Tom Jones

Part 3

Chapter 33,850 wordsPublic domain

„Het zou een blijk zijn van gebrek aan gezond verstand en al wat edel is in den mensch, als men u kennen kon zonder uwe goedheid te vereeren. In mij zou het meer dan ondankbaarheid wezen als ik niet diep getroffen was door de hooge mate van goedheid, welke het u behaagt jegens mij te toonen. Wat mijn berouw betreft over het verledene,—ik weet, dat gij mij de schaamte zul: besparen van de betuigingen daarvan te herhalen. De toekomst zal wel beter mijne gevoelens bewijzen, dan eenige betuigingen, die ik nu zou kunnen doen. Mag ik u echter verzekeren, mijnheer, dat ik nog hooger prijs stel op uw goeden raad, dan op het edelmoedige aanbod, waarmede gij eindigdet? Want, gelijk het u behaagde op te merken, mijnheer, het is een bewijs, dat gij me niet geheel ontbloot acht van verstand;” hier zweeg zij een oogenblik, terwijl hare tranen rijkelijk vloeiden, en hervatte toen: „Inderdaad, mijnheer, uwe goedheid overstelpt mij; maar ik zal trachten ze waardig te worden; want, als ik wezenlijk het verstand bezit, dat gij mij zoo vriendelijk toekent, kan zulke raad niet te vergeefs zijn. Ik dank u van ganscher harte, mijnheer, voor uwe voorgenomene weldaden jegens mijn arm hulpeloos kindje; het is onschuldig en zal, naar ik hoop, leven om dankbaar te zijn voor de gunst welke gij hem bewijzen wilt. Maar nu, mijnheer, moet ik u op mijne knieën smeeken, niet vol te houden met van mij te vorderen dat ik u den vader van mijn kind zal noemen. Ik beloof u plegtig dat gij dien naam eens zult hooren; maar ik heb me verbonden door de heiligste beloften en eeden, om op dit oogenblik zijn naam te verzwijgen. En ik ken u te goed, om te kunnen veronderstellen, dat het uwe begeerte zou zijn, dat ik mijn eenmaal gegeven woord, of mijne geloften zou schenden.”

De heer Allworthy, dien de bloote vermelding van zulke heilige zaken met ontzag vervulde, aarzelde een oogenblik eer hij antwoordde, en zeide haar toen, dat zij verkeerd gedaan had met zich aan zulke verpligtingen tegenover een schurk te onderwerpen; maar, daar zij dit eenmaal gedaan had, kon hij niet eischen, dat zij ze niet nakomen zou. Hij verzekerde haar, dat hij niet uit ijdele nieuwsgierigheid gevraagd had, maar alleen met het doel om den schuldige te straffen, en ten einde niet uit onwetendheid in het geval te komen soms iemand, die het niet verdiende, eene gunst te bewijzen.

Wat dit alles betrof, verzekerde hem Jenni plegtig, dat die man buiten zijn bereik was, en het noch in zijne magt had, noch in de gelegenheid was, om ooit van zijne goedheid misbruik te kunnen maken.

Haar openhartig gedrag had dezen waardigen man zoodanig voor Jenni ingenomen, dat hij gemakkelijk alles geloofde, wat zij hem vertelde; want daar zij zich niet verwaardigd had zich door eene onwaarheid te verontschuldigen, en het gewaagd had zich zijn grooter ongenoegen op den hals te halen liever dan hare eer of belofte te schenden door iemand anders te verraden, koesterde hij weinig vrees, dat zij zich aan onopregtheid tegenover hem schuldig zou maken.

Hij zond haar dus weg, met de verzekering, dat hij haar spoedig brengen zou buiten het bereik van de schande, welke zij zich berokkend had, en besloot met eenige woorden, waarbij hij haar berouw aanbeval, zeggende: „Vergeet niet, kind, dat gij nog de genade moet zoeken van iemand, wiens gunsten van nog veel grooter belang zijn dan de mijne.”

HOOFDSTUK VIII.

EEN GESPREK TUSSCHEN DE DAMES BRIGITTA EN DEBORAH, DAT ONDERHOUDENDER MAAR MINDER LEERZAAM IS DAN HET VOORGAANDE.

Zoodra de heer Allworthy zich, gelijk men gezien heeft, met Jenni op zijne boekenkamer begeven had, hadden mejufvrouw Brigitta en de goede huishoudster post gevat bij de deur van die kamer, waar zij, door het sleutelgat, de leerzame lessen door den heer Allworthy gegeven, tegelijk met de antwoorden van Jenni, en in één woord, alles wat in het vorige hoofdstuk beschreven is, gretig opvingen.

