heiligere zaak kan vinden dan die zijner godsdienst, en uit de weinige geschiedenis, welke ik gelezen heb, meen ik opgemerkt te hebben dat geene soldaten zoo dapper gestreden hebben als die, welke door godsdienstijver bezield zijn geweest;—wat mij betreft, hoewel, naar ik hoop, niemand vuriger dan ik gehecht is aan Koning en Vaderland, heeft de protestantsche zaak toch veel er toe bijgedragen om mij naar de wapenen te doen grijpen.”

Northerton knipoogde nu tegen Adderly en fluisterde hem stilletjes in het oor: „Wij moeten dien kwast eens uithooren, Adderly!” waarop hij zich tot Jones wendende, tot hem zeide: „Het doet me genoegen, mijnheer, dat gij ons regiment uitgezocht hebt om er als vrijwilliger bij te dienen; want als onze veldprediker soms eens een glaasje te veel gebruikt, zie ik dat gij hem best zult kunnen vervangen. Ik veronderstel, mijnheer, dat gij gestudeerd hebt;—mag ik zoo vrij wezen te vragen, welke akademie gij bezocht hebt?”

„Mijnheer,” hernam Jones, „verre van ooit eene hoogeschool bezocht te hebben, heb ik niet eens het geluk gehad, zoo als gij, op school te gaan.”

„Mijne veronderstelling was gegrond op de blijken van uwe groote geleerdheid,” riep de vaandrig.

„O, mijnheer,” hernam Jones; „het is even goed mogelijk dat men iets leere zonder op school te gaan, als het mogelijk is op school te gaan en er niets te leeren.”

„Bravo, jeugdige vrijwilliger!” riep de luitenant. „Op mijn woord, Northerton, ge zoudt wel doen met hem in rust te laten; want ge zijt niet tegen hem opgewassen.”

Northerton was zeer vertoornd over de ironie van Jones, maar gevoelde dat de terging niet groot genoeg was, om hem te regtvaardigen als hij die wreken wilde met een slag, of een „gemeene vent!” of een „schurk!” welke de eenige antwoorden waren, die hem invielen. Hij zweeg dus voor een oogenblik; maar besloot om de eerste gelegenheid waar te nemen om zich op Jones te wreken.

Deze was nu aan de beurt om een toast in te stellen, en hij kon niet nalaten den naam zijner beminde Sophia bij die gelegenheid te noemen. Dit deed hij des te onbeschroomder, daar hij zich niet verbeelden kon, dat het voor iemand der aanwezigen mogelijk zou zijn te gissen wie hij daarmede bedoelde.

Maar de luitenant, die aan het hoofd van de tafel zat, was niet tevreden alleen met den naam van Sophia. Hij zeide ook haar familie-naam te moeten weten, waarop Jones, na eenige aarzeling, mejufvrouw Sophia Western noemde. De heer Northerton verklaarde nu dat dat hij onmogelijk op haar drinken kon, ten zij er iemand was die voor haar instond:

„Ik heb eene Sophia Western te Bath gekend,” voegde hij er bij, „de maitresse van de helft der jongeluî daar, en misschien is dit hetzelfde wijf.”

Jones verzekerde hem zeer plegtig van het tegendeel, bewerende dat de jonge dame iemand was van hoogen stand en groot vermogen.

„Ja, ja,” riep de vaandrig; „dat is zij ook! Ik wil verd—d zijn als het niet dezelfde vrouw is! En ik wed een half dozijn flesschen Bourgogne dat Tom French van ons regiment haar medebrengt in elke kroeg, die wij verkiezen!”

Daarop ging hij voort met haar uiterlijk zeer naauwkeurig te beschrijven;—want hij had haar met hare tante gezien,—en eindigde met te zeggen, „dat haar vader uitgestrekte landerijen bezat in Somersetshire.”

Een teedere minnaar kan de minste aardigheid over zijne beminde slecht verdragen. Jones echter, ofschoon hij verliefd en moedig genoeg was, wreekte dezen laster welligt niet zoo spoedig als hij had moeten doen. Om de waarheid te zeggen, daar hij slechts weinig geestigheid van dezen aard gezien had, begreep hij ze ook niet dadelijk en verbeeldde zich een heelen tijdlang dat er bij den heer Northerton eene verwarring van denkbeelden bestond omtrent de persoon. Zich echter eindelijk, met een ernstigen blik tot den vaandrig keerende, zeide hij:

„Ik verzoek u, mijnheer, een ander voorwerp te zoeken voor uwe geestigheid; want ik verzeker u dat ik geene aardigheden wil aanhooren omtrent den goeden naam dezer dame.”

„Aardigheden!” riep de andere. „Wel verdraaid! Ik meende het nooit van mijn leven ernstiger! Tom French van ons regiment, heeft haar en hare tante, beide, te Bath gehad!”

„En ik zeg u ook, in goeden ernst,” riep Jones, „dat gij een der grootste schelmen ter wereld zijt!”

Hij had naauwelijks deze woorden er uitgebragt toen de vaandrig, met een rollend vuur van vloeken, Jones eene flesch naar het hoofd smeet, die hem iets boven de regter slaap rakende, hem oogenblikkelijk ter aarde velde.

De overwinnaar zijn vijand aldus bewusteloos uitgestrekt ziende, terwijl het bloed vrij sterk uit de wond vloeide, begon er nu aan te denken om het slagveld te verlaten waar geen eer meer voor hem in te oogsten viel; maar de luitenant belette hem dit door zich voor de deur te plaatsen en hem den terugtogt af te snijden.

Northerton smeekte den luitenant ernstig hem te laten gaan, hem herinnerende aan de waarschijnlijk treurige gevolgen als hij bleef, terwijl hij hem ook vroeg, of hij anders had kunnen handelen dan hij gedaan had?

„Wat drommel!” riep hij; „het was maar gekheid van mij. Ik heb van mijn leven geen kwaad van jufvrouw Western gehoord!”

„Zoo!” riep de luitenant. „Dan verdient ge de galg! Evenzeer voor het maken van zulke grappen als voor het gebruiken van zulke wapenen. Gij zijt mijn arrestant, mijnheer;—en ge zult hier de deur niet uit tot er eene behoorlijke wacht is, om u in bewaring te nemen.”

Onze luitenant bezat zulk eene meerderheid over den vaandrig, dat al die bruischende moed, welke gediend had om onzen armen held neder te vellen, genoemden vaandrig naauwelijks aangespoord zou hebben het zwaard tegen den luitenant te trekken, als er een om zijne lendenen gegord ware geweest; maar alle degens hingen tegen den muur en werden bij het begin van den twist door den Franschen officier in bezit genomen. Dus was de heer Northerton gedwongen den afloop der zaak af te wachten.

Op verzoek van hun bevelhebber, rigtten de Franschman en de heer Adderly Jones op: daar zij echter weinige of geene teekenen van leven bespeurden, lieten zij hem weder vallen, terwijl Adderly hem verwenschte omdat hij zijn vest met bloed bevlekt had, en de Franschman uitriep:

„Pardie! Ik raak niet meer le mort aan;—men heeft mij verteld dat de Engelsche wet ophangt den man, die het laatst getoucheerd heeft den doode!”

Toen de goede luitenant naar de deur vloog, trok hij onderweg aan de schel, en zoodra de knecht verscheen, zond hij hem om een heelmeester. Deze boodschap, tegelijk met hetgeen de knecht zelf gezien had, bragt niet slechts de soldaten op de plek bijeen, maar ook den waard, zijne vrouw, de dienstboden, en iedereen die te dien tijd in de herberg was.

Het zou mij onmogelijk zijn, al kon ik veertig pennen tegelijk voeren, om alle bijzonderheden en alle gesprekken op te schrijven die voorvielen bij het tooneel dat nu volgde. De lezer moet zich dus met het merkwaardigste te vreden stellen, en zal waarschijnlijk het overige best kunnen missen.