Inderdaad was deze opening in de deur van haar broeders studeerkamer even bekend aan mejufvrouw Brigitta en werd even dikwijls door haar gebruikt als de beroemde spleet in den muur door Thisbe in den ouden tijd. En het diende ook tot velerlei goede einden. Want, door dergelijke middelen werd mejufvrouw Brigitta dikwijls met de wenschen van haar broeder bekend, zonder hem de moeite te geven ze aan haar mede te deelen. Het is echter waar dat, er tevens eenige ongemakken mede gepaard gingen, en dat zij soms reden had, even als Shakespeare’s Thisbe, uit te roepen: „O booze, booze muur!” Want, daar de heer Allworthy magistraat was, kwamen er soms zekere zaken voor, bij onderzoekingen b.v. omtrent natuurlijke kinderen, en dergelijke, die wel beleedigend klinken konden in de kuische ooren van maagden,—vooral als zij de veertig jaren nabij zijn, zooals het geval was met mejufvrouw Brigitta. Evenwel, had zij het voordeel dat zij bij die gelegenheid den blos die zich op haar wang verspreidde voor de oogen der mannen verbergen kon en: „de non apparentibus et non existentibus eadem est ratio,”—wat zeggen wil, „als men niet ziet dat eene vrouw bloost, dan bloost zij ook niet.”

De beide waardige vrouwen bewaarden een diep stilzwijgen zoolang het tooneel tusschen den heer Allworthy en het meisje duurde: maar zoodra het gedaan en die heer verwijderd was, kon jufvrouw Deborah niet nalaten uit te varen tegen de zachtzinnigheid van haren meester, en vooral tegen zijne zwakheid om toetegeven, dat de naam van den vader van het kind verzwegen zou blijven,—een geheim dat zij zwoer vóór zonsondergang van Jenni af te persen.

Bij deze woorden vertrok mejufvrouw Brigitta hare gelaatstrekken tot een glimlach,—iets, dat zeer ongewoon bij haar was. Niet, dat de lezer zich behoeft te verbeelden dat het een van die ligtzinnige lachjes was, die Homerus ons wil doen verstaan dat aan Venus eigen zijn, als hij haar de lach-minnende Godin noemt;—het was ook niet een van die glimlachen, welke Freule Seraphina uit hare loge in de komedie als zoovele pijlen afschiet, en om welke te evenaren Venus hare onsterfelijkheid zou willen geven. Neen! Dit was eerder een van die glimlachen welke men zich voorstellen kan in de kuiltjes van de wang van de verhevene Tisiphone, of eene harer zusters.

Met een dergelijken glimlach dan, en met eene stem, liefelijk als de avondkoelte van Boreas in de aangename Novembermaand, verweet mejufvrouw Brigitta zachtjes aan juffer Deborah hare nieuwsgierigheid,—eene ondeugd, naar het schijnt, waarmede deze maar al te zeer behebt was en waartegen de andere met veel bitterheid uitvoer, er bijvoegende:

„Dat, in weerwil van al hare gebreken, zij den Hemel dankte, dat hare vijanden haar niet beschuldigen konden van eene ongepaste nieuwsgierigheid omtrent dingen, die haar niet aangingen.”

Zij ging nu voort met Jenni’s eergevoel en moed te roemen; zij zeide, dat zij niet nalaten kon het eens te zijn met haren broeder, dat er eenige verdienste was in hare openhartige bekentenis, en in hare getrouwheid aan haar minnaar; dat zij haar altijd voor een heel goed meisje gehouden had, en er niet aan twijfelde dat zij door den een of anderen schelm verleid was, die oneindig meer te berispen was dan zij, en zeer waarschijnlijk haar gefopt had door een huwelijksbelofte, of eenig verraad van dien aard.

Jufvrouw Deborah stond zeer verbaasd over deze houding van mejufvrouw Brigitta, want, als voorzigtige vrouw, liet zij zich zelden een woord ontvallen tot haar meester of zijne zuster, eer zij hun gevoelen gepolst had, waarmede hare denkwijze altijd naauwkeurig overeenstemde. Nu echter, had zij zich verbeeld heel veilig te kunnen lostrekken, en de verstandige lezer zal haar welligt niet van gebrek aan slimheid beschuldigen, als zij dat deed, maar eerder de verbazende vlugheid bewonderen, waarmede zij over stag ging, zoodra zij inzag, dat zij een verkeerden koers genomen had.