Het eerste dat gedaan werd, was zich van Northerton te verzekeren, die onder begeleiding van een korporaal en zes man weggebragt werd van eene plaats, welke hij gaarne verlaten wilde;—maar ongelukkig, naar eene plaats, waarheen hij ook zeer ongaarne ging. Ja, zoo grillig zijn de wenschen der eerzucht, dat op hetzelfde oogenblik dat deze jongeling zich door bovengemelde eerewacht omgeven zag, hij zich volgaarne verschuild zou hebben in eenigen uithoek der wereld, waar geen mensch er ooit iets van had kunnen vernemen.

Het verbaast ons, en misschien den lezer ook, dat de waardige en goede luitenant zich eerder er op toelegde om zich van den misdadiger te verzekeren, dan om het leven van den gewonde te redden. Wij merken dit hier op zonder eenig plan om zulk een vreemd gedrag te willen verklaren; maar alleen om te beletten dat eenig recensent zich er later op beroemen zou het zelf ontdekt te hebben. Wij wilden die heeren doen begrijpen, dat wij zonderlingheden in eens menschen karakter even goed ontwaren als zij zelven; maar het is alleen onze taak om de feiten naar waarheid te vermelden, terwijl, als wij dat gedaan hebben, de geleerde en schrandere lezer het oorspronkelijke boek der natuur moet raadplegen, waaruit elke bladzijde in ons werk afgeschreven is, zonder dat wij echter ons telkens verpligt gevoelen de bijzondere bladzijde te vermelden.

Het gezelschap dat nu bijeen gekomen was, scheen van een geheel ander gevoelen te zijn. Zij beteugelden hunne nieuwsgierigheid omtrent den vaandrig, tot zij hem later in eene meer belangwekkende positie zouden zien. Thans werd hunne belangstelling en oplettendheid alleen geboeid door het bebloede voorwerp op den grond, dat evenwel, zoodra het op een stoel gezet werd, eenige teekens begon te geven van leven en beweging. Zoodra de omstanders dit ontwaarden (want men hield Jones eerst voor dood), begonnen zij allen tegelijk iets voor te schrijven; want daar er niemand van de geneeskundige fakulteit aanwezig was, nam iedereen dat ambt op zich.

Met eenparige stemmen verklaarde men zich voor eene aderlating; maar ongelukkig was er geen heelmeester bij de hand;—om welke reden iedereen uitriep: „Zend om den barbier!” zonder echter dat iemand met dat doel een voet verzette. Op even weinig doelmatige wijze, werd het gebruik van allerlei drankjes voorgeschreven; tot de waard, eene kan oud bier, warm, en met een stuk geroosterd brood er in bestelde,—wat hij voor het beste geneesmiddel hield in het land.

De persoon, die de meeste hulp verleende bij deze gelegenheid, en inderdaad de eenige die werkelijk eenige dienst scheen te zullen bewijzen, was de vrouw van den waard, die wat van haar hoofdbaar afsneed en het op de wond legde om het bloed te stillen, den jongeling eigenhandig de slapen wreef en met de meeste minachting voor de voorschriften van haar man, eene der meiden zond om eene flesch brandewijn uit hare eigene kast, waaruit zij Jones, die pas weder tot bezinning gekomen was, overhaalde om een flinken slok te gebruiken.

Kort daarop verscheen de heelmeester, die de wond onderzocht, het hoofd schudde, alles afkeurde wat er al gedaan was en beval den patient dadelijk naar bed te brengen, waar wij het goed vinden hem een tijdlang in rust te laten en dus hiermede een einde aan dit hoofdstuk maken.

HOOFDSTUK XIII.

OVER DE GROOTE BEHENDIGHEID VAN DE WAARDIN, DE GROOTE GELEERDHEID VAN DEN HEELMEESTER, EN DE GROOTE BEDREVENHEID VAN DEN WAARDIGEN LUITENANT OP HET PUNT VAN GEWETENSVRAGEN.