„Wel, jufvrouw,” zei deze knappe vrouw en waarlijk groote diplomate, „ik moet bekennen dat ik, even als gij zelve, toestemmen moet, dat het meisje zich heel goed gehouden heeft. En, gelijk door u opgemerkt is, als zij door den een of anderen snoodaard misleid is, verdient zij medelijden. En het is ook waar, zoo als gij zelve zegt, dat het meisje altijd een goed, eerlijk, eenvoudig schepsel scheen, dat niet ijdel was op haar gezigt, zoo als sommige ligtzinnige meiden in de buurt,—waarlijk!” „Dat is waar, Deborah,” hernam mejufvrouw Brigitta; „als het meisje eene van die ijdele feeksen was, die zoo talrijk zijn in de gemeente hier, zou ik de langmoedigheid van mijn broeder afgekeurd hebben. Ik zag een dag of wat geleden, een paar pachters dochters met den blooten hals in de kerk! Ik werd er akelig van! Als de meisjes de jongens zoeken te lokken, is het geen wonder dat zij zelve er in loopen! Ik verfoei zulke wezens, en het zou veel beter voor haar zijn, als hare gelaatstrekken door de kinderpokken mismaakt waren;—maar, ik moet bekennen, dat ik nooit iets ligtzinnigs van dien aard bij Jenni opgemerkt heb;—de eene of andere listige schelm heeft haar verraden, of welligt geweld gebruikt, daarvan ben ik overtuigd en ik heb diep medelijden met haar!”

Juffer Deborah keurde deze gevoelens goed, en het gesprek eindigde met een hevigen en bitteren aanval op de schoonheid en met vele medelijdende verontschuldigingen voor alle eerlijke, leelijke meisjes, die door de booze listen der snoode mannen verleid worden.

HOOFDSTUK IX.

BEVATTENDE VERBAZENDE DINGEN.

Jenni ging naar huis zeer te vreden met de ontvangst van den heer Allworthy, wiens goedheid zij zich beijverde algemeen bekend te maken; deels misschien om haren eigen hoogmoed te voldoen, deels met het meer voorzigtige oogmerk om hare buren met haar te verzoenen, of om aan hunne praatjes een einde te maken.

Maar hoewel dit laatste denkbeeld,—als zij het koesterde,—redelijk genoeg moge schijnen, beantwoordde de uitkomst niet aan hare verwachtingen;—want toen zij voor den magistraat geroepen werd, en men algemeen veronderstelde dat zij naar het verbeterhuis zou gezonden worden, riepen wel sommige der jonge vrouwen uit, „dat zij daarmede haar verdiend loon zou krijgen,” en zich met het denkbeeld vermaakten van haar te zien spinnen in een zijden kleedje, maar er waren toch vele anderen, die begonnen medelijden met haar te hebben; zoodra echter het bekend werd hoe de heer Allworthy zich gehouden had, brak de storm tegen haar los.

De eene zeide: „Nu, ik verzeker u, dat de juffer er goed afgekomen is!” Eene tweede riep: „Dat heeft men er van als men een wit voetje bij de menschen heeft!” Een derde: „Dat komt van de geleerdheid!” Iedereen had bij die gelegenheid iets kwaadaardigs te zeggen, en iets aan te merken op de partijdigheid der wet.

Het gedrag van deze menschen zal welligt den lezer onstaatkundig en ondankbaar toeschijnen, als hij de magt en de goedheid van den heer Allworthy bedenkt; maar, wat zijne magt betreft, hij maakte er nooit eenig misbruik van, en wat aangaat zijne goedheid, die werd zoo algemeen toegepast, dat hij al zijne buren daardoor geërgerd had; want het is een geheim, den grooten welbekend,—dat men door eene dienst te doen niet altijd een vriend verkrijgt, maar zeker zich vele vijanden schept.

Jenni werd echter door de zorg van den heer Allworthy spoedig buiten het bereik van alle verwijting gebragt, en toen de kwaadaardigheid niet meer in staat was hare woede op haar uit te storten, begon zij een ander voorwerp tot kwelling te zoeken, en dit was niemand anders dan de heer Allworthy zelf; want men fluisterde elkander weldra in het oor, dat hij de vader was van den vondeling.