Zoodra de gekwetste naar bed gebragt was, en al de drukte begon te bedaren, door dit ongeluk in het huis veroorzaakt, sprak de waardin den bevelvoerenden officier aldus aan:

„Ik vrees, mijnheer, dat die jongeling zich niet betamelijk gedragen heeft in het bijzijn der heeren en dat, als men hem doodgeslagen had, hij slechts zijn verdiend loon gekregen zou hebben; want, als mindere menschen in het gezelschap van hunne meerderen toegelaten worden, moesten zij nooit vergeten zich behoorlijk op een afstand te houden;—maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, er zijn er maar weinigen, die dat weten te doen. Wat mij betreft, ik weet zeker, dat ik nooit gewild zou hebben, dat zulk een mensch zich bij de heeren indrong; maar ik dacht dat hij ook officier was, tot de sergeant mij vertelde dat het slechts een rekruut was.”

„Ge vergist u zeer, vrouwtje, omtrent de heele zaak,” antwoordde de luitenant. „De jonge heer gedroeg zich uitstekend goed, en is, geloof ik, een veel fatsoenlijker man dan de vaandrig, die hem tergde. Als de jongen sterft, zal diegene, die hem den slag toebragt, het zwaar te verantwoorden hebben;—ons regiment zal een zeer lastigen vent kwijt worden, die het leger tot schande strekt, en het zal mijne schuld niet wezen als hij aan de justitie ontsnapt;—dat verzeker ik u, jufvrouw!”

„Wel! Wel! Heere mijn tijd!” riep de waardin, „wie zou zoo iets gedacht hebben? Ja, ja! Ik wil wel gelooven dat mijnheer zorgen zal dat het regt zijn loop heeft;—en dat is ook voor iedereen billijk. De groote heeren moeten ons, arm volk, niet doodslaan zonder het te verantwoorden. Een arm mensch heeft ook eene ziel, even goed als zijne meerderen!”

„Wezenlijk, jufvrouw,” zei de luitenant, „ge doet den vrijwilliger groot onregt:—ik durf wedden dat hij fatsoenlijker man is dan de officier.”

„Juist!” hernam de waardin;—„precies! Ziet u, mijn eerste man, dat was ook een verstandig mensch, en hij plagt te zeggen dat men het innerlijk niet altijd naar het uiterlijk beoordeelen kan. Ja, en dat was ook hier welligt gunstig; want ik zag hem in ’t geheel niet tot hij daar in zijn bloed lag! Wie had zich zoo iets kunnen verbeelden! Welligt een jonge heer die eene ongelukkige liefde gehad heeft. Goede hemel! Als hij kwam te sterven, wat zou dat een leed zijn voor zijne ouders! Wel! die hem zoo mishandeld heeft, moet door den duivel bezeten zijn! Ja, mijnheer heeft gelijk; hij onteert het leger! De meeste heeren van het leger die ik ooit gezien heb, zijn ’n heel ander slag van menschen, en zien er uit als of zij zich schamen zouden een christenmensch te vermoorden; dat wil zeggen zoo buiten den oorlog, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen. ’t Is waar, als het oorlog is, moet er bloedvergieten zijn;—maar dat kunnen zij niet helpen. Hoe meer van onze vijanden zij dan dooden hoe beter, en ik wou maar van ganscher harte dat zij ze allen dood sloegen, tot den laatsten man toe!”

„Wel, foei, jufvrouw!” zei de luitenant, met een glimlach: „dat is wat al te bloeddorstig!”

„Volstrekt niet, mijnheer!” hernam zij. „Ik ben volstrekt niet bloeddorstig, behalve ten opzigte onzer vijanden en dat kan toch geen kwaad. ’t Is toch maar natuurlijk in een mensch te wenschen dat zijne vijanden dood waren, en dat er een einde aan den oorlog kome en dat de belastingen verminderen;—want het is verschrikkelijk zoo als wij nu betalen moeten! Ja, meer dan veertig shillings voor de ramen en vensters, ofschoon wij alles digtgemaakt hebben wat we maar missen konden;—wij hebben wezenlijk het huis half donker gemaakt; en ik zei tot den taxateur:—Vriend, zei ik, ons moest ge wel iets door de vingers zien; want wij zijn trouwe aanhangers van het bestuur, dat is waar; en wij betalen een schat van geld. En toch denk ik dikwerf zoo bij mij zelve, het gouvernement schijnt niet meer om ons te geven dan om anderen die geen duit betalen. Ja, ja! zoo gaat het in de wereld!”