Deze veronderstelling verklaarde, volgens de algemeene meening, zoo volmaakt zijne houding, dat die ook de algemeene toestemming verkreeg, en het geschreeuw over zijne zachtaardigheid begon weldra eene andere rigting te nemen en veranderde in smaadredenen over zijne wreedheid ten opzigte van het arme meisje. Zeer driftige en deugdzame vrouwen voeren hevig uit tegen mannen, die onechte kinderen hadden, welke zij verloochenden.

Het ontbrak ook niet aan menschen, die na het vertrek van Jenni, fluisterden dat men haar „weggemoffeld” had, met een voornemen dat te schandelijk was om vermeld te worden, en die herhaaldelijk wenken gaven, dat men een regterlijk onderzoek instellen moest, en dat zekere menschen gedwongen moesten worden het meisje weêr levend te laten zien.

Deze laster zou waarschijnlijk treurige gevolgen hebben gehad (of zou ten minste eenigzins lastig geweest zijn), voor iemand die een vreesachtiger of ergdenkender karakter had dan dat waarmede de heer Allworthy gezegend was; maar, in zijn geval, bleef die zonder gevolgen, en daar hij al dat gepraat diep verachtte, diende het alleen om een onschuldig genot te verschaffen aan de booze tongen in de buurt.

Daar wij echter onmogelijk gissen kunnen van welken aard onze lezer is, en daar het een tijdlang duren zal eer hij iets meer van Jenni hoort, houden wij het voor best, om hem reeds nu te doen weten dat de heer Allworthy, zoo als later blijken zal, bepaaldelijk onschuldig was aan elk misdadig voornemen ter wereld. Hij had, inderdaad, niets anders dan eene staatkundige dwaling begaan door, genade voor regt te gebruiken, en door te weigeren de goedaardigheid van het graauw [1] te voorzien van een voorwerp van medelijden, in den persoon van de arme Jenni, die men eerst gaarne der schande en den ondergang zou hebben zien prijsgeven, door eene vernederende bestraffing in de gevangenis,—ten einde haar later te kunnen beklagen.

Ver van dezen wensch te vervullen, waardoor alle hoop op beterschap verijdeld, en zelfs de gelegenheid daartoe benomen zou zijn geworden, als Jenni geneigd was om het pad der deugd te kiezen, wilde de heer Allworthy liever het meisje aanmoedigen om langs den eenigen mogelijken weg terug te keeren; want, ik vrees, dat het maar al te waar is, dat vele vrouwen verloren en tot den laagsten trap der ondeugd gezonken zijn, omdat zij buiten staat waren om den eersten misstap te herstellen. Dit zal, dunkt me, altijd het geval wezen, als zij onder hare vroegere kennissen blijven, en het was dus zeer wijs van den heer Allworthy om Jenni naar eene plaats te doen brengen, waar zij weder het genot van een goeden naam kon smaken, nadat zij de treurige gevolgen ondervonden had van dien te verliezen.

Derwaarts dus, waar het ook zij, willen wij haar eene gelukkige reis toewenschen, en voor het oogenblik afscheid van haar nemen en ook van haar kind, den vondeling, daar wij zaken van meerder gewigt aan den lezer mede te deelen hebben.

HOOFDSTUK X.

DE GASTVRIJHEID VAN DEN HEER ALLWORTHY, MET EENE KORTE SCHETS VAN DE KARAKTERS VAN TWEE BROEDERS, EEN GENEESHEER EN EEN KAPITEIN, DIE DOOR DIEN HEER ONTHAALD WERDEN.

Noch het huis noch het hart van den heer Allworthy waren voor eenig mensch gesloten; maar zij stonden meer bepaaldelijk open voor mannen van verdienste.

Het waren vooral mannen van genie en geleerdheid, die de eerste plaats in zijne gunst bekleedden, en hierin toonde hij veel scherpzinnigheid; want hoewel hij de voordeelen van eene wetenschappelijke opvoeding zelf gemist had, had hij echter, daar hij zeer groote natuurlijke gaven bezat, zooveel nut getrokken van eene vlijtige, hoewel late beoefening der letteren, en door den omgang met beroemde mannen van het vak, dat hij een zeer bevoegd beoordeelaar was geworden in de meeste vakken van letterkunde.