Zij was nog in dezen trant aan den gang toen de heelmeester binnen trad. De luitenant vroeg dadelijk hoe de patient het maakte? Het eenige bescheid dat hij kreeg, luidde: „Beter, geloof ik, dan hij zich thans bevinden zou, als men mij niet ingeroepen had, en het zou misschien, zelfs nu, beter voor hem geweest zijn als men mij vroeger geroepen had.”

„Ik hoop toch, mijnheer, dat de schedel niet gebroken is?” riep de luitenant.

„Hm!” hernam de heelmeester. „Breuken zijn niet altijd de gevaarlijkste zaken. Kneuzingen en gescheurde wonden gaan dikwerf vergezeld van ergere verschijnselen en nog noodlottiger gevolgen dan breuken. Menschen, die niets van de zaak begrijpen, verbeelden zich, dat als er geen beenbreuk is, er ook geen gevaar bestaat; terwijl ik liever eens menschen schedel geheel stuk geslagen zou zien, dan op sommige wijzen, zoo als ik gezien heb, gekneusd.”

„Ik vertrouw toch dat er geene verschijnselen van dien aard nu te duchten zijn?” vroeg de luitenant.

„De verschijnselen,” hernam de heelmeester, „zijn niet altijd standvastig en geregeld. Ik heb wel eens gezien dat de ongunstigste verschijnselen ’s morgens dikwerf ’s middags gunstig werden en ’s avonds weder hoogst ongunstig. Van wonden, inderdaad, zegt men te regt: „Nemo repente turpissimus fuit.” Ik herinner me eens geroepen te zijn bij een patient, die lijdende was aan eene geweldige kneuzing van de tibia, waarbij de cutis aan de oppervlakte gescheurd was, zoodat er eene ruime bloedontlasting volgde en de inwendige weefselen zoodanig beleedigd waren dat het os, of het been, zeer duidelijk zigtbaar was tusschen de lippen van het vulnus, of de wond. Daar er zich tevens eene koortsachtige aandoening vertoonde,—want de pols was hard en gaf eene sterke verbloeding te kennen, vreesde ik dat zich onmiddellijk koudvuur voordoen zou. Om dit te voorkomen, maakte ik dadelijk eene groote opening in de ader van den linker arm; waaruit ik twintig ons bloed aftapte, wat ik verwacht had zeer dun en geleiachtig, of liever, geheel verstijfd te vinden;—hetgeen het geval is bij pleuris en dergelijke ziekten; maar tot mijne groote verwondering, was het rood en frisch en de dikte er van verschilde slechts zeer weinig van die van het bloed van een volmaakt gezond mensch. Ik ging er toe over om eene pap op de gewonde plaats te leggen, wat zeer aan mijne verwachtingen voldeed en na de eerste drie of vier verbanden, begon de wond een dikke pus, of etter te ontlasten, waardoor de cohesie;—maar welligt maak ik me niet geheel en al verstaanbaar?”

„Neen,” hernam de luitenant, „dat is waar. Ik kan niet zeggen dat ik er iets van begrijp.”

„Nu, mijnheer, dan zal ik uw geduld niet op de proef stellen. Met een woord, binnen de zes weken was mijn patient in staat even goed de beenen te gebruiken als voor dat hij de kneuzing gekregen had.”

„Ik zou u toch willen verzoeken, mijnheer,” zei de luitenant, „de beleefdheid te hebben mij te zeggen of de wond van dezen jongen heer doodelijk zal zijn of niet?”

„Mijnheer,” hernam de heelmeester, „het zou dwaze en vermetele verwaandheid zijn, als men bij het leggen van het eerste verband zeggen wilde dat eene wond doodelijk zal zijn of niet. Wij zijn allen sterfelijk, en verschijnselen doen zich soms voor bij eene geneeskundige behandeling, welke niet voorzien konden worden door de beroemdste beoefenaren van onze wetenschap.”

„Maar gelooft gij dat hij in gevaar verkeert?” vroeg de andere.

„In gevaar?” herhaalde de heelmeester. „Wel zeker! Wie van ons, die zelfs de meest volmaakte gezondheid geniet, kan buiten gevaar heeten? Zou men dan kunnen zeggen dat iemand met zulk eene zware wonde in het hoofd buiten gevaar is? Het meeste wat ik nu zeggen kan, is, dat het een geluk is, dat men mij inriep, en dat het welligt beter zou geweest zijn als men mij vroeger geroepen had. Ik zal hem morgen vroeg weder bij tijds komen zien, en inmiddels moet men hem heel stil houden en volop gersten-water laten drinken.”

„Mag hij witten wijn, met melk gekookt, hebben?” vroeg de waardin.

„Ja,—dat wel, als het maar heel slapjes is!” riep de dokter.

„En een weinig kippensoep ook?” voegde zij er bij.

„Ja, ja,” zei de dokter; „kippensoep is best voor hem.”

„Mag ik ook wat gelei voor hem klaar maken?” vroeg de waardin.

„Ja, ja,” hernam de dokter, „gelei is uitmuntend in het geval van wonden, want ze bevordert de cohesie.”

En werkelijk, het was heel gelukkig dat zij niet van sterke soepen en pikante sousen sprak, want de dokter zou ja gezegd hebben bij alles, liever dan hare klandisie te verliezen.

Zoodra de heelmeester weg was, begon de waardin zijn lof aan den luitenant te verkondigen, die, na hunne korte kennismaking, volstrekt geene zoo gunstige meening opgevat had van zijne kennis als die welke de goede vrouw en de geheele buurt van hem had,—en misschien niet zonder grond,—want, hoewel, naar ik vrees, de dokter meer of minder een kwast was, kon hij desniettemin toch een uitstekende heelmeester zijn.

De luitenant, uit het geleerde gesprek van den dokter opgemaakt hebbende dat de heer Jones zich in groot gevaar bevond, gaf bevel dat men den heer Northerton streng bewaken zou, met het voornemen om hem den volgenden morgen aan den vrederegter over te leveren, en om het overbrengen van het transport naar Gloucester toe te vertrouwen aan den Franschen luitenant, die, hoewel hij geen eene taal goed lezen, schrijven of spreken kon, toch een uitnemend officier was.

’s Avonds zond onze kommandant ook een boodschap aan den heer Jones, om hem te doen weten, dat als een bezoek hem niet vermoeijen zou, hij gaarne zijne opwachting bij hem wilde maken. Deze beleefdheid werd dankbaar en gaarne door Jones aangenomen, en de luitenant ging dus naar boven, waar hij den gewonde veel beter vond dan hij gedacht had;—ja, Jones gaf zelfs zijn vriend te kennen, dat als hij geene stellige bevelen van den heelmeester ontvangen had om te blijven liggen, hij al lang geleden opgestaan zou zijn; want hij gevoelde zich volmaakt wel, en ondervond niets van de wond, dan wat pijn aan dien kant van het hoofd, waar de slag hem getroffen had.

„Het zal me genoegen doen, als ge wezenlijk zoo wel zijt als ge u verbeeldt,” zei de luitenant; „want in dat geval, zult ge in staat zijn om u dadelijk voldoening te verschaffen; want als eene zaak niet meer bij te leggen is, zoo als een slag, bij voorbeeld, hoe eerder gij dan met uwe tegenpartij uitgaat hoe beter;—maar, ik vrees dat ge u verbeeldt beter te zijn dan werkelijk het geval is, en dat zou hem te veel voordeel op u geven.”

„Ik zal het echter wagen, als het u belieft,” hernam Jones, „als gij maar zoo goed wilt wezen mij een degen te leenen; want ik heb er zelf geen bij me.”