Geen wonder dus, in eene eeuw als deze, waar deze soort van verdienste zoo weinig in de mode is en zoo slecht beloond wordt, dat menschen, die er mede begaafd waren, zich gaarne verzamelden op eene plek, waar zij zeker waren van een goed onthaal,—en waar zij, inderdaad, bijna dezelfde voorregten als de rijken van geboorte konden genieten;—want de heer Allworthy was geen van die milde menschen, die gereed zijn overvloed van spijs, drank en gastvrijheid te schenken aan geleerde en geestige lieden,—waarvoor zij niets eischen dan vermaak, onderwijs, vleijerij en gedienstigheid;—in één woord, niets anders, dan dat zulke menschen zich zullen rangschikken onder de dienstboden, zonder de liverij hunner heeren te dragen, of eenig loon te ontvangen.

Integendeel: bij hem aan huis kon iedereen volmaakt over zijn eigen tijd beschikken, en terwijl hij aan al zijne lusten kon voldoen, zoover als de wet, de deugd en de godsdienst dat toelieten, zoo kon hij ook, als zijne gezondheid dat eischte, of zijn wensch hem daartoe aandreef, matig of zelfs overmatig zijn, afwezig blijven van tafel, of zich verwijderen zoodra hij verkoos, zonder dat hij zelfs verzocht werd het tegendeel te doen;—want, inderdaad, hebben dergelijke verzoeken van onze meerderen, heel veel van bevelen. Maar hier waren allen bevrijd van eene dergelijke onbeleefdheid,—niet slechts diegenen wier bijzijn overal eene gunst geacht wordt, wegens hunne tijdelijke omstandigheden, maar zelfs diegenen, wien in hunne armoede zulk eene kostelooze woonplaats van groote dienst is, en die des te minder welkom zijn aan de tafels van een groot man, naarmate zij er meer behoefte aan hebben.

Onder andere personen van dezen aard, bevond zich zekere Dr. Blifil, een man, die het ongeluk had gehad van al de voordeelen zijner groote gaven te zien verspillen, door de stijfhoofdigheid van zijn vader, die hem dwong een beroep te volgen, waarvoor hij een afkeer koesterde. Uit onderwerping aan deze stijfhoofdigheid, was de dokter in zijne jeugd genoodzaakt geweest in de medicijnen te studeren, of liever te zeggen, dat hij studeerde; want inderdaad waren de boeken in dit vak bijna de eenigen, waarmede hij onbekend was, en tot zijn ongeluk was de dokter op de hoogte van bijna iedere wetenschap, behalve juist die waardoor hij den kost moest verdienen; ten gevolge waarvan de dokter op veertigjarigen leeftijd geen brood te eten had.

Zoo iemand kon er op rekenen een goed onthaal bij den heer Allworthy te vinden, bij wien het ongeluk altijd eene aanbeveling was, mits het een gevolg was van de dwaasheid of slechtheid van anderen, en niet van het slagtoffer zelf. Boven en behalve deze eene negatieve aanbeveling, bezat de dokter ééne stellige aanbeveling. Deze was de schijn van groote godsdienstigheid. Of zijne vroomheid echt was of alleen schijn, zal ik niet wagen te zeggen daar, ik geen toets-steen bezit, om het echte van het onechte te onderscheiden.

Zoo de heer Allworthy ingenomen was met dezen karaktertrek, mejufvrouw Brigitta dweepte er mede. Zij wikkelde hem in allerlei godsdienstige gesprekken, bij welke gelegenheden zij altijd de meeste voldoening aan den dag legde over zijne kennis, en niet veel minder over de complimenten, welke hij haar dikwerf maakte over de hare.

Om de waarheid te zeggen, had zij een boel Engelsche godgeleerdheid gelezen, en zette meer dan eens de naburige geestelijken vast.

Inderdaad, hare woorden waren zoo rein, haar uiterlijk zoo wijs, en hare geheele houding zoo ernstig en plegtig, dat zij de benaming van heilige even zeer scheen te verdienen als hare naamgenoote, of eenige andere vrouwelijke heilige in den Roomschen kalender.

Daar echter alle sympathie, van welken aard ook, geschikt is om liefde te doen ontstaan, zoo leert ons ook de ondervinding, dat geene eerder daartoe voert, dan die van godsdienstigen aard, bestaande tusschen twee personen van verschillend geslacht. De dokter bemerkte, dat hij zich zoo aangenaam maakte bij mejufvrouw Brigitta, dat hij zekere ongelukkige gebeurtenis begon te betreuren, welke hem ongeveer tien jaren geleden overkomen was;—namelijk zijn huwelijk met eene andere vrouw, die niet slechts nog leefde, maar wat veel erger was, wier bestaan aan den heer Allworthy bekend was.

Dit was eene noodlottige hinderpaal voor het geluk dat hij anders waarschijnlijk had kunnen smaken bij deze jonge dame; want aan een ongeoorloofden omgang met haar, daar dacht hij zeker niet aan. Dit was of een gevolg van zijne vroomheid, en dit komt ons het meest waarschijnlijk voor—of van de reinheid zijner liefde, die die dingen begeerde, welke hij alleen verkrijgen en wettig bezitten kon door het huwelijk,—en volstrekt niet door het botvieren aan een ongeoorloofden hartstogt.

Hij had niet heel lang over die dingen nagedacht, toen hij zich herinnerde, dat hij een broeder had, die onder geen bezwaar van dien aard gebukt ging. Hij twijfelde er niet aan of deze broeder zou gelukkig slagen; want hij meende in de dame eene zucht tot het huwelijk te ontdekken, en als de lezer de gaven van den broeder leert kennen, zal hij welligt het vertrouwen op diens voorspoed niet onredelijk vinden.

Deze heer was ongeveer vijf en dertig jaar oud. Hij was van middelbare grootte en wat men noemt „welgebouwd.” Hij had een lidteeken op het voorhoofd, dat zonder zijne schoonheid te schaden, zijne dapperheid bewees:—want hij was officier op non-activiteit. Hij had schoone tanden, en als hij verkoos, iets vriendelijks in zijn glimlach, hoewel zijn gelaat, even als zijne houding en zijne stem, van natuur, iets zeer ruws hadden,—wat hij echter altijd afleggen kon, en dus zachtaardig en goedgehumeurd schijnen. Hij was noch onfatsoenlijk noch geheel van geest ontbloot, en in zijne jeugd was hij buitengewoon opgeruimd en druk geweest, wat hij ook weêr schijnen kon, als het hem goed dunkte, hoewel hij in den laatsten tijd eene meer ernstige houding aangenomen had.

Hij had, even als de dokter, zijne opvoeding aan de akademie gekregen, want zijn vader had,—met voornoemd onwrikbaar gezag,—hem voor den geestelijken stand bestemd;—daar echter zijn vader stierf eer hij geordend was, verkoos hij liever de krijgsdienst, en eene aanstelling van den koning boven die van een bisschop.

Hij had den rang gekocht van luitenant der dragonders, en werd later kapitein; daar hij echter met zijn kolonel twist had gekregen, werd hij genoodzaakt de dienst te verlaten, sedert welken tijd hij zich geheel afgezonderd, en tot de studie der Heilige Schrift bepaald had, en verdacht stond van eene neiging tot het methodisme.

Het scheen dus niet onwaarschijnlijk dat zoo iemand slagen zou bij eene dame van zulk een godsdienstige rigting, en wier neigingen op niets anders gevestigd waren dan den huwelijken staat in het algemeen;—maar hoe de dokter, die zeker geene groote liefde tot zijn broeder koesterde, om zijnentwil er toe besluiten kon om de gastvrijheid van Allworthy zoo slecht te vergelden, laat zich niet gemakkelijk verklaren.

Is het, dat zekere karakters even veel genot scheppen in het kwaad, als anderen in het goede? Of is het een genoegen medepligtig te wezen aan een diefstal, dien men zelf niet begaan kan? Of eindelijk (wat de ondervinding waarschijnlijk maakt), strekt het ons tot genoegen, om onze familie voort te helpen, hoewel wij ze in het minst niet liefhebben noch eerbiedigen?

Of de dokter eene van deze beweegredenen had, willen wij niet beslissen;—maar de zaak was zoo. Hij zond om zijn broeder, en vond ligt gelegenheid om hem aan Allworthy voor te stellen als alleen gekomen om een kort bezoek bij hem af te leggen.

De kapitein was nog geen week in huis geweest, toen de dokter reden had zich geluk te wenschen met zijne schranderheid. De kapitein was inderdaad even bedreven in de liefde als vroeger Ovidius zelf. Bovendien had hij nuttige wenken van zijn broeder ontvangen, van welke hij een uitstekend gebruik wist te maken.

HOOFDSTUK XI.

BEVATTENDE VELE REGELS EN EENIGE VOORBEELDEN VAN HET VERLIEFD WORDEN, BESCHRIJVINGEN VAN SCHOONHEID, EN ANDERE MEER DEGELIJKE AANLEIDINGEN TOT HET HUWELIJK